Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2016:3861

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
23-06-2016
Datum publicatie
13-07-2016
Zaaknummer
AWB 15_6934
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Zonder nader onderzoek kan niet gesteld worden dat de eerste drie uur huishoudelijke hulp algemeen gebruikelijk is.

Beleid dat de eerste drie uur huishoudelijke hulp algemeen gebruikelijk is, mist verbindende kracht. Ervan uitgaande dat een gemiddelde hulp voor 3 uur in de week € 195- per maand kost, zal het college nader onderzoek moeten doen of een andere persoon die in een vergelijkbare financiële situatie verkeert als eiseres een dergelijk bedrag aan huishoudelijke hulp zou besteden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 15/6934 WMO15

uitspraak van 23 juni 2016 van de meervoudige kamer in de zaak tussen

[naam eiser] , te [woonplaats] , eiseres,

gemachtigde: mr. K.U.J. Hopman,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Dongen, verweerder.

Procesverloop

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 15 september 2015 (bestreden besluit) van het college inzake haar aanspraken op een voorziening voor huishoudelijke hulp in het kader van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo 2015).

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden in Breda op 12 mei 2016. Deze zaak is gelijktijdig behandeld met de zaak van [naam eiser2] . Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam vertegenwoordiger1] en [naam vertegenwoordiger2] .

Overwegingen

1. Op grond van de stukken en de behandeling ter zitting gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Bij besluit van 8 januari 2013 heeft het college aan eiseres meegedeeld dat haar indicatie voor hulp in het huishouden is vastgesteld op 2 uur en 30 minuten (hbh1) voor de periode 16 januari 2013 tot 15 januari 2018.

Bij besluit van 29 september 2014 (primair besluit 1) is aan eiseres meegedeeld dat de huishoudelijke hulp via de gemeente met ingang van 1 januari 2015 wordt beëindigd. Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit.

Bij besluit van 23 december 2014 (primair besluit 2) heeft het college aan eiseres meegedeeld dat de voorziening voor hulp in het huishouden niet op 1 januari 2015 maar op 1 april 2015 zal worden beëindigd. Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit.

Het college heeft nader onderzoek gedaan naar de omvang van de behoefte van eiseres aan huishoudelijke hulp. Het college heeft de omvang van de benodigde hulp vastgesteld op 3 uur en 30 minuten per week.

Bij besluit van 31 maart 2015 (primair besluit 3) heeft het college aan eiseres meegedeeld dat zij per 30 maart 2015 in aanmerking komt voor ondersteuning in de vorm van zorg in natura voor 30 minuten per week. Daarbij heeft het college overwogen dat de eerste 3 uur hulp in het huishouden als algemeen gebruikelijk wordt aangemerkt. Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit.

Bij bestreden besluit heeft het college, in afwijking van het advies van de adviescommissie voor de bezwaarschriften, de bezwaren van eiseres ongegrond verklaard.

2. Eiseres heeft in beroep, zakelijk weergegeven, aangevoerd dat het besluit contrair aan het advies van de commissie voor de bezwaarschriften is genomen. Reeds hierom moet het primaire besluit worden herroepen. Eiseres is het niet eens met de stelling van het college dat zijn beleid past binnen de doelstellingen van de Wmo 2015. Verder heeft eiseres opgemerkt dat zij niet in staat is om het schoonmaakwerk zelf te organiseren. Tot slot heeft eiseres opgemerkt dat de eerste 3 uur hulp voor haar, gelet op haar inkomen, niet algemeen gebruikelijk is.

3. In artikel 2.1.3, eerste lid, van de Wmo 2015 is bepaald dat de gemeenteraad bij verordening de regels vaststelt die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van het in artikel 2.1.2 bedoelde plan en de door het college ter uitvoering daarvan te nemen besluiten of te verrichten handelingen. Aan deze bepaling heeft de gemeenteraad uitvoering gegeven met de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Dongen 2015 (Verordening).

In artikel 2.3.1 van de Wmo 2015 is bepaald dat het college er zorg voor draagt dat aan personen die daarvoor in aanmerking komen, een maatwerkvoorziening wordt verstrekt.

In artikel 2.3.5, derde lid, van de Wmo 2015 is bepaald dat het college tot verstrekking van een maatwerkvoorziening ter compensatie van de beperkingen in de zelfredzaamheid of participatie die de cliënt ondervindt, beslist voor zover de cliënt deze beperkingen naar het oordeel van het college niet op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk dan wel met gebruikmaking van algemene voorzieningen kan verminderen of wegnemen.

In artikel 9, eerste lid, onder a, sub v, van de Verordening is bepaald dat een cliënt in aanmerking komt voor een maatwerkvoorziening ter compensatie van de beperkingen, chronische psychische of psychosociale problemen, als gevolg waarvan de cliënt niet voldoende in staat is tot zelfredzaamheid of participatie en voor zover de cliënt deze beperkingen naar het oordeel van het college niet kan verminderen of wegnemen met gebruikmaking van algemeen gebruikelijke voorzieningen.

Naast de Verordening heeft het college beleidsregels vastgesteld: de beleidsregels WMO gemeente Dongen (beleidsregels).

4. Ter zitting is gebleken dat partijen het er over eens zijn dat, hoewel dit niet expliciet uit het bestreden besluit blijkt, het college alle 3 de primaire besluiten heeft betrokken bij zijn heroverweging in bezwaar.

5. Ter zitting is gebleken dat aan eiseres vanaf 1 mei 2016 een maatwerkvoorziening zal worden verstrekt voor hulp in het huishouden 2 (hbh 2), omdat het college heeft erkend dat eiseres vanaf die datum de regie over het huishouden niet zelf kan voeren.

De rechtbank ziet zich ambtshalve voor de vraag gesteld of eiseres nog een procesbelang heeft bij een oordeel over de bestreden besluiten, nu zorg in natura niet met terugwerkende kracht kan worden verleend.

Eiseres heeft ter zitting gesteld dat zij tot november 2015 nog hulp heeft gehad en dat haar belang is gelegen in de schade die zij heeft geleden. Aangezien eventuele schade veroorzaakt door het bestreden besluit via een zelfstandige schadebesluit of een vordering bij de burgerlijke rechter alleen vergoed kan worden als het schadeveroorzakend besluit door de bestuursrechter onrechtmatig is bevonden, is de rechtbank van oordeel dat eiseres een procesbelang heeft bij de beoordeling van het bestreden besluit.

6. De rechtbank stelt vast dat de omvang van de benodigde hulp niet in geding is. In geding is uitsluitend de vraag of het college de eerste 3 uur huishoudelijke hulp als algemeen gebruikelijk kan aanmerken.

In de Verordening is opgenomen dat geen voorziening wordt getroffen als er sprake is van een algemeen gebruikelijke voorziening. De Verordening geeft echter geen definitiebepaling van dit begrip. Het college heeft een definitie van het begrip algemeen gebruikelijke voorziening opgenomen in zijn beleid. Deze definitie betreft dus wetsinterpreterend beleid en wordt door de rechtbank vol getoetst.

In artikel 3:5 van de beleidsregels is bepaald dat een algemeen gebruikelijke voorziening een voorziening is die voldoet aan de volgende criteria:

- Het is niet speciaal bedoeld voor personen met een beperking of ondersteuningsvraag;

- Het is verkrijgbaar in de reguliere markt;

- Het kan voor een persoon zonder beperkingen in een financieel vergelijkbare positie worden gerekend tot het normale aanschaffingspatroon.

De rechtbank stelt vast dat deze voorwaarden overeenkomen met de gevormde rechtspraak over het begrip algemeen gebruikelijk onder de oude WMO. De rechtbank ziet geen aanleiding om te oordelen dat het college voor de Wmo 2015 van een andere definitiebepaling uit zou moeten gaan. Deze definitie is daarom niet onjuist.

In artikel 9:1 van de beleidsregels is deze definitie nader uitgewerkt in voorbeelden van algemeen gebruikelijke voorzieningen. Een van die voorbeelden is eenvoudige schoonmaakondersteuning tot 3 uur per week.

Een gemiddelde hulp in de huishouding kost € 15,-- per uur. Uitgaande van 3 uur hulp in de week, betekent dit dat er per maand een bedrag van € 195,-- ((3 x 15 x 52) :12) aan hulp betaald moet worden. De rechtbank stelt voorop dat het standpunt dat een dergelijk bedrag voor iedereen, ongeacht zijn financiële en maatschappelijke omstandigheden, tot het normale aanschaffingspatroon kan worden gerekend, een te ruime opvatting geeft van het begrip algemeen gebruikelijk. Zou dit standpunt wel gevolgd worden dan zou dat betekenen dat aan de derde voorwaarde zoals genoemd in het beleid geen enkele betekenis meer toekomt. Dat het college een regeling heeft getroffen waardoor het mogelijk is om bijzondere bijstand te krijgen als iemand de hulp niet zelf kan betalen, maakt dit niet anders. Hiermee heeft het college immers miskend dat de Wmo 2015 een voorliggende voorziening is op de bijstand. De rechtbank is dan ook van oordeel dat artikel 9:1 van de beleidsregels verbindende kracht mist, voor zover daarin eenvoudige schoonmaakondersteuning tot 3 uur per week voor iedereen ongeacht diens financiële positie tot het normale aanschafpatroon wordt gerekend.

7. Vervolgens zal de rechtbank beoordelen of het bestreden besluit anderszins in stand kan blijven. Van belang is de vraag of een andere persoon die in een vergelijkbare financiële situatie verkeert als eiseres, per maand een bedrag van € 195,- aan huishoudelijke hulp zou besteden. Noodzakelijk voor de beantwoording van deze vraag is dat de financiële positie van eiseres duidelijk is. De rechtbank stelt vast dat het college in het geheel geen onderzoek heeft gedaan naar de financiële positie van eiseres. Nu een dergelijk onderzoek ontbreekt kan niet vastgesteld worden dat de 3 uur huishoudelijke hulp voor eiseres algemeen gebruikelijk is.

8. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat het bestreden besluit lijdt aan een onderzoeksgebrek en om die reden voor vernietiging in aanmerking komt.

9. Het beroep zal gegrond worden verklaard en de rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen. De rechtbank ziet geen aanleiding om een bestuurlijke lus toe te passen, omdat dat naar het zich laat aanzien geen doelmatige en efficiënte afdoeningswijze zou inhouden. Het college zal daarom een nieuw besluit op het bezwaar moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak.

Ter informatie van partijen merkt de rechtbank nog het volgende op. Zoals eerder onder punt 5 is opgemerkt heeft eiseres per 1 mei 2016 maatwerkvoorziening hbh 2. Eiseres heeft gesteld dat in haar situatie per 1 mei 2016 geen wijziging is gekomen. Het college zal bij het nieuw te nemen besluit moeten motiveren waarom er niet ook al voor 1 mei 2016 recht bestaat op hbh 2.

10. Nu het beroep gegrond wordt verklaard, dient het griffierecht aan eiseres te worden vergoed.

De rechtbank zal het college veroordelen in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 992,-- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 496,-- en wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    draagt het college op een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;

  • -

    draagt het college op het betaalde griffierecht van € 45,-- aan eiseres te vergoeden;

  • -

    veroordeelt het college in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 992,--.

Deze uitspraak is gedaan door mrs. R.P. Broeders, voorzitter, W. Toekoen en N.E.M. de Coninck, leden, in aanwezigheid van mr. A.J.M. van Hees, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 23 juni 2016.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.