Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2016:4444

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
20-07-2016
Datum publicatie
20-07-2016
Zaaknummer
4802599-CV EXPL 16-1102
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Woningbouwvereniging vordert ontbinding en ontruiming van een woning wegens daarin aangetroffen hennep. Huurder voert verweer en stelt dat geen overlast is veroorzaakt en de hennep voor eigen gebruik bestemd was. Huurder lijdt aan psychiatrisch ziekte beeld (schizofrenie en psychoses) en behandelaars wijzen op een mogelijke decompensatie bij een ontruiming. Kantonrechter maakt een afweging en wijst de ontbinding en ontruiming af. Daarvoor is met name redengevend de aangetroffen hoeveelheid hennep, de omstandigheden waaronder de hennep in de woning is aangetroffen, de aanleiding voor de ontdekking daarvan en de gevolgen van een ontbinding voor huurder, gelet op zijn psychiatrisch ziektebeeld, van een gedwongen verhuizing of zelfs dakloosheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Prg. 2016/216
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Kanton

Tilburg

zaaknummer 4802599 CV EXPL 16-1102

vonnis van 20 juli 2016

in de zaak van

[eiseres]

,

gevestigd en kantoorhoudende te [woonplaats] ,

eiseres,

gemachtigde: mr. E.A.M. van Herwijnen, advocaat te Arnhem,

tegen

[gedaagde] , geboren op [geboortedatum] ,

wonende te [adres] ,

gedaagde,

gemachtigde: mr. B.G.M. de Ruijter, advocaat te Tilburg.

Partijen worden door de kantonrechter hierna [eiseres] en [gedaagde] genoemd.

1 Het verloop van het geding

1.1

Het verloop van de procedure blijkt uit de volgende stukken:

a. het tussenvonnis van 4 mei 2016 met de daarin vermelde stukken, waarbij een comparitie is bepaald;

b. de bij brief van 10 mei 2016 van mr. De Ruijter toegezonden verklaring;

c. de bij brief van 17 mei 2016 van mr. Van Haaren toegezonden productie (inhoudende de Algemene Voorwaarden Zelfstandige Woonruimte met kenmerk nr. 011192);

d. de aantekeningen van de griffier van de mondelinge behandeling die heeft plaatsgevonden op 22 juni 2016.

1.2

De inhoud van deze stukken, met inbegrip van de daarbij overgelegde bescheiden, geldt als hier ingelast.

1.3

De bij voormeld tussenvonnis bepaalde comparitie heeft op 22 juni 2016 plaatsgevonden. Daarbij is namens [eiseres] verschenen mevrouw [naam 1] (woonconsulent), bijgestaan door mr. E.A.M. van Herwijnen als gemachtigde. [gedaagde] is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. B.G.M. de Ruijter als gemachtigde. Partijen hebben ter zitting hun standpunten nader toegelicht en zijn over en weer in de gelegenheid gesteld om op elkaars standpunten te reageren.

1.4

Na afloop van de comparitie heeft de kantonrechter vonnis bepaald op heden.

2. Het geschil

2.1

[eiseres] vordert, bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

1. de huurovereenkomst betreffende de woning c.a. aan de [gedaagde] te ontbinden;

2. [gedaagde] te veroordelen om binnen acht dagen na betekening van het in deze te wijzen vonnis, althans op een in goede justitie te bepalen datum en tijdstip, de woning c.a. aan de [gedaagde] met alle personen en zaken die zich daar van zijnentwege bevinden, te ontruimen en te verlaten en aldus ontruimd en verlaten te houden en deze onder afgifte van alle sleutels in nette staat aan [eiseres] ter beschikking te stellen;

3. [gedaagde] te veroordelen tot betaling van de maandelijks verschuldigde huurpenningen, steeds vanaf het moment dat deze na de datum van dagvaarding zijn vervallen en nog zullen vervallen tot de datum van ontbinding van de huurovereenkomst;

4. [gedaagde] te veroordelen tot betaling van een maandelijkse verschuldigde vergoeding voor het gebruik van de woonruimte vanaf de datum van de ontbinding van de huurovereenkomst tot de datum van feitelijke ontruiming, gelijk aan de tot de datum van ontbinding verschuldigde huurprijs;

5. [gedaagde] te veroordelen tot betalen van de buitengerechtelijke kosten, uitdrukkelijk te vermeerderen met de wettelijke rente over de ter zake van deze kosten toegewezen bedragen vanaf de 14e dag na de datum van het ten deze te wijzen vonnis tot aan de dag der algehele voldoening;

6. [gedaagde] te veroordelen in de kosten van deze procedure, waaronder begrepen een salaris voor de gemachtigde van [eiseres] en de nakosten, met bepaling dat, indien niet binnen veertien dagen na dagtekening van het in deze te wijzen vonnis aan de proceskostenveroordeling voldaan is, daarover tevens wettelijke rente verschuldigd zal zijn.

2.2

[gedaagde] voert gemotiveerd verweer en concludeert primair tot afwijzing van de vordering, met veroordeling van [eiseres] in de proceskosten. Subsidiair vordert [gedaagde] , indien de huurovereenkomst wel wordt ontbonden, om de ontruimingstermijn op twee maanden te stellen, zodat [gedaagde] voldoende in de gelegenheid wordt gesteld om vervangende woonruimte te aanvaarden.

2.3

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

3 De beoordeling

3.1

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend, dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, alsmede op grond van de in zoverre niet weersproken inhoud van de producties, staan de volgende feiten in rechte tussen partijen vast.

  1. [eiseres] , althans haar rechtsvoorgangster, heeft met ingang van 30 december 1997 aan [gedaagde] verhuurd de woning, staande en gelegen aan de [gedaagde] .

  2. De huurprijs inclusief servicekosten bedraagt thans € 543,54 per maand. Deze huurprijs dient maandelijks bij vooruitbetaling te worden voldaan.

  3. Artikel 2.1 van de huurovereenkomst luidt: “Het gehuurde is bestemd om voor huurder en de leden van zijn huishouden als woning te dienen.”

  4. Op de huurovereenkomst zijn van toepassing de Algemene Voorwaarden Zelfstandige Woonruimte, kenmerk 011192.

  5. Artikel 8.1 van de toepasselijke voorwaarden luidt: “Huurder zal het gehuurde als een goed huurder en overeenkomstig de daaraan bij overeenkomst gegeven bestemming van woonruimte gebruiken, met inachtneming van de door verhuurder bij ondertekening van de overeenkomst gegeven aanwijzingen.”

  6. Artikel 8.5 van de voorwaarden luidt: “Huurder zal zich onthouden van gedragingen, waarvan naar algemeen gangbare opvattingen mag worden aangenomen dat zij schade veroorzaken aan naburige woningen dan wel overlast aan de omwonenden veroorzaken.”

  7. Artikel 8.6 van de voorwaarden luidt: “Huurder is jegens de verhuurder op gelijke wijze als voor eigen gedragingen aansprakelijk voor de gedragingen van hen die met zijn goedvinden het gehuurde gebruiken of zich met zijn goedvinden daarop bevinden.”

  8. Op 21 april 2015 heeft de politie een onderzoek in de woning van [gedaagde] ingesteld waarbij 10 vuilniszakken met henneptakken en henneptoppen zijn aangetroffen en in beslag zijn genomen. De politie heeft verder 1 bak voor stekjes aangetroffen en in beslag genomen. In die stekbak waren geen stekjes aanwezig.

  9. Op 11 mei 2015 heeft [naam 2] , woonconsulent bij [eiseres] , een brief (per gewone post en aangetekend) aan [gedaagde] gestuurd, waarin onder meer het volgende staat vermeld: “(…) De overeenkomst bepaalt expliciet dat het gehuurde de bestemming “woonruimte” heeft. Het is huurder evenmin toegestaan om qat, soft drugs, hard drugs of andere verboden middelen te verhandelen te produceren of in groepsverband te gebruiken of te laten gebruiken in het gehuurde of in de eventuele gemeenschappelijke ruimten, of een deel daarvan, of in directe omgeving van het gehuurde. Het is huurder bekend dat het handelen in strijd met voormelde gepaard kan gaan met overlast zoals vervuiling, vandalisme etc. (…) Op dinsdag 21 april 215 heeft de politie 10 vuilniszakken met henneptakken met henneptoppen aangetroffen, alsmede een plantenbak voor / met stekjes. Alvorens het opstarten van een juridische procedure tegen u, stel ik u hierbij in de gelegenheid vrijwillig over te gaan tot beëindiging van de huurovereenkomst. Ik nodig u daarom uit voor een gesprek op vrijdag 5 juni 2015 om 09:00 uur. Dit gesprek heeft op 5 juni 2015 plaatsgevonden. Na afloop van het gesprek heeft [naam 2] op 5 juni 2015 een brief (per gewone post en aangetekend) aan [gedaagde] gestuurd, waarin onder meer het volgende staat vermeld: “(…) Wij hebben u vrijdag 5 juni 2015 samen met uw vader / mantelverzorger op kantoor gesproken. Tijdens dit gesprek hebt u ons geïnformeerd dat u de hennep in uw woning gekweekt hebt, maar dat de kwekerij niet meer present is in uw woning. Daarnaast hebt u ons geïnformeerd dat er sprake is van een (psychisch) ziektebeeld en u begeleiding ontvangt van het GGZ. (…) Om een procedure en bijkomende kosten te voorkomen, geven wij u nogmaals de mogelijkheid om de huur zelf op te zeggen.”

  10. Op 17 juni 2015 hebben de ouders van [gedaagde] (te weten F.M. [gedaagde] en J.J.E. [gedaagde] -Janssen) een brief aan de directie van [eiseres] gestuurd, met onder meer de volgende inhoud: “(…) Ondergetekenden zijn de ouders en mantelzorgers van [gedaagde] , oud 45 jaar en huurder van de flat Griegstraat 395 te Tilburg. Onze zoon woont al meer dan 15 jaar in deze flat. Hij lijdt al meer dan 25 jaar aan schizofrenie waarvoor hij permanent onder behandeling staat van GGZ Breburg. Hij leeft in zijn woning redelijk ordelijk en zelfstandig en vooral zeer gelukkig, ondanks de vele stemmen in zijn hoofd. Hij onderhoudt ook goede sociale contacten met zijn familie. (…) Op 5 juni 2015 is [gedaagde] , in gezelschap van zijn vader, op gesprek geweest op uw kantoor (…). Onze gesprekspartner was mevrouw [naam 2] die ons mededeelde dat uw woningbouwvereniging voornemens was om tot huisuitzetting van [gedaagde] over te gaan. Nu is [gedaagde] na een reeks van rustige jaren ernstig in verwarring geraakt. Vanwege ziekte van Maartens behandelaar van de GGZ en het op dat moment niet beschikbaar zijn van juridische ondersteuning hadden wij op dat moment geen deskundige ondersteuning in deze kwestie. (…) Wij dringen er ten slotte met klem op aan uw voornemen te heroverwegen en een mogelijke huisuitzetting ongedaan te maken.”

  11. Bij brief van 18 juni 2015 heeft de burgemeester van Tilburg aan [eiseres] kenbaar gemaakt dat hij voornemens is om van zijn bevoegdheid – als bedoeld in artikel 13b van de Opiumwet – gebruik te maken om de woning te sluiten en gesloten te houden voor de duur van drie maanden, wanneer in de woning binnen een periode van 2 jaar tweemaal andermaal een handelshoeveelheid softdrugs wordt aangetroffen (Damoclesbeleid).

  12. Op 29 september 2015 heeft mr. De Ruijter een brief aan [naam 2] gestuurd, waarin staat dat [gedaagde] , gelet op zijn persoonlijke omstandigheden, niet over zal gaan tot vrijwillige beëindiging van de huurovereenkomst.

  13. De bij 3.1 onder h) aangetroffen hoeveelheid hennep betrof een voorraad voor [gedaagde] van circa zes maanden.

  14. In de brief van 22 april 2016 heeft [naam 3] (Casemanager bij GGZ Breburg), mede namens [naam 4] (psychiater bij GGZ Breburg) het volgende vermeld: “Verklaring

Als behandeld team van dhr. [gedaagde] menen wij dat het niet verantwoord is als hij op korte termijn uit zijn woning zou moeten. Dit vanwege zijn psychische aandoening waar hij aan lijdt. Dhr. [gedaagde] kan maar weinig stress verdragen en loopt bij een verdere toename van stress het gevaar in een psychose te raken. Hij raakt dan verward, met het risico dat hij niet kan functioneren en mogelijk rare of gevaarlijke dingen gaat doen, en/of moet worden opgenomen. Ook op zijn functioneren op de langere termijn zal zo’n decompensatie een negatieve invloed hebben. Deze verklaring heeft als doel te voorkomen dat een eventuele straf voor dhr. [gedaagde] , door de extra impact die deze zal hebben als gevolg van zijn ziekte, zwaarder uitvalt dan de bedoeling is.”

3.2

[eiseres] legt het volgende aan haar vordering ten grondslag. Inrichting of exploitatie van een hennepkwekerij in het gehuurde, dat uitsluitend als woning mag worden gebruikt is in strijd met de verplichting van [gedaagde] om zich als een goed huurder te gedragen (artikel 7:213 BW), in strijd met de verplichting om het gehuurde te gebruiken op de overeengekomen wijze (artikel 7:214 BW) en in strijd met voormelde bepalingen uit de huurovereenkomst en algemene voorwaarden. Er is sprake van een tekortkoming die de ontbinding van de huurovereenkomst en de ontruiming van het gehuurde rechtvaardigt, gelet op de gevaarzetting die de inrichting van een hennepkwekerij voor het gehuurde, verhuurder en omwonenden met zich meebrengt (brand- en ontploffingsgevaar, elektrocutiegevaar, persoonlijk letsel, water-, vocht- en stankoverlast wat kan leiden tot verloedering van de wijk en verminderde verhuurbaarheid).

3.3

Verder heeft [eiseres] gesteld dat zij een zero tolerance-beleid voert ten aanzien van hennep. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [eiseres] toegelicht dat voornoemd beleid met zich meebrengt dat het aanwezig hebben van hennep in de woning niet is toegestaan (‘nog go’) en indien dat wel het geval is, dat dan in alle gevallen wordt aangestuurd op een beëindiging van de huurovereenkomst. [eiseres] heeft in deze procedure dan ook haar belang benadrukt om het door haar gevoerde zero tolerance beleid inzake drugs-gerelateerde activiteiten (en alles wat daarmee samenhangt) in de door haar verhuurde woningen, strikt te handhaven. Wanneer in dit geval van dat beleid zou worden afgeweken, zou precedentwerking kunnen ontstaan. [eiseres] wenst – zo begrijpt de kantonrechter – te voorkomen dat aldus de deur wordt opengezet voor allerlei andere bedachte constructies met als doel haar beleid inzake het verbod van drugs-gerelateerde activiteiten (en alles wat daarmee samenhangt) alsmede de gevolgen daarvan, te ontduiken. Wanneer [eiseres] het handelen van [gedaagde] zou gedogen, zouden andere huurders daar weer rechten aan willen en kunnen ontlenen. In dit verband heeft [eiseres] tijdens de mondelinge behandeling benadrukt dat zij de afweging met betrekking tot de persoonlijke omstandigheden van de huurder, in dit geval [gedaagde] , niet wenst te maken en dat zij deze afweging over wenst te laten aan de kantonrechter.

3.4

Ten slotte heeft [eiseres] als reactie op de door [gedaagde] in het geding gebrachte brief zoals bij 3.1 onder o) is vermeld, gesteld dat [gedaagde] zichzelf in deze situatie heeft gebracht en dat hij de gevolgen daarvan ook zelf dient te dragen.

3.5

[gedaagde] erkent dat op 21 april 2015 de politie zijn woning is binnengetreden, waarbij henneptakken en henneptoppen verdeeld over 10 vuilniszakken zijn aangetroffen. Ook was er op dat moment één stekbak (zonder stekjes). [gedaagde] benadrukt dat de aangetroffen hoeveelheid hennep strikt voor eigen gebruik was. Van een (professionele) hennepkwekerij was echter geen sprake. In verband met de kosten die het gebruik van wiet met zich meebrachten, heeft [gedaagde] uiteindelijk zelf hennep in zijn woning gekweekt waarbij hij slechts gebruik maakte van één assimilatielamp. Indien [gedaagde] iets overhield aan zijn teelt, stopte hij dat in vuilniszakken en aldus is de door de politie aangetroffen hoeveelheid vuilniszakken ontstaan.

3.6

[gedaagde] betwist dat er sprake is geweest van overlast aan derden, dan wel het veroorzaken van schade of hinder aan derden dan wel [eiseres] . Hij wijst er op dat de politie een bezoek aan zijn woning heeft gebracht naar aanleiding van een melding wegens overlast door boorgeluiden. [gedaagde] heeft zelf geen boorgeluiden veroorzaakt. In dit kader betwist [gedaagde] dan ook dat hij zich niet als een goed huurder zou hebben gedragen of dat hij in strijd zou hebben gehandeld met de verplichting het gehuurde te gebruiken op de overeengekomen wijze.

3.7

Voorts doet [gedaagde] een uitdrukkelijk beroep op zijn persoonlijke omstandigheden. [gedaagde] lijdt al jarenlang aan schizofrenie en heeft ook last van psychoses. [gedaagde] hoort tot wel 15 stemmen in zijn hoofd en staat al jarenlang onder behandeling bij het GGZ. Teneinde zijn psychische klachten te temperen gebruikt [gedaagde] wiet. [gedaagde] heeft, onlangs zijn psychische klachten, zich zo gesetteld in de woning (sinds 1997) dat hij daar relatief stabiel kan leven met begeleiding van zijn ouders en het GGZ. Indien de huurovereenkomst wordt ontbonden vreest [gedaagde] een psychische decompensatie. In dit verband verwijst [gedaagde] naar de bij 3.1 onder o) vermelde verklaring van de casemanager en de psychiater bij het GGZ. Daarnaast voert [gedaagde] aan dat zijn vader recentelijk is overleden. [gedaagde] heeft altijd veel steun ondervonden bij zijn vader om zijn leven op de rit te houden. Gelet op zijn psychische klachten en het recente overlijden van zijn vader, is het leven van [gedaagde] in wankel evenwicht en naast de medicatie draagt het gebruik van wiet bij tot een rustig en enigszins stabiel leven.

3.8

Tijdens de mondelinge behandeling heeft [gedaagde] aangevoerd dat hij nog steeds regelmatig wiet gebruikt in verband met zijn psychische klachten, maar dat hij dit sinds de inbeslagname door de politie bij de growshop koopt. Aangezien [gedaagde] nu genoodzaakt is om wiet te kopen, is hij ook minder wiet gaan gebruiken omdat hij meer niet kan betalen. [gedaagde] wil namelijk niet in de schulden belanden. Ook heeft [gedaagde] gesteld dat hij niet wist dat het niet toegestaan is om hennep in de woning te telen. Verder heeft [gedaagde] benadrukt dat hij geen vangnet heeft in de vorm van familie of vrienden, dat hij gelet op zijn inkomsten (WAJONG-uitkering) afhankelijk is van de sociale woningbouw en dat het gelet op zijn psychische problematiek voor hem geen optie is om een kamer/woning te delen met anderen. [gedaagde] is erg op zichzelf gericht, heeft weinig contact met anderen en leeft volgens een vast patroon.

3.9

Ten slotte heeft de gemachtigde van [gedaagde] tijdens de mondelinge behandeling verweer gevoerd tegen het zero tolerance beleid van [eiseres] . In dit kader heeft [gedaagde] aangevoerd dat bij iedere (mogelijke) ontbinding de persoonlijke omstandigheden dienen te worden afgewogen. Het kan niet zo zijn dat indien er hennep wordt aangetroffen, dat dit meteen leidt tot een ontbinding van de huurovereenkomst zonder dat [eiseres] de persoonlijke omstandigheden van de huurder, in dit geval [gedaagde] , heeft meegewogen. In dit verband wijst [gedaagde] op een arrest van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch van

7 november 2006 (gepubliceerd op wwww.rechtspraak.nl onder ECLI-nummer 2006:BA0316).

De kantonrechter oordeelt als volgt.

3.10

Kern van het geschil is de vraag of de aanwezigheid van een (kleine) hennepkwekerij, althans hennep, in het gehuurde een tekortkoming oplevert die ontbinding van de huurovereenkomst met haar gevolgen rechtvaardigt. Bij beantwoording van die vraag is het bepaalde in artikel 6:265 BW van belang. Uit dat artikel vloeit voort dat iedere tekortkoming van de schuldenaar in de nakoming van een van zijn verplichtingen kan leiden tot gehele of gedeeltelijke ontbinding van de overeenkomst, tenzij de tekortkoming gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis, deze ontbinding met haar gevolgen niet rechtvaardigt.

3.11

Naar vaste rechtspraak (o.a. van het Gerechtshof te ’s-Hertogenbosch) levert het aanwezig hebben van een hennepkwekerij in een huurwoning als onderhavige, vanwege de daarmee voor het gehuurde en de omgeving gepaard gaande risico’s van brand, overlast (stank- en wateroverlast), schade (vocht en schimmel) en andere nadelen (bijvoorbeeld het verzekeringsrisico’s) zonder meer een ernstige tekortkoming op in de nakoming van de huurovereenkomst. Het levert strijd op met de verplichting de woning volgens haar bestemming te gebruiken (zie artikel 7:214 BW). Ook is de illegale kweek van hennep in strijd met de verplichting van een huurder om zich ten aanzien van het gebruik van de woning als goed huurder te gedragen (zie artikel 7:213 BW). De daaraan verbonden risico’s zijn van algemene bekendheid en behoeven niet nader te worden bewezen. Het is ook niet van belang of die risico’s zich al dan niet hebben verwezenlijkt. Voldoende is dat met de aanwezigheid van de hennepkwekerij in het gehuurde de mogelijkheid is geschapen dat [eiseres] en/of derden daarvan nadeel zouden kunnen ondervinden.

3.12

Gelet op het voorgaande is de kantonrechter van oordeel dat de tekortkomingen in de nakoming van de overeenkomst zoals onder 3.1 zijn beschreven, in beginsel aanleiding kunnen zijn tot ontbinding van de huurovereenkomst. [eiseres] heeft ook een gerechtvaardigd belang bij een beleid met betrekking tot hennep in haar woningen, alsmede om dat beleid (streng) te handhaven, ondermeer ter voorkoming van precedent werking. Het is de kantonrechter ambtshalve bekend dat het verschijnsel van hennepkwekerijen in woningen een hardnekkig en sterk overlast veroorzakend fenomeen is dat daarbij ook nog eens concreet gevaar kan opleveren in de zin van brandgevaar en wateroverlast. Echter, dit alles neemt niet weg dat in elke zaak opnieuw zal moeten worden beoordeeld of, rekening houdend met alle omstandigheden van het geval, de tekortkoming voldoende ernstig is om de ontbinding met haar gevolgen te rechtvaardigen (HR 10 augustus 1992, NJ 1992, 715).

3.13

De kantonrechter neemt in dit verband de volgende feiten en omstandigheden in aanmerking.

  • -

    Het woonrecht van [gedaagde] betreft een vitaal recht (zie ook het arrest van het Hof ’s-Hertogenbosch van 4 november 2014, gepubliceerd op www.rechtspraak.nl onder ECLI-nummer 2014:45) en aantasting van dat recht dient evenredig te zijn aan het beoogde doel daarvan (zie ook het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 13 mei 2008 in de zaak McCann/Verenigd Koninkrijk, gepubliceerd in het tijdschrift Rechtspraak van de Week 2008/857 (“The loss of one’s home is a most extreme form of interference with the right to respect for the home”) alsmede het vonnis van de Voorzieningenrechter Rechtbank Zwolle van 2 augustus 2011, gepubliceerd op www.rechtspraak.nl onder LJN-nummer BR3908).

  • -

    [gedaagde] lijdt aan een psychiatrisch ziektebeeld (schizofrenie en psychoses). Er bestaat vrees voor psychische decompensatie (zie verklaring van de casemanager en psychiater van [gedaagde] van 22 april 2016) indien ontbinding en ontruiming wordt doorgezet. Gevolgen van ontbinding voor het ziekteverloop dienen meegewogen te worden.

  • -

    [gedaagde] heeft geen “plan B” (een sociaal vangnet). Hij is afhankelijk van sociale woningbouw, gelet op zijn WAJONG-uitkering. Het is voor [gedaagde] moeilijk om andere woonruimte te vinden, want hij, gelet op zijn psychische toestand, is erg op zichzelf en heeft structuur nodig.

  • -

    Niet gebleken is dat [gedaagde] daadwerkelijk overlast heeft veroorzaakt voor omwonenden vanwege de in de woning aangetroffen hennep. Slechts één assimilatielamp is aangetroffen, er is geen illegaal stroom afgetapt en er is geen melding gemaakt door omwonenden van overlast (bv. stank). De politie heeft de hennep in de woning aangetroffen nadat zij daartoe door [gedaagde] waren toegelaten en vanwege klachten over geluidsoverlast vanwege boorgeluiden.

  • -

    Het is aannemelijk, gelet op het ziektebeeld van [gedaagde] , dat de hennep voor eigen gebruik geteeld is. De aangetroffen hoeveelheid is van een beperkte omvang. Gesteld noch gebleken is dat [gedaagde] het oogmerk had op verkoop van de hennep die hij in zijn bezit had.

Deze omstandigheden maken dat de gevorderde ontbinding niet is gerechtvaardigd. Daarvoor is met name redengevend de aangetroffen hoeveelheid hennep, de omstandigheden waaronder de hennep in de woning is aangetroffen, de aanleiding voor de ontdekking daarvan en de gevolgen van een ontbinding voor [gedaagde] , gelet op zijn psychiatrisch ziektebeeld, van een gedwongen verhuizing of zelfs dakloosheid. Het gevolg hiervan is dat al de vorderingen van [eiseres] moeten worden afgewezen.

4 De kosten

[eiseres] wordt als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de kosten van deze procedure aan de zijde van [gedaagde] gevallen. Deze kosten worden vastgesteld op een bedrag van € 400,00 (2 punten x € 200,00 per punt) terzake salaris van de gemachtigde van [gedaagde] .

5 De beslissing

De kantonrechter:

wijst de vorderingen af;

veroordeelt [eiseres] in de kosten van deze procedure voor zover aan de zijde van [gedaagde] gevallen en vastgesteld op € 400,00 terzake salaris van de gemachtigde van [gedaagde] .

Dit vonnis is gewezen door mr. P.J.M. Rouwen, en in het openbaar uitgesproken op

20 juli 2016.