Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2016:4926

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
03-08-2016
Datum publicatie
05-08-2016
Zaaknummer
02/316392 / HA RK 16-106
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

wraking

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

beslissing

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

wrakingskamer

Breda

zaaknummer: 02/316392 / HA RK 16-106

Beslissing van 3 augustus 2016

inzake

het wrakingsverzoek ex artikel 36 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

RECREATIEPARK FORT ORANJE B.V.,

gevestigd te Rijsbergen, gemeente Zundert,

verzoekster,

advocaat mr. G.C.L. van de Corput.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het vonnis in incident van 25 mei 2016 van de meervoudige handelskamer van de rechtbank, waarbij twee incidentele vorderingen van verzoekster zijn afgewezen, en de daaraan ten grondslag liggende stukken;

  • -

    de brief van 2 juni 2016 van verzoekster waarin zij de behandelend rechters wraakt;

  • -

    het verweerschrift van de behandelend rechters.

1.2.

Het verzoek is op 28 juli 2016 behandeld ter zitting van de wrakingskamer.

Na het uitroepen van de zaak zijn verschenen: [man x] , zonder statutaire functie bij verzoekster, [jurist], jurist, en de advocaat van verzoekster. Mr. T.N. Sanders, advocaat van de gemeente Zundert, is verschenen als toehoorder.

1.3.

De beslissing is bepaald op een termijn van uiterlijk een week.

2 Het verzoek

2.1.

Het verzoek strekt tot wraking van mr. Van Geloven, mr. Combee en mr. Van Alphen, rechters van de meervoudige handelskamer die belast is met de behandeling van de zaak met nummer C/02/308761 / HA ZA 15-805, betreffende een vordering die door verzoekster is ingesteld tegen de gemeente Zundert.

2.2.

De rechters van de meervoudige handelskamer berusten niet in de wraking.

3 De feiten

3.1.

Verzoekster is eigenaresse van een terrein van ruim 24 ha, gelegen aan de Bredaseweg in Rijsbergen. Op dat terrein exploiteert zij camping Fort Oranje, voorzien van ongeveer 630 stacaravans. De aandelen van verzoekster worden gehouden door de besloten vennootschap O-Projects B.V. De aandelen van die vennootschap worden gehouden door de besloten vennootschap [directeur verzoekster] Beheer B.V. De aandelen van die vennootschap zijn in handen van [directeur verzoekster] , die middellijk bestuurder van verzoekster is.

3.2.

Op 13 augustus 2013 is de besloten vennootschap [directeur verzoekster] Beheer B.V. in staat van faillissement verklaard. Volgens verzoekster heeft [directeur verzoekster] Beheer B.V. haar aandelen in O-Projects B.V. al op 8 juni 2013 verkocht aan de in Dubai gevestigde vennootschap Divine Investments Ltd.

3.3.

Bij besluit van 20 januari 2011 heeft het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Zundert verzoekster op straffe van verbeurte van een dwangsom verboden om de op camping Fort Oranje aanwezige logiesverblijven te (laten) gebruiken ten behoeve van de huisvesting van arbeidsmigranten. Deze last onder dwangsom is inmiddels onherroepelijk. Bij besluiten van 4 mei 2011, 11 mei 2011, 23 mei 2011 en 7 juli 2011 heeft het college meegedeeld dat verzoekster dwangsommen heeft verbeurd en dat het college de verbeurde dwangsommen tot een bedrag van € 100.000,- invordert. Op 13 september 2011 heeft het college een dwangbevel uitgevaardigd ten bedrage van € 100.000,- plus rente en kosten. Naderhand is het invorderingsbesluit van 11 mei 2011 door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vernietigd. Thans wil de gemeente op basis van het dwangbevel van 13 september 2011 een bedrag van € 15.000,- plus rente en kosten invorderen.

3.4.

Bij besluit van 18 november 2013 heeft het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Zundert verzoekster op straffe van verbeurte van een dwangsom gelast om de met het bestemmingsplan strijdige egaliseringswerkzaamheden voor de aanleg van parkeerplaatsen op camping Fort Oranje per direct te beëindigen. Deze last onder dwangsom is inmiddels onherroepelijk. Bij besluiten van 20, 21, 25, 27 en 28 november 2013 heeft het college meegedeeld dat de last is overtreden en dat verzoekster de opgelegde dwangsom van € 10.000,- heeft verbeurd. Op 3 maart 2015 heeft het college ter zake een dwangbevel uitgevaardigd ten bedrage van € 10.000,- plus rente en kosten.

3.5.

Bij besluit van 7 februari 2014 heeft het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Zundert verzoekster op straffe van verbeurte van een dwangsom verboden om een mobiele snackbar op camping Fort Oranje te (laten) plaatsen. Deze preventieve last onder dwangsom is thans onherroepelijk. Op 12 februari 2014 is geconstateerd dat de last is overtreden en dat verzoekster de opgelegde dwangsom van € 10.000,- heeft verbeurd. Bij besluit van 3 maart 2014 heeft het college aan verzoekster meegedeeld dat het de verbeurde dwangsom invordert. Op 13 oktober 2014 heeft het college hiervoor een dwangbevel uitgevaardigd ten bedrage van € 10.000,- plus rente en kosten.

3.6.

Op 8 december 2015 is verzoekster tegen de drie voornoemde dwangbevelen in verzet gekomen door de gemeente te dagvaarden voor deze rechtbank. Zij vordert ten gronde dat de bestreden dwangbevelen buiten effect worden gesteld. Bij wege van voorlopige voorzieningen vordert verzoekster dat de gemeente wordt veroordeeld om haar hele dossier over Fort Oranje en [directeur verzoekster] over te leggen en dat de gemeente wordt verboden om op basis van de dwangbevelen verdere executiehandelingen te verrichten.

3.7.

Bij vonnis in incident van 25 mei 2016 heeft de meervoudige handelskamer beide voorlopige voorzieningen afgewezen.

4 De gronden van het wrakingsverzoek en het standpunt van verzoekster

4.1.

Verzoekster stelt voorop dat transparantie en controle op het handelen van het bestuur de kern van de rechtsstaat is en dat de rechtspraak hier een belangrijke taak heeft. Volgens verzoekster miskent de meervoudige handelskamer deze taak.

In dat verband verwijst verzoekster in de eerste plaats naar de overweging van de meervoudige handelskamer dat bestuursrechtelijke procesbepalingen geen grond kunnen bieden voor de verstrekking van stukken of de inzage in stukken. Uit het feit dat de meervoudige handelskamer met deze enkele zin de stelling van verzoekster afdoet dat de verzetprocedure geen zuiver civiele procedure is, blijkt reeds de objectieve vooringenomenheid van de meervoudige handelskamer.

In de tweede plaats verwijst verzoekster naar de rechtsoverweging van de meervoudige handelskamer dat artikel 6 EVRM zich tot de verdragsstaten richt en niet kan worden ingeroepen tegen de wederpartij. Daarmee geeft de meervoudige handelskamer te kennen dat zij geen interesse heeft om kennis te nemen van mogelijk onrechtmatige afspraken van de gemeente Zundert met andere instanties die samenwerken om [directeur verzoekster] schade toe te brengen. De meervoudige handelskamer sluit daarmee al bij voorbaat uit dat er sprake is van onrechtmatig handelen van de gemeente Zundert.

In de derde plaats twijfelt verzoekster aan de onafhankelijkheid van de meervoudige handelskamer door de rechtsoverweging dat voor een verbod tot tenuitvoerlegging of voor schorsing van de dwangbevelen op de voet van artikel 438 Rv grond bestaat indien geoordeeld moet worden dat de gemeente misbruik maakt van haar bevoegdheid tot tenuitvoerlegging. Aangezien in de dagvaarding al is uitgelegd dat de gemeente Zundert haar bevoegdheden inzet voor een ander doel dan waarvoor ze zijn gegeven, ziet de meervoudige handelskamer dat misbruik van bevoegdheden van de gemeente kennelijk niet als een grond om de tenuitvoerlegging van de dwangbevelen te verbieden. Hiermee toont de meervoudige handelskamer zich vooringenomen.

Tot slot stelt verzoekster dat uit het incidentele vonnis in zijn geheel kan worden opgemaakt dat de meervoudige handelskamer het door verzoekster gestelde complot van de gemeente met andere instanties onaannemelijk acht en dat zij het om die reden niet relevant acht om het dossier van de gemeente Zundert over [directeur verzoekster] en Fort Oranje te raadplegen. Hieruit is het standpunt van de meervoudige handelskamer in de bodemprocedure reeds af te leiden. Dat duidt op vooringenomenheid althans op de schijn van vooringenomenheid.

4.2.

Ter zitting van de wrakingskamer licht verzoekster toe dat de zaak betrekking heeft op een procedure tegen de overheid. Dan zijn andere normen van toepassing die neergelegd zijn in de Awb, al is de Awb niet rechtstreeks van toepassing. Verder is dit verzet geen zuiver civiele procedure. De rechter moet zich daar bewust van zijn en optreden als hoeder van de rechtsstaat. Het staat vast dat er sprake is van een complot tegen Fort Oranje, maar de meervoudige handelskamer is niet nieuwsgierig naar wat er hier speelt. Het besef van een complot ontbreekt. Dat wijst op vooringenomenheid want de meervoudige handelskamer gaat ervan uit dat de overheid het beste voor heeft met de burger. De meervoudige handelskamer wil niet zien wat er nog meer speelt. Het vonnis in incident laat zien hoe de meervoudige handelskamer denkt over haar benadering van de zaak. Het is duidelijk hoe de zaak verder zal verlopen. De achterliggende stukken zijn noodzakelijk om de zaak te kunnen beoordelen.

5 Het standpunt van de rechters van de meervoudige handelskamer

5.1.

De rechters van de meervoudige handelskamer verweren zich met de navolgende stellingen.

De wrakingsgronden zijn allen gericht tegen beslissingen van de meervoudige handelskamer zoals die zijn gemotiveerd in het vonnis in incident. Het gaat om beslissingen op een incidentele vordering. Deze zijn gebaseerd op de stellingen van partijen zoals ingenomen in het kader van het incident. Deze beslissingen hebben geen verdere strekking en hebben dan ook geen betrekking op de hoofdzaak.

De rechters van de meervoudige handelskamer betwisten dat met de overwegingen en beslissingen blijk is gegeven van (de schijn van) vooringenomenheid. Daarvan is objectief noch subjectief bezien sprake. Niet gezegd kan worden dat deze beslissingen zozeer onbegrijpelijk zijn dat zij door vooringenomenheid zijn ingegeven.

6 Het standpunt van de andere procespartij

6.1.

Van de gemeente Zundert is geen schriftelijke reactie op het wrakingsverzoek ontvangen.

6.2.

Ter zitting merkt de advocaat van de gemeente op dat de argumentatie van verzoekster betrekking heeft op de inhoud van het vonnis in incident en niet gaat over de onafhankelijkheid van de rechters van de meervoudige handelskamer. De uitspraak in het incident zegt nog niets over de bodemzaak.

7 De beoordeling

7.1.

Volgens artikel 36 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) kan een rechter worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.

7.2.

Het onderhavige verzoek is ingediend namens verzoekster, die optreedt als partij in het executiegeschil. De rechtbank constateert dat het wrakingsverzoek een week na de uitspraak van het vonnis in incident is ingediend en een week voor de volgende roldatum. Naar het oordeel van de rechtbank is het verzoek tijdig gedaan en is verzoekster ontvankelijk in haar wrakingsverzoek.

7.3.

Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid neemt de rechtbank als uitgangspunt dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich een uitzonderlijke omstandigheid voordoet die een zwaarwegende aanwijzing vormt voor het oordeel dat een rechter jegens een procespartij een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij die partij dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is.

7.4.

Aanleiding voor het onderhavige wrakingsverzoek is het vonnis in incident van de meervoudige handelskamer. Daarbij is de vordering van verzoekster tot het treffen van twee voorlopige voorzieningen afgewezen. Verzoekster ontleent haar wrakingsgronden aan de rechtsoverwegingen waarmee de meervoudige handelskamer haar beslissing motiveert.

De rechtbank stelt voorop dat een negatief ervaren beslissing, een onwelgevallige beslissing of zelfs een beslissing waarvan de juistheid ernstig moet worden betwijfeld, in het algemeen geen grond is voor toewijzing van een verzoek tot wraking. Dit wordt anders indien de betreffende beslissing zozeer onbegrijpelijk is dat voor deze beslissing redelijkerwijs geen andere verklaring is te geven dan dat deze is ingegeven door vooringenomenheid van de rechter. Naar het oordeel van de rechtbank is daarvan in dit geval geen sprake. Daartoe overweegt de rechtbank het volgende.

7.5.

De bodemprocedure betreft een executiegeschil als bedoeld in artikel 438 Rv en is gericht tegen de tenuitvoerlegging van drie dwangbevelen door de gemeente Zundert. Aan die dwangbevelen liggen op rechtsgevolg gerichte besluiten van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Zundert ten grondslag, te weten drie lasten onder dwangsom, besluiten met de vaststelling dat er dwangsommen zijn verbeurd en besluiten tot invordering van de verbeurde dwangsommen. Tegen elk van die besluiten heeft een met voldoende waarborgen omklede rechtsgang bij de bestuursrechter opengestaan of staat zo’n rechtsgang thans nog open. Of het college bij het nemen van die besluiten misbruik van zijn bevoegdheden heeft gemaakt vanwege een complot tegen [directeur verzoekster] of Fort Oranje, zoals verzoekster stelt, moet worden beoordeeld door de bestuursrechter. In het kader van het onderhavige executiegeschil strekt de beoordelingsruimte van de civiele rechter zich niet verder uit dan tot de vraag of de tenuitvoerlegging van de dwangbevelen moet worden aangemerkt als misbruik van recht. Bij zijn beoordeling moet de civiele rechter betrekken dat het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Zundert gebonden is aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Dat de gemeente betrokken is bij een complot tegen [directeur verzoekster] of Fort Oranje en dat de gemeente misbruik van bevoegdheid heeft gemaakt, zoals verzoekster stelt, is in het executiegeschil enkel relevant indien de bestreden dwangbevelen om die reden door de gemeente zijn uitgevaardigd. Het is aan verzoekster om dat verband te leggen en aan te tonen.

7.6.

Op het executiegeschil bij de civiele rechter zijn naar de opvatting van de gewraakte rechters alleen de regels van het burgerlijk procesrecht van toepassing. Niet valt in te zien dat de gewraakte rechters door aldus te overwegen blijk geven van enige vooringenomenheid dan wel voedsel geven aan voormelde vrees. De eerste wrakingsgrond loopt hierop spaak. Op grond van artikel 223 Rv zijn partijen bevoegd om voor de duur van de procedure voorlopige voorzieningen te vorderen. In dat kader vordert verzoekster dat de gemeente wordt verboden om hangende de bodemprocedure executiemaatregelen te treffen en dat de gemeente wordt veroordeeld tot het overleggen van bepaalde stukken. De laatste vordering is naar zijn aard geen tijdelijke maatregel. De meervoudige handelskamer heeft die vordering opgevat en beoordeeld als een verzoek ex artikel 843a Rv.

7.7.

Anders dan in het bestuursrecht, waar op grond van de Wet openbaarheid van bestuur een ieder zonder opgave van redenen stukken mag opvragen bij een bestuursorgaan, kan – aldus de gewraakte rechters – op grond van artikel 843a Rv een procespartij door zijn wederpartij enkel tot het overleggen van stukken worden verplicht indien die wederpartij een rechtmatig belang bij de gevraagde stukken heeft. Verder moeten de gevraagde stukken voldoende bepaalbaar zijn en die stukken moeten betrekking hebben op een rechtsverhouding waarin de wederpartij partij is. Als vragende partij is het aan verzoekster om te stellen en te onderbouwen dat er voor wat betreft de gevraagde stukken van de gemeente aan al deze vereisten wordt voldaan. In het vonnis in incident oordeelt de meervoudige handelskamer dat verzoekster niet aan haar stelplicht heeft voldaan.

Naar het oordeel van de rechtbank kan uit die overweging naar zijn aard niet blijken of de meervoudige handelskamer al dan niet gelooft in een complot tegen [directeur verzoekster] of Fort Oranje.

7.8.

Een andere grondslag voor haar aanspraak op stukken van de gemeente ontleent verzoekster aan het recht op een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6 EVRM. Het recht op een eerlijk proces kan door een procespartij worden ingeroepen bij elk gerecht van elke aangesloten staat. Dat recht kan niet worden ingeroepen tegen een andere procespartij.

De rechtsoverweging van de meervoudige handelskamer dat artikel 6 EVRM zich tot de verdragsstaten richt en niet kan worden ingeroepen tegen de wederpartij, is een processuele stellingname. Naar het oordeel van de rechtbank kan uit zo’n overweging naar zijn aard niet blijken of de meervoudige handelskamer al dan niet gelooft in een complot tegen [directeur verzoekster] of Fort Oranje. De tweede wrakingsgrond kan dan ook niet slagen.

7.9.

Wat betreft haar afwijzing van het gevorderde tijdelijke verbod tot het treffen van verdere executiemaatregelen, constateert de rechtbank dat de meervoudige handelskamer hieraan geen inhoudelijke argumenten ten grondslag legt maar een praktische, namelijk dat de gemeente Zundert schadeplichtig is indien zij executiemaatregelen neemt die achteraf ongerechtvaardigd blijken te zijn. De meervoudige handelskamer heeft zich bij haar beslissing dus laten leiden door de gevolgen van tussentijdse executiemaatregelen, niet door argumenten die zij ontleent aan de inhoud van de zaak. Daar komt bij dat een eventuele inschatting van de uitkomst van de procedure in de hoofdzaak in beginsel nog niets zou zeggen over de uiteindelijke beoordeling van de hoofdzaak. Ook de derde wrakingsgrond slaagt derhalve niet.

7.10.

Resumerend is de rechtbank van oordeel dat uit de processuele overwegingen in het vonnis in incident naar hun aard niet kan blijken of de meervoudige handelskamer al dan niet gelooft in een complot tegen [directeur verzoekster] of Fort Oranje. De rechtsoverwegingen van de meervoudige handelskamer met betrekking tot het treffen van voorzieningen voor de duur van de bodemprocedure, hebben geen betrekking op de inhoudelijke beoordeling van de hoofdzaak. In zijn algemeenheid acht de rechtbank de beslissingen van de meervoudige handelskamer niet zodanig onbegrijpelijk dat die aanleiding geeft tot het aannemen van vooringenomenheid van de meervoudige handelskamer. Dat betekent dat ook de vierde wrakingsgrond niet slaagt. Het wrakingsverzoek wordt dan ook afgewezen.

8 De beslissing

De rechtbank:

wijst het verzoek tot wraking af.

Deze beslissing is gegeven op 3 augustus 2016 door mrs. Poerink, Kool en Brouwer, in tegenwoordigheid van mr. De Baar als griffier, en in het openbaar uitgesproken.