Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2016:4354

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
13-07-2016
Datum publicatie
01-12-2016
Zaaknummer
C/02/280607 / HA ZA 14-303
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vordering op concert organisatie. Eiser reed mee met een zg. Gator, een terreinwagentje en is er uit gevallen. hij was daar op eigen initiatief tegen de knie van de bestuurder in gaan zitten. Rechtbank verwijst naar omstandigheden van het geval waaronder het drank- en drugsgebruik tijdens een muziekfestival. Medewerkers van organisatie uitsluiting aansprakelijkheid niet aannemelijk beschouwd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
VR 2017/80
AR 2016/3610
PS-Updates.nl 2016-0500
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Handelsrecht

Middelburg

zaaknummer / rolnummer: C/02/280607 / HA ZA 14-303

Vonnis van 13 juli 2016

in de zaak van

[eis] [eiser],

wonende te Alkmaar,

eiser,

advocaat mr. S.V. Mewa te Amsterdam,

tegen

1 de besloten vennootschap CONCERT AT SEA B.V.,

gevestigd en kantoorhoudende te Middelburg,

gedaagde

advocaat mr. D. Knottenbelt te Rotterdam,

2. de vennootschap onder firma P.C.R. ZEERUST V.O.F.,

gevestigd te Renesse,

gedaagde

advocaat mr. J.M. van der Wulp te Middelharnis,

3. de besloten vennootschap COLLÉ SITTARD RENTAL B.V.,

gevestigd en kantoorhoudende te Sittard,

gedaagde

advocaat mr. W.A.M. Rupert te Rotterdam,

4. de naamloze vennootschap NATIONALE NEDERLANDEN SCHADEVERZEKERING MAATSCHAPPIJ N.V.,

gevestigd en kantoorhoudende te ’s-Gravenhage,

advocaat mr. D. Knottenbelt te Rotterdam,

gedaagde,

5. de naamloze vennootschap REAAL SCHADEVERZEKERINGEN N.V.,

gevestigd en kantoorhoudende te Zoetermeer,

gedaagde,

advocaat mr. W.A.M. Rupert te Rotterdam.

Eiser zal hierna [eiser] worden genoemd, gedaagden respectievelijk CaS, Zeerust, Collé, NN en Reaal. Gezamenlijk zullen gedaagden worden aangeduid als CaS c.s.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding

- de conclusies van antwoord van CaS en NN samen, van Zeerust, van Reaal en van Collé

- de nadere akte van Zeerust

- de conclusies van repliek van [eiser] tegen CaS en NN samen, tegen Zeerust (tevens antwoordakte), tegen Reaal en tegen Collé

- de conclusies van dupliek van CaS en NN samen, van Zeerust, van Reaal en van Collé

- de antwoordakten van [eiser] tegen CaS en NN samen, tegen Zeerust, tegen Reaal en tegen Collé.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Op 27 juni 2009 bezocht [eiser] met zijn vriendin, haar zus en diens partner (hierna: [betrokkene] ) het door CaS georganiseerde (muziek-)festival “Concert at SEA” (hierna: het festival), gehouden op de Brouwersdam in Zeeland. Hij had daartoe van CaS een toegangskaart gekocht. Op de achterzijde van een toegangskaart tot het festival was onder meer vermeld:

Algemene Voorwaarden

(…)
De organisator is op geen enkele wijze aansprakelijk voor enige schade ontstaan aan bezoekers en/of goederen van bezoekers.

(…)”

2.2.

Op het terrein van het festival werd gebruik gemaakt van een aantal zgn. gator-wagentjes (hierna: gators), ten behoeve van het festival bij Collé gehuurd. Een gator is een klein wagentje (20pk dieselmotor, maximum snelheid 25 km/u) met zitplaatsen voor een chauffeur en een bijrijder en een kleine, open laadruimte. In de laadruimte is een sticker aangebracht met onder meer de navolgende tekst:

“WARNING

RIDERS CAN FALL OFF AND BE KILLED

• Maximum of one person to a seat

• No riders in box or anywhere else”

2.2.

Op genoemde dag was [X 3] [X 2] op het festivalterrein werkzaam als runner; hij bracht met een gator goederen heen en weer.

2.3.

Rond 21.15 uur die dag reed [X 2] met een gator naar de buiten het festival-terrein gelegen Beachclub Perry’s; hij moest daar frites ophalen. Daarbij kwam hij [betrokkene] en [eiser] tegen, die op weg waren naar de plaats waar zij hun fietsen hadden neergezet. Zij vroegen [X 2] te mogen meerijden; [X 2] heeft aangegeven dat dat niet mocht. [betrokkene] is toen naast [X 2] in de gator gaan zitten. [eiser] is vervolgens in de laadruimte van de gator gestapt. [eiser] zat half gehurkt in de laadruimte. [X 2] is toen met de gator gaan rijden; toen hij een talud van een asfaltweg opreed, is [eiser] van de gator gevallen. Bij die val heeft [eiser] (hersen-)letsel opgelopen. [eiser] had die dag bier gedronken en geblowd.

2.4.

Zeerust is een in 2011 opgerichte vennootschap onder firma, met als vennoten Pension Café Restaurant Zeerust B.V. (hierna: Zeerust B.V.) en Leo [belanghebbende] (hierna: [belanghebbende] ). Zeerust B.V. was eindverantwoordelijk voor de horeca op het festival. Via Zeerust B.V. – en met name met gebruikmaking van het loonbelastingnummer van Zeerust B.V. werd personeel – waaronder [X 2] – ingehuurd; CaS betaalde dat personeel.

2.4.

Cas had voor de duur van het festival bij NN een evenementenverzekering (onder meer omvattend een aansprakelijkheidsverzekering) afgesloten. In de voorwaarden van de aansprakelijkheidsverzekering is opgenomen:

Artikel 8 Motorrijtuigen/Luchtvaartuigen

Niet gedekt is aansprakelijkheid voor schade, toegebracht met of door een motorrijtuig of een luchtvaartuig, dat een verzekerde bezit, houdt, bestuurt, gebruikt of als werkgever doet of laat gebruiken.”

2.5.

Collé heeft bij (onder meer) Reaal een Land- en werkmaterieelverzekeraar afgesloten. Deze verzekering biedt dekking voor de “eigen vloot” van Collé (waaronder de in 2.3 genoemde gator), onder meer bij aansprakelijkheid voor schade. De algemene voorwaarden bij deze verzekering bepalen onder meer:

Artikel 2. Begripsomschrijvingen

In deze voorwaarden wordt verstaan onder:

2.1

De verzekeringnemer

degene, met wie de verzekeringsovereenkomst is aangegaan en die als zodanig op het polisblad is vermeld;

2.2

Verzekerde

iedereen, die op grond van de polis rechten aan deze verzekering kan ontlenen;

(…)

Artikel 4. Omvang van de dekking

(…)

4.2

Aansprakelijkheid

(…)

4.2.1.2. De verzekeraars vergoeden de gevolgen van de aansprakelijkheid van:

a. de verzekeringnemer, de eigenaar, de bezitter, de houder of de bestuurder van het verzekerde object;

b. degenen, die door het verzekerde object worden vervoerd;

(…)”

Reaal heeft aansprakelijkheid voor de gevolgen van het in 2.3 genoemde ongeval erkend. Zij heeft voorschotbedragen aan [eiser] uitgekeerd.

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

- voor recht verklaart dat CaS c.s. hoofdelijk aansprakelijk is voor het ongeval op 27 juni 2009 waarbij [eiser] ernstig hersenletsel heeft opgelopen;

- CaS c.s. hoofdelijk veroordeelt om alle door [eiser] als gevolg van dit ongeval geleden en nog te lijden materiële en immateriële schade te vergoeden, de omvang daarvan nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;

- alles vermeerderd met de wettelijke rente en buitengerechtelijke kosten vanaf 29 november 2009 althans de dag der dagvaarding, tot aan de dag der algehele voldoening;

- CaS c.s. hoofdelijk veroordeelt in de kosten van deze procedure.

3.2.

[eiser] stelt daartoe het navolgende.

3.2.1.

[X 2] heeft als bestuurder van de gator [eiser] (zonder nadere instructie) in de laadruimte van die gator laten meerijden. Hij werd daartoe niet gedwongen – al na een korte discussie liet hij meerijden toe. [X 2] handelde aldus in strijd met art. 61b RVV. Voorts reed [X 2] onverwacht en met vrij hoge snelheid het talud op. [X 2] wist dat [eiser] onder invloed van alcohol was en half gehurkt op de wagen zat en had daarmee rekening moeten houden. [eiser] heeft niet ingestemd met het gevaar (voor zover daartoe gelet op zijn alcoholgebruik al in staat). [X 2] handelde gevaarzettend en jegens [eiser] onrechtmatig.

3.2.2.

Het ongeval (en de schade) is in overwegende mate ontstaan door omstandigheden aan de zijde van [X 2] ; er waren geen aan [eiser] toe te rekenen omstandigheden (hierna: “eigen schuld”) die aan het ontstaan van het ongeval (en de schade) hebben bijgedragen. Voor zover zou worden aangenomen dat ook [eiser] aan het ontstaan van het ongeval heeft bijgedragen, brengt de billijkheid mee dat de vergoedingsplicht van CaS c.s. geheel of in elk geval grotendeels in stand blijft.

3.2.3.

Hoewel een medische eindtoestand is bereikt, is er (nog) geen overeenstemming over de omvang van de schade. Om die reden vordert [eiser] een schadestaatprocedure, ook al loopt er al een traject met Reaal.

ten aanzien van CaS en NN verder:

3.2.4.

CaS heeft als (professionele) festivalorganisator een zorgplicht jegens festival-bezoekers. Zij dient ervoor zorg te dragen dat er op het festivalterrein geen grotere gevaren aanwezig zijn dan men in normale omstandigheden mag verwachten. Dat geldt ook voor de gebieden rondom het concertgedeelte, waarover CaS zeggenschap heeft en/of waartoe zich het gevaar uitstrekt – zoals die bij de fietsenstalling en de weg daarnaartoe. Het was CaS bekend dat bezoekers met een gator (willen) meeliften. Zij wist ook dat dit tot – gelet op het valgevaar en de mogelijke snelheid: ernstig – letsel zou (kunnen) leiden. Zij wist voorts dat op het festival (veel) alcohol wordt genuttigd – het festival heeft veel inkomsten uit de omzet van alcoholhoudende dranken – en cannabis wordt gebruikt en dat bezoeker daardoor overmoedig en minder voorzichtig worden. CaS had maatregelen – die eenvoudig te nemen zijn – moeten treffen om voormeld gevaar te voorkomen. De in de laadbak van de gator aangebrachte sticker, onder 2.2 genoemd, is niet voldoende. CaS had meeliften niet mogen toestaan, (zelf) haar hulppersonen (zoals [X 2] ) daartoe moeten instrueren en erop moeten toezien dat die hulppersonen meeliften daadwerkelijk niet toestonden. De wel getroffen maatregelen waren onvoldoende; [X 2] is immers met [eiser] in de laadbak gaan rijden en is ook (met snelheid) het talud opgereden. CaS is in haar zorgplicht tekortgeschoten en heeft aldus onrechtmatig gehandeld (art. 6:162 BW).

3.2.5.

[X 2] handelde in opdracht van CaS. CaS is voor dat handelen van [X 2] als hulppersoon of als haar ondergeschikte op grond van artt. 6:76 BW j° 6:170 BW dan wel – als [X 2] niet als ondergeschikte van CaS wordt gezien – op grond van art. 6:171 BW voor schade door de fout van [X 2] (risico-)aansprakelijk.

3.2.6.

[eiser] had een entreekaart gekocht voor het festival, waardoor er voor CaS een verbintenis ontstond [eiser] concerten aan te bieden op een veilig terrein. In die verbintenis is CaS tekort geschoten; zij is voor de daardoor ontstane schade aansprakelijk op grond van art. art. 6:74 j° 6:76 BW.

3.2.7.

[eiser] betwist dat op zijn ticket uitsluiting van aansprakelijkheid stond vermeld. Als dat al zo was, dan ziet die uitsluiting niet op aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad. Daarnaast stelt [eiser] dat het gaat om een voorwaarde die wordt vermoed onredelijk bezwarend te zijn (art. 6:237, sub f BW) en dient te worden vernietigd (art. 6:233, sub a BW). Gelet op de eisen van redelijkheid en billijkheid is een beroep op exoneratie in dit geval voorts onaanvaardbaar (6:248 BW).

3.2.8.

In zijn conclusie van repliek heeft [eiser] nog gesteld dat sprake is geweest van nalatig optreden in de ziekenhuisboeg op het festivalterrein. De ernst van zijn situatie is niet onderkend. Hij had direct naar het ziekenhuis moeten worden gestuurd; zijn schade zou dan minder zijn geweest.

3.2.9.

NN is bedrijfsaansprakelijkheidsverzekeraar. [eiser] spreekt haar op grond van art. 7:954 BW rechtstreeks aan op vergoeding van de schade, die hij als gevolg van het onrechtmatig handelen van CaS als organisator lijdt.

3.2.10.

[eiser] beperkt zijn vordering jegens CaS en NN niet tot slechts 50% van de schade; Reaal heeft weliswaar 50% erkend, maar dat aanbod ook weer ingetrokken. Bovendien zijn CaS en NN hoofdelijk ook voor dat deel aansprakelijk. Over de omvang van de schade is nog onzekerheid, zodat [eiser] voor de vaststelling daarvan verwijzing naar een schadestaatprocedure vordert.

ten aanzien van Zeerust verder:

3.2.11.

[eiser] stelt dat Zeerust niet met de (bij akte ingenomen) stelling dat zij in 2009 nog niet bestond kan terugkomen op haar erkenning (bij conclusie van antwoord) dat op het festival in 2009 met gebruikmaking van haar loonbelastingnummer personeel is ingeleend. Zeerust, Zeerust B.V. en [belanghebbende] zijn zeer verweven; er is sprake van vereenzelviging. Gelet op de omschrijving van de bedrijfsactiviteiten van Zeerust in de vennootschapsakte ligt voor de hand dat zij alle activa en passiva – en dus ook de mogelijke verplichtingen jegens [eiser] – van Zeerust B.V. heeft overgenomen. Van dergelijke verplichtingen is Zeerust niet expliciet door Zeerust B.V. gevrijwaard.

3.2.12.

Zeerust was – met CaS – organisator van het festival en op dezelfde gronden als CaS aansprakelijk voor de gevolgen van het ongeval. Daarnaast verrichtte [X 2] – als ondergeschikte, dan wel als niet-ondergeschikte – werkzaamheden voor Zeerust, aangestuurd door [belanghebbende] . Ook als [X 2] in dienst was van CaS, dient hij ten tijde van het ongeval te worden gezien als (niet-)ondergeschikte van Zeerust/ [belanghebbende] , die hem aan haar uitbestede horeca-werkzaamheden liet verrichten. Zeerust is voor de door de fout van [X 2] ontstane schade jegens [eiser] aansprakelijk op grond van de artt. 6:162, 6:170 en/of 6:171 BW.

ten aanzien van Collé verder:

3.2.13.

[eiser] spreekt Collé aan als eigenaar van de gator en als verzekeringnemer/ verzekerde van de onder 2.5 genoemde verzekering. Die verzekering dekt mogelijke aansprakelijkheid voor schade van de verzekeringnemer, ontstaan met werktuigen van “de eigen vloot”. Dat heeft zich in dit geval voorgedaan. Collé kan als verzekeringnemer/ eigenaar van de gator in de procedure worden betrokken. Bovendien heeft Reaal ook “namens Collé” onderhandeld en in dat kader (ook van Collé, als verzekerde/ verzekeringnemer) aansprakelijkheid voor minimaal 50% erkend; Collé kan daar niet op terugkomen.

ten aanzien van Reaal verder:

3.2.14.

Reaal heeft aansprakelijkheid op grond van de onder 2.5 genoemde verzekering erkend. Op grond van art. 7:954 BW spreekt [eiser] Reaal rechtstreeks aan. Hij stelt dat hij niet ook de andere aandeelhouders in de verzekering in de procedure behoeft te betrekken; Reaal heeft steeds het contact onderhouden.

3.2.15.

Reaal gaat ten onrechte uit van een percentage aan eigen schuld van 80. Er wordt nu onderhandeld op basis van 50%; daarmee is [eiser] het niet eens, maar hij heeft dat ook niet afgewezen.

3.3.

CaS en NN verweren zich als volgt.

3.3.1.

Zij stellen de navolgende gang van zaken: [betrokkene] en [eiser] zijn ondanks protest van [X 2] op een plek buiten het festivalterrein op de gator gestapt. Zij wisten/ behoorden te weten dat zij niet mochten meerijden. Zij waren echter niet meer uit de gator te krijgen. Zij hebben druk op [X 2] uitgeoefend om te gaan rijden. [eiser] had bovendien drank en drugs gebruikt en hij zat op een gevaarlijke wijze op de gator. [betrokkene] gaf aan dat zij boven aan het (slechts gering hellende) talud moesten zijn. Toen [X 2] het talud opreed, liet [eiser] één hand los om naar bekenden te zwaaien; toen is hij gevallen.

3.3.2.

CaS en NN stellen dat het door CaS georganiseerde muziekfestival op zichzelf geen gevaarlijke situatie oplevert. CaS was zich niet bewust van het mogelijke gevaar als gevolg van het meerijden met een gator; een gator is niet bedoeld voor personenvervoer. Het is niet algemeen bekend dat bezoekers met gators meerijden; de gators reden voornamelijk op terrein waar het publiek niet kwam. Het ongeval vond plaats op de openbare weg buiten het festivalterrein; dat een gator daar reed was uitzonderlijk en voorts heeft CaS over die plek maar beperkte zeggenschap. De bestuurders van de gators zijn door Zeerust/ [belanghebbende] geïnstrueerd op veiligheid. Door middel van de in 2.2 genoemde sticker worden ook de bezoekers geïnstrueerd dat meerijden in de laadbak niet is toegestaan. Aldus heeft CaS, zo stelt zij, alle maatregelen genomen die redelijkerwijs van haar mochten worden verwacht. De kans op een ongeval was erg klein; Cas hoefde daarmee geen rekening te houden. CaS en NN stellen dat op CaS – als organisator van een festival waarop alcoholgebruik is toegestaan (overigens niet wordt gestimuleerd) en drugsgebruik niet is te voorkomen – niet een (extra) zorgplicht rust om bezoekers tegen overmatig gebruik van alcohol en drugs en de gevolgen daarvan te beschermen. CaS kan niet op grond van art. 6:162 BW aansprakelijk worden gehouden voor de door [eiser] gestelde schade.

3.3.3.

CaS en NN stellen voorts dat [eiser] – gelet op de in 3.3.1 weergegeven gang van zaken – zelf laakbaar heeft gehandeld. Hij heeft [X 2] toestemming gegeven om met hem in de laadruimte van de gator te gaan rijden. Er kan dan geen sprake meer zijn van bescherming tegen mogelijk onrechtmatig handelen van [X 2] /CaS.

3.3.4.

CaS en NN stellen dat [X 2] – als ondergeschikte van CaS – geen fout heeft gemaakt. [X 2] heeft gedaan wat hij moest doen: aangegeven dat [eiser] niet mocht meerijden. Hij kon dat meerijden echter niet voorkomen. Vervolgens reed hij op de wijze als [betrokkene] aangaf; hij heeft geen verkeerde of onverwachte manoeuvre gemaakt en reed niet met grote snelheid. CaS is niet op grond van 6:170 BW aansprakelijk.

3.3.5.

CaS is evenmin aansprakelijkheid op grond van art 6:171 BW, nu [X 2] niet kan worden gezien als haar niet-ondergeschikte.

3.3.6.

CaS stelt niet te zijn tekortgeschoten in haar verplichtingen die zij jegens [eiser] had uit overeenkomst, nu [eiser] een entreekaart had gekocht. Die verplichtingen gingen niet zover dat zij was gehouden ongevallen buiten het festivalterrein te voorkomen. Zij heeft ten aanzien van de veiligheid van bezoekers alles gedaan wat redelijkerwijs van haar mocht worden verwacht; [X 2] heeft geen fout gemaakt. CaS kan niet op grond van de artt. 6:74 j° 6:76 BW aansprakelijk worden gehouden voor de door [eiser] gestelde schade.

3.3.7.

CaS en NN beroepen zich er voorts op dat op de entreekaart – voor [eiser] kenbaar – uitdrukkelijk aansprakelijkheid was uitgesloten (zie 2.1), ook voor letselschade. Deze bepaling is niet onredelijk bezwarend dan wel naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar.

3.3.8.

CaS heeft bij NN de onder 2.4 genoemde evenementenverzekering afgesloten, waarin geen dekking is opgenomen voor schade toegebracht met/door een motorrijtuig. Uitgangspunt is dat die schade wordt gedekt door een WAM- of werkmaterieelverzekering (in dit geval door Collé afgesloten bij Reaal). [eiser] kan NN dus niet op grond van art. 7:954 BW aanspreken.

3.3.9.

Voor het geval CaS toch aansprakelijk is, stellen CaS en NN dat sprake is van “eigen schuld” aan de zijde van [eiser] ; het ongeval is voor minimaal 80% aan [eiser] te verwijten.

3.3.10.

Waar [eiser] CaS verwijt dat er nalatig optreden plaatsvond in de ziekenhuisboeg, heeft hij dat niet nader feitelijk of juridisch onderbouwd. CaS stelt dat het door haar ingeschakelde medisch personeel adequaat heeft gehandeld

3.3.11.

CaS en NN stellen dat de omvang van de schade voldoende duidelijk is en dat verwijzing naar een schadestaatprocedure niet nodig is.

3.4.

Zeerust voert verweer als volgt.

3.4.1

Nadat zij eerst inhoudelijk verweer had gevoerd, stelt zij bij akte niet aansprakelijk te kunnen zijn, nu zij eerst in 2011 – derhalve ver na het [eiser] overkomen ongeval – is opgericht. Dat Zeerust eerder betrokkenheid erkende was een misverstand; zij kan op die erkenning terugkomen. Destijds bestond wel Zeerust B.V. Juist omdat Zeerust in 2009 nog niet bestond, kan er bij [eiser] geen sprake zijn van verwarring. Zeerust heeft niet alle activa en passiva van Zeerust B.V. overgenomen – dus ook niet de aansprakelijkheid voor een mogelijk nog in te dienen schadeclaim. Evenmin kan er sprake zijn van vereenzelviging.

3.4.2.

Zeerust noch Zeerust B.V. was organisator van het festival; er was ook geen sprake van een eenheid van onderneming, samen met CaS, in de organisatie van het festival. [X 2] was werkzaam voor CaS. CaS instrueerde hem en betaalde hem; het door hem gebruikte materiaal was door CaS gehuurd. [X 2] was niet bij Zeerust/Zeerust B.V. in dienst. [belanghebbende] kon wel opdrachten geven. [X 2] was ook niet als niet-ondergeschikte voor Zeerust/Zeerust B.V. werkzaam. Noch op grond van art. 6:162 BW, noch op grond van art. 6:170 en 6:171 is Zeerust (als al moet worden aangenomen dat ze voor gebeurtenissen van voor haar oprichting kan worden aangesproken) voor de door [eiser] gestelde schade aansprakelijk. Er is ook geen aansprakelijkheid voor een hulppersoon, als bedoeld in art. 6:76 BW.

3.4.3.

Zeerust stelt voorts dat [X 2] geen fout heeft gemaakt. [eiser] wist dat hij niet met een gator mocht meerijden. Toch is hij, buiten het festivalterrein en tegen de wil van [X 2] , opgestapt. [X 2] had weinig andere keus dan te gaan rijden; hij reed zorgvuldig en is niet hard gaan rijden. Hij handelde niet in strijd met art. 61b RVV.

3.4.4.

Mocht wel sprake zijn van een fout van [X 2] en van aansprakelijkheid van Zeerust, dan stelt zij dat de schade (deels) al vergoed is door de (verzekeraar van de) eigenaar van de gator. Nu de schade (overwegend) is te wijten aan “eigen schuld” van [eiser] dient de resterende schade zijn rekening te blijven.

3.5.

Reaal voert verweer als volgt.

3.5.1.

Reaal heeft – als werkmaterieelverzekeraar – aansprakelijkheid erkend; zij heeft dat gedaan omdat [X 2] een fout heeft gemaakt en aansprakelijk is. Er is geen aansprakelijkheid van Collé; Collé treft immers ten aanzien van het ongeval geen verwijt. Aan [eiser] komt in dit geval slechts een rechtstreekse vordering op Reaal als verzekeraar toe, als hij ook de verzekerde – i.c. [X 2] – in het geding betrekt (art. 7:954, lid 6 BW). [X 2] is niet in deze procedure betrokken; [eiser] is in zijn vordering jegens Reaal niet-ontvankelijk, althans dient deze vordering te worden afgewezen.

3.5.2.

Reaal heeft in de onder 2.5 genoemde werkmaterieelverzekering een aandeel van 30%; zij kan niet tot vergoeding van 100% van de schade worden veroordeeld.

3.5.3.

Nu Reaal aansprakelijkheid heeft erkend, dient in ieder geval de eerste vordering jegens haar te worden afgewezen.

3.5.4.

Reaal stelt dat [eiser] een fors deel “eigen schuld” had in het ontstaan van het ongeval en de schade. Reaal is bereid geweest uit te gaan van 50%; dat heeft [eiser] niet aanvaard, zodat dat aanbod is vervallen. Reaal stelt het aandeel van [eiser] op 80%.

3.5.5.

Reaal betwist de noodzaak van een schadestaatprocedure. Zij betwist voorts de gestelde buitengerechtelijk kosten. Ook bij die kosten moet met een percentage “eigen schuld” rekening worden gehouden; voor die kosten geldt geen hoofdelijkheid.

3.6.

Collé voert het navolgende verweer.

3.6.1.

Collé is eigenaar van de gator is; haar aansprakelijkheid als eigenaar is gedekt door de werkmaterieelverzekering bij Reaal. Zij was evenwel niet betrokken bij het ongeval: er was geen sprake van gebrekkigheid van de gator en deze werd ook niet bestuurd door een aan Collé verbonden persoon. Collé is ten aanzien van het ongeval geen verwijt te maken; zij is dan ook niet aansprakelijk voor schade. Dat een mogelijke aansprakelijkheid van Collé onder de werkmaterieelverzekering is gedekt maakt dat niet anders. Ook het enkel feit dat zij eigenaar is van de gator leidt niet tot aansprakelijkheid.

3.6.2.

Voor het geval er toch aansprakelijkheid van Collé wordt aangenomen, verwijst Collé naar hetgeen door Reaal ten aanzien van de “eigen schuld” van [eiser] is gesteld.

4 De beoordeling

ten aanzien van Zeerust

4.1.1.

Vast staat dat Zeerust in 2009 niet bestond. De activiteiten die naar de stelling van [eiser] tijdens het festival door Zeerust zouden zijn uitgevoerd, zijn feitelijk – zo blijkt uit de stellingen van Zeerust, op dat punt door [eiser] niet betwist – door Zeerust B.V. verricht. Zeerust B.V. bestaat nog steeds.

4.1.2.

In haar aanvankelijk gevoerde verweer is Zeerust ervan uitgegaan dat zij de vennootschap was, die in 2009 bij het festival betrokken was. Met verwijzing naar haar oprichtingsdatum is zij daar bij akte (genomen kort na de conclusie van antwoord) op teruggekomen. Nu op grond van de – onbetwiste – oprichtingsdatum van Zeerust vast staat dat zij in 2009 niet bestond, kan zij in redelijkheid niet worden gehouden aan haar aanvankelijke stellingen waarin ervan is uitgegaan dat zij in 2009 wel bestond.

4.1.3.

Uit de overgelegde stukken met betrekking tot de activiteiten van Zeerust en die van Zeerust B.V. kan niet worden afgeleid dat Zeerust B.V. (volledig) is opgegaan in Zeerust, en evnemin dat Zeerust alle activa en passiva (en daarmee ook een eventuele verplichting op grond van aansprakelijkheid jegens [eiser] ) van Zeerust B.V. heeft overgenomen. In de door Zeerust overgelegde vennootschapsakte wordt de inbreng van Zeerust B.V. in Zeerust nauwkeurig omschreven, en daarin worden niet genoemd eventuele verplichtingen op grond van aansprakelijkheid voor schade uit het verleden. Voorts geldt dat al om reden dat Zeerust in 2009 niet bestond zij niet met Zeerust B.V. kan worden vereenzelvigd. Op dezelfde grond kan geen sprake zijn geweest van een, thans aan Zeerust toe te rekenen, dwaling of vergissing aan de zijde van [eiser] .

4.1.4.

Het vorenstaande brengt de rechtbank tot het oordeel dat Zeerust niet kan worden aangesproken op mogelijke verplichtingen jegens [eiser] van Zeerust B.V. uit 2009. De vorderingen tegen Zeerust worden dan ook afgewezen.

ten aanzien van Collé

4.2.

[eiser] spreekt Collé aan als eigenaar van de gator waarmee het ongeval heeft plaatsgevonden en als verzekeringnemer/verzekerde van de werkmaterieelverzekering, die zij bij Reaal had afgesloten. Gesteld noch gebleken is evenwel dat Collé ten aanzien van het ongeval enig verwijt is te maken; evenmin is gesteld of gebleken dat er gronden zijn – en zo ja welke – die met zich brengen dat de gevolgen van het ongeval voor risico van Collé behoren te komen. Het enkele eigendom dan wel het enkele zijn van verzekerde of verzekeringnemer brengt geen (risico-)aansprakelijkheid met zich. De vorderingen jegens Collé zullen worden afgewezen.

ten aanzien van Reaal

4.3.1.

De door Collé bij Reaal afgesloten werkmaterieelverzekering kent – zoals blijkt uit de in 2.5 weergegeven algemene voorwaarden van deze verzekering – meer verzekerden. Verzekerde is immers iedereen die aan de polis rechten kan ontlenen (art. 2.2); blijkens art. 4.2 wordt onder meer de aansprakelijkheid gedekt van de verzekeringnemer, de eigenaar, de bezitter, de houder, de bestuurder van het verzekerde object (in dit geval de gator) of degene die daardoor wordt vervoerd.

4.3.2.

Dat [eiser] zelf op grond van deze bepalingen rechten aan de polis kan ontlenen – zoals hij lijkt te stellen – is onjuist; iemand die door de gator werd vervoerd kan slechts rechten aan de polis ontlenen voor zover hij aansprakelijkheid is voor schade. Daarvan is geen sprake; [eiser] is niet aansprakelijk voor schade, hij is degene die stelt schade te hebben geleden.

4.3.3.

Zoals hiervoor al ten aanzien van Collé overwogen, is er ook geen sprake van aansprakelijkheid van de verzekeringnemer en/of van de eigenaar. Waar [eiser] Reaal aanspreekt als de verzekeraar die de gevolgen van aansprakelijkheid van Collé vergoedt, moeten zijn vorderingen dan ook worden afgewezen.

4.3.4.

Uit hetgeen [eiser] in de procedure verder heeft gesteld blijkt dat hij – voor zover het gaat om verzekerden onder de hier bedoelde verzekering – ook [X 2] als bestuurder van de gator voor de schade aansprakelijk acht. Gelet daarop gaat de rechtbank er vanuit dat [eiser] Reaal ook aanspreekt als de verzekeraar die de gevolgen van aansprakelijkheid van [X 2] vergoedt; blijkens haar verweer heeft Reaal de vorderingen ook zo begrepen. Op grond van art. 7:954 BW kan [eiser] van Reaal verlangen de door haar te betalen vergoeding rechtstreeks aan hem uit te keren. Lid 6 van art. 7:954 BW bepaalt dat ingeval de vordering tot vergoeding betreft schade door dood of letsel, de verzekerde tijdig in het geding moet worden opgeroepen. Die verplichting lijdt alleen uitzondering in het (zich hier niet voordoende) geval dat de verzekerde een niet meer bestaande rechtspersoon is. De verzekerde is in dit geval niet Collé, zoals [eiser] meent. Collé is immers niet degene die in deze zaak aan de verzekering rechten ontleent; dat is – zoals hiervoor al overwogen – [X 2] . [X 2] had derhalve moeten worden opgeroepen. Dat is al bij antwoord door Reaal opgemerkt. [eiser] heeft – aldus op de hoogte van zijn verplichting – [X 2] evenwel niet opgeroepen.

4.3.5.

Wanneer [X 2] in onderhavige procedure niet wordt betrokken, zal een uitspraak hem ook niet kunnen binden. Dat is onpraktisch en onwenselijk, met name wanneer in onderhavige procedure niet tot een volledige vergoeding van de schade zal worden beslist. In dat geval is niet uitgesloten dat [eiser] alsnog [X 2] voor het niet-vergoede deel in rechte zal (willen) aanspreken. Juist ter voorkoming van dergelijke complicaties is in lid 6 van art. 7:954 BW de verplichting om ook de verzekerde zelf op te roepen, opgenomen. De aansprakelijkheid is weliswaar door Reaal erkend, maar er is nog wel een geschil over de omvang van de vergoedingsplicht van Reaal. Dat hangt samen met de discussie over de mate waarin enerzijds [X 2] en anderzijds [eiser] een aandeel hebben gehad in het ontstaan van het ongeval en aldus in het ontstaan van de schade. De uitkomst van die discussie is ook van belang voor de positie van [X 2] . Om die reden is de rechtbank van oordeel dat in dit geval aan het vereiste van art. 7:954, lid 6 BW niet kan worden voorbij gegaan.

4.3.6.

Nu [eiser] ruim de gelegenheid heeft gehad om [X 2] op te roepen – dat had immers ook nog na het nemen van de conclusie van antwoord en onder omstandigheden zelfs na die van dupliek kunnen plaatsvinden, als [X 2] maar zodanig tijdig was opgeroepen, dat hij de volle gelegenheid zou kunnen hebben om zijn standpunt uiteen te zetten – en hij daarvan, ook nadat hij op die verplichting was gewezen, heeft afgezien, acht de rechtbank het niet aangewezen hem alsnog die gelegenheid te geven. Onder deze omstandigheden moet worden geconcludeerd dat [eiser] thans niet bevoegd is de vorderingen tegen Reaal te vervolgen; hij zal in die vordering niet-ontvankelijk worden verklaard.

ten aanzien van CaS en NN

4.4.1.

Primair stelt [eiser] dat CaS als organisator is tekortgeschoten in de zorg die van haar jegens [eiser] als bezoeker van het festival kon worden gevergd. Met name heeft CaS, zo stelt [eiser] , gelet op de aard van het festival (waarbij drankgebruik en het daarbij behorende, niet altijd oplettende en voorzichtige, gedrag was te verwachten) onvoldoende gedaan om een ongeval als [eiser] is overkomen, te voorkomen, en aldus onrechtmatig gehandeld.

4.4.2.

Of daadwerkelijk sprake is van tekortschieten in een zorgplicht hangt af van de omstandigheden van het geval. Daarbij dient te worden gelet op de mate van waarschijnlijk-heid, waarmee kan worden verwacht dat de vereiste oplettendheid en voorzichtigheid niet in acht zal worden genomen, maar ook op de hoegrootheid van de kans dat daaruit ongevallen ontstaan, op de ernst die de gevolgen daarvan kunnen hebben en de mate van bezwaarlijk-heid van te nemen veiligheidsmaatregelen.

4.4.3.

Dat door de bezoekers van het door CaS georganiseerde festival de vereiste oplettendheid en voorzichtigheid niet steeds in acht zou worden genomen, was naar het oordeel van de rechtbank onder de gegeven omstandigheden behoorlijk waarschijnlijk; CaS diende dat gedrag dan ook te verwachten. Het is immers van algemene bekendheid dat bij evenementen als het festival alcohol en drugs worden gebruikt. Op het festivalterrein was bovendien alcoholhoudende drank verkrijgbaar. CaS diende er als organisator dan ook op beducht te zijn dat er alcohol zou worden gebruikt. Aan CaS kan worden toegegeven dat het wel of niet (te veel) drinken in beginsel de eigen verantwoordelijkheid van een bezoeker van het festival is; dat neemt echter niet weg dat juist gelet op de alcoholgebruik faciliterende setting van het festival, voor de gevolgen van dat drankgebruik ook een zekere verantwoordelijkheid ligt bij CaS als organisator. CaS diende er dan ook rekening mee te houden dat bezoekers na gebruik van alcohol (en mogelijk drugs) minder oplettend en voorzichtig zouden handelen. Van haar mocht – in zijn algemeenheid – worden verwacht dat zij in redelijkheid te nemen maatregelen zou nemen om te voorkomen dat bezoekers als gevolg van (voorzienbaar handelen, voortvloeiend uit) die mindere oplettendheid/ voorzichtigheid schade zouden oplopen.

4.4.4

De in dit geval door [eiser] getoonde minder oplettendheid/voorzichtigheid bestond er in dat hij (a) zonder uitdrukkelijke instemming van de bestuurder (b) op een instabiele wijze (c) in de voor vervoer van passagiers niet geschikte laadbak van een gator is gaan zitten en zich aldus heeft laten vervoeren. Gelet op het vorenstaande zal dienen te worden bezien of dit gedrag voor CaS, gelet op het te verwachten alcohol- en mogelijk drugsgebruik, voorzienbaar was. In dat kader is van belang dat de gators op het festival uitdrukkelijk waren bestemd – dat is ook niet betwist – voor vervoer van goederen, met name buiten het voor de festivalbezoekers toegankelijke deel van het festivalterrein; aldus mocht CaS er vanuit gaan dat de gators slechts bij uitzondering tussen bezoekers zouden rijden. Dat bestuurders van de gators veel met de festivalbezoekers te maken zouden krijgen, was aldus niet te verwachten. Dat zij met bezoekers te maken zouden krijgen, die ook nadat hen was gezegd dat zij niet mochten instappen, dat toch zouden doen, en vervolgens in een instabiele positie in de laadbak plaats zouden nemen, was derhalve nog minder te verwachten.

4.4.5.

Anderzijds was het wel voorzienbaar dat, mocht een bezoeker zich op onvoorzichtige wijze met een gator laten vervoeren en een ongeval plaatsvinden, de gevolgen daarvan ernstig zouden kunnen zijn (zoals ook blijkt uit het ongeval dat [eiser] is overkomen). Daarbij is wel van belang dat de kans op ernstige schade niet voor CaS voorzienbaar heel groot was, nu – naar voor de rechtbank voldoende vast staat – de maximaal toegestane snelheid van de gator 25 kilometer per uur is en voorts, zoals hiervoor al overwogen, contact tussen bezoekers en gators in beginsel beperkt zou zijn. Daarnaast mocht CaS er naar het oordeel van de rechtbank vanuit gaan dat bestuurders van de gator zich aan de gewone verkeersregels zouden houden en dat bezoekers – ook na alcoholgebruik – zouden begrijpen dat wanneer zij in een open laadbak van een gator zitten, zij een stabiele positie moeten innemen en zich goed moeten vasthouden.

4.4.6.

CaS diende, gelet op het vorenstaande, wel enige maatregelen te nemen ter voorkoming van het genoemde (beperkte) gevaar van (mogelijk ernstige) ongevallen. Zij stelt twee maatregelen te hebben genomen: in de gator zelf werd door middel van een sticker uitdrukkelijk erop gewezen dat het verboden was in de laadruimte te zitten (en dat daarbij valgevaar bestond) en voorts waren de bestuurders van de gators geïnstrueerd op veiligheid.

Hoewel een enkele waarschuwing door middel van een sticker niet betekent dat CaS volledig aan haar zorgplicht heeft voldaan, is wel van belang dat zij in elk geval op deze wijze voor opstappende bezoekers duidelijk heeft gemaakt dat meerijden in de laadbak gevaarlijk is en niet is toegestaan. Vervolgens had CaS de bestuurders geïnstrueerd; uit de (onbetwiste) omstandigheid dat [X 2] tegen het instappen van [betrokkene] en [eiser] heeft geprotesteerd, leidt de rechtbank af dat die instructie ook heeft ingehouden dat zij geen passagiers in de gator of in de laadbak mochten meenemen. Welke verdere instructie ter voorkoming van ongevallen CaS had moeten geven, maakt [eiser] niet duidelijk; dat een bestuurder – om welke reden dan ook – de gegeven instructies niet nakomt en toch iemand in de gator of op de laadbak meeneemt, kan CaS niet met eenvoudig te nemen maatregelen voorkomen.

4.4.7.

De combinatie van de sticker en de instructie aan de bestuurders (zoals hiervoor onder 4.4.6 begrepen) zijn naar het oordeel van de rechtbank, mede gelet op de hiervoor onder 4.4.4 en 4.4.5 beschreven beperkte mogelijkheid van contact tussen de (bestuurders van) de gators en de festivalbezoekers en het beperkte risico op ernstige schade, voldoende ter nakoming van de op CaS als organisator van het festival rustende zorgplicht.

Het precieze rijgedrag van [X 2] – en met name of hij op onverhoedse wijze het talud is opgereden – kan CaS als organisator van het festival niet worden tegengeworpen. Voor zover de vorderingen van [eiser] tegen CaS als organisator van het festival zijn gericht, zullen zij worden afgewezen. Gelet op dit oordeel is hier niet meer van belang om nog te bezien of [X 2] mogelijk – rijdend buiten het festivalterrein in strikte zin – niet meer handelde onder verantwoordelijkheid van CaS.

4.4.8.

[eiser] heeft bij conclusie van repliek CaS als organisator van het festival nog het verwijt gemaakt dat in de ziekenboeg van het festival nalatig is gehandeld. Dit verwijt is echter niet feitelijk onderbouwd en ook een juridische grondslag ervan heeft [eiser] niet genoemd. De rechtbank gaat aan dit verwijt dan ook voorbij.

4.5.

Nu, gelet op het vorenstaande, vast staat dat CaS aan de op haar jegens [eiser] rustende zorgplicht als organisator van het festival heeft voldaan, staat ook vast dat zij de uit de overeenkomst – die zij na aankoop door [eiser] van een entreeticket voor het festival met hem had – voortvloeiende zorgplicht voldoende is nagekomen. De voor CaS uit hoofde van die overeenkomst jegens [eiser] ontstane zorgplicht is immer dezelfde als die, welke CaS als organisator had.

4.6.1.

Subsidiair spreekt [eiser] CaS aan op grond van haar (risico-)aansprakelijkheid voor een fout van [X 2] , bestuurder van de gator, als ondergeschikte van CaS, dan wel als iemand die als niet-ondergeschikte voor haar werkzaamheden verrichtte.

4.6.2.

Uit de onbetwist gebleven stellingen van CaS kan worden afgeleid dat [X 2] voor CaS werkzaam was, namens CaS werd aangestuurd en geïnstrueerd en door CaS voor zijn werkzaamheden werd betaald. Aldus staat vast dat [X 2] ondergeschikte was van CaS; voor zover de vorderingen zijn gebaseerd op de stelling dat hij niet-ondergeschikte van CaS was, worden deze afgewezen.

4.6.3.

Beoordeeld zal eerst moeten worden of er sprake is van een fout van [X 2] . Daarvan is sprake als het handelen van [X 2] als een hem toerekenbare onrechtmatige daad is te beschouwen. Dat is naar het oordeel van de rechtbank het geval. Het is verboden personen in de laadbak van een motorvoertuig te vervoeren (art. 61b RVV 1990). Dat verbod gold ook voor de bestuurders van de gator op en buiten het festivalterrein; dat blijkt ook uit de hiervoor genoemde sticker op de gator en de aan de bestuurders gegeven instructie. Dit verbod is gegeven ter bescherming van eventuele meerijders tegen schade door een ongeval. Nu [X 2] wel met [eiser] in de laadbak is gaan rijden, heeft hij in beginsel jegens [eiser] onrechtmatig gehandeld.

4.6.4.

CaS (en NN) stellen dat [eiser] de bescherming die voormelde norm hem biedt niet kan inroepen, nu hij ook zelf – door in de laadbak te stappen – die norm heeft overtreden. CaS miskent hierbij echter dat [X 2] als bestuurder van de gator een andere verantwoordelijkheid had dan een eventuele passagier; het is immers de bestuurder die de mogelijkheid heeft met het motorrijtuig te rijden of dat niet te doen. Het enkele feit dat [eiser] op de gator was gaan zitten en (mogelijk met kracht) aandrong op (en dus toestemde in) gaan rijden, maakt niet dat [X 2] “straffeloos” – dat wil zeggen: zonder dat hem een fout zou kunnen worden verweten – met [eiser] in de laadbak mocht gaan rijden. Wel zullen deze omstandigheden een rol kunnen spelen bij de afweging in welke mate omstandigheden, gelegen aan de zijde van [eiser] zelf, hebben bijgedragen aan het ontstaan van het ongeval en de schade.

4.6.5.

Op grond van het vorenstaande moet worden vastgesteld dat [X 2] – als ondergeschikte van CaS – jegens [eiser] een niet te rechtvaardigen fout heeft gemaakt. Dat leidt (op grond van art. 6:170 BW) tot (risico-)aansprakelijkheid van CaS; dat is alleen anders wanner CaS zich met betrekking tot die aansprakelijkheid met succes kan beroepen op de onder 2.1 genoemde, op de entreeticket vermelde, uitsluiting van aansprakelijkheid.

4.6.5.1. CaS heeft tickets uit 2009 – met dat beding – overgelegd; gelet daarop gaat de rechtbank aan het niet nader onderbouwde verweer van [eiser] dat dit beding niet op zijn entreeticket stond vermeld, voorbij.

4.6.5.2. De uitsluiting van aansprakelijkheid is vervat in een in de algemene voorwaarden van CaS opgenomen beding, dat afwijkt van de wettelijke bepalingen ten aanzien van schadevergoeding, zoals bedoeld in art. 6:237, aanhef en onder f BW. Een dergelijk beding wordt vermoed voor de wederpartij (natuurlijk persoon) van de gebruiker ervan (in dit geval dus voor [eiser] ) onredelijk bezwarend te zijn. [eiser] doet daarop een beroep en stelt dat het beding dient te worden vernietigd. Het is dan aan CaS om feiten en omstandigheden te stellen – en zo nodig te bewijzen – waaruit blijkt dat het beding voor [eiser] niet onredelijk bezwarend is.

4.6.5.3. CaS heeft in dit kader aangevoerd (a) dat [eiser] van het beding eenvoudig heeft kunnen kennisnemen, (b) dat de (mogelijke) schade in geen verhouding staat tot de prijs van een ticket (destijds € 30,-- voor een dag en € 50,-- voor een weekend), (c) dat CaS haar risico slechts ten dele kon verzekeren (de evenementenverzekering die CaS als organisator bij NN had afgesloten, dekt niet schade, toegebracht door of met een motorrijtuig; daarvoor is wel door de eigenaar van de gator, Collé, een werkmaterieelverzekering afgesloten), (d) dat de zorgplicht zich niet uitstrekte buiten het festivalterrein (en daar vond het ongeval plaats), (e) dat [eiser] zich van de risico’s van zijn handelen bewust was en (f) dat niet sprake is van ernstig verwijtbaar handelen aan de zijde van CaS.

4.6.5.4. De rechtbank is van oordeel dat met name met hetgeen CaS onder (c) aanvoert op voldoende wijze het vermoeden dat voormeld beding in de onderhavige situatie onredelijk bezwarend is, heeft weerlegd. De door [eiser] gestelde schade betreft schade, toegebracht met een motorvoertuig, als gevolg van een fout van de bestuurder ervan. Vast staat dat CaS dit risico niet heeft verzekerd, maar dat de eigenaar van de gator dat wel heeft gedaan: Collé heeft een verzekering afgesloten die – onder meer voor het geval sprake is van aansprakelijkheid voor schade, die het gevolg is van een fout van de bestuurder van de gator – schade zoals in dit geval door [eiser] is gesteld, dekt. Dat betekent dat [eiser] voor vergoeding van zijn schade in dit geval die verzekeraar kan aanspreken (en ook heeft aangesproken). De betreffende verzekeraar – Reaal – heeft inmiddels aansprakelijkheid voor de schade erkend; tussen [eiser] en Reaal is nog wel in discussie of – en zo ja, in welke mate – er sprake is geweest van “eigen schuld” aan de zijde van [eiser] . De door CaS in haar algemene voorwaarden opgenomen uitsluiting van aansprakelijkheid heeft er in dit geval dus niet toe geleid dat [eiser] zijn schade niet vergoed zal kunnen krijgen. Onder die omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat de uitsluiting van aansprakelijkheid in dit geval niet voor [eiser] onredelijk bezwarend is. Daarbij neemt de rechtbank ook in aanmerking dat de – niet (ook) door CaS verzekerde – gevolgen van ongevallen waarbij een motorrijtuig is betrokken ernstig kunnen zijn en de mogelijk schade derhalve groot kan zijn en in geen verhouding kan staan met het betrekkelijk geringe bedrag dat bezoekers van het festival voor de toegang betalen. Onder deze omstandigheden is een beroep op de uitsluiting ook niet in strijd met de redelijkheid en billijkheid.

4.6.5.5. Nu CaS zich ten aanzien van de hiervoor vastgestelde fout van de bestuurder van de gator terecht beroept op de in de algemene voorwaarden opgenomen uitsluiting van aansprakelijkheid, moet de vordering van [eiser] op CaS – en derhalve ook die op NN – wat daar verder ook van zij – worden afgewezen.

4.7.

Gelet op het vorenstaande zal [eiser] in zijn vorderingen tegen Reaal niet-ontvankelijk worden verklaard en zullen de overige vorderingen worden afgewezen. [eiser] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van dit geding. De rechtbank begroot deze kosten als volgt:

aan de zijde van Cas en NN:

- griffierecht € 608,--

- salaris advocaat € 904,-- (2 punten × tarief € 452,--)

Totaal € 1.512,--,

te vermeerderen met de nakosten;

aan de zijde van Zeerust:

- griffierecht € 608,--

- salaris advocaat € 904,-- (2 punten × tarief € 452,--)

Totaal € 1.512.--,

te vermeerderen met de nakosten;

aan de zijde van Collé:

- griffierecht € 608,--

- salaris advocaat € 904,-- (2 punten × tarief € 452,--)

Totaal € 1.512,--,

te vermeerderen met de nakosten;

aan de zijde van Reaal:

- salaris advocaat € 904,-- (2 punten × tarief € 452,--)

Totaal € 904,--,

te vermeerderen met de nakosten.

5 De beslissing

De rechtbank:

verklaart [eiser] in zijn vordering tegen Reaal niet-ontvankelijk;

wijst de overige vorderingen van [eiser] af;

veroordeelt [eiser] in de kosten van deze procedure, aan de zijde van CaS c.a. tot op heden begroot als volgt:

- aan de zijde van CaS en NN : op € 1.512,-- te vermeerderen met de nakosten te belope van

€ 131,--, dan wel, indien betekening van dit vonnis plaatsvindt, € 199,--, te voldoen binnen veertien dagen na heden, bij niet voldoening binnen die termijn te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf de vijftiende dag na dit vonnis;

- aan de zijde van Zeerust: op € 1.512,--, te vermeerderen met de nakosten te belope van

€ 131,--, dan wel, indien betekening van dit vonnis plaatsvindt, € 199,--, te voldoen binnen veertien dagen na heden;

- aan de zijde van Collé: op € 1.512,--, te vermeerderen met de nakosten te belope van

€ 131,--, dan wel, indien betekening van dit vonnis plaatsvindt, € 199,--;

- aan de zijde van Reaal: op € 904,--, te vermeerderen met de nakosten te belope van

€ 131,--, dan wel, indien betekening van dit vonnis plaatsvindt, € 199,--;

verklaart dit vonnis ten aanzien van de veroordeling in de kosten uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.M.J. van Dijk en in het openbaar uitgesproken op 13 juli 2016.