Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2016:5035

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
10-08-2016
Datum publicatie
12-08-2016
Zaaknummer
C/02/315478 / HA ZA 16-339
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Inhoudsindicatie

Procesrecht. Artikel 128 lid 3 Rv. Recht op antwoord ten principale niet vervallen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Handelsrecht

Breda

zaaknummer / rolnummer: C/02/315478 / HA ZA 16-339

Vonnis in incident van 10 augustus 2016

in de zaak van

[de vrouw] ,

wonende te [plaatsnaam] ,

eiseres in de hoofdzaak,

verweerster in het incident,

advocaat mr. M. Koppelmans-de Goeij te 's-Hertogenbosch,

tegen

[de man] ,

wonende te [plaatsnaam] ,

gedaagde in de hoofdzaak,

eiser in het incident,

advocaat mr. A.D. Roos te Boxtel.

Partijen zullen hierna de vrouw en de man genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding;

  • -

    de incidentele conclusie tot onbevoegdverklaring;

  • -

    de incidentele conclusie van antwoord.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.

2 Het geschil in het incident

2.1.

De man vordert dat de rechtbank zich onbevoegd verklaart, dan wel de vrouw niet-ontvankelijk verklaart in haar vordering, althans haar deze als ongegrond en/of onbewezen te ontzeggen, met veroordeling van de vrouw in de proceskosten.

2.2.

De vrouw voert verweer.

2.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

3 De beoordeling

in de hoofdzaak

3.1

De vrouw vordert, samengevat, de wijze van verdeling van de gemeenschappelijke vermogensbestanddelen te gelasten op de door haar in de dagvaarding geformuleerde wijze.

3.2.

De vrouw legt, kort gezegd, aan haar vordering ten grondslag dat partijen tijdens hun relatie, die inmiddels is beëindigd, goederen in gemeenschappelijk eigendom hebben verkregen en dat die goederen nog moeten worden verdeeld.

in het incident

3.3.

Nu de incidentele conclusie is genomen voor alle weren, kan de man in zoverre worden ontvangen in zijn incidentele vordering.

3.4.

De man legt aan zijn vordering, samengevat, het volgende ten grondslag. Partijen zijn in artikel 10 van de tussen hen gesloten samenlevingsovereenkomst overeengekomen dat zij eerst in onderling overleg de (on)roerende goederen zullen waarderen en dat bij het ontbreken van overeenstemming de waardering geschiedt door een deskundige, welke wordt aangewezen door een der notarissen te Kaatsheuvel. Volgens de man heeft de vrouw het overeengekomen voortraject niet gevolgd, maar heeft zij zich direct tot haar advocaat gewend.

3.5.

Volgens de vrouw dient de vordering te worden afgewezen, omdat er geen sprake is van een bindend-advies-overeenkomst als bedoeld in boek 7 titel 15 BW en dat zelfs indien sprake is van een traject inzake bindend advies, dit altijd uitgaat van de vrijwilligheid van partijen. Voorts betwist de vrouw dat zij het overleg niet is aangegaan. Op meerdere verzoeken tot overleg is de man niet ingegaan. Ook heeft de vrouw begin 2015 een afspraak bij de notaris gemaakt om de afwikkeling te bespreken, waarvoor ook de man was uitgenodigd, maar de man is op die afspraak niet verschenen.

3.6.

De rechtbank overweegt als volgt. Artikel 10 van de tussen partijen gesloten samenlevingsovereenkomst luidt, voor zover thans van belang, als volgt:

1. (…)

2. De waardering van roerende zaken geschiedt in onderling overleg en bij gebreke van overeenstemming dienaangaande door een deskundige op verzoek van de meest gerede partij, aan te wijzen door een der notarissen te Kaatsheuvel.

3. Betreft de verdeling registergoed dan zal daarvan een notariële akte worden opgemaakt. De waardering geschiedt in onderling overleg en bij gebreke van overeenstemming door een deskundige op verzoek van de meest gerede partij, aan te wijzen door een der notarissen te Kaatsheuvel.

4. (…)

3.7.

Naar het oordeel van de rechtbank staat het partijen vrij om een dergelijk beding in een overeenkomst op te nemen. Zij zijn dan in beginsel gehouden om te trachten hun geschil in onderling overleg dan wel met behulp van een notaris en/of deskundige op te lossen. Voor zover partijen zich direct tot een eigen advocaat en vervolgens tot de rechtbank wenden, leidt dit echter niet tot niet ontvankelijkheid van één der partijen. Onderhandelingen in onderling overleg, zoals partijen in dit geval zijn overeengekomen, gaan, anders dan een bindend-advies-beding of arbitrage, namelijk uit van de bereidheid en vrijwilligheid van beide partijen. Van dit laatste is in onderhavig geval geen sprake, zodat van overleg kan worden afgezien. Het stond de vrouw dan ook vrij zich (gelijk) tot haar advocaat en tot de rechtbank te richten.

3.8.

Gelet op het voorgaande is van onbevoegdheid van de rechtbank, dan wel van niet-ontvankelijkheid van de vrouw, geen sprake, zodat de incidentele vordering van de man zal worden afgewezen.

3.9.

Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

in de hoofdzaak

3.10.

Het verweer van de man dat de vrouw zich (thans nog) niet tot de rechtbank had mogen wenden is geen exceptief verweer maar een verweer ten principale. De door de man bepleite onbevoegdheid van de rechtbank, dan wel niet-ontvankelijkheid van de vrouw, is immers niet een gevolg van toepassing van regels van zuiver processuele aard, maar het gevolg van een afspraak tussen partijen in de samenlevingsovereenkomst over hoe zij dienen te handelen ter zake gerezen geschillen met betrekking tot die samenlevingsovereenkomst. Dit betekent dat hier geen sprake is van een exceptie als bedoeld in artikel 128 lid 3 Rv. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om het recht van de man om te concluderen voor antwoord vervallen te verklaren, zoals door de vrouw is betoogd. De zaak zal worden verwezen naar de rol voor het nemen van een conclusie van antwoord aan de zijde van de man.

4 De beslissing

De rechtbank

in het incident

4.1.

wijst het gevorderde af,

4.2.

compenseert de kosten van het geding aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt,

in de hoofdzaak

4.4.

bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 21 september 2016 voor conclusie van antwoord.

Dit vonnis is gewezen door mr. Pulskens en bij vervroeging in het openbaar uitgesproken op 10 augustus 2016 in tegenwoordigheid van mr. Bishop-van Kollenburg, griffier.