Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2016:4901

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
04-08-2016
Datum publicatie
07-12-2016
Zaaknummer
BRE - 15 _ 4487
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Woningbouwvereniging kan verhuurderheffing 2014 van ruim € 2 mln slechts voor circa 25% uit de inkomensafhankelijke huurverhoging bekostigen. De rechtbank oordeelt dat de verhuurderheffing niet in strijd is met artikel 1 van het EP en het gelijkheidsbeginsel.

Wetsverwijzingen
Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden 14, geldigheid: 1998-11-01
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2016-3028
V-N Vandaag 2016/2777
R. van Haperen annotatie in NTFR 2017/274

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Belastingrecht, enkelvoudige kamer

Locatie: Breda

Zaaknummer BRE 15/4487

uitspraak van 4 augustus 2016

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[belanghebbende] , gevestigd te [plaats Z] ,

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

de inspecteur.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Op 18 september 2014 heeft belanghebbende een aangifte verhuurderheffing 2014 ingediend en het volgens de aangifte verschuldigde bedrag voldaan.

1.2.

Op 5 november 2014 heeft belanghebbende bezwaar gemaakt tegen de voldoening op aangifte. In de uitspraak op dat bezwaar van 26 mei 2015 heeft de inspecteur de grondslag en het te betalen bedrag verminderd. Deze vermindering is bij beschikking met dagtekening 4 juni 2015 geformaliseerd.

1.3.

Belanghebbende heeft daartegen bij brief van 2 juli 2015, dezelfde dag per fax ontvangen door de rechtbank, beroep ingesteld. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 331.

1.4.

De inspecteur heeft op 14 augustus 2015 een verweerschrift ingediend.

1.5.

Op 20 augustus 2015 heeft belanghebbende de gronden van zijn beroep aangevuld.

1.6.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 juli 2016 te Breda.

Aldaar zijn verschenen en gehoord, namens belanghebbende, haar gemachtigde

[gemachtigde] , verbonden aan [kantoornaam gemachtigde] te Amsterdam, en namens de inspecteur, [verweerder] .

1.7.

Door de inspecteur is een pleitnota voorgedragen. Een kopie van de pleitnota is verstrekt aan belanghebbende.

2 Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast:

2.1.

Belanghebbende is een woningbouwvereniging en is eigenaar van meer dan 10 huurwoningen waarvan de huurprijs niet hoger is dan het bedrag bedoeld in artikel 13, eerste lid, onderdeel a, van de Wet op de huurtoeslag. Zij heeft een aangifte verhuurderheffing 2014 ingediend naar een te betalen bedrag van € 2.353.562. De aangifte betrof 3.720 objecten met een totale WOZ-waarde van € 619.398.000.

2.2.

Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen voormelde voldoening op aangifte. In de uitspraak op bezwaar heeft de inspecteur de grondslag (de in 2.1 vermelde WOZ-waarde) verminderd met € 6.854.000 (vanwege de eliminatie van een 60-tal zorgwoningen), waardoor een teruggave van de op de aangifte voldane verhuurderheffing is verleend tot een bedrag van € 26.146. Deze vermindering is bij beschikking geformaliseerd.

2.3.

In 2014 bedroeg de inkomensafhankelijke huurverhoging die belanghebbende zou hebben kunnen doorvoeren € 593.015. In het bezwaarschrift is vermeld dat de daadwerkelijk doorgevoerde inkomensafhankelijke huurverhoging € 205.684 bedraagt. Verdere gegevens over de financiële situatie van belanghebbende (zoals resultaat en eigen vermogen) zijn niet overgelegd. Ter zitting heeft de gemachtigde desgevraagd verklaard dat belanghebbende geen verlies lijdt en dat de continuïteit van de onderneming door de verhuurderheffing niet in gevaar komt.

3 Geschil

3.1.

Tussen partijen is in geschil of de Wet maatregelen woningmarkt 2014 II (hierna: Wmw II) in strijd is met:

(i) artikel 1 van het Eerste Protocol (hierna: EP) van het Europese Verdrag voor de Rechten van de Mens (hierna: EVRM);

(ii) artikel 14 EVRM en artikel 26 van het Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten (hierna: IVBPR).

Belanghebbende beantwoordt deze vragen bevestigend; de inspecteur beantwoordt deze vragen in tegengestelde zin. Het geschil onder (i) beperkt zich tot de vraag of op het niveau van de regelgeving danwel op individueel niveau een ‘fair balance’ tussen enerzijds het ongestoord genot van eigendom en anderzijds het algemeen belang van de regeling ontbreekt.

3.2.

Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken en het verhandelde ter zitting.

3.3.

Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en teruggave van de op aangifte voldane verhuurderheffing. De inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

4 Beoordeling van het geschil

4.1.

Belanghebbende heeft primair gesteld dat de Wmw II op regelniveau niet voldoet aan het ‘fair balance’-vereiste van artikel 1 van het EP van het EVRM. De doelstelling van de Wmw II is het genereren van inkomsten. Hierbij is aangegeven dat een belasting op de waarde van onroerende zaken het minst verstorende effect heeft. De wetgever gaat ervan uit dat verhuurders de financiële last die met deze belasting gepaard gaat, kunnen bekostigen door verkoop van bezit of door verbeteringen in de bedrijfsvoering. Hierbij heeft zij de grenzen van haar ruime beoordelingsmarge opgezocht en overschreden, aldus belanghebbende.

Subsidiair is er volgens belanghebbende op individueel niveau sprake van een buitensporige last welke ertoe leidt dat er niet kan worden geoordeeld dat er sprake is van een ‘fair balance’ tussen enerzijds het ongestoorde genot van eigendom en anderzijds het algemeen belang van de regeling. De afgedragen verhuurderheffing staat volgens haar in geen verhouding tot de extra inkomsten als gevolg van de inkomensafhankelijke huurverhogingen die zijn doorgevoerd. Volgens belanghebbende blijkt uit Kamerstukken (o.a. MvA, Kamerstukken I 2012-2013, 33 405, C, p. 30 en 31) dat er, anders dan de inspecteur meent, wel een relatie moet worden gelegd tussen de extra huuropbrengsten en de verhuurderheffing. Voorts heeft belanghebbende erop gewezen dat de bedragen die in deze zaak aan de orde zijn, veel groter zijn dan die in de verschenen rechtspraak waarin is geoordeeld dat geen sprake is van een buitensporige individuele last.

Meer subsidiair heeft belanghebbende gesteld dat er sprake is van strijd met artikel 14 EVRM en artikel 26 IVBPR. Er is sprake van ongelijke behandeling van gelijke gevallen nu eigenaren van meer dan 10 huurwoningen in de niet-gereguleerde sector niet in de heffing worden betrokken. Indien er geen relatie is tussen de inkomensafhankelijke huurverhoging en de verhuurderheffing, ontbreekt volgens haar een objectieve en redelijke rechtvaardiging voor de beperking van de verhuurderheffing tot het gereguleerde segment.

4.2.

De inspecteur heeft gewezen op uitspraken van de rechtbank Den Haag (1 mei 2015, ECLI:NL:RNDHA:2015:6282) en de rechtbank Noord-Holland (18 mei 2016, ECLI:NL:RBNHO:2016:3905). De jurisprudentie ter zake van de Wet Verhuurderheffing acht de inspecteur van overeenkomstige toepassing voor de Wmw II. Ook heeft hij aangevoerd dat er geen direct verband hoeft te bestaan tussen de mogelijke extra inkomsten voor verhuurders uit de huurverhogingen en de hoogte van de verhuurderheffing.

Wettelijk kader verhuurderheffing

4.3.

Ingevolge artikel 1.1, in samenhang met artikel 1.4, van de Wmw II wordt vanaf 1 januari 2014 een verhuurderheffing geheven van degene die op 1 januari van dat kalenderjaar het genot krachtens eigendom, bezit of beperkt recht heeft van meer dan 10 huurwoningen. Ingevolge artikel 1.2, eerste lid, onderdeel e, van de Wmw II wordt – voor zover van belang – als huurwoning aangemerkt een in Nederland gelegen voor verhuur bestemde woning waarvan de huurprijs niet hoger is dan het bedrag bedoeld in artikel 13, eerste lid, onderdeel a, van de Wet op de huurtoeslag.

4.4.

Ingevolge artikel 1.5, in samenhang met artikel 1.6, van de Wmw II wordt de verhuurderheffing geheven naar het belastbare bedrag, zijnde de som van de WOZ-waarden van de huurwoningen van de belastingplichtige, verminderd met 10 maal de gemiddelde WOZ-waarde van die huurwoningen. Ingevolge artikel 1.7 van de Wmw II bedraagt de heffing in 2014 0,381% van het belastbare bedrag.

Artikel 1 van het Eerste Protocol

4.5.

Tussen partijen is niet in geschil dat de verhuurderheffing op zichzelf een inbreuk vormt op het ongestoorde genot van eigendom als bedoeld in artikel 1 van het EP van het EVRM, dat deze inbreuk is voorzien bij wet en dat de verhuurderheffing een legitiem doel in het algemeen belang dient.

4.6.

Dat er een redelijke mate van evenredigheid moet bestaan tussen de daartoe in het algemeen belang gebruikte middelen en het legitieme doel dat daarmee wordt nagestreefd, vereist het bestaan van een redelijke verhouding (‘fair balance’) tussen het algemeen belang en de bescherming van individuele rechten. Waar het gaat om de beoordeling van wat in het algemeen belang is en de keus van de middelen om dit belang te dienen, komt aan de wetgever op het terrein van het belastingrecht een ruime beoordelingsvrijheid toe. In de parlementaire geschiedenis is als primaire doelstelling van de verhuurderheffing de beoogde versterking van de overheidsfinanciën genoemd. Er is daarbij voor een verhuurderheffing gekozen omdat een belastingheffing op onroerende zaken het minst verstorende effect heeft op het bruto binnenlands product per hoofd van de bevolking, in vergelijking tot indirecte belastingen, inkomstenbelastingen en vennootschapsbelasting. Verder vormt de verhuurderheffing volgens de wetgever een belangrijk element van een pakket aan maatregelen die zijn gericht op een betere werking van de woningmarkt (zie MvT, Tweede Kamer, vergaderjaar 2013-2014, 33 756, nr. 3, p. 4 en 6).

4.7.

Dat - zoals belanghebbende ter zitting heeft aangevoerd - een recente analyse van de verhuurderheffing de vraag opwerpt in hoeverre deze regeling nog houdbaar is, kan belanghebbende niet baten. Gelet op de hem toekomende beoordelingsvrijheid mag de fiscale wetgever zich baseren op veronderstellingen omtrent het algemeen belang en de effectiviteit van de daarvoor gekozen oplossing. Dat is slechts anders indien de veronderstellingen waarop de wetgever zijn keuzes baseert, evident onredelijk zijn. Niet geoordeeld kan worden dat aan de Wmw II veronderstellingen ten grondslag liggen die van iedere redelijke grond zijn ontbloot.

4.8.

Gelet op het bovenstaande heeft de wetgever met de verhuurderheffing de grenzen van de hem toekomende ruime beoordelingsvrijheid niet overschreden.

Individuele en buitensporige last

4.9.

Belanghebbende heeft haar stelling dat zij wordt getroffen door een individuele en buitensporige last niet aannemelijk gemaakt. Dat belanghebbende de verhuurderheffing voor maar 25% uit de inkomensafhankelijke huurverhoging kan bekostigen en de last, gezien de hoogte van het bedrag aanzienlijk is, is onvoldoende om te oordelen dat er sprake is van een buitensporige last voor belanghebbende. Het beroep van belanghebbende op artikel 1 van het EP faalt derhalve.

Strijd met artikel 14 EVRM en artikel 26 IVBPR: gelijkheidsbeginsel of verbod van willekeur

4.10.

Vooropgesteld dient te worden dat artikel 14 EVRM en artikel 26 IVBPR niet iedere ongelijke behandeling van gelijke gevallen verbieden, doch alleen die welke als discriminatie moet worden beschouwd omdat een objectieve en redelijke rechtvaardiging voor de ongelijke behandeling ontbreekt. Daarbij verdient opmerking dat op fiscaal gebied aan de wetgever in het algemeen een ruime beoordelingsvrijheid toekomt bij het beantwoorden van de vraag of gevallen voor de toepassing van de bedoelde verdragsbepalingen als gelijk moeten worden beschouwd en of, in het bevestigende geval, een objectieve en redelijke rechtvaardiging bestaat om die gevallen niettemin in verschillende zin te regelen. Indien het niet gaat om onderscheid op basis van aangeboren kenmerken van een persoon, zoals geslacht, ras en etnische afkomst, dient het oordeel van de wetgever daarbij te worden geëerbiedigd, tenzij het van redelijke grond ontbloot is. Dit laatste kan niet snel worden aangenomen. Het onderscheid moet van dien aard zijn dat de keuze van de wetgever evident van redelijke grond ontbloot is (zie Hoge Raad 22 november 2013, ECLI:NL:HR:2013:1206).

4.11.

Uit de parlementaire behandeling blijkt dat de heffingsvrije voet van tien woningen tot doel heeft om verhuurders van slechts enkele woningen buiten de heffing te laten, waardoor zowel de administratieve lasten voor bedrijven en burgers als de uitvoeringskosten voor de Belastingdienst aanzienlijk beperkt worden. Daarnaast is in de parlementaire behandeling opgemerkt dat door deze vrijstelling wordt geheven van meer professionele verhuurders (zie MvT, Tweede Kamer, vergaderjaar 2013-2014, 33 756, nr. 3, pag. 8). Gelet hierop is de keuze van de wetgever om verhuurders van tien of minder woningen buiten de heffing te laten, naar het oordeel van de rechtbank niet evident van redelijke grond ontbloot.

4.12.

De rechtbank volgt belanghebbende niet in haar standpunt dat zij ten onrechte ongelijk wordt behandeld ten opzichte van eigenaren van meer dan tien woningen in de niet-gereguleerde sector. Uit de parlementaire behandeling blijkt dat de verhuurderheffing zich beperkt tot het gereguleerde segment, omdat de verhuurders die op die markt actief zijn belang hebben bij de stabiliteit en gewaarborgde inkomsten die door de overheid zijn gecreëerd door het verstrekken van objectsubsidies gericht op de bouw van sociale huurwoningen en door het bestaan van de huurtoeslag. Zo al sprake is van gelijke gevallen, is de keuze van de wetgever om de heffing te beperken tot het gereguleerde segment daarom niet evident van redelijke grond ontbloot.

4.13.

De stelling van belanghebbende dat de verhuurderheffing strijdig is met het gelijkheidsbeginsel dan wel het verbod op willekeur, treft gezien het voorgaande geen doel.

4.14.

Gelet op het vorenstaande dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

5 Proceskosten

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

6 Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan op 4 augustus 2016 door mr. W.A.P. van Roij, rechter, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. W.C.C. Koreman-de Bok, griffier.

De griffier, De rechter,

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.

Voor burgers is het mogelijk hoger beroep digitaal in te stellen. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van de formulieren op Rechtspraak.nl / Digitaal loket bestuursrecht.