Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2016:4026

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
04-07-2016
Datum publicatie
04-07-2016
Zaaknummer
02-800237-15
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2017:2223, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

“Doodslag winkelcentrum Tuinzigt.

Beroep op (putatief) noodweer(-exces) verworpen.”

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats: Breda

parketnummer: 02/800237-15

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 4 juli 2016

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1980 te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ),

wonende te [adres] ,

gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting De Dordtse Poorten te Dordrecht,

raadsvrouw mr. K. Blonk, advocaat te Rotterdam.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 20 juni 2016, waarbij de officier van justitie, mr. Emmen, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is op de zitting van 7 april 2016 gewijzigd overeenkomstig artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering. Verdachte staat, met inachtneming hiervan, terecht terzake dat

1.

hij op of omstreeks 03 april 2015 te Breda tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s) met dat opzet en al dan niet na kalm beraad en rustig overleg met een vuurwapen meerdere althans (een) kogel(s) in het lichaam en/of in de richting van het lichaam van die [slachtoffer] afgevuurd en/of geschoten, mede ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden;

art 289 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

2.

hij op of omstreeks 3 april 2015 te Breda een wapen van categorie III, te weten een vuurwapen (type Glock), en/of munitie van categorie II en/of III, te weten meerdere in het magazijn van dat vuurwapen aanwezige patronen, voorhanden heeft gehad;

art 26 lid 1 Wet wapens en munitie;

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover daaraan in de Wet wapens en munitie betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd.

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan doodslag op [slachtoffer] (feit 1). Volgens de officier van justitie is er geen bewijs voor de bestanddelen “voorbedachten rade” en “tezamen en in vereniging”, hetgeen dient te leiden tot vrijspraak voor moord en het medeplegen van dit feit.

De officier van justitie heeft aangevoerd dat doodslag bewezen kan worden gelet op: de bekennende verklaring van verdachte, het NFI-rapport inhoudende dat de schiethand van verdachte positief werd bevonden op schotresten, het feit dat verdachte de vindplaats van het wapen heeft aangewezen, waarvan door het NFI is vastgesteld dat [slachtoffer] met dat wapen werd doodgeschoten, en het sectieverslag van het NFI, inhoudende dat [slachtoffer] door vuurwapengeweld om het leven is gekomen.

Tevens acht de officier van justitie bewezen dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van een vuurwapen met bijbehorende munitie gelet op de bekennende verklaring van verdachte en het rapport van het Bureau Wapens Munitie en Explosieven (feit 2).

4.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van de bestanddelen “voorbedachten rade” (moord) en “tezamen en in vereniging” (medeplegen) en voert daartoe aan– kortgezegd – dat het bewijs daarvoor ontbreekt.

De raadsvrouw heeft voorts aangevoerd dat de rechtbank tot een bewezenverklaring kan komen voor doodslag. Er is daarbij sprake van voorwaardelijk opzet, aldus de raadsvrouw. Verdachte heeft een bekennende verklaring afgelegd.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

Ten aanzien van feit 1

Vaststaande feiten en omstandigheden

Op 3 april 2015, kort voor 13:50 uur, werd [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer] ) te Breda met meerdere kogels neergeschoten. [slachtoffer] werd naar het ziekenhuis overgebracht1 waar hij die dag omstreeks 16:22 uur kwam te overlijden.

Door het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) is sectie verricht op het stoffelijk overschot. De patholoog concludeerde dat sprake was van als gevolg van bij leven opgelopen uitwendig inwerkend perforerend geweld circa 27 perforaties met het aspect van schotverwondingen. Ten aanzien van de doodsoorzaak werd het volgende vastgesteld:

“Bij sectie werden drie doorschoten door de romp gezien waarvan er twee buiten de buik- en borstholte verliepen. Het derde schotkanaal verliep door de buikholte en daarbij waren onder andere een grote darmslagader en de dunne darm geraakt. Er was daarnaast een inschot in de borstwand links met een schotkanaal naar een projectiel naast de halswervelkolom met verbrijzelen van het linkersleutelbeen en verscheuren van de daarachter gelegen bloedvaten. Er waren doorschoten door weke delen van de linkerflank/heup, de linkerlies en het linkerbovenbeen, de linkeronderarm en de linkerbovenarm, deels het gevolg van ricochetverwondingen. Wegens de toegepaste operatieveranderingen was een deel van de wondtrajecten niet goed meer te herleiden.

Het overlijden wordt door het massale bloedverlies en de daardoor opgetreden weefselschade zondermeer verklaard. Op grond van de sectiebevindingen is het niet mogelijk een volgorde aan te geven in het oplopen van de schotverwondingen.

Er was, waarschijnlijk door uitwendig inwerkend botsend geweld tegen de mond, een verwonding aan de lippen en de kaakwal. Deze kan zijn ontstaan door bijvoorbeeld een val, en slag of stoot tegen de mond en is voor het intreden van de dood niet van betekenis geweest.”

De conclusie in het sectieverslag luidt:

“ [slachtoffer] , 28 jaar oud geworden, is overleden als gevolg van verwikkelingen van meerdere, bij leven opgelopen schotverwondingen.”2

Verdachte heeft bij de politie3 en ter terechtzitting een bekennende verklaring afgelegd, inhoudende dat hij op enig moment het wapen uit zijn jaszak heeft gehaald, heeft doorgeladen en heeft geschoten op de op hem afkomende [slachtoffer] . Hij heeft een keer of vier geschoten. [slachtoffer] draaide zich toen om en is van verdachte af gerend. [slachtoffer] is toen op de grond gevallen en verdachte heeft toen nog een aantal keer geschoten.4

Voorbedachten raad

De rechtbank stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van het bestanddeel “voorbedachten rade” moet komen vast te staan, dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven.

De rechtbank zal verdachte, zoals ook door de officier van justitie gevorderd en door de raadsvrouw bepleit, vrijspreken van het met voorbedachten rade van het leven beroven van [slachtoffer] . Er zijn geen feiten en omstandigheden gebleken waaruit volgt dat verdachte het slachtoffer met voorbedachten rade om het leven heeft gebracht.

Medeplegen

Op grond van het verhandelde ter zitting en de bewijsmiddelen in het dossier is de rechtbank eveneens van oordeel, net als de officier van justitie en de raadsvrouw, dat er geen bewijs is voor het bestanddeel medeplegen. Zij zal verdachte dan ook van deze strafverzwarende omstandigheid vrijspreken.

Doodslag

De rechtbank acht, mede gelet op de bekennende verklaring van verdachte en op grond van de hierboven genoemde feiten en omstandigheden, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan doodslag op [slachtoffer] door met een vuurwapen meermalen kogels op hem af te vuren. Dit handelen is naar de uiterlijke verschijningsvorm zozeer gericht op het veroorzaken van de dood van het slachtoffer dat het niet anders kan zijn dan dat verdachte met zijn handelen de dood van het slachtoffer voor ogen heeft gehad. Verdachte heeft dus opzet gehad op de dood van [slachtoffer] .

Ten aanzien van feit 2

Aangezien verdachte ten aanzien van feit 2 een bekennende verklaring heeft afgelegd en ter zake daarvan geen vrijspraak is bepleit, zal de rechtbank volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen als bedoeld in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering en acht de rechtbank dat feit wettig en overtuigend bewezen, gelet op:

- de bekennende verklaring van verdachte afgelegd tijdens de zitting van 20 juni 20165;

- het proces-verbaal van bevindingen met nummer 496, documentcode 160405.1356.aantreffen vuurwapen, van verbalisant [verbalisant 1] , d.d. 17 mei 2016, met bijlagen, los in het dossier;

- het rapport van het NFI Wapen- en munitieonderzoek naar aanleiding van een schietincident in Breda op 3 april 2015, zaaknummer 2015.04.03.009, aanvraagnummer 016, d.d. 26 april 2016;

- het proces-verbaal sporenonderzoek met proces-verbaalnummer PL2000-2015085044-115, van verbalisant [verbalisant 2] , d.d. 31 mei 2016, los in het dossier;

- het proces-verbaal Wapens, Munitie en Explosieven, met proces-verbaalnummer 2015085044-KP132, van verbalisant [verbalisant 3] , d.d. 2 juni 2016.

4.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1.

hij op of omstreeks 03 april 2015 te Breda tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s) met dat opzet en al dan niet na kalm beraad en rustig overleg met een vuurwapen meerdere althans (een) kogel(s) in het lichaam en/of in de richting van het lichaam van die [slachtoffer] afgevuurd en/of geschoten, mede ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden;

2.

hij op of omstreeks 3 april 2015 te Breda een wapen van categorie III, te weten een vuurwapen (type Glock), en/of munitie van categorie II en/of III, te weten meerdere in het magazijn van dat vuurwapen aanwezige patronen, voorhanden heeft gehad.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

5.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft een onderscheid gemaakt in twee schietmomenten en vervolgens aangevoerd dat bij het eerste schietmoment mogelijk sprake was van een noodweersituatie en verdachte derhalve wellicht, afhankelijk van de vraag of zijn handelen proportioneel was, een beroep op noodweer zou kunnen toekomen. De officier van justitie heeft betoogd dat het antwoord op die vraag niet besproken hoeft te worden, gelet op de uitkomst van het tweede schietmoment. Op dat moment, ook uitgaande van de verklaring van verdachte dat hij de machete heeft zien liggen, was geen sprake (meer) van een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding. Evenmin was sprake van een onmiddellijk dreigend gevaar. Nu er dus geen sprake was van een noodweersituatie moet het beroep op noodweer, dan wel noodweerexces, worden verworpen. De officier van justitie heeft voorts aangevoerd dat, in het scenario dat verdachte de machete niet heeft zien liggen, een beroep op noodweer evenmin op kan gaan, omdat het tweede schietmoment in dat geval geen daad van verdediging was, maar een aanvallende actie.

Er is volgens de officier van justitie ook geen sprake van putatief noodweer, aangezien er geen objectieve feiten of omstandigheden zijn waarop de vergissing van verdachte gebaseerd zou zijn.

Subsidiair heeft de officier van justitie aangevoerd dat verdachte geen beroep op noodweer kan doen, omdat verdachte zelf bewust de confrontatie is aangegaan en zich in een situatie heeft begeven waarin hij (indien nodig) zelf geweld zou gaan gebruiken.

5.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging stelt zich op het standpunt dat sprake was van een noodweersituatie, waartegen verdachte zich heeft verdedigd. Verdachte is binnen de grenzen gebleven van de noodzakelijke verdediging en er is voldaan aan het subsidiariteits- en proportionaliteitsvereiste. Verdachte heeft zich niet kunnen onttrekken. Aldus concludeert de verdediging dat verdachte niet strafbaar is en ontslagen dient te worden van alle rechtsvervolging.

Indien de rechtbank van oordeel is dat verdachte de grenzen van de noodzakelijke verdediging heeft overschreden, is volgens de verdediging sprake van noodweerexces omdat die overschrijding het gevolg was van een heftige gemoedsbeweging, veroorzaakt door de gedragingen van de broers [slachtoffer en broer van slachtoffer] die verdachte aanvielen met een bijl en een mes in combinatie met het letsel, de pijn en de angst om doodgeslagen te worden.

Meer subsidiair heeft de raadsvrouw bepleit dat sprake is van putatief noodweer. Door alle emoties, angst, pijn en de toestand van verdachte veroorzaakt door de klappen, was er op dat moment een voor verdachte levensbedreigende situatie, een noodweersituatie. Verdachte heeft geschoten uit een soort overlevingsdrang.

Mocht de rechtbank van oordeel zijn dat verdachte te ver is doorgeschoten, heeft de verdediging uiterst subsidiair een beroep op putatief noodweerexces gedaan.

Verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging, aldus de verdediging.

5.3

Het oordeel van de rechtbank

Het beroep op (putatief) noodweer(exces):

Ingevolge artikel 41, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht is iemand niet strafbaar die een feit begaat, geboden door de noodzakelijke verdediging van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding, waaronder onder omstandigheden mede is begrepen een onmiddellijk dreigend gevaar voor zo een aanranding. De vraag of een gedraging geboden is door de noodzakelijke verdediging van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed leent zich niet voor beantwoording is algemene zin. Ingevolge artikel 41 lid 2 Wetboek van Strafrecht is bovendien niet strafbaar hij die de grenzen van de noodzakelijke verdediging heeft overschreden, indien zij het onmiddellijk gevolg is geweest van een hevige gemoedsbeweging, door de aanranding veroorzaakt.

Bij de beslissing daaromtrent komt mede betekenis toe aan de waardering van de feitelijke omstandigheden van het geval. Om te beoordelen of aan de voorwaarden voor de aanvaarding van het beroep op noodweer of noodweerexces is voldaan, zal de rechtbank allereerst de feiten en omstandigheden moeten vaststellen.

Feiten en omstandigheden

Op basis van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting stelt de rechtbank de volgende feiten en omstandigheden vast. De rechtbank maakt hierbij, evenals de officier van justitie en de raadsvrouw, voor de feitenvaststelling een onderscheid in twee schietmomenten.

Verdachte had op 3 april 2015 met [slachtoffer] telefonisch afgesproken om elkaar te ontmoeten bij een winkelcentrum in Breda. Verdachte is naar de afgesproken plek gegaan met in totaal zes personen. Vervolgens hebben deze zes personen zich opgesplitst in twee groepen en, omdat verdachte [slachtoffer] niet kende, zijn zij gaan zoeken naar de man met wie verdachte een afspraak had. In twee groepen hebben zij het winkelcentrum bekeken.
Op enig moment heeft verdachte [slachtoffer] gevonden en zijn zij elkaar genaderd. Uit de verklaring van verdachte, de getuigenverklaring van [getuige 1] en de bevindingen van de patholoog over het letsel bij [slachtoffer] leidt de rechtbank af dat verdachte [slachtoffer] , al dan niet in reactie op een beweging van [slachtoffer] , een vuistslag in het gezicht heeft gegeven. Hierop heeft [slachtoffer] een machete gepakt, zo volgt uit de verklaring van verdachte, de getuigenverklaring van [getuige 1] en het latere aantreffen van een machete in de nabijheid van het slachtoffer.

Vervolgens is [broer slachtoffer] , de broer van [slachtoffer] , bij de confrontatie gekomen met een bijl in zijn handen. [broer slachtoffer] heeft met de bijl in de richting van verdachte geslagen, waarbij hij de eerste keer heeft mis geslagen. Hierna heeft [slachtoffer] verdachte, zo verklaart verdachte, met de machete op het hoofd geslagen.
De rechtbank vindt voor deze verklaring steun in het bij verdachte geconstateerde hoofdletsel en het rapport van het NFI waaruit blijkt dat op de machete bloed met DNA dat matcht met het DNA-profiel van zowel verdachte als [slachtoffer] is aangetroffen. Vervolgens heeft [broer slachtoffer] verdachte nogmaals met de bijl geslagen. Deze tweede keer dat [broer slachtoffer] met de bijl sloeg, heeft hij verdachte bovenop het hoofd geraakt.
Deze lezing van de feitelijke gang van zaken vindt steun in het ter plekke aantreffen van de bijl, het aantreffen van bloedsporen op de bijl die matchen met het DNA-profiel van verdachte en het door verdachte opgelopen letsel. Verdachte heeft verklaard dat hij op het moment dat hij met de machete en de bijl op zijn hoofd is geraakt op de grond lag. De rechtbank overweegt dat er geen getuigen zijn die dit deel van de verklaring van verdachte ondersteunen. Evenmin kan op basis van andere processtukken of het verhandelde ter zitting worden vastgesteld dat verdachte op de grond lag. De rechtbank kan echter evenmin uitsluiten dat verdachte inderdaad op dit bewuste moment op de grond lag. Het is dus mogelijk dat verdachte zich op de grond bevond toen [slachtoffer] nogmaals met de machete op hem af kwam lopen.
Nadat verdachte werd geraakt met de bijl, is [slachtoffer] op hem afgelopen met de machete in zijn handen. Hierop heeft verdachte een pistool uit zijn zak gepakt, heeft hij het pistool doorgeladen en heeft hij een aantal keer op [slachtoffer] geschoten, totdat [slachtoffer] zich van hem af keerde. Dit is het eerste schietmoment geweest.

Verdachte heeft verklaard dat [slachtoffer] na het eerste schietmoment is omgedraaid en van verdachte is weggelopen. Daarbij is [slachtoffer] op de grond gevallen. [slachtoffer] is vervolgens blijkens de verklaring van verdachte in de richting van het mes gekropen.

De rechtbank stelt vast dat uit de verklaring van verdachte zelf blijkt dat verdachte op dat moment stond, hetgeen wordt ondersteund door de verklaring van getuige [getuige 2] . Verdachte heeft op dit moment nogmaals een aantal malen geschoten op [slachtoffer] die op de grond lag en van verdachte wegkroop, omdat, zo heeft verdachte verklaard, [slachtoffer] een soort brul slaakte en verdachte het idee had dat de aanval nog niet voorbij was. Dit is het tweede schietmoment geweest.

De bovenomschreven schietmomenten hebben kort na elkaar plaatsgevonden en moeten naar het oordeel van de rechtbank in samenhang beoordeeld worden voor de beantwoording van de vraag of verdachte een beroep op (putatief) noodweer(exces) toekomt.

Het beroep op noodweer:

Voor een beroep op noodweer is vereist dat sprake is van een noodzakelijke verdediging tegen een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding of een dreiging daarvan. Een beroep op noodweer kan slechts slagen indien sprake was van een noodweersituatie en, zo ja, de gekozen verdedigingshandeling, in dit geval het schieten door verdachte, in redelijke verhouding staat tot de ernst van de aanranding. Verdachte was ernstig gewond aan zijn hoofd nadat hij door [slachtoffer] en [broer slachtoffer] was geslagen met een machete en een hakbijl. [slachtoffer] is vervolgens nogmaals met de machete op verdachte afgekomen. De rechtbank is van oordeel dat onder deze omstandigheden sprake was van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding waartegen verdachte zich in beginsel mocht verdedigen. Verdachte heeft zijn vuurwapen uit zijn jas gepakt en hij heeft meermalen op [slachtoffer] geschoten (het eerste schietmoment). Het middel dat verdachte ter verdediging heeft gebruikt is weliswaar verboden, maar dat maakt niet dat dit ingezette middel disproportioneel zou zijn. Van verdachte kon op dit moment mogelijk niet worden gevergd dat hij in de hectiek van het moment minder ingrijpend zou reageren. Echter, vervolgens heeft [slachtoffer] zich van verdachte omgedraaid en is hij weggelopen, op de grond gevallen en van verdachte weg gaan kruipen. [slachtoffer] was op dat moment al geraakt door het schieten door verdachte en lag ongewapend op de grond. Er was toen niet langer sprake van een (dreigende) aanranding, ook indien moet worden aangenomen zoals door de verdediging is betoogd dat [slachtoffer] naar de machete toekroop. Er bestond daarom geen noodzaak tot verdediging meer, en bovendien had verdachte zich naar het oordeel van de rechtbank op dit moment aan de situatie kunnen en moeten onttrekken. Verdachte had weg kunnen rennen of met het pistool gericht op [slachtoffer] achteruit kunnen weglopen, hetgeen een reële mogelijkheid was voor verdachte. De rechtbank is van oordeel dat, gelet op al deze omstandigheden en ondanks de eerdere aanval van [slachtoffer] en [broer slachtoffer] , verdachte daarom toch geen beroep op noodweer toekomt. Immers, de aanvankelijke aanval door verdachte was afgewend en [slachtoffer] lag gewond op de grond. Desondanks heeft verdachte wederom geschoten. Zelfs indien moet worden aangenomen, zoals de verdediging heeft betoogd, dat ook toen nog een noodweersituatie bestond, dan oordeelt de rechtbank dat het gekozen verdedigingsmiddel niet proportioneel was, nu [slachtoffer] gewond en ongewapend op de grond lag.

Het beroep op noodweer wordt verworpen.

Het beroep op noodweerexces:

De volgende vraag die de rechtbank moet beantwoorden is of sprake is van noodweerexces. De rechtbank overweegt dat noodweerexces ook in beeld kan komen indien op het tijdstip van de aan verdachte verweten gedraging de situatie waarin voor hem de noodzaak bestond tot verdediging van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding weliswaar was beëindigd en de noodzaak tot verdediging er dus wel is geweest (maar niet meer bestond), doch zijn gedraging niettemin het onmiddellijk gevolg was van een hevige gemoedsbeweging die was veroorzaakt door de daaraan voorafgaande wederrechtelijke aanranding.

Verdachte heeft over zijn gemoedstoestand bij de politie verklaard dat er van alles door hem heen ging, dat alles heel snel ging en “dat je niet alles kunt afwegen”. Verder heeft hij verklaard dat hij in paniek en bang was, en dat hij niet bij zijn positieven was en gedesoriënteerd was door de klap. Voor zijn gevoel had hij geen keuze dan zo te handelen. Verdachte heeft ter zitting op vragen over zijn gemoedstoestand geen nadere verduidelijking gegeven, anders dan dat hij ‘in paniek’ was. Wat die paniek met verdachte heeft gedaan is de rechtbank niet duidelijk geworden. Dat sprake was van (enige) angst en/of paniek bij verdachte wordt, gelet op het opgedane hoofdletsel, op zichzelf aannemelijk geacht door de rechtbank. De vraag is echter of deze door verdachte omschreven gemoedsbeweging zodanig was dat die van doorslaggevend belang is geweest voor het overschrijden van de grenzen van de noodzakelijke verdediging, en dus of sprake was van zodanige paniek of angst bij verdachte dat dat zijn handelen grotendeels kan verklaren.

De rechtbank acht bij die beoordeling van belang dat er in het dossier aanwijzingen zijn voor weloverwogen of rustig handelen van verdachte. Zo heeft verdachte bij de politie verklaard dat hij is gestopt met schieten op het moment dat hij zag dat het slachtoffer niet meer kroop naar het mes. Op de vraag wat hij wilde bereiken met dat schieten, heeft verdachte bij de politie verklaard: “dat hij mij of niemand anders meer kan aanvallen”. Verder heeft verdachte bij de politie verklaard dat hij heeft besloten voor een tweede keer te schieten omdat hij niet het idee kreeg dat het slachtoffer er klaar mee was en wilde vluchten, maar meer het idee dat hij “er nog niet klaar mee was”. Na het verlaten van de plaats delict heeft verdachte gevraagd aan zijn vrienden hoe erg zijn letsel was en tegen hen gezegd dat hij zich bij de politie zou gaan melden. De rechtbank ziet in deze feiten en omstandigheden contra-indicaties voor het aannemen van een hevige gemoedsbeweging bij verdachte, dan wel voor een zodanige gemoedsbeweging dat het schieten op het op de grond liggende slachtoffer het onmiddellijk gevolg daarvan is geweest. Het handelen van verdachte lijkt naar haar uiterlijke verschijningsvorm op het uitschakelen van [slachtoffer] .

De rechtbank concludeert op grond van de verklaring van verdachte en hetgeen hierboven uit het dossier is gebleken dat bij verdachte als gevolg van de aanranding weliswaar een gemoedsbeweging is ontstaan, maar dat niet aannemelijk is geworden dat deze gemoedsbeweging zodanig hevig was dat dit voor verdachte van doorslaggevend belang is geweest voor het meermalen schieten op de op de grond liggende [slachtoffer] .

Het beroep op noodweerexces wordt daarom ook verworpen.

Het beroep op putatief noodweer(exces)

Tot slot komt de rechtbank aan de bespreking van het beroep op putatief noodweer, dan wel putatief noodweerexces. Onder putatief noodweer wordt verstaan het geval dat men abusievelijk in de veronderstelling verkeert zich te moeten verdedigen dan wel zich te mogen verdedigen: het (dreigend) gevaar is ingebeeld, of er bestaat een onjuiste opvatting over de uitleg van de noodweerregeling. De rechtbank overweegt dat de hierboven als aannemelijk aangeduide feiten en omstandigheden niet een situatie opleveren waarin de verdachte abusievelijk doch verschoonbaar heeft kunnen menen dat zulk een noodzaak bestond.

Het beroep op putatief noodweer(exces) wordt daarom eveneens verworpen.

Er zijn ook overigens geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

Verdachte is strafbaar, omdat ook overigens niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert aan verdachte ten aanzien van feit 1 (doodslag) en feit 2 op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van negen jaren met aftrek van het voorarrest.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht rekening te houden met de voorgeschiedenis van deze zaak. Verdachte heeft dit gevolg nooit gewild, maar slechts willen praten met [slachtoffer] . Voorts heeft de verdediging verzocht er rekening mee te houden dat verdachte zelf ernstig gewond is geraakt en dat het aan zijn dikke hoofdhuid is te danken dat hij de aanvallen met de bijl en het mes heeft overleefd.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Doodslag wordt in ons strafrechtstelsel beschouwd als een van de ernstigste misdrijven. Verdachte heeft [slachtoffer] , een man van 28 jaar, van het leven beroofd door hem met meerdere kogels dood te schieten. Dit heeft voor de nabestaanden van het slachtoffer onherstelbaar leed en verdriet gebracht. Het spreekt voor zich dat dit misdrijf een enorme schok teweeg heeft gebracht bij de nabestaanden. Voor de nabestaanden moet het bijzonder moeilijk zijn een dergelijk zwaar verlies te dragen, hetgeen ook blijkt uit de slachtofferverklaring die de moeder van het slachtoffer ter zitting heeft voorgelezen. Verdachte heeft dit feit bovendien gepleegd op klaarlichte dag bij een winkelcentrum, in de nabijheid van winkelend publiek. Daarbij waren ook kleine kinderen aanwezig. Een dergelijk gewelddadig optreden nabij een winkelcentrum en bovendien op straat is zeer schokkend voor de ooggetuigen en versterkt de in de maatschappij levende gevoelens van onveiligheid. Een dergelijk feit schokt de rechtsorde zeer. De rechtbank rekent dit alles verdachte zwaar aan.

De rechtbank overweegt voorts dat verdachte eerder werd veroordeeld wegens geweldsfeiten en verboden wapenbezit, maar dat deze veroordelingen hem er niet van hebben weerhouden op 3 april 2015 wederom een vuurwapen op zak te hebben.

Het nemen van een leven van een ander is een zo ernstig strafbaar feit dat in beginsel alleen een langdurige gevangenisstraf in aanmerking komt.

In strafmatigende zin neemt de rechtbank mee dat verdachte werd geconfronteerd met enorme agressie vanuit de gebroeders [slachtoffer en broer van slachtoffer] die hem met een machete en een hakbijl op zijn hoofd hebben geslagen. Verdachte heeft hierbij forse verwondingen opgelopen, waaraan hij mogelijk zelf had kunnen komen te overlijden. Verdachte houdt hieraan ook blijvende littekens over.

Alles afwegend komt de rechtbank tot het oordeel dat de door de officier van justitie gevorderde straf voldoende recht doet aan de ernst van de feiten en de persoon van verdachte.

Derhalve is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van 9 (negen) jaar noodzakelijk is.

7 De benadeelde partij

7.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen, met daarbij oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft aangevoerd dat aan verdachte geen straf of maatregel kan worden opgelegd en dat derhalve de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.

7.3

Het oordeel van de rechtbank

De benadeelde partij [benadeelde partij] vordert een schadevergoeding van € 6.274,43 voor feit 1, vermeerderd met wettelijke rente, wegens geleden materiële schade (posten uitvaartnota en grafmonument).

De rechtbank is van oordeel dat de schade een rechtstreeks gevolg is van dit bewezenverklaarde feit en acht verdachte aansprakelijk voor die schade.

Het gevorderde is voldoende aannemelijk gemaakt, zodat de vordering zal worden toegewezen. Tevens zal de gevorderde wettelijke rente worden toegewezen vanaf de respectieve factuurdata.

Met betrekking tot de toegekende vordering benadeelde partij zal de rechtbank tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 10, 27, 24c, 36f, 57, 91 en287 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen de artikelen 26, 55, 56 en 60 van de Wet wapens en munitie zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van het onder feit 1 impliciet primair tenlastegelegde feit (moord);

Bewezenverklaring

- verklaart het onder feit 1 impliciet subsidiair ten laste gelegde en feit 2 bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar;

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1: Doodslag;

feit 2: Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, terwijl het feit is begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III en

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie;

- verklaart verdachte strafbaar voor het bewezen verklaarde;

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 (negen) jaren;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

Benadeelde partij [benadeelde partij]

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij van € 6.274,43 ter zake van materiële schade (posten uitvaartnota en grafmonument),vermeerderd met de wettelijke rente over een bedrag van € 4.312,43 vanaf 16 juni 2015 en over een bedrag van €1.962,00 vanaf 4 juni 2016, tot aan de dag der algehele voldoening;

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil; (BP.06)

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van de nabestaande van het slachtoffer [benadeelde partij] (feit 1), € 6.274,43 te betalen, en vermeerderd met de wettelijke rente over een bedrag van € 4.312,43 vanaf 16 juni 2015 en over een bedrag van € 1.962,00 vanaf 4 juni 2016 tot aan de dag der algehele voldoening, bij niet betaling te vervangen door 66 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd. (BP.04)

Dit vonnis is gewezen door mr. Scheffers, voorzitter, mr. Brouwer en mr. Ebben, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Jongeneelen, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 4 juli 2016.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt -tenzij anders vermeld- bedoeld het eindproces-verbaal met onderzoeksnummer 20TGO15004 van Politie Eenheid Zeeland-West-Brabant (TGO Schiltach), opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren en doorgenummerd van 001 tot en met 2071. Het proces-verbaal van bevindingen, p. 735-736 van voornoemd eindproces-verbaal. 2 Proces-verbaal, p. 10 van voornoemd eindproces-verbaal.

2 NFI rapport pathologie d.d. 22 april 2015, p. 717-734 van voornoemd eindproces-verbaal.

3 Proces-verbaal verhoor verdachte, proces-verbaalnummer 10022016.1100.0717, d.d.10 februari 2016, los in het dossier.

4 De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting op 20 juni 2016, zittingsproces-verbaal.

5 De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting op 20 juni 2016, zittingsproces-verbaal.