Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2016:4024

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
28-06-2016
Datum publicatie
05-07-2016
Zaaknummer
AWB 15_4965
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Omgevingsvergunning (veranderen inrichting vleeskuikenhouderij) gedeeltelijk vernietigd v.w.b. incidentele bedrijfssituatie omdat deze alleen ziet op de afvoer van kuikens en niet op de aanvoer daarvan. Rechtbank voorziet in de zaak door wijziging geluidsvoorschriften 7.1.4 en 7.1.5.

Geen onderbouwing dat gebruik elektrische verreiker een voor de inrichting in aanmerking komende BBT is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 15/4965 WABOM

uitspraak van 28 juni 2016 van de meervoudige kamer in de zaak tussen

[naam eiser] , te [plaats] , eiser,

gemachtigde: mr. K. de Wit,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Oisterwijk, verweerder.

Als derde partijen hebben aan het geding deelgenomen:

[naam maatschap] en [naam belanghebbende1] , [naam belanghebbende2] en

[naam belanghebbende3], te [plaats] ,

gemachtigde: mr. M.I.J. Toonders.

Procesverloop

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 9 juni 2015 (bestreden besluit) van het college inzake het verlenen van een omgevingsvergunning aan [naam maatschap] en [naam belanghebbende1] (de maatschap) ten behoeve van het wijzigen van een vleeskuikenhouderij aan de Heuvelstraat 16 te Moergestel.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden in Breda op 26 mei 2016. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam vertegenwoordiger1] en [naam vertegenwoordiger2] . Van derde partijen is in persoon verschenen [naam belanghebbende2] , bijgestaan door zijn gemachtigde en [naam gemachtigde] ( [naam bedrijf] ).

Overwegingen

1. Op grond van de stukken en de behandeling ter zitting gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden.

De maatschap drijft een pluimveehouderij op het adres [adres1] te [plaats] . Het bedrijf beschikt over een vergunning op grond van de Wet milieubeheer. De meest recente revisievergunning is verleend op 15 maart 2006. Deze vergunning wordt op grond van de Invoeringswet Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Invoeringswet Wabo) gelijkgesteld aan een omgevingsvergunning voor onbepaalde tijd. Op 24 juli 2013 heeft de maatschap een aanvraag ingediend voor een omgevingsvergunning voor het veranderen van de inrichting. Concreet gaat het om de volgende veranderingen.

 De opslag/werktuigenberging nabij het woonhuis is voor een gedeelte komen te vervallen.

 De stallen worden voorzien van een emissiearm huisvestingssysteem BWL2011.13.

 De stallen worden aan de achterzijde voorzien van een uitlaatkoker waarmee de lucht verticaal wordt uitgeblazen. De lengteventilatie van de stallen wordt hierop aangepast.

 Het uitbreiden (van 7 naar 12 maal per jaar) van de nachtelijke uitlaadactiviteiten van de mestkuikens.

Het aantal dieren per stal zal gelijk blijven met de vergunde situatie. In totaal zullen er binnen de inrichting 135.400 vleeskuikens worden gehouden.

Het college heeft een ontwerpbesluit tot verlening van een omgevingsvergunning met alle daarbij behorende stukken met ingang van 19 december 2014 gedurende zes weken ter inzage gelegd en heeft het voorgenomen besluit gepubliceerd. Eiser heeft zijn zienswijze naar voren gebracht tegen dat ontwerpbesluit.

Vervolgens heeft het college bij het bestreden besluit aan de maatschap een omgevingsvergunning verleend voor de activiteit ‘veranderen van of veranderen van de werking van een inrichting’. In een bijlage bij het bestreden besluit heeft het college op de ingediende zienswijze gereageerd.

2. Eiser woont op het adres [adres2] te [plaats] , tegenover de inrichting van de maatschap. Eiser heeft aangevoerd dat hij vreest voor aantasting van zijn woon- en leefklimaat. Hij vreest voor een toename van geluidsoverlast, die in de bestaande situatie al groot is. Meer specifiek wijst eiser op de verreiker, welke veel overlast geeft, met name in de nachtelijke uren. Eiser is van mening dat het college ten onrechte niet heeft bepaald dat gebruik moet worden gemaakt van een elektrische verreiker. Daarnaast vreest eiser voor een toename van overlast van het af- en aanrijden van vrachtwagens, temeer nu het bestreden besluit de maatschap toestaat om de nachtelijke uitlaadactiviteiten aanzienlijk uit te breiden. Eiser vreest voorts voor een toename van geuroverlast en uitstoot van ammoniak.

3. Ingevolge artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) – voor zover relevant – is het verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit:

  1. het oprichten,

  2. het veranderen of veranderen van de werking, of

  3. het in werking hebben

van een inrichting.

Niet in geschil is dat de inrichting van de maatschap valt onder een van de categorieën vergunningplichtige inrichtingen die zijn opgesomd in bijlage I bij het Besluit omgevingsrecht (Bor).

De gronden voor weigering van een vergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wabo staan opgesomd in artikel 2.14 van die wet.

In artikel 2.6, eerste lid, van de Wabo is – voor zover relevant – bepaald dat, voor zover de aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op het veranderen van een inrichting of van de werking daarvan, als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder 3, onder 2° of 3°, en met betrekking tot die inrichting al een of meer omgevingsvergunningen zijn verleend, het bevoegd gezag kan bepalen dat een omgevingsvergunning wordt aangevraagd met betrekking tot die verandering en het in werking hebben van de betrokken inrichting na die verandering.

Geur en ammoniak

4. De rechtbank stelt vast dat de maatschap een onderzoek naar de geurbelasting heeft laten verrichten door [naam bedrijf] en dat het rapport van dat onderzoek van 19 juli 2013, met stuknummer 2013W16642, door het college is gewaarmerkt als onderdeel van het bestreden besluit. Tevens is een systeembeschrijving BWL2011.13, met stuknummer 2012W13928, gewaarmerkt als onderdeel van het bestreden besluit. Relevant is voorts dat het bestreden besluit – onder meer – ziet op de volgende wijzigingen:

 De bestaande stallen worden voorzien van een emissiearm huisvestingssysteem BWL2011.13, stal met indirect gestookte warmteheaters met luchtmengsysteem voor droging strooisellaag;

 De bestaande stallen worden aan de achterzijde voorzien van een uitlaatkoker, waarmee de lucht verticaal wordt uitgeblazen. De lengteventilatie van de stallen wordt hiermee eveneens aangepast.

[naam bedrijf] is in zijn onderzoek op grond van de Wet geurhinder en veehouderij en de gemeentelijke Geurverordening uitgegaan van een geurnorm ter plaatse van de woning van eiser (buitengebied) van 14,0 OUE/m³. Volgens [naam bedrijf] is in de vergunde situatie ter plaatse van de woning van eiser sprake van een geurbelasting die hoger is dan 14,0 OUE/m³, namelijk 15,1 OUE/m³. De aangevraagde situatie zou volgens Van Dun tot een lagere geurbelasting ter plaatse van de woning van eiser leiden, namelijk 13,7 OUE/m³.

Het college heeft op basis daarvan in het bestreden besluit overwogen dat de geurbelasting op alle omliggende geurgevoelige objecten afneemt. Ten aanzien van de ammoniakuitstoot heeft het college in het bestreden besluit overwogen dat het de aanvraag heeft getoetst aan de Wet ammoniak en veehouderij en de Regeling ammoniak en veehouderij. Het college heeft geen reden gezien voor weigering van de omgevingsvergunning, omdat de ammoniakemissie als gevolg van deze aanvraag met 6.093 kilogram per jaar afneemt. In reactie op de zienswijze heeft het college aangegeven de ammoniakemissie sterk zal afnemen en dat het daarom uit te sluiten valt dat er een verslechtering optreedt en er geen sprake zal zijn van directe ammoniakschade.

Eiser heeft zijn vrees voor een toename van geuroverslag en ammoniakuitstoot niet onderbouwd. De rechtbank ziet daarom geen reden om te twijfelen aan het standpunt van het college, dat met het bestreden besluit ten aanzien van geur en ammoniak geen verslechtering voor eiser zal optreden ten opzichte van de reeds vergunde situatie. Indien blijkt dat de maatschap in de praktijk niet aan de geldende normen voldoet of kan voldoen, of de maatschap zich anderszins niet aan de voorschriften van de omgevingsvergunning houdt, dan is het college (in beginsel) verplicht om daartegen handhavend op te treden.

Geluid

5.1.

De rechtbank stelt vast dat de maatschap een akoestisch onderzoek heeft laten verrichten door Sain Milieuadvies en dat het rapport van dat onderzoek van 11 juli 2013, met stuknummer 2013W16641, en het aanvullende rapport van 18 april 2014, met stuknummer 2014A02214, door het college zijn gewaarmerkt als onderdeel van het bestreden besluit.

Het college heeft op basis van het akoestisch rapport, en rekening gehouden met het bepaalde in de ‘Handleiding meten en rekenen industrielawaai 1999’ (de Handleiding) en de ‘Nota Industrielawaai gemeente Oisterwijk’ (de Nota), voorschriften verbonden aan het bestreden besluit in paragraaf 7:

 Onder 7.1.4 en 7.1.5 is de incidentele bedrijfssituatie opgenomen: maximaal 12 dagen per kalenderjaar – op die dagen dat de aanvoer van kuikens of de afvoer van kuikens en mest plaatsvindt – mag het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (LAr, LT) en het maximale geluidniveau (LAmax) in de nachtperiode ter plaatse van de woning van eiser 43 dB(A) respectievelijk 63 dB(A) bedragen.

 Onder 7.1.9 is vermeld dat bij het afvoeren van kuikens gebruik dient te worden gemaakt van een verreiker (van de vangploeg) met een bronvermogen van maximaal 98 dB(A).

Eiser vreest voor een toename van geluidsoverlast. Meer concreet doelt hij op het nachtelijk laden van de vleeskuikens en het gebruik daarbij van een verreiker. Eiser heeft zijn standpunt akoestisch laten onderbouwen door zijn adviseur ir. A.K.M. van Hoof van [naam bedrijf2] . Door eiser wordt niet betwist dat de hiervoor omschreven incidentele bedrijfssituatie in beginsel past binnen de Nota en de Handleiding, nu deze is gemaximeerd op 12 dagen per jaar. De rechtbank dient te beoordelen of het college bij het vergunnen van de hiervoor omschreven incidentele bedrijfssituatie voldoende rekening heeft gehouden met de belangen van eiser.

5.2.

Partijen zijn het erover eens dat feitelijk kan worden gesproken van twee verschillende incidentele bedrijfssituaties:

I. het met maximaal drie vrachtwagens in de nachtperiode uitladen en afvoeren van kuikens, maximaal vijf keer per jaar;

II. het met maximaal elf vrachtwagens in de avond- en nachtperiode uitladen (wegladen) en afvoeren van kuikens plus aansluitend de afvoer van mest, maximaal zeven keer per jaar.

Het college heeft in zijn verweerschrift de suggestie gedaan om voorschrift 7.1.4 te splitsen in 7.1.4a (maximaal vijf dagen per kalenderjaar) en 7.1.4b (maximaal zeven dagen per kalenderjaar). Voorts is door de maatschap aangegeven dat de incidentele bedrijfssituatie alleen ziet op de afvoer van kuikens en niet op de aanvoer daarvan, zodat het deel van de voorschriften 7.1.4 en 7.1.5 dat ziet op de aanvoer van kuikens, geschrapt kan worden.

Eiser heeft daarop ter zitting opgemerkt dat deze aanpassing voor hem weliswaar een verbetering is van het bestreden besluit, maar dat deze nog niet volledig aan zijn beroep tegemoet komt.

5.3.

Uit artikel 2.14, eerste lid, aanhef en onder c, sub 1°, van de Wabo volgt dat een inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken (BBT) moet toepassen.

Eiser wil met zijn beroep – onder meer – bereiken dat wordt voorgeschreven dat bij het laden van de kuikens gebruik wordt gemaakt van een elektrische verreiker en stelt zich op het standpunt dat het college met het bestreden besluit niet de BBT heeft voorgeschreven. Eiser doet in dat verband een beroep op een zin uit de schriftelijke reactie van [naam bedrijf] van 23 maart 2015 in het kader van de voorbereidingsprocedure (door het college gewaarmerkt als onderdeel van het bestreden besluit, stuknummer 2015W01753), namelijk: “Het toepassen van een elektrische verreiker kan gezien worden als een BBT-toepassing.”. De rechtbank heeft ter zitting gesignaleerd dat deze stelling tegenstrijdig lijkt met hetgeen daarvoor in dezelfde alinea is vermeld: “Het gebruik van elektrische verreikers is overigens nog niet gebruikelijk in de branche (de accu van een elektrische verreiker moet met regelmaat opgeladen worden. Een lading neemt afhankelijk van de batterij en lader een aantal uren in beslag. Dit zijn uren waarin de machine niet kan worden gebruikt).”. De maatschap heeft ter zitting bevestigd dat hier sprake moet zijn geweest van een kennelijke verschrijving en heeft de rechtbank daarom verzocht om die zin als niet geschreven te beschouwen. De rechtbank gaat op basis van het voorgaande ervan uit dat de door eiser aangehaalde zin uit de brief van [naam bedrijf] van 23 maart 2015 een kennelijke verschrijving bevat en neemt aan dat [naam bedrijf] heeft bedoeld te zeggen dat het gebruik van elektrische verreikers niet kan worden gezien als een BBT-toepassing. De rechtbank ziet in de beroepsgronden van eiser ook overigens geen onderbouwing om aan te nemen dat het gebruik van een elektrische verreiker een voor de inrichting in aanmerking komende BBT is. De rechtbank is van oordeel dat het college met het voorschrijven van het gebruik van een verreiker met een lager bronvermogen bij het uitladen van de kuikens voldoende is tegemoetgekomen aan de belangen van eiser.

5.4.

Eiser wil met zijn beroep voorts nog bereiken dat in het bestreden besluit meer controlevoorschriften worden opgenomen. Eiser doet in dat kader een beroep op artikel 5.5, vierde lid van het Bor.

De rechtbank stelt vast dat het college in de vergunningvoorschriften onder 7.1.10 een controlevoorschrift heeft opgenomen, dat betrekking heeft op voorschrift 7.1.2. Eiser stelt zich evenwel op het standpunt dat ook ten aanzien van de voorschriften 7.1.3, 7.1.4 en 7.1.5 controlevoorschriften hadden moeten worden opgenomen, meer specifiek ter voorkoming van piekgeluiden in de vorm van gedragsvoorschriften gericht op de chauffeurs van de verreiker, zo is ter zitting nader toegelicht. Het college heeft ter zitting opgemerkt dat het dergelijke controlevoorschriften niet noodzakelijk en lastig handhaafbaar acht. Het college heeft toegelicht dat het met het opleggen van controlevoorschriften niet kan garanderen dat chauffeurs altijd rustig rijgedrag zullen vertonen.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college met de gestelde voorschriften voldoende rekening gehouden met de belangen van eisers en heeft het college voldoende aannemelijk gemaakt dat aanvullende controle- of gedragsvoorschriften niet noodzakelijk of doelmatig zijn.

6. Op basis van het voorgaande komt de rechtbank tot het oordeel dat het college op goede gronden heeft besloten om een omgevingsvergunning aan de maatschap te verlenen voor het veranderen van de inrichting, met dien verstande dat voorschrift 7.1.4. wordt gesplitst en gewijzigd en voorschrift 7.1.5 wordt gewijzigd. Dat leidt ertoe dat het beroep gegrond zal worden verklaard. Het bestreden besluit zal in zoverre (gedeeltelijk) worden vernietigd. De rechtbank ziet aanleiding zelf in de zaak te voorzien, in die zin dat voorschrift 7.1.4 als volgt wordt gesplitst en gewijzigd door de navolgende voorschriften 7.1.4a en 7.1.4b aan de omgevingsvergunning te verbinden.

7.1.4a

In tegenstelling tot het gestelde in voorschrift 7.1.2 mag, maximaal vijf dagen per kalenderjaar, op die dagen dat de afvoer van kuikens plaatsvindt, het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (LAr, LT) geproduceerd door de in de inrichting aanwezige toestellen en installaties, alsmede door de in de inrichting verrichte werkzaamheden en plaatsvindende activiteiten, ter plaatse van de in onderstaande tabel genoemde woningen van derden niet meer bedragen dan:

Omschrijving

Dagperiode
07.00 – 19.00 uur

Avondperiode
19.00 – 23.00 uur

Nachtperiode
23.00 – 07.00 uur

Heuvelstraat 18

Als RBS

Als RBS

Als RBS

Heuvelstraat 17

Als RBS

Als RBS

37 dB(A)

Heuvelstraat 14A

Als RBS

Als RBS

42 dB(A)

Overige woningen

Als RBS

Als RBS

Als RBS

7.1.4b

In tegenstelling tot het gestelde in voorschrift 7.1.2 mag, maximaal zeven dagen per kalenderjaar, op die dagen dat de afvoer van kuikens en mest plaatsvindt, het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (LAr, LT) geproduceerd door de in de inrichting aanwezige toestellen en installaties, alsmede door de in de inrichting verrichte werkzaamheden en plaatsvindende activiteiten, ter plaatse van de in onderstaande tabel genoemde woningen van derden niet meer bedragen dan:

Omschrijving

Dagperiode
07.00 – 19.00 uur

Avondperiode
19.00 – 23.00 uur

Nachtperiode
23.00 – 07.00 uur

Heuvelstraat 18

Als RBS

Als RBS

40 dB(A)

Heuvelstraat 17

Als RBS

Als RBS

43 dB(A)

Heuvelstraat 14A

47 dB(A)

Als RBS

48 dB(A)

Overige woningen

Als RBS

Als RBS

Als RBS

Daarnaast wordt voorschrift 7.1.5 als volgt aangepast.

7.1.5

In tegenstelling tot het gestelde in voorschrift 7.1.3 mag, maximaal twaalf dagen per kalenderjaar, op die dagen dat de afvoer van kuikens en mest plaatsvindt, het maximale geluidsniveau (LAmax) veroorzaakt door de in de inrichting aanwezige toestellen en installaties, alsmede door de in de inrichting verrichte werkzaamheden en plaatsvindende activiteiten, gemeten in de meterstand ‘fast’, ter plaatse van de gevels van de in de onderstaande tabel genoemde woningen van derden niet meer bedragen dan:

Omschrijving

Nachtperiode 23.00 – 07.00 uur

Heuvelstraat 17

63 dB(A)

Heuvelstraat 14A

64 dB(A)

Overige woningen

Als RBS

7. Nu het beroep gegrond wordt verklaard, dient het griffierecht aan eiser te worden vergoed. De rechtbank zal het college veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 992,= (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 496,= en wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit voor wat betreft het daaraan verbonden voorschriften 7.1.4 en 7.1.5;

  • -

    bepaalt dat voorschrift 7.1.4 wordt vervangen door de voorschriften 7.1.4a en 7.1.4b, zoals nader omschreven onder rechtsoverweging 6;

  • -

    bepaalt dat voorschrift 7.1.5 wordt vervangen door voorschrift 7.1.5, zoals nader omschreven onder rechtsoverweging 6;

  • -

    bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het bestreden besluit;

  • -

    draagt het college op het betaalde griffierecht van € 167,= aan eiser te vergoeden;

  • -

    veroordeelt het college in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 992,=.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.A.F. van Ginneken, voorzitter, en mr. S. Ketelaars-Mast en mr. M.G.J. Maas-Cooymans, leden, in aanwezigheid van N.A. D’Hoore, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 28 juni 2016.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.