Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2016:4351

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
13-07-2016
Datum publicatie
08-02-2017
Zaaknummer
C/02/298905 / HA ZA 15-309
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vordering op manege (houders). Eiseres is van een paard gevallen dat door de manege werd gebruikt. Paard waarop eiseres zat schrok van startende tractor. Gedaagden stellen dat eiseres is gevallen door eigen onhandigheid. Geen risico-aanvaarding door eiseres. Onhandigheid kan eiseres niet verweten worden. Vergoedingsplicht met beroep op omstandigheden verminderd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
VR 2017/147
AR 2017/725
PS-Updates.nl 2017-0164
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Handelsrecht

Middelburg

zaaknummer / rolnummer: C/02/298905 / HA ZA 15-309

Vonnis van 13 juli 2016

in de zaak van

[eiseres] ,

wonende te [woonplaats] België,

eiseres,

advocaat mr. R.M.A. Lensen te Terneuzen,

tegen

1. de vennootschap onder firma

STAL HET KROONHOF V.O.F.,

gevestigd te Eede, gemeente Sluis,

2. [vennoot],

wonende te [woonplaats] , België,

3. [vennoot],

wonende te [woonplaats] , België,

4. [vennoot]

wonende te [woonplaats] België,

gedaagden,

advocaat mr. W.A.M. Rupert te Rotterdam.

Gedaagde sub 1 zal navolgend ook Het Kroonhof worden genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 2 september 2015,

- het proces-verbaal van comparitie van 22 oktober 2015,

- het B16-formulier van 18 december 2015.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Op grond van hun wederzijdse proceshouding staat tussen partijen het navolgende vast:

a. Het Kroonhof exploiteert een manege, waar eiseres op grond van een mondelinge

overeenkomst paardrijlessen volgde.

b. Eiseres is op 29 september 2012 op het terrein van Het Kroonhof tijdens een les op

het paard Perverance ten val gekomen, waardoor sprake is van beschadigde

nekwervels.

c. Het Kroonhof had Perverance in bruikleen.

3 Het geschil

3.1.

Eiseres vordert samengevat - dat de rechtbank zal verklaren voor recht dat gedaagden hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schadelijke gevolgen van haar val op

29 september 2012, alsmede dat de rechtbank gedaagden hoofdelijk zal veroordelen tot betaling van de geleden en nog te lijden materiële en immateriële schade van eiseres, waaronder begrepen buitengerechtelijke kosten en rente vanaf 29 september 2012, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, met veroordeling van gedaagde in de kosten van het geding.

3.2.

Eiseres grondt haar vordering op artikel 6:179 juncto 6:681 lid 1 BW aangezien Het Kroonhof het paard in de uitoefening van haar bedrijf heeft gebruikt en de uitzondering als bedoeld in artikel 6:179 BW niet aan de orde is. Voorts grondt zij haar vordering op de redelijkheid en billijkheid. Zij voert hiertoe aan dat haar val is veroorzaakt door een schrikreactie van Perverance op het startgeluid van een tractor op de nabij gelegen kleine piste. Deze schrikreactie bestond in het door Perverance omhoog en weer naar beneden gooien van haar hoofd. Eiseres raakte daardoor uit balans en heeft nog getracht het hoofd van Perverance te pakken om zich eraan vast te houden, doch greep door de hoofdbeweging mis, waardoor zij op haar rug viel. Door de val heeft eiseres zowel materiële als immateriële schade geleden, onder meer als gevolg van twee beschadigde nekwervels.

3.3.

Gedaagden voeren verweer. Zij betwisten aansprakelijk te zijn voor de schade van eiseres. Primair concluderen zij dat de tenzij-clausule van artikel 6:179 BW te dezen van toepassing is. Zij erkennen dat in beginsel op Het Kroonhof als bedrijfsmatig gebruiker ingevolge artikel 6:181 BW een risicoaansprakelijkheid voor de gedragingen van het paard rust. Echter, het bewust toelaten van het door Perverance naar boven en beneden bewegen van het hoofd zou geen onrechtmatige gedraging in de zin van artikel 6:162 BW opleveren, waar het slechts ging om een geringe beweging, waarmee zowel een ervaren als onervaren ruiter kan omgaan. De oorzaak van de val is volgens gedaagden niet gelegen in de hoofdbeweging, als wel in de zeer onhandige reactie van eiseres, te weten het naar voren buigen, het loslaten van de teugels en het vervolgens willen grijpen van het hoofd van Perverance. Voorts ontbreekt causaal verband tussen de hoofdbeweging en de val.

3.4.

Voor het geval de rechtbank de tenzij-clausule niet van toepassing mocht oordelen, betogen gedaagden subsidiair dat sprake is van eigen schuld aan de zijde van eiseres in de zin van artikel 6:101 BW. Voor zover gedaagden aansprakelijk zijn, dient volgens hen de eigen schuld aan de zijde van eiseres te worden vastgesteld op 75%. Zij voeren hiertoe aan dat eiseres vrijwillig aan de paardrijles heeft deelgenomen en dat aan het berijden van een paard inherent is het gevaar dat schuilt in de eigen energie van het paard en het onberekenbare element dat daaraan is verbonden.

3.5.

Gedaagden betwisten dat Perverance is geschrokken van het starten van de tractormotor, waarbij zij opmerken dat eiseres zelf na het ongeluk jegens haar verzekeraar heeft verklaard dat zij de reden van de schrikreactie van het paard niet kende. Gedaagden bevestigen wel dat tijdens de les een tractor is gebruikt. Zij beroepen zich erop dat het inzetten van een tractor, ook wanneer dit tijdens de lessen geschiedt, niet als onzorgvuldig kan worden aangemerkt nu dat behoort tot de reguliere gang van zaken op een manege. Indien Perverance van de tractor mocht zijn geschrokken, was dat in ieder geval niet voorzienbaar. Gedaagden refereren in dit kader aan de in r.o. 3.3 omschreven onhandige reactie van eiseres, die, zoals zij betogen, debet is aan de val van eiseres en waarvan de gevolgen voor haar rekening behoren te komen. Als ruiter met twintig jaar ervaring had eiseres behoren te weten dat zij de teugels in haar handen had moeten houden en eventueel haar gewicht iets naar achter had moeten brengen, doch in ieder geval niet naar voren.

3.6.

Ter comparitie verklaart eiseres dat zij de buitendienstmedewerker van haar verzekeraar had gemeld dat de schrikreactie van het paard was veroorzaakt door een startende tractor, doch dat hij dat niet heeft genoteerd. Zij voegt hieraan toe dat zij de teugels niet heeft losgelaten, zoals door gedaagden wordt gesteld, doch heeft getracht het hoofd van Perverance te bereiken, terwijl zij de teugels nog in haar vuisten vasthield. De drachtige Perverance, die zij op 29 september 2012 voor de eerste keer bereed, was schichtiger dan de paarden waarop zij gewoonlijk les had. De betrokken les werd bij afwezigheid van de vaste instructrice waargenomen door een andere instructrice, van wie eiseres nooit eerder les had gehad.

4 De beoordeling

4.1.

Nu eiseres, alsmede gedaagden sub 2, 3 en 4 woonachtig zijn in België en de

onderhavige vordering uit dien hoofde een internationaal karakter draagt, dient vooreerst de vraag te worden beantwoord of de Nederlandse rechter bevoegd is van de vordering kennis te nemen. De rechtbank beantwoordt deze vraag bevestigend en wel, wat Het Kroonhof betreft, op grond van artikel 4 lid 1 van de Brussel I bis-verordening op grond waarvan zij die woonplaats hebben in een lidstaat, ongeacht hun nationaliteit, worden opgeroepen voor de gerechten van die lidstaat. Ten aanzien van gedaagden sub 2, 3 en 4 verwijst de rechtbank naar artikel 8 lid 1 van de Brussel I bis-verordening, inhoudende dat indien er meer dan één verweerder is, een persoon die woonplaats heeft op het grondgebied van een lidstaat ook kan worden opgeroepen voor het gerecht van de woonplaats van een hunner, op voorwaarde dat er tussen de vorderingen een zo nauwe band bestaat dat een goede rechtsbedeling vraagt om hun gelijktijdige behandeling en berechting, teneinde te vermijden dat bij afzonderlijke berechting van de zaken onverenigbare beslissingen worden gegeven. Gelet op de nauwe samenhang van de vorderingen van eiseres jegens Het Kroonhof enerzijds en de overige gedaagden anderzijds komt de rechtbank Zeeland-West-Brabant, als rechtbank van het arrondissement waarin Eede is gelegen, jurisdictie toe.

4.2.

Op grond van art. 4 lid 1 van de Rome II-Verordening is op een onrechtmatige

daad het recht van het land waar de schade zich voordoet van toepassing, ongeacht in welk land de schadeveroorzakende gebeurtenis zich heeft voorgedaan en ongeacht in welke landen de indirecte gevolgen van die gebeurtenis zich voordoen. Nu de directe schade, bestaande uit de beschadigde nekwervels, zich in Nederland heeft voorgedaan, is de rechtbank van oordeel dat te dezen Nederlands recht van toepassing is.

4.3.

In geschil is of Het Kroonhof uit hoofde van artikel 6:179 juncto artikel 6:181 BW jegens eiseres aansprakelijk is voor de schade die eiseres heeft geleden en nog zal lijden als gevolg van haar val van het paard Perverance op 29 september 2012. Ingevolge artikel 6:179 BW is de bezitter van een dier aansprakelijk voor schade die door het dier is aangericht, tenzij aansprakelijkheid zou hebben ontbroken indien hij de gedraging van het dier waardoor de schade werd toegebracht, in zijn macht zou hebben gehad. Grondslag voor deze aansprakelijkheid is het gevaar dat in de eigen energie van het dier schuilt en het onberekenbare element dat daarin is gelegen. Wanneer een dier wordt gebruikt in de uitoefening van een bedrijf, rust deze aansprakelijkheid op grond van artikel 6:181 lid 1 BW op degene die het bedrijf uitoefent.

4.4.

Vaststaat dat Perverance door Het Kroonhof werd gebruikt in de uitoefening van haar manegebedrijf. Gelet op hetgeen partijen hebben gesteld, oordeelt de rechtbank voldoende aannemelijk dat de val van eiseres werd veroorzaakt door een hoofdbeweging van Perverance waardoor eiseres, al dan niet direct, uit balans raakte. Door gedaagden wordt weliswaar betoogd dat het loslaten van de teugels de reden was van de val, doch, voor het geval eiseres de teugels inderdaad los heeft gelaten - hetgeen door haar wordt betwist - laat zulks onverlet dat eiseres dit deed als reactie op de hoofdbeweging. Of een hoofdbeweging vaker voorkomt en of de reactie van eiseres al dan niet als onhandig dient te worden aangemerkt, doet daaraan niet af. Door Het Kroonhof is nog opgeworpen dat het ging om een kleine hoofdbeweging, hetgeen evenwel niet strookt met haar eigen stelling dat eiseres als reactie daarop de teugels van schrik heeft losgelaten. De rechtbank overweegt hiertoe dat zelfs een minder getalenteerde ruiter niet zal schrikken van een gewone, kleine, hoofdbeweging.

4.5.

Het beroep van gedaagden op de tenzij-clausule van artikel 6:179 BW faalt waar niet kan worden aangenomen dat geen aansprakelijkheid voor Het Kroonhof zou hebben bestaan in het geval zij de hoofdbeweging bewust had toegelaten. Immers, een hoofdbeweging bevordert het valrisico van de berijder van het paard. Dit geldt des te meer wanneer het gaat om een leerlingruiter, van wie een meer adequate reactie niet zonder meer mag worden verwacht.

4.6.

Samenvattend is de rechtbank van oordeel dat Het Kroonhof uit hoofde van artikel 6:179 jo 181 lid 1 BW aansprakelijk is voor de schade als gevolg van de val. De gevorderde verklaring voor recht ligt dan ook voor toewijzing gereed, hierbij tevens in aanmerking nemende dat de hoofdelijke aansprakelijkheid door gedaagden niet is betwist.

4.7.

Ten aanzien van het op artikel 6:101 BW gegronde subsidiaire eigenschuldverweer van gedaagden overweegt de rechtbank dat het een feit van algemene bekendheid is dat het deelnemen aan paardrijlessen naar zijn aard risico’s meebrengt, eenvoudigweg omdat een paard gedrag kan vertonen waarop de berijder of de instructeur dan wel manegehouder geen invloed heeft. De deelnemer aan een paardrijles moet daarom worden geacht van de risico’s op de hoogte te zijn en deze te aanvaarden. Het enkele feit evenwel dat de benadeelde het paard uit vrije wil berijdt krachtens een paardrijlesovereenkomst is niet voldoende om de conclusie te rechtvaardigen dat de uit de artikelen 6:179 en 6:181 lid 1 BW voortvloeiende risicoaansprakelijkheid van de manegehouder geheel vervalt. Wanneer ervan moet worden uitgegaan dat noch aan de benadeelde, noch aan de manege enige onzorgvuldigheid is te verwijten, vloeit uit de aard en de strekking van de overeenkomst voort dat het onberekenbare gedrag van het paard, dat immers in het kader van deze overeenkomst niet onverwacht is, in zoverre voor risico van de berijder is en aan hem moet worden toegerekend, dat de schade deels voor zijn rekening moet blijven. Afhankelijk van de inhoud van de paardrijlesovereenkomst en de omstandigheden van het geval dient te worden beoordeeld in hoeverre de omvang van de vergoedingsplicht van de manege moet worden verminderd.

4.8.

Gesteld noch gebleken is dat Het Kroonhof bij het aangaan van de paardrijlesovereenkomst een voorbehoud heeft gemaakt met betrekking tot haar aansprakelijkheid voor gebeurtenissen als het onderhavige ongeval. Evenmin is gesteld of gebleken dat zij aan eiseres in het kader van die overeenkomst toezeggingen heeft gedaan voor het geval zich een ongeval zou voordoen. De paardrijlesovereenkomst als zodanig biedt derhalve in dit geval geen bijzondere aanknopingspunten voor de verdeling van de schade.

4.9.

De rechtbank verwerpt het betoog van gedaagden dat het vermeende door eiseres loslaten van de teugels dermate onhandig is dat zulks een vermindering van de vergoedingsplicht van Het Kroonhof tot gevolg behoort te hebben. Afgezien dat het loslaten door eiseres wordt betwist, is tussen partijen in confesso dat eiseres, ondanks haar jarenlange rijervaring, op beginnersniveau is blijven steken. Voor het geval al het vasthouden van de teugels de val zou hebben kunnen voorkomen, kan een mogelijke onhandige, misschien zelfs domme, reactie eiseres niet worden toegerekend.

Voor een extra vermindering van de vergoedingsplicht om deze omstandigheid oordeelt de rechtbank dan ook geen termen aanwezig.

4.10.

Wat de stelling van eiseres betreft dat Perverance is geschrokken van een startende tractor en daarom de bewuste hoofdbeweging heeft gemaakt, is de rechtbank met gedaagden van oordeel dat het gebruik van een tractor op een manegeterrein ten behoeve van het onderhoud van de pisten - en daarmee ook het starten van de tractor - als gebruikelijk dient te worden aangemerkt. Waar een dergelijke handeling derhalve niet als een fout kan worden aangemerkt, kan om die reden van verhoging van de vergoedingsplicht van Het Kroonhof geen sprake zijn.

4.11.

Voor zover eiseres betoogt dat het door Het Kroonhof inzetten van een onbekende instructrice grond oplevert een hogere vergoedingsplicht voor Het Kroonhof te bepalen, valt naar het oordeel van de rechtbank niet in te zien dat het laten lesgeven door een vervangende instructrice een omstandigheid betreft die in een zodanig verband staat met de schade van eiseres dat deze schade als een gevolg daarvan aan Het Kroonhof moet worden toegerekend. Immers, gesteld noch gebleken is dat de waarnemer een onervaren instructrice was, terwijl daarnaast onweersproken is gebleven dat Het Kroonhof haar tevoren over de rijervaring en de rijvaardigheden van eiseres heeft geïnformeerd. Daarnaast is gesteld noch gebleken dat eiseres uit hoofde van de paardrijlesovereenkomst recht kon doen gelden op een vaste instructeur. Overigens staat vast dat aan de longe werd gereden, wat erop duidt dat voorzichtigheid is betracht. Ook valt Het Kroonhof geen verwijt te maken van het toewijzen van Perverance aan eiseres nu eiseres haar stelling dat Perverance schichtiger was dan de paarden die zij voorheen had gereden, afgezien van de niet nader toegelichte opmerking dat Perverance drachtig was, op generlei wijze heeft onderbouwd.

4.12.

Gezien het bovenstaande zal de rechtbank de vergoedingsplicht die Het Kroonhof ex artikel 6:179 juncto 181 lid 1 BW heeft, verminderen. Alles afwegende komt de rechtbank in redelijkheid uit op een verdeling van de schade van 50% aan de zijde van gedaagden en 50% aan de zijde van eiseres. Nu tegen de hoofdelijke veroordeling en de rente geen verweer is gevoerd, zullen gedaagden hoofdelijk worden veroordeeld tot betaling van 50% van de schade van eiseres nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, vermeerderd met de wettelijke rente, met dien verstande dat de wettelijke rente slechts toewijsbaar is vanaf de dag der opeisbaarheid van de verschillende schadecomponenten tot aan de dag der voldoening. De vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke kosten op te maken bij staat wijst de rechtbank af nu eiseres op generlei wijze aannemelijk heeft gemaakt dat zij schade heeft geleden als gevolg van buitengerechtelijke kosten.

4.13.

Gedaagden zullen als de in overwegende mate in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van eiseres worden begroot op

€ 1.283,19, zijnde explootkosten € 94,19, griffierecht € 285,-- en salaris advocaat € 904,--

(2 punten à € 452,--). De vordering tot betaling van nakosten zal worden toegewezen als in het dictum vermeld.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

verklaart voor recht dat gedaagden hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de

schadelijke gevolgen van de val van eiseres,

5.2.

veroordeelt gedaagden hoofdelijk, des dat de een betalend de ander zal zijn bevrijd,

tot betaling aan eiseres van 50% van de door haar geleden en nog te lijden

materiële en immateriële schade, nader op te maken bij staat en te vereffenen

volgens de wet, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag der

opeisbaarheid van de verschillende schadecomponenten tot aan de dag der algehele

voldoening,

5.3.

veroordeelt gedaagden hoofdelijk in de proceskosten, aan de zijde van eiseres tot

op heden begroot op € 1.283,19,

5.4.

veroordeelt gedaagden hoofdelijk in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op

€ 131,-- aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat gedaagden

niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan het vonnis hebben voldaan en

vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van

€ 68,-- aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak,

5.5.

verklaart dit vonnis ten aanzien van de punten 5.2, 5.3 en 5.4 uitvoerbaar bij

voorraad,

5.6.

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. E.A.M. Raaijmaakers-Rottier en in het openbaar uitgesproken op 13 juli 2016.1

1 type: coll: