Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2016:390

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
14-01-2016
Datum publicatie
29-10-2018
Zaaknummer
AWB 15_4193
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:CRVB:2018:3026, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

AWBZ

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 15/4193 AWBZ

uitspraak van 14 januari 2016 van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres] , te [woonplaats] , eiseres,

gemachtigde: mr. T. Deckwitz,

en

CIZ, verweerder.

Procesverloop

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 8 mei 2015 (bestreden besluit) van het CIZ inzake een indicatiestelling voor zorg op grond van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ).

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden in Breda op 22 oktober 2015. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde en CIZ door mr. L.M.R. Kater.

De rechtbank heeft de termijn voor het doen van uitspraak met zes weken verlengd.

Overwegingen

1. Op grond van de stukken en de behandeling ter zitting gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Eiseres, geboren op [geboortedatum] , ontvangt een uitkering ingevolge de Wet Wajong.

Zij heeft vanaf 2007 diverse indicaties gehad voor zorg op grond van de AWBZ, vanaf 2008 op basis van de grondslag verstandelijke handicap (VG).

Bij besluit van 25 oktober 2011 heeft CIZ eiseres op basis van de grondslag verstandelijke handicap geïndiceerd voor het zorgzwaartepakket (ZZP) VG02 (wonen met begeleiding), klasse 7 (7 etmalen per week), voor de periode 25 oktober 2011 tot 25 oktober 2026.

Eiseres ontvangt sinds enkele jaren zorg van [naam zorginstelling] die wordt betaald uit een pgb. Zij woont zelfstandig.

Eiseres heeft op 27 november 2014 een aanvraag ingediend voor een hoger ZZP VG, omdat zij meer uren begeleiding individueel en begeleiding groep nodig heeft.

Bij besluit van 15 december 2014 (primair besluit) heeft CIZ eiseres geïndiceerd voor de functie begeleiding individueel, klasse 4 (7-9,9 uur per week), voor de periode 15 december 2014 tot 14 juni 2015. Deze zorg is toegekend vanwege de beperkingen van eiseres bij sociale redzaamheid en psychisch functioneren. Eiseres krijgt geen indicatie voor een ZZP, omdat zij middels ondersteunende begeleiding voldoende in staat is om zich te redden in een zelfstandige woonomgeving. Eiseres krijgt begeleiding individueel, omdat zij behoefte heeft aan ondersteuning bij praktische vaardigheden en het aanbrengen van structuur en regie.

Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit.

Bij het bestreden besluit heeft CIZ de bezwaren van eiseres ongegrond verklaard en het primaire besluit gehandhaafd. Volgens CIZ kan niet worden afgeweken van de geldigheidsduur van de indicatie voor begeleiding individueel. De AWBZ is van toepassing. Volgens CIZ is er onvoldoende informatie door een daartoe bevoegd persoon aangeleverd om een grondslag voor AWBZ-zorg te kunnen bepalen. Wel is sprake van een ernstig vermoeden van een psychiatrische grondslag. Er is een wettelijk voorliggende voorziening, namelijk de Zorgverzekeringswet (ZVW); eiseres wordt immers op last van justitie behandeld door de verslavingszorg. De behandeling is niet beperkt tot medische interventies, maar kan ook bestaan uit individuele begeleiding en dagbesteding vanwege de psychiatrische behandeling. Eiseres heeft matige beperkingen op het gebied van sociale redzaamheid, gedrag en psychisch functioneren. Volgens de medisch adviseur zijn deze beperkingen passend bij zwakbegaafdheid en mogelijke overige nog niet in kaart gebrachte persoonlijkheidsproblematiek. Voorliggend op de eventuele inzet van AWBZ‑zorg is het in kaart brengen van de actuele totale psychiatrische problematiek van eiseres door een volwassenen psychiater, aldus de medisch adviseur. Hoewel volgens CIZ geen aanspraak kan worden gemaakt op AWBZ-zorg, wordt de reeds eerder geïndiceerde begeleiding vanwege het reformatio in peius-beginsel gehandhaafd tot 14 juni 2015. Eiseres komt niet in aanmerking voor de functie verblijf omdat er bij haar geen sprake is van een grondslag. Bovendien heeft eiseres volgens de medisch adviseur geen beperkingen om aangewezen te kunnen zijn op onplanbare 24-uurs zorg in een beschermde woonvorm.

2. Eiseres voert in beroep aan dat het bestreden besluit op onzorgvuldige wijze tot stand is gekomen. Ook is het onvoldoende gemotiveerd. Volgens eiseres is wel degelijk sprake van de grondslag VG. Eiseres voldoet aan de criteria die daarvoor worden gesteld in de Beleidsregels indicatiestelling AWBZ 2014 (Beleidsregels) en in de CIZ Indicatiewijzer 7.1 (Indicatiewijzer). Zij heeft een TIQ tussen de 70 en 85 en er is sprake van ernstige en chronische beperkingen in de sociale redzaamheid en/of gedragsproblemen die zijn ontstaan voor het 18e levensjaar. De orthopedagoog [naam orthopedagoog] is deskundig om - in ieder geval voor de grondslag VG - te diagnosticeren en om eventuele stoornissen en beperkingen vast te stellen. Bovendien heeft eiseres in het verleden wel een indicatie voor de grondslag VG gekregen. Daarbij komt dat eiseres vanwege haar beperkingen in de sociale redzaamheid en/of gedragsproblemen structureel en op onplanbare momenten zorg van [naam zorginstelling] nodig heeft. Eiseres heeft ter onderbouwing van haar standpunt een addendum overgelegd van 29 juni 2015 van [naam orthopedagoog] behorende bij het capaciteitenonderzoek van 8 december 2014.

3. Op 1 januari 2015 is de AWBZ en de daarop gebaseerde regelgeving komen te vervallen. Op grond van het overgangsrecht is op dit geschil het recht van toepassing zoals dat gold voor 1 januari 2015.

In artikel 11.3.4, eerste lid, van de Wet langdurige zorg (Stb. 2014, 494) is bepaald dat aanvragen gedaan bij en besluiten genomen door de stichting Centrum indicatiestelling zorg met betrekking tot de AWBZ, voor zover de uitvoering van die wet op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze wet op 1 januari 2015 (Stb. 2014, 521) aan de stichting Centrum indicatiestelling zorg was opgedragen, na de inwerkingtreding van deze wet gelden als aanvragen gedaan bij en besluiten genomen door CIZ.

In het tweede lid is bepaald dat in wettelijke procedures en rechtsgedingen waarbij de stichting Centrum indicatiestelling zorg is betrokken, op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet CIZ in de plaats treedt van de stichting Centrum indicatiestelling zorg.

4. In artikel 6, eerste lid, van de AWBZ is bepaald dat de verzekerden aanspraak hebben op zorg ter voorkoming van ziekten en ter voorziening in hun geneeskundige behandeling, verpleging en verzorging. Tot deze zorg behoren voorzieningen tot behoud, herstel of ter bevordering van de arbeidsgeschiktheid of strekkende tot verbetering van levensomstandigheden, alsmede maatschappelijke dienstverlening.

In het tweede lid is bepaald dat bij of krachtens algemene maatregel van bestuur aard, inhoud en omvang van de zorg waarop aanspraak bestaat, worden geregeld, en voorwaarden kunnen worden gesteld voor het tot gelding brengen van de aanspraken.

In artikel 9a, eerste lid, van de AWBZ is bepaald dat burgemeester en wethouders erin voorzien dat in hun gemeente ten behoeve van de inwoners een onafhankelijk indicatieorgaan werkzaam is, dat kosteloos besluit of een inwoner is aangewezen op een van de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen vormen van zorg.

Het in artikel 9a, eerste lid, van de AWBZ bedoelde orgaan is in deze zaak CIZ.

In artikel 9b, eerste lid, van de AWBZ is bepaald dat aanspraak op zorg, aangewezen ingevolge artikel 9a, eerste lid, van de AWBZ, slechts bestaat indien en gedurende de periode waarvoor het bevoegde indicatieorgaan op een door de verzekerde ingediende aanvraag heeft besloten dat deze naar aard, inhoud en omvang op die zorg is aangewezen.

De algemene maatregel van bestuur als bedoeld in de artikelen 6 en 9a van de AWBZ is het Besluit Zorgaanspraken AWBZ (BZA).

In artikel 2, eerste lid, aanhef en onder en c, van het BZA, is bepaald dat de verzekerde behoudens voor zover het zorg betreft die kan worden bekostigd op grond van een andere wettelijke regeling of een zorgverzekering als bedoeld in de Zorgverzekeringswet, aanspraak heeft op begeleiding als omschreven in artikel 6 van het BZA.

In artikel 2, eerste lid, aanhef en onder en e, van het BZA, is bepaald dat de verzekerde behoudens voor zover het zorg betreft die kan worden bekostigd op grond van een andere wettelijke regeling of een zorgverzekering als bedoeld in de Zorgverzekeringswet, aanspraak heeft op verblijf als omschreven in artikel 9 van het BZA.

In het derde lid is bepaald dat de aanspraak op zorg slechts bestaat voor zover de verzekerde, gelet op zijn behoefte en uit een oogpunt van doelmatige zorgverlening, redelijkerwijs daarop is aangewezen.

In artikel 6, eerste lid, van het BZA is bepaald dat begeleiding omvat door een instelling te verlenen activiteiten aan verzekerden met een somatische, psychogeriatrische of psychiatrische aandoening of beperking, of een verstandelijke, lichamelijke of zintuiglijke handicap die matige of zware beperkingen hebben op het terrein van:

a. de sociale redzaamheid,

b. het bewegen of verplaatsen,

c. het psychisch functioneren,

d. het geheugen en de oriëntatie, of

e. die matig of zwaar probleemgedrag vertonen.

In artikel 9, eerste lid, van het BZA is bepaald dat verblijf omvat verblijf in een instelling met samenhangende zorg bestaande uit persoonlijke verzorging, verpleging, begeleiding of behandeling, voor een verzekerde met een somatische, psychogeriatrische of psychiatrische aandoening of beperking of een verstandelijke, lichamelijke of zintuiglijke handicap, indien die verzekerde aangewezen is op een beschermende woonomgeving, een therapeutisch leefklimaat of permanent toezicht.

In het tweede lid is bepaald dat op verblijf slechts aanspraak bestaat indien de verzekerde meer dan drie etmalen per week daarop is aangewezen.

Het besluit als bedoeld in de artikelen 9a en 9b van de AWBZ is het Zorgindicatiebesluit (Zib).

Artikel 6 van het Zib bepaalt dat voor zover dit voor het nemen van een indicatiebesluit van belang is, onderzoek wordt verricht naar:

a. de algemene gezondheidstoestand van de zorgvrager;

b. de beperkingen die de zorgvrager in zijn functioneren ondervindt als gevolg van een somatische, psychogeriatrische of psychiatrische aandoening of beperking, of een verstandelijke, lichamelijke of zintuiglijke handicap;

c. de woning en de woonomgeving van de zorgvrager;

d. het psychisch en sociaal functioneren van de zorgvrager;

e. de sociale omstandigheden van de zorgvrager;

f. de aard en de omvang van de aan de zorgvrager geboden professionele en niet-professionele hulp en zorg en de mogelijkheden tot continuering en uitbreiding daarvan;

g. welk cliëntprofiel het beste bij de zorgvrager past.

Ingevolge artikel 7, eerste lid, van het Zib wordt bij het onderzoek zoveel mogelijk gebruik gemaakt van de gegevens die bij de aanvraag zijn gevoegd of tijdens het onderzoek ter beschikking zijn gesteld.

In het tweede lid is bepaald dat indien daartoe aanleiding bestaat, de behandelende beroepsbeoefenaren van de zorgvrager tijdens het onderzoek worden geraadpleegd.

In artikel 11 van het Zib is bepaald dat de minister beleidsregels kan stellen over de wijze waarop het indicatieorgaan zijn activiteiten uitvoert. De beleidsregels zijn neergelegd in de Beleidsregels indicatiestelling AWBZ 2014 (Beleidsregels).

Ook is van belang de CIZ-Indicatiewijzer 7.1 (Indicatiewijzer), waarin de Beleidsregels zijn opgenomen en verder uitgewerkt.

5. De rechtbank dient in dit geding te beoordelen of CIZ op juiste gronden eiseres voor de periode 15 december 2014 tot 14 juni 2015 heeft geïndiceerd voor de functie begeleiding individueel klasse 4.

De door de bestuursrechter te beoordelen periode in geval van een aanvraag om

AWBZ-zorg bestrijkt in beginsel de periode vanaf de datum van de aanvraag tot de datum van de beslissing op bezwaar. Dit betekent dat de te beoordelen periode in dit geval loopt van 27 november 2014 tot 8 mei 2015.

6. De besluitvorming van CIZ is gebaseerd op het indicatierapport van 15 december 2014, het medisch advies van 22 april 2015 en het indicatierapport bezwaar van 16 januari 2015, dat is afgerond op 8 mei 2015. In beroep heeft de medisch adviseur op 21 september 2015 aanvullend gerapporteerd.

De indicatiesteller heeft het dossier bestudeerd, waaronder het rapport van de orthopedagoog/onderwijskundige/gedragsdeskundige/psychotherapeut i.o. [naam orthopedagoog] van 8 december 2014. De indicatiesteller heeft op 15 december 2014 gerapporteerd dat de dominante grondslag de VG is en de tweede grondslag een psychiatrische aandoening. Eiseres heeft een TIQ van 73 en PTSS in partiële remissie. Eiseres heeft matige beperkingen in psychisch functioneren en sociale redzaamheid. Ze heeft lichte tot matige beperkingen in psychosociaal welbevinden en sociale relaties. Er is sprake van probleemgedrag. Eiseres heeft gesprekken met een orthopedagoog. Volgens de indicatiesteller maakt eiseres geen aanspraak op verblijf, omdat ze zich middels begeleiding voldoende kan redden in een zelfstandige woonomgeving. Zij maakt aanspraak op de functie begeleiding individueel omdat sprake is van overzichtsproblemen. Eiseres heeft moeite met het oplossen van problemen en gaat veel dingen uit de weg. Ze vertoont veel weerstand en kan haar zelfbeheersing verliezen. Ze kan niet zelfstandig een planning en structuur maken in haar dagen. Zij maakt geen aanspraak op de functie begeleiding groep omdat haar arbeidsmogelijkheden onduidelijk zijn. Er is geen voorliggende voorziening en er is geen sprake van mantelzorg. Er is volgens de indicatiesteller sprake van AWBZ-zorg zonder verblijf in de vorm van begeleiding individueel klasse 4 gericht op het ondersteunen bij praktische vaardigheden en het aanbrengen van structuur en regie.

De medisch adviseur [naam medisch adviseur 1] heeft in bezwaar het dossier bestudeerd, waaronder het addendum van 3 april 2015 bij voormeld rapport van [naam orthopedagoog] , de toezichtsovereenkomst van [naam verslavingszorginstelling] van 6 maart 2015 en het MDO-verslag van [naam zorginstelling] van 10 april 2015. De medisch adviseur heeft op 22 april 2015 gerapporteerd dat eiseres bekend is met psychiatrische diagnostiek die in 2007 en 2014 vrijwel overeenkomstig is. [naam orthopedagoog] spreekt van een PTSS in partiële remissie, maar hij is op grond van de Wet Big niet bevoegd tot het stellen van een psychiatrische diagnose. Eiseres wordt op dit moment gezien door de verslavingszorg. Uit een psychologisch onderzoek in 2014 bleek dat sprake was van een TIQ van 73 bij een VIQ van 68 en een PIQ van 83. Volgens de medisch adviseur is sprake van een ernstig vermoeden van een grondslag psychiatrische aandoening op basis van afhankelijkheid van een middel. [naam orthopedagoog] laat zich hierover niet uit. Behandeling en geneeskundige begeleiding in het kader van de verslavingszorg is geen AWBZ-zorg.

Volgens de Beleidsregels over het vaststellen van de grondslag verstandelijke handicap bij een IQ tussen de 70 en 85 voldoet eiseres niet aan de criteria om de grondslag VG van toepassing te doen zijn. Eiseres heeft matige beperkingen op het gebied van sociale redzaamheid, gedrag en psychisch functioneren (denken). Die beperkingen passen bij zwakbegaafdheid en mogelijke overige nog niet in kaart gebrachte persoonlijkheidsproblematiek. Voorliggend op de eventuele inzet van AWBZ is het in kaart brengen van de actuele totale psychiatrische problematiek door een volwassenen psychiater. Eiseres kent geen beperkingen om aangewezen te kunnen zijn op onplanbare 24-uurs zorg in een beschermde woonvorm.

In het op 8 mei 2015 afgesloten indicatierapport bezwaar wordt overwogen dat sprake is van matig tot ernstige stoornissen in psychisch functioneren, gedrag, welbevinden en middelengebruik, en matige tot ernstige beperkingen in sociale redzaamheid, sociale relaties en arbeid. Er is sprake van een woonprobleem. Eiseres staat nu op last van justitie onder reclasseringstoezicht met een verplichte behandeling bij [naam verslavingszorginstelling] . De bestaande voorzieningen zijn behandeling verslavingszorg, bewindvoering, Wajong-uitkering, wachtlijst voor WSW en begeleiding individueel vanuit AWBZ. Voorliggende voorzieningen zijn de ZVW in verband met nadere diagnostiek en eventueel begeleiding en de WMO ten aanzien van het woonprobleem. Er is een ernstig vermoeden van een psychiatrische grondslag. De psychiatrische diagnostiek is vastgesteld door een daartoe onbevoegd persoon. Behandeling en begeleiding vanuit de ZVW zijn voorliggend. Er is geen sprake van een grondslag VG en geen sprake van beperkingen die toegang geven tot de AWBZ-functie verblijf. Ook is overwogen dat een grondslag psychiatrie is aangemaakt omdat anders de functie begeleiding niet kan worden toegekend.

Op 21 september 2015 heeft de medisch adviseur [naam medisch adviseur 2] naar aanleiding van de beroepsgronden aanvullend gerapporteerd. Volgens de medisch adviseur draait het geschil om de vraag of wel of geen sprake is van de grondslag VG en of [naam orthopedagoog] bevoegd was om de psychiatrische diagnose te stellen. De medisch adviseur heeft het dossier bestudeerd, waaronder de door eiseres in beroep overgelegde informatie van [naam orthopedagoog] van 29 juni 2015. Ook heeft de medisch adviseur informatie bij de beoordeling betrokken die zij heeft opgevraagd bij [naam verslavingszorginstelling] . De medisch adviseur overweegt dat sprake is van een TIQ tussen 70 en 85, al voor het 18e jaar gemeten, met voor het 18e levensjaar ernstige chronische gedragsproblemen en ernstige chronische beperkingen in de sociale redzaamheid. Daarnaast was al voor het 18e levensjaar sprake van forse psychiatrische problematiek (seksueel misbruik) en probleemgedrag (manipulatief gedrag, agressief en fysiek intimiderend gedrag bij conflictsituaties e.d.) in een multi-probleemgezin met ouders die pedagogisch onmachtig waren. Op basis van de psychiatrische problematiek in heden en verleden is niet met zekerheid te stellen dat de ernstige beperkingen in de sociale redzaamheid en gedrag direct het gevolg zijn van de verlaagde intelligentie. Daarom kan de grondslag VG niet gesteld worden. Actueel is sprake van floride psychiatrische problematiek in de vorm van verslavingsproblematiek, waarvoor eiseres behandeld wordt. De grondslag psychiatrie is daarom aan de orde. De behandeling is nog in de beginfase, omdat eiseres regelmatig afwezig is. Doel van de behandeling is het opheffen van de verslavingsproblematiek en het verbeteren van het psychosociaal functioneren. Van deze behandeling is verbetering in functioneren te verwachten, waardoor afname van begeleidingsbehoefte is te verwachten. Er zijn geen aanwijzingen dat eiseres deze behandeling cognitief niet aan kan. Naar aanleiding van de opmerking van [naam orthopedagoog] dat eiseres meerdere malen per dag begeleiding nodig heeft en dat zij inadequaat met problemen omgaat, overweegt de medisch adviseur dat ook hiervoor behandeling aan de orde is, maar dan gericht op het leren omgaan door eiseres met haar mogelijkheden en beperkingen als gevolg van de verlaagde intelligentie en gericht op het leren van vaardigheden: sociale vaardigheden, omgaan met emoties, conflicthantering en omgaan met agressie. Dit kan geboden worden binnen de GGZ en rekening houdend met het lage IQ van eiseres. Op basis van het voorgaande kan de medisch adviseur geen medische noodzaak vaststellen voor permanent toezicht dan wel 24‑uurszorg. De medisch adviseur concludeert dat voor de psychiatrische problematiek behandeling aan de orde is. Ook is training/behandeling aan de orde gericht op het aanleren van onder meer vaardigheden en emotieregulatie.

7. De rechtbank stelt vast dat tussen partijen in wezen in geschil is of de indicatie op de juiste grondslag is gebaseerd. De rechtbank constateert ook dat de vorige indicatie voor AWBZ-zorg was gebaseerd op de verstandelijke handicap als dominante grondslag, terwijl de bij het bestreden besluit vastgestelde indicatie is gebaseerd op een ernstig vermoeden van een psychiatrische aandoening als dominante grondslag. De medisch adviseur in beroep heeft geconcludeerd dat de grondslag psychiatrie aan de orde is.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft CIZ zich bij het bestreden besluit op goede gronden op het standpunt gesteld dat sprake was van een ernstig vermoeden van een psychiatrische aandoening als dominante grondslag. Daartoe wordt allereerst overwogen dat eiseres op 19 november 2014 bij [naam orthopedagoog] een capaciteitenonderzoek heeft ondergaan. [naam orthopedagoog] heeft op basis van dat onderzoek in de rapportage van 8 december 2014 op As I van de DSM-IV classificatie vermeld PTSS in partiële remissie en op As II lichte verstandelijke beperking. Tussen partijen is echter niet in geschil dat [naam orthopedagoog] gelet op zijn deskundigheid als orthopedagoog/onderwijskundige/gedragsdeskundige/psychotherapeut i.o. niet bevoegd is tot het stellen van een psychiatrische diagnose. Uit het rapport van [naam orthopedagoog] blijkt wel dat eiseres in het verleden psychiatrische problemen heeft gehad. De rechtbank overweegt ook dat eiseres in verband met een GHB-verslaving vanaf 6 maart 2015 onder toezicht staat van de verslavingsreclassering [naam verslavingszorginstelling] en zich daar voor die verslaving dient te laten behandelen. De rechtbank leidt hieruit af dat het aangrijpingspunt van de zorg op dat moment kennelijk gericht was op de psychiatrische aanpak/interventie van de verslavingsproblematiek van eiseres en dat [naam verslavingszorginstelling] in de verstandelijke handicap van eiseres geen beletsel zag voor behandeling bij deze instelling. De rechtbank concludeert dat er in de periode in geding al wel stoornissen en beperkingen waren waargenomen die duidden op een ernstig vermoeden van een psychiatrische grondslag, maar dat een door een ter zake deskundige gestelde diagnose nog ontbrak. Gelet hierop heeft CIZ zich bij het bestreden besluit terecht op het standpunt gesteld dat voor de psychiatrische aandoening van eiseres behandeling mogelijk is. Behandeling geschiedt op grond van de ZVW en kan ook bestaan uit individuele begeleiding en dagbesteding. In die situatie is er gelet op het bepaalde in artikel 2 van het BZA geen aanleiding voor een indicatie voor AWBZ-zorg.

De rechtbank voegt hieraan toe dat de medisch adviseur in beroep in nog recentere gegevens van [naam verslavingszorginstelling] een bevestiging heeft gevonden van het eerdere ernstige vermoeden van een psychiatrische aandoening. De rechtbank wijst in dit verband op de door deze instelling vastgestelde diagnose: op As I afhankelijkheid van sedativum en op as II een uitgestelde diagnose. Eiseres wordt daarvoor ambulant behandeld.

Naar het oordeel van de rechtbank is het onderzoek door CIZ zorgvuldig geweest. Daartoe wordt overwogen dat het is gebaseerd op bestudering van het dossier, waarbij recente informatie van behandelaars, zowel op het gebied van verstandelijke handicaps als op het gebied van psychiatrie is betrokken ( [naam orthopedagoog] , [naam zorginstelling] en [naam verslavingszorginstelling] ). CIZ beschikte daarmee over voldoende informatie om tot de vaststelling van een dominante grondslag te kunnen komen.

De rechtbank concludeert op grond van het voorgaande dat CIZ eiseres op juiste gronden voor de periode 15 december 2014 tot 14 juni 2015 heeft geïndiceerd voor de functie begeleiding individueel klasse 4.

Uit het voorgaande volgt dat de rechtbank niet toekomt aan de beoordeling of bij eiseres sprake is van ernstige en chronische beperkingen in de sociale redzaamheid, leerproblemen en/of gedragsproblemen en of de geïndiceerde begeleiding individueel voldoende is.

8. Namens eiseres is ter zitting aangevoerd dat CIZ haar bezwaar gegrond had moeten verklaren, omdat pas bij het bestreden besluit een duidelijke motivering is gegeven voor het primaire besluit. Naar het oordeel van de rechtbank treft deze beroepsgrond geen doel. Daartoe wordt overwogen dat artikel 7:11 van de Algemene wet bestuursrecht als mogelijke beslissing alleen herroeping van het primaire besluit noemt, zo nodig gecombineerd met het nemen van een nieuw besluit in plaats van het herroepen besluit. Of een bezwaar al dan niet gegrond wordt verklaard, is niet van belang. Het gaat er alleen om of het primaire besluit moet worden herroepen of niet. Een verbetering van de motivering in het kader van een volledige heroverweging van dat besluit is iets anders dan de herroeping ervan. De rechtsgevolgen van het primaire besluit zijn bij het bestreden besluit immers niet gewijzigd.

9. Het beroep zal ongegrond worden verklaard. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W. Toekoen, rechter, in aanwezigheid van mr. R.J. Tolner, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 14 januari 2016.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.