Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2016:3744

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
07-06-2016
Datum publicatie
26-09-2016
Zaaknummer
AWB - 15 _ 1896
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Inkomstenbelasting. Buitenlandse bankrekeningen.

Tijdigheid aanslagen? Rechtmatigheid gebruik microfiches? Schending algemene beginselen van behoorlijk bestuur? Identificatie. Voortvarendheidsvereiste. Omkering bewijslast en redelijke schatting. Boeten. Immateriële schadevergoeding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2016/2052
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Belastingrecht, meervoudige kamer

Locatie: Breda

Zaaknummers BRE 15/1896 tot en met 15/1921

Uitspraak van 7 juni 2016

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[X] , wonende te [woonplaats],

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

de inspecteur.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De inspecteur heeft aan belanghebbende de volgende (navorderings)aanslagen opgelegd:

Middel

Procedure

Jaar

[aanslagnummer]

Dagtekening

Inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB)

15/1896

1990

H08

31-5-2003

IB

15/1897

1991

H18

31-5-2003

IB

15/1898

1992

H28

31-5-2003

IB

15/1899

1993

H38

31-5-2003

IB

15/1900

1994

H48

31-5-2003

IB

15/1901

1995

H57

4-7-2003

IB

15/1902

1996

H67

18-7-2003

IB

15/1903

1997

H77

18-7-2003

IB

15/1904

1998

H87

18-7-2003

IB

15/1905

1999

H97

18-7-2003

IB

15/1906

2000

H07

18-7-2003

IB

15/1907

2002

H26

16-1-2006

IB

15/1908

2003

H36

21-11-2006

Premie arbeidsongeschiktheids-verzekering zelfstandigen (Waz)

15/1909

2003

W36

21-11-2006

IB

15/1910

2005

H56

15-8-2008

IB

15/1911

2006

H66

31-12-2009

Procedure

Jaar

[aanslagnummer]

Dagtekening

Vermogensbelasting (VB)

15/1912

1991

K18

31-5-2003

VB

15/1913

1992

K28

31-5-2003

VB

15/1914

1993

K38

31-5-2003

VB

15/1915

1994

K48

31-5-2003

VB

15/1916

1995

K58

31-5-2003

VB

15/1917

1996

K67

30-1-2004

VB

15/1918

1997

K77

7-6-2003

VB

15/1919

1998

K87

7-6-2003

VB

15/1920

1999

K97

7-6-2003

VB

15/1921

2000

K07

7-6-2003

1.2.

Bij de voormelde belastingaanslagen IB en VB zijn verhogingen (met kwijtschelding), dan wel boetenbeschikkingen (hierna ook: boeten) opgelegd. Tevens zijn voor alle jaren bedragen aan heffingsrente in rekening gebracht. De over 2003 opgelegde aanslag Waz bedraagt nihil.

1.3.

Op 3 september 2004 heeft de inspecteur uitspraak gedaan op het bezwaar van belanghebbende tegen de hiervoor in 1.1 genoemde navorderingsaanslagen IB 1990 tot en met 2000 en VB 1991 tot en met 2000. Het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft belanghebbendes beroep daartegen bij uitspraak van 10 september 2010 gegrond verklaard en de zaken teruggewezen naar de inspecteur omdat belanghebbende in bezwaar niet was gehoord.

1.4.

Vervolgens heeft de inspecteur bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar van 10 april 2015 de navorderingsaanslagen IB 1990 tot en met 1993 en 1999 en de navorderingsaanslagen VB 1991 tot en met 1993, 1995 en 1999 en de daarbij behorende beschikkingen heffingsrente verminderd. De belastingaanslagen IB 1994 tot en met 1998, 2000, 2002 2003, 2005 en 2006 en de navorderingsaanslagen VB 1994, 1997, 1998 en 2000 zijn gehandhaafd. De navorderingsaanslag VB 1996 is vernietigd. Tevens heeft de inspecteur boeten opgelegd bij de navorderingsaanslagen IB 1990, IB 1991, VB 1991 en VB 1992 vernietigd. De boeten opgelegd bij de belastingaanslagen IB 1992 tot en met 2006 en VB 1993 tot en met 1995 en 1997 tot en met 2000 zijn verminderd. Aan belanghebbende is een kostenvergoeding toegekend van € 1.366,88.

1.5.

Belanghebbende heeft daartegen bij brief van 2 april 2015, ontvangen bij de rechtbank op 3 april 2015, beroep ingesteld. Ter zake van deze beroepen heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 45.

1.6.

De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. Belanghebbende heeft, na daartoe door de rechtbank in de gelegenheid te zijn gesteld, schriftelijk gerepliceerd, waarna de inspecteur schriftelijk heeft gedupliceerd.

1.7.

Met dagtekening 16 november 2015 heeft de inspecteur de aanslagen IB over de jaren 2002, 2003, 2005 en 2006 ambtshalve verminderd. De daarbij behorende beschikkingen heffingsrente en boetebeschikkingen zijn dienovereenkomstig verminderd.

1.8.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 april 2016 te Breda. Voor een overzicht van de aldaar verschenen en gehoorde personen, de behandelde beroepen en het ter zitting verhandelde verwijst de rechtbank naar het proces-verbaal van de zitting. Een afschrift van het proces-verbaal van de zitting is gelijktijdig met deze uitspraak aan partijen verzonden.

2 Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast:

2.1.

Belanghebbende is geboren op [datum] 1944 en is gehuwd met [Y], geboren op [datum] 1944 (hierna: de echtgenote).

2.2.

Belanghebbende heeft over de jaren 1990 tot en met 2000 aangifte IB en VB en vanaf 2001 aangiften IB gedaan. In de aangiften zijn geen inkomens- of vermogensbestanddelen opgenomen die betrekking hebben op (een) in het buitenland aangehouden bankrekening(en).

2.3.

Bij brief van 27 oktober 2000 heeft de Belgische Bijzondere belastinginspectie spontaan inlichtingen verstrekt die betrekking hebben op afdrukken van microfiches (hierna: de microfiches) van de KREDIETBANK LUXEMBOURG te Luxemburg (hierna: KBL).

2.4.

Op basis van de gegevens is een onderzoek ingesteld door de FIOD-ECD en de Belastingdienst, later bekend geworden als het Rekeningenproject.

2.5.

Op de microfiches stonden onder andere de volgende regels:

"JUSTIFICATIF DES SOLDES PAR RUBRIQUES IML AU 31/01/1994

(…)

53-[rekeningnummer]-70-0000 00 0040 [X - Y] 443.849,22

(…)

52-[rekeningnummer]-43-0000 00 0040 VUE [X - Y] 36,68”.

2.6.

Door [A], medewerker van de FIOD-ECD, is op 4 december 2002 een proces-verbaal van ambtshandeling opgemaakt betreffende het onderzoek naar de identiteit van de rekeninghouder van deze rekeningen bij de KBL. Uit de match van rekeninghouders komt slechts de combinatie van de belanghebbende, gehuwd met [Y], als rekeninghouder van de KBL-rekeningen in aanmerking.

2.7.

De inspecteur heeft op 14 februari 2002 een telefonische afspraak gemaakt met de belastingadviseur van belanghebbende voor het instellen van een boekenonderzoek. Op 29 maart 2002 is het onderzoek begonnen met een gesprek tussen belanghebbende en de inspecteur. Het van dit gesprek opgemaakte verslag luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

Belanghebbende antwoordde als volgt, althans in woorden van gelijke strekking, op de volgende door ons [ambtenaren van de belastingdienst; Rb] gestelde vragen.

Hoeveel bankrekeningen (ongeacht aard, sparen, beleggen, etc.) hebben u en/of uw partner de afgelopen 12 jaar (gehad) in het buitenland?

Een rekening in Belgie (bij de Kredietbank in Lommel) deze rekening is enkele jaren geleden opgeheven.

Een rekening in Duitsland. Waarschijnlijk langer dan 12 jaar geleden.

In Luxemburg wordt of is voor zover bekend geen rekening gehouden.

Wat voor soort rekening hebben u en/of uw partner (gehad) en in welke valuta?

Belgie: Een rekening in Australische dollars.

Wanneer zijn deze rekeningen geopend?

Belgie: Waarschijnlijk in de eindjaren tachtig.

Door wie zijn deze rekeningen geopend?

Door mij en mijn echtgenote.

(…)

Wat is de herkomst van de gestorte en/of overgemaakte bedragen?

Via aflossing van aandelen aan toonder. Het ging om ca. ƒ 200.000.

Op welke wijze hebben u en/of uw partner bedragen opgenomen of laten opnemen, dan wel overgeboekt of laten overboeken van deze bankrekening(en) (…)?

De bedragen zijn contant opgenomen.

Wat waren de bestedingsdoelen van deze opnamen of overboekingen?

Diverse opnamen.

Hebben u en/of uw partner het saldo en/of de opbrengsten van deze banktegoeden vermeld op de aangiften inkomstenbelasting en/of vermogensbelasting?

Neen.”

2.8.

Bij brief van 20 juni 2002 heeft belanghebbende bankafschriften verstrekt en een beknopt overzicht van drie in België aangehouden bankrekeningen. Het betreft een Nederlandse gulden rekening (code 00041), een Australische dollarrekening (code 00861) en een bankrekening in euro’s (code 00009). Uit deze bankafschriften blijkt dat er in november 1993 opnamen in contanten zijn gedaan van respectievelijk ƒ 100.000 en ƒ 118.988 (in totaal € 99.372). In juli 2000 is in verband met de opheffing van de rekening een bedrag van € 112.180 in contanten opgenomen.

2.9.

Na reacties over en weer heeft de inspecteur op 24 april 2003 de kennisgeving opgemaakt betreffende het opleggen van de navorderingsaanslagen IB 1990 tot en met 2000 en VB 1991 tot en met 2000 met boeten. Op 23 mei 2003 heeft de inspecteur vervolgens de mededeling navorderingsaanslagen IB 1990 tot en met 2000 en VB 1991 tot en met 2000 verzonden, waarna de hiervoor genoemde navorderingsaanslagen zijn opgelegd.

2.10.

Vervolgens zijn tijdens de nog lopende in 1.3. genoemde beroepsprocedure bij het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch de in 1.1 genoemde aanslagen IB 2002, 2003, 2005 en 2006 opgelegd. Belanghebbendes bezwaren hiertegen zijn hangende die beroepsprocedure aangehouden.

2.11.

Met een bespreking op 3 juni 2014 met belanghebbende en zijn gemachtigde is de behandeling van belanghebbendes dossier weer door de inspecteur opgepakt. Na diverse vervolggesprekken en reacties over en weer heeft de inspecteur op 20 maart 2015 de kennisgeving uitspraak op bezwaar opgemaakt. De belastingaanslagen, boeten en heffingsrente zijn daarbij verminderd in verband met het vervallen van de zogenoemde vermenigvuldigingsfactor 1,5. De verminderingsbeschikkingen zijn gedagtekend 15 april 2015. Met dagtekening 16 november 2015 zijn over 2002, 2003, 2005 en 2006 ambtshalve nadere verminderingen verleend.

3 Geschil

3.1.

In geschil is het antwoord op de volgende vragen:

  1. Zijn de navorderingsaanslagen IB 1990 en VB 1991 en de aanslag IB 2002 tijdig opgelegd?

  2. Is het gebruik van het microfiche rechtmatig?

  3. Heeft de inspecteur de algemene beginselen van behoorlijk bestuur geschonden? Zo ja:

a. Leidt dat ertoe dat de belastingaanslagen, boete(s)(beschikkingen) en beschikkingen inzake heffingsrente moeten worden vernietigd?

b. Leidt dat ertoe dat belanghebbende recht heeft op een integrale vergoeding van proceskosten?

4. Is belanghebbende terecht als rekeninghouder geïdentificeerd?

5. Heeft de inspecteur voldoende voortvarend gehandeld bij het opleggen van de navorderingsaanslagen?

6. Zijn de belastingaanslagen tot het juiste bedrag opgelegd: is sprake van omkering van de bewijslast en zo ja is de schatting redelijk?

7. Zijn de boeten terecht en tot de juiste bedragen vastgesteld?

8. Heeft de inspecteur het vertrouwensbeginsel geschonden?

9. Heeft belanghebbende recht op vergoeding van geleden immateriële schade?

3.2.

Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken. Voor hetgeen zij hieraan ter zitting hebben toegevoegd wordt verwezen naar het proces-verbaal van de zitting.

3.3.

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraken op bezwaar, vernietiging van de belastingaanslagen en vernietiging van de beschikkingen. De inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraken op bezwaar na de ambtshalve verminderingen van 16 november 2015.

4 Beoordeling van het geschil

Ambtshalve en vraag 1 Tijdigheid aanslagen

4.1.1.

De aanslag Waz 2003 is vastgesteld op nihil. De navorderingsaanslag VB 1996 en de bijbehorende beschikking heffingsrente en boete heeft de inspecteur in de bestreden uitspraak verminderd tot nihil. Belanghebbende heeft ter zitting verklaard dat de beroepen met zaaknummers 15/1909 en 15/1917 als ingetrokken kunnen worden beschouwd. De rechtbank zal dat volgen en in deze zaken dus geen uitspraak doen.

4.1.2

Belanghebbende heeft zich op het standpunt gesteld dat de navorderingsaanslag IB 1990 en VB 1991, gedagtekend 31 mei 2003, buiten de wettelijke navorderingstermijn zijn opgelegd.

4.1.3.

Niet in geschil is dat de termijn voor het opleggen van deze navorderingsaanslagen ingevolge het vierde lid van artikel 16 van de Algemene wet inzake rijksbelasting (AWR) in beginsel eindigde op 31 december 2002. Belanghebbende heeft zich op 14 oktober 2002 schriftelijk akkoord verklaard met verlenging van de navorderingstermijn. Bij brief van 5 december 2002 heeft de inspecteur belanghebbende, voor zover hier van belang, het volgende meegedeeld: “Een verklaring waarbij akkoord gegaan wordt dat de navorderingstermijn inkomstenbelasting 1990/vermogensbelasting 1991 wordt opgerekt naar een dagtekening na 1-1-2003 wordt door de leiding van de projectgroep niet goedgekeurd. In verband daarmee vervalt uw akkoordverklaring van 14 oktober jl.” Naar het oordeel van de rechtbank is belanghebbende door deze mededeling niet langer gebonden aan de akkoordverklaring. De navorderingsaanslagen zijn op 31 mei 2003 opgelegd en daarmee buiten de wettelijke navorderingstermijn. De omstandigheid dat belanghebbende de inspecteur bij brief van 16 december 2002 heeft verzocht zich te houden aan de akkoordverklaring, maakt dat niet anders, nu de inspecteur niet binnen de wettelijke navorderingstermijn aan belanghebbende kenbaar heeft gemaakt aan dat verzoek tegemoet te komen. Gelet hierop vernietigt de rechtbank de navorderingsaanslag IB 1990 en VB 1991 en de bijbehorende beschikkingen.

4.1.4.

Belanghebbende heeft zich op het standpunt gesteld dat de aanslag IB 2002, gedagtekend 16 januari 2006, buiten de wettelijke aanslagtermijn is opgelegd.

4.1.5.

De inspecteur heeft onweersproken gesteld dat voor het indienen van de aangifte van belanghebbende, met gebruikmaking van de uitstelregeling voor belastingconsulenten (de zogenoemde Becon-regeling), 11 maanden uitstel is verleend. Nu voor het jaar 2002 uitstel is verleend tot 1 maart 2004 liep de aanslagtermijn ingevolge artikel 11, derde lid, van de AWR af op 30 november 2006. De aanslag met dagtekening 16 januari 2006 is dus tijdig opgelegd.

Vraag 2 Rechtmatigheid gebruik microfiches

4.2.1.

Belanghebbende heeft zich op het standpunt gesteld dat de uit België ontvangen afschriften van microfiches van bewijs moeten worden uitgesloten. Hij heeft daartoe - in het kort weergegeven - aangevoerd dat de inspecteur geen kennis heeft willen nemen van de mededelingen met betrekking tot de onrechtmatige verkrijging in België, daaromtrent geen mededeling heeft gedaan aan belanghebbende en heeft verzuimd bij de Belgische belastingdienst alsnog om zodanige informatie te verzoeken. Hierdoor heeft de inspecteur, aldus belanghebbende, dermate bestuurlijk onbehoorlijk en in strijd met de jegens hem in acht te nemen zorgvuldigheid, het beginsel van behoorlijke motivering, het vertrouwensbeginsel en het fair-playbeginsel gehandeld dat de microfiches ook in Nederland als non-existent moeten worden beschouwd, althans dat de inspecteur dermate bestuurlijk onbehoorlijk handelt dat de opgelegde aanslagen dienen te worden vernietigd en belanghebbende recht heeft op volledige vergoeding van proceskosten.

4.2.2.

De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 1 juli 1992, nr. 26331, BNB 1992/306 (hierna: het arrest BNB 1992/306) een beoordelingskader gegeven voor het gebruik van onrechtmatig verkregen bewijsmiddelen in een belastingzaak. De desbetreffende regels gelden nog steeds, gezien het arrest van 20 maart 2015, nr. 13/03959, ECLI:NL:HR:2015:643, BNB 2015/173 (hierna: het arrest BNB 2015/173). Dat beoordelingskader is in het arrest BNB 2015/173 als volgt weergegeven:

“2.3.1. In BNB 1992/306 is in de eerste plaats geoordeeld dat het gebruik van strafrechtelijk onrechtmatig verkregen bewijsmiddelen in een belastingzaak in ieder geval toelaatbaar is, indien de verkrijging van die bewijsmiddelen niet onrechtmatig was jegens de belanghebbende in die zaak.

2.3.2.

Voor het geval wel sprake is van jegens de belanghebbende op strafrechtelijk onrechtmatige wijze verkregen bewijsmiddelen, heeft de Hoge Raad in BNB 1992/306 als regel vooropgesteld dat die omstandigheid voor de inspecteur geen beletsel behoeft te zijn om van die bewijsmiddelen gebruik te maken. In een dergelijk geval zal met inachtneming van alle ter zake dienende omstandigheden nader moeten worden beoordeeld of de inspecteur handelt in strijd met enig algemeen beginsel van behoorlijk bestuur, en meer in het bijzonder met het zorgvuldigheidsbeginsel, door ter vaststelling of ter ondersteuning van een belastingaanslag van dit strafrechtelijk onrechtmatig verkregen bewijsmateriaal gebruik te maken.

2.3.3.

Van strijd met algemene beginselen van behoorlijk bestuur kan in het algemeen niet worden gesproken indien de inspecteur gebruik maakt van strafrechtelijk onrechtmatig verkregen bewijsmiddelen waarvan hij zonder wettelijke belemmering kennis had kunnen nemen, ook indien de onrechtmatige handelingen van de betrokken strafrechtelijke instantie(s) niet hadden plaatsgevonden. Het gebruik van zodanige bewijsmiddelen door de inspecteur is slechts dan niet toegestaan, indien zij zijn verkregen op een wijze die zozeer indruist tegen hetgeen van een behoorlijk handelende overheid mag worden verwacht, dat dit gebruik onder alle omstandigheden ontoelaatbaar moet worden geacht, aldus BNB 1992/306.”

4.2.3.

Gelet op het in 4.2.2 weergegeven beoordelingskader acht de rechtbank beslissend of de Nederlandse overheid, meer in het bijzonder de Nederlandse belastingautoriteiten, de microfiches hebben verkregen op een wijze die zozeer indruist tegen hetgeen van een behoorlijk handelende overheid mag worden verwacht, dat dit gebruik onder alle omstandigheden ontoelaatbaar moet worden geacht. In dat kader ziet de rechtbank zich voor de vraag gesteld of relevant is dat de Nederlandse belastingautoriteiten ten tijde van of omstreeks de overdracht van die afschriften door Belgische aan Nederlandse belastingautoriteiten kennis droegen van de onrechtmatige verkrijging in België. Dienaangaande wordt het volgende overwogen.

4.2.4.

De rechtbank is van oordeel dat, zelfs indien de Nederlandse belastingautoriteiten ten tijde van de gegevensoverdracht door de Belgische autoriteiten aan de Nederlandse wisten van de onregelmatigheden in het Belgische strafrechtelijke opsporingsonderzoek, de verkrijging van bewijsmateriaal in de vorm van de microfiches door de Nederlandse belastingautoriteiten nog niet zozeer in strijd is met beginselen van behoorlijk bestuur dat die afschriften niet voor de oplegging van belastingaanslagen en (boete)beschikkingen mogen worden gebruikt. De schending van beginselen van een behoorlijk strafproces die in de Belgische rechtsorde is uitgesproken, heeft zich voorgedaan in het kader van strafrechtelijk onderzoek dat belanghebbende niet heeft betroffen. Die schending behoefde de inspecteur ook niet te weerhouden van het gebruik van de afschriften. Dat zou anders kunnen zijn indien zich op enig moment op of na de verkrijging van de afschriften aanwijzingen zouden hebben voorgedaan waaruit redelijke twijfel zou zijn voortgevloeid ten aanzien van de betrouwbaarheid en authenticiteit van het verkregen materiaal. Dat zou bijvoorbeeld aan de orde zijn indien de inspecteur door voldoende concrete aanwijzingen rekening moet houden met de reële mogelijkheid dat de inhoud van de microfiches zou zijn gemanipuleerd. Alsdan zou de inspecteur, gezien de zorgvuldigheidsnormen die hij bij zijn taakuitoefening in acht moet nemen, gehouden zijn tot een nader onderzoek naar de mate waarin de voornoemde ongeregeldheden in het kader van het Belgische opsporingsonderzoek van invloed konden zijn geweest op de betrouwbaarheid van (de inhoud van) de microfiches. De (kennis van de) onregelmatigheden die in het kader van het Belgische strafrechtelijke onderzoek zijn vastgesteld, zijn op zichzelf beschouwd echter nog geen aanwijzingen in de onderhavige zin.

4.2.5.

De rechtbank acht overigens niet aannemelijk dat ten tijde van de verkrijging van de afschriften, dan wel op enig moment nadien, zodanige aanwijzingen hebben bestaan, onderscheidenlijk zijn ontstaan. Integendeel, gezien de vele gevallen waarin de in de afschriften vervatte gegevens van rekeninghouders na bekentenissen van laatstgenoemden juist bleken te zijn, mocht de inspecteur ervan uitgaan dat de vorenbedoelde schendingen de betrouwbaarheid en authenticiteit van de in de microfiches vervatte gegevens onverlet hebben gelaten. Belanghebbende heeft voorts de gelegenheid gehad de betrouwbaarheid van de afschriften in de door hem gevoerde bezwaarprocedure aan de orde te stellen. Ook in die procedure behoefde de inspecteur geen grond te zien voor twijfel in de onder 4.2.4 bedoelde zin.

4.2.6.

Uit het vorenoverwogene volgt dat de wetenschap van de Nederlandse belastingautoriteiten ten tijde van of omstreeks de verkrijging van de microfiches omtrent de onregelmatigheden die zich in het Belgische strafrechtelijke opsporingsonderzoek hebben voorgedaan, niet kan leiden tot bewijsuitsluiting. Niet is gesteld of gebleken dat ten opzichte van belanghebbende sprake is van zodanig onrechtmatig verkregen bewijs dat bij de verkrijging van deze bewijzen in de Belgische strafprocedure en bij het gebruik ervan in de Nederlandse belastingprocedure de door het Unierecht gewaarborgde rechten zijn geschonden. Al hetgeen belanghebbende overigens heeft aangevoerd, heeft de rechtbank geen aanleiding gegeven voor een ander oordeel.

Vraag 3 Algemene beginselen van behoorlijk bestuur

4.3.

Gezien het onder 4.2 is overwogen, dient de vraag of de inspecteur de algemene beginselen van behoorlijk bestuur heeft geschonden ontkennend te worden beantwoord. Derhalve behoeven de subvragen 3.a en 3.b geen beantwoording meer.

Vraag 4 Identificatie

4.4.1.

Belanghebbende heeft ontkend en blijft ontkennen rekeninghouder te zijn (geweest) van de KBL-rekeningen. Volgens hem is sprake van een misidentificatie. De op het microfiche vermelde naam ‘[X - Y]’ is niet zijn naam. Zowel zijn naam als die van zijn echtgenote zou door de KBL met een ‘ij’ zijn geschreven en niet met een ‘y’ zoals op het bewuste microfiche, aldus belanghebbende.

4.4.2.

De rechtbank stelt voorop dat de op de microfiches vermelde informatie omtrent de rekeninghouder zeer summier is. De informatie is zo summier dat naar het oordeel van de rechtbank extra zorgvuldigheid geboden is bij de identificatie van de vermelde rekeninghouders. Voorkomen moet immers worden dat personen, wier gegevens wel overeenkomen met de vermelde informatie maar die met KBL niets van doen hebben, met aanslagen en boeten worden geconfronteerd.

4.4.3.

De inspecteur, op wie de bewijslast rust de juistheid van de identificatie aannemelijk te maken, heeft verwezen naar het microfiche, het in 2.6 vermelde proces-verbaal alsmede het door hem nogmaals uitgevoerde identificatieproces zoals omschreven in het verweerschrift, pagina 16-17 en de bij het verweerschrift gevoegde gegevens uit de computersystemen van de Belastingdienst (bijlage A9.1 en A9.2). Bij dit laatste identificatieproces heeft de inspecteur gezocht zonder onderscheid te maken tussen “ij” en “y” en is wederom tot de conclusie gekomen dat alleen belanghebbende en zijn echtgenote de rekeninghouders kunnen zijn. De rechtbank acht de toegepast methode(s) van identificatie betrouwbaar. De rechtbank is van oordeel dat de genoemde combinatie van achternamen samen met de voornaam van belanghebbende en zijn echtgenote zo specifiek is dat de inspecteur daarmee in zijn bewijslast is geslaagd. Er is geen reden om aan te nemen dat de namen die zijn vermeld op het microfiche op andere personen dan belanghebbende en diens echtgenote kan slaan. Belanghebbende heeft gesteld dat zowel zijn naam als die van zijn echtgenote door de KBL met een ‘ij’ zou zijn geschreven en niet met een ‘y’ zoals op het bewuste microfiche. De rechtbank is van oordeel dat dit onvoldoende twijfel zaait over de identificatie, in aanmerking genomen dat het – zoals de inspecteur heeft aangevoerd – niet ongebruikelijk is dat een “ij” als een “y” wordt geschreven. Ook in al hetgeen belanghebbende voor het overige heeft aangevoerd, waaronder de eigen verklaringen, ziet de rechtbank geen aanleiding voor een ander bewijsoordeel.

4.4.4.

Gelet op het onder 4.4.3. overwogene acht de rechtbank aannemelijk dat belanghebbende en de echtgenote per 31 januari 1994 beschikten over de onderhavige bankrekeningen bij de KBL en gerechtigd waren tot de op de microfiches onder de naam “[X - Y]” vermelde bedragen.

Vraag 5 Voortvarendheid

4.5.1.

Belanghebbende heeft gesteld dat de inspecteur onvoldoende voortvarend heeft gehandeld met betrekking tot de navorderingsaanslagen die zijn opgelegd met toepassing van de zogenoemde verlengde navorderingstermijn. De in de aanslagregelende fase gevoerde correspondentie was een zinloos en nodeloos heen en weer geschrijf. Belanghebbende heeft immers steeds ontkend rekeninghouder te zijn. Bovendien had de inspecteur reeds vóór februari 2002 de informatie met betrekking tot belanghebbende ontvangen. De gegevens waarop de aanslagen zijn gebaseerd waren dezelfde vanaf februari 2002 tot het moment van de oplegging van de navorderingsaanslagen, aldus nog steeds belanghebbende.

4.5.2.

Gelet op de contacten tussen belanghebbende en de inspecteur én de tijd die gemoeid was met het opleggen van de navorderingsaanslagen acht de rechtbank de verstreken periode tot de dagtekening(en) van de navorderingsaanslagen niet onevenredig lang. Belanghebbende stelt weliswaar dat de correspondentie een zinloos en nodeloos heen en weer geschrijf was, maar de rechtbank is van oordeel dat de inspecteur in het kader van een zorgvuldige voorbereiding van de aanslagen redelijkerwijze met belanghebbende de gewraakte correspondentie kon voeren en dat hij dat noodzakelijk kon achten voor het op zorgvuldige wijze vaststellen van die aanslagen. De omstandigheid dat de correspondentie, naar achteraf is komen vast te staan, geen (nader) resultaat heeft opgeleverd, maakt dat niet anders. Het tijdsverloop dat met zorgvuldig handelen gepaard gaat, is noodzakelijk in de zin van het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen van 11 juni 2009, C-155/08 en C-157/08 (X en Passenheim-Van Schoot), ECLI:EU:C:2009:368, BNB 2009/222. De rechtbank is van oordeel dat de inspecteur voortvarend genoeg heeft gehandeld bij het opleggen van de voornoemde navorderingsaanslagen, in aanmerking genomen dat hierbij geen sprake is geweest van stilzitten van meer dan 6 maanden. Dit is wel het geval geweest bij de navorderingsaanslag VB 1996, maar die is reeds vernietigd.

Vraag 6 Hoogte van de aanslag: omkering van bewijslast en redelijke schatting

Omkering van de bewijslast; 1991-2000

4.6.1.

De echtgenote heeft (voor het eerst) ter zitting gesteld dat de rekening bij de KBC te Lommel tot 1996 van haar vader was. Pas na zijn overlijden in 1996 is de rekening op haar naam komen te staan, aldus de echtgenote. De rechtbank begrijpt uit de verklaring van de echtgenote dat zij bedoelt te stellen dat over de jaren 1990 tot 1996 ten onrechte bij belanghebbende rente en vermogen is gecorrigeerd in verband met de hiervoor in 2.8 omschreven rekeningen bij de KBC. De rechtbank overweegt als volgt.

4.6.2.

Vast staat dat belanghebbende althans de echtgenote over de rekeningafschriften van de bankrekeningen bij de KBC beschikte. Ter zitting heeft de echtgenote verklaard dat zij vanaf 1990 door haar vader gemachtigd was voor deze rekeningen. Belanghebbende heeft tijdens het gesprek met de inspecteur op 29 maart 2002 (overweging 2.7) echter verklaard dat hij de rekeningen samen met de echtgenote eind jaren ’80 heeft geopend. Voorts heeft de inspecteur ter zitting onweersproken gesteld dat de saldi van die rekeningen niet in de aangifte successierecht (thans erfbelasting) naar aanleiding van het overlijden van de vader van de echtgenote in 1996 zijn opgenomen. Gelet op dit een en ander, in onderling verband gezien, acht de rechtbank aannemelijk, dat belanghebbende en/of de echtgenote gerechtigd waren tot de in 2.8 genoemde rekeningen bij de KBC. De enkele andersluidende verklaring van de echtgenote ter zitting is onvoldoende bewijs voor het tegendeel.

4.6.3.

De hoogte van de correcties over de jaren 1991 tot en met 2000 - die zijn gebaseerd op de door belanghebbende overgelegde gegevens – in verband met de bij de KBC aangehouden banksaldi worden door belanghebbende niet betwist. De echtgenote heeft dit ook ter zitting erkend. Voor het vermogen en de rente-inkomsten op de KBC-rekeningen gaat de rechtbank dan ook uit van de gegevens vermeld in Bijlage H, pagina 2, behorend bij de conclusie van dupliek (hierna: Bijlage H).

4.6.4.

Belanghebbende heeft wel betwist dat het in 1993 opgenomen bedrag (zie 2.8) nadien nog tot zijn vermogen behoorde. Belanghebbende heeft daartoe aangevoerd dat het geld is opgegaan aan de verbouwing van de woning en dat het restant is vergokt in een casino. Gelet op hetgeen hierna in 4.6.13 wordt overwogen – waaruit volgt dat de correcties in verband met het in 1993 opgenomen bedrag worden geëlimineerd –, hoeft de rechtbank geen oordeel over deze stelling te geven.

4.6.5.

De rechtbank acht aannemelijk dat belanghebbende op 31 januari 1994 ten minste bijna € 443.900 aan KBL-vermogen had (zie 4.4). De rechtbank acht gelet op de hoogte van het saldo aannemelijk dat op 1 januari 1994 een substantieel vermogen aanwezig was, dat in 1994 inkomsten uit dat vermogen zijn genoten, en dat er ook in de jaren nadien tot en met 2000 substantieel vermogen aanwezig was waaruit inkomen is genoten, in aanmerking genomen dat een dergelijk aanzienlijk vermogen niet zomaar verdwijnt (vgl. HR 28 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:63 in het kader van de boete, waarvoor bovendien een hogere bewijsdrempel geldt).

4.6.6.

Vast staat dat belanghebbende in die jaren geen vermogens op en geen inkomsten uit buitenlandse bankrekeningen heeft vermeld in de aangiften.

4.6.7.

Reeds gelet op de hoogte van de bekende rente-inkomsten uit de KBC-rekeningen in de periode 1991-2000 (zie Bijlage H), is de rechtbank van oordeel dat belanghebbende over die jaren niet de vereiste aangifte voor de IB heeft gedaan. Hetzelfde geldt voor de VB 1992 en 1993 op basis van het bekende vermogen van de KBC-rekeningen (mede gelet op het wel aangegeven vermogen en het belastingvrije bedrag). Voor de jaren VB 1994, 1995 en 1997 tot en met 2000 komt de rechtbank ook tot die conclusie op basis van de hoogte van het bekende vermogen van de KBC-rekeningen en het KBL-vermogen (waarvan de rechtbank aannemelijk acht dat het ook in de jaren na 1994 substantieel is; zie 4.6.5).

De rechtbank acht voorts aannemelijk dat belanghebbende ervan bewust was dat door de bedragen niet aan te geven een aanzienlijk bedrag aan belasting niet zou worden geheven. Er is dan sprake van omkering en verzwaring van de bewijslast ingevolge artikel 27e van de AWR.

Omkering van de bewijslast: 2002, 2003, 2005 en 2006

4.6.8.

Voor de jaren na 2000 acht de rechtbank aannemelijk dat belanghebbende nog over tenminste € 100.000 aan niet-aangegeven vermogen beschikte. De rechtbank acht dit aannemelijk op basis van het volgende in samenhang bezien. De hoogte aan het KBL-vermogen per 31 januari 1994 is zodanig aanzienlijk dat, in aanmerking genomen dat een aanzienlijk vermogen niet zomaar verdwijnt en dat vermogen rendeert, aannemelijk is dat ook in de betrokken jaren nog sprake was van vermogen, ook indien er rekening mee wordt gehouden dat mogelijk gelden van de rekening zijn opgenomen ter consumptie. Verder is van de KBC-rekeningen een bedrag van € 112.180 opgenomen in 2000, waarvoor geen afdoende verklaring is gegeven wat de bestemming van dit geld is geweest. Gelet op de hoogte van het voormelde (aannemelijk gemaakte) niet-aangegeven vermogen is de rechtbank van oordeel dat het belastingbedrag dat daarop betrekking heeft zowel absoluut als relatief aanzienlijk is. De rechtbank heeft daarbij in aanmerking genomen dat aannemelijk is dat belanghebbende ten tijde van het doen van de aangifte wist dat door het vermogen niet aan te geven een aanzienlijk bedrag aan verschuldigde belasting niet zou worden geheven. Ook voor de jaren IB 2002, 2003, 2005 en 2006 is er derhalve sprake van omkering en verzwaring van de bewijslast ingevolge artikel 27e van de AWR.

Tegenbewijs geleverd?

4.6.9.

Toepassing van de sanctie van artikel 27e AWR brengt met zich dat de rechtbank het beroep ongegrond verklaart, tenzij belanghebbende overtuigend aantoont dat en in hoeverre de uitspraken op bezwaar onjuist zijn. Op belanghebbende rust daarom de last te bewijzen of en in hoeverre de uitspraken op bezwaar onjuist zijn. De rechtbank is van oordeel dat belanghebbende niet in de bewijslast is geslaagd.

Redelijke schatting?

4.6.10.

De rechtbank dient nog wel te beoordelen of de navorderingsaanslagen berusten op een redelijke schatting.

4.6.11.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft de inspecteur met de uiteenzetting in het verweerschrift, en de overige door hem ingebrachte stukken, voldoende inzicht verschaft in de wijze waarop hij de inkomsten uit de bankrekeningen bij de KBL en de omvang van het aldaar aangehouden vermogen heeft geschat. De bij de laatste uitspraken op bezwaar gehanteerde berekeningswijze is verder conform hetgeen de Hoge Raad over de redelijke schatting in het ‘KBL-project’ heeft geoordeeld in zijn arrest van 15 april 2011 (Hoge Raad 15 april 2011, nr. 09/05192, ECLI:NL:HR:2011:BN6350). In zoverre acht de rechtbank de schatting redelijk.

4.6.12.

De inkomsten uit de bankrekeningen bij de KBC en de omvang van het aldaar aangehouden vermogen heeft de inspecteur berekend aan de hand van de door belanghebbende overgelegde bankafschriften. Voor de IB 1991 en VB 1992 zijn de correcties herleid vanaf de eerst bekende gegevens in april 1992. Deze correcties zijn niet in geschil.

4.6.13.

Ter zake van de opnamen in 1993 van ƒ 218.988 en in 2000 van € 112.180 in verband met de opheffing van de rekeningen is de inspecteur voor de berekening/schatting van deze inkomens-en vermogenscorrecties uitgegaan van een met een geschat rendement oplopend bedrag van deze opnamen in november 1993 en juli 2000 ingaande respectievelijk 1 januari 1994 en 1 januari 2001. Met betrekking tot de opnamen in 1993 van een bedrag van ƒ 218.988 in contanten van de KBC heeft de inspecteur aangenomen, dat dat bedrag is gestort op de door belanghebbende bij de KBL aangehouden rekening, dan wel een andere door belanghebbende in het buitenland aangehouden bankrekening. Bij de schatting van de correctie voor de KBL-rekeningen heeft de inspecteur ook al rekening gehouden met de mogelijkheid dat er nog andere buitenlandse tegoeden zijn dan de op het microfiche vermelde vermogen. Door daarnaast nog een afzonderlijke correctie voor de contante opname van ƒ 218.988 in 1993 in de berekening mee te nemen, is de schatting naar het oordeel van de rechtbank in zoverre niet redelijk. De rechtbank zal de correctie van ƒ 218.988 uit het inkomen en vermogen elimineren. Voor het overige acht de rechtbank de correcties op dit punt – aan de hand van een geschat rendement – niet onredelijk.

4.6.14.

Op basis van de berekeningen van de inspecteur (zie Bijlage A bij de uitspraak op bezwaar) berekent de rechtbank de correcties over de jaren 1994 tot en met 2000 als volgt:

IB

1994

1995

1996

1997

1998

1999

2000

correctie KBL en KBC

ƒ 39.972

ƒ 45.611

ƒ 50.186

ƒ 48.196

ƒ 48.073

ƒ 62.803

ƒ 62.687

af: correctie 1993-opname

ƒ 13.139

ƒ 13.928

ƒ 14.763

ƒ 15.649

ƒ 16.588

ƒ 17.583

ƒ 18.638

Nieuwe correctie

ƒ 26.833

ƒ 31.683

ƒ 35.423

ƒ 32.547

ƒ 31.485

ƒ 45.220

ƒ 44.049

VB

1994

1995

1997

1998

1999

2000

correctie KBL en KBC

ƒ 870.308

ƒ 889.767

ƒ 1.032.538

ƒ 1.126.747

ƒ 1.196.575

ƒ 1.185.999

af: correctie KBL b

ƒ 218.988

ƒ 232.127

ƒ 260.818

ƒ 276.467

ƒ 293.055

ƒ 310.639

Nieuwe correctie

ƒ 651.320

ƒ 657.640

ƒ 771.720

ƒ 850.280

ƒ 903.520

ƒ 875.360

4.6.15.

De nieuwe correcties resulteren in de volgende belastbare inkomens en vermogens over de jaren 1994 tot en met 2000:

IB

1994

1995

1996

1997

1998

1999

2000

Vastgesteld inkomen

ƒ 37.015

ƒ 38.670

ƒ 50.303

ƒ 48.424

ƒ 46.687

ƒ 51.128

ƒ 55.159

nieuwe correctie

ƒ 26.833

ƒ 31.683

ƒ 35.423

ƒ 32.547

ƒ 31.485

ƒ 45.220

ƒ 44.049

af: vrijstelling

ƒ -2.000

ƒ -2.000

-ƒ 2.000

-ƒ 2.000

-ƒ 2.000

-ƒ 2.000

ƒ -2.000

af: belastingvrije som

-ƒ 11.850

-ƒ 6.074

-ƒ 7.003

-ƒ 7.102

-ƒ 8.617

-ƒ 8.799

-ƒ 8.950

belastbaar inkomen

ƒ 49.998

ƒ 62.279

ƒ 76.723

ƒ 71.869

ƒ 67.555

ƒ 85.549

ƒ 88.258

Vermogensbelasting

1994

1995

1997

1998

1999

2000

Vastgesteld vermogen

ƒ 180.000

ƒ 55.000

ƒ 286.971

ƒ 342.640

ƒ 537.680

ƒ 597.371

nieuwe correctie

ƒ 651.320

ƒ 657.640

ƒ 771.720

ƒ 850.280

ƒ 903.520

ƒ 875.360

af: belastingvrij bedrag

-ƒ 183.000

-ƒ 242.000

-ƒ 280.000

-ƒ 241.000

-ƒ 246.000

-ƒ 250.000

belastbaar vermogen

ƒ 648.320

ƒ 470.640

ƒ 778.691

ƒ 951.920

ƒ 1.195.200

ƒ 1.222.731

4.6.16.

Voor de jaren 2002, 2003, 2005 en 2006 heeft de inspecteur naast een geschat (renderend) KBL-vermogen een vermogen in verband met de opnamen in 1993 en 2000 van de voormalige KBC-rekeningen in aanmerking genomen dat geacht wordt te renderen met 6%. Dit laatste vermogen is per 1 januari 2001 geschat op € 264.965 (zie Bijlage F, eerste pagina, bij de conclusie van dupliek). Dit bedrag is opgebouwd uit het in 2000 opgenomen saldo van € 112.180 vermeerderd met € 3.365 (6%/2) rente en een bedrag van € 149.419 dat het gerendeerde saldo betreft van het in 1993 opgenomen bedrag (zie pagina 1 van bijlage F bij de uitspraak op bezwaar). Om de schatting te zuiveren van de correctie in verband met de opname in 1993, dient derhalve die schatting te worden gecorrigeerd voor dit bedrag van € 149.419 en het daarop betrekking hebbende 6% rendement. Omdat het geschatte bedrag voor 50% in aanmerking is genomen bij belanghebbende, geldt dit ook voor deze correctie. Dat betekent dat de aanslagen moeten worden verminderd. De rechtbank berekent het voordeel uit sparen en beleggen als volgt:

IB

2002

2003

2005

2006

Aangegeven rendementsgrondslag

€ 248.258

€ 92.573

€ 452.345

€ 380.543

Correctie inspecteur

€ 280.778

€ 293.238

€ 323.685

€ 338.715

€ 529.036

€ 385.811

€ 776.030

€ 719.258

min correctie 1993-opname

€ 81.568

€ 86.462

€ 97.149

€ 102.978

rendementsgrondslag

€ 447.468

€ 299.349

€ 678.881

€ 616.280

voordeel sparen en beleggen

€ 17.899

€ 11.974

€ 27.155

€ 24.651

Vraag 7 Boeten

4.7.1.

Gelet op het oordeel in 4.1.3 dient ook de boete behorende bij de navorderingsaanslag IB 1990 te worden vernietigd. Bij de bestreden uitspraken op bezwaar zijn reeds vernietigd de boeten behorende bij de navorderingsaanslagen IB 1991, VB 1991, VB 1992 en VB 1996. Dan zijn nog in geschil de boeten behorende bij de belastingaanslagen IB 1992 tot en met 2000, 2002, 2003, 2005 en 2006 en de navorderingsaanslagen VB 1993 tot en met 1995 en 1997 tot en met 2000.

4.7.2.

Erkend is dat belanghebbende en zijn echtgenote vanaf 1996 tot en met 2000 bankrekeningen bij de KBC aanhielden. Aangezien voorts vaststaat dat belanghebbende (de inkomsten uit) dit vermogen niet heeft aangegeven in zijn aangiften, acht de rechtbank bewezen dat belanghebbende dat opzettelijk niet heeft gedaan en het beboetbare feit in ieder geval voor de jaren 1996 tot en met 2000 (opheffing van de KBC-rekeningen) heeft gepleegd.

4.7.3.

Ook wat betreft de jaren 1992 tot 1996 acht de rechtbank het bewijs geleverd. De rechtbank acht gelet op het hiervoor onder 4.6.2 overwogene aannemelijk dat belanghebbende en zijn echtgenote de rekeningen bij de KBC ook in die jaren aanhielden.

4.7.4.

De rechtbank acht op basis van het microfiche voor de IB 1993 tot en met 2000 en VB 1994, 1995 en 1997 tot en met 2000 ook bewezen dat belanghebbende een (aanzienlijk) vermogen op de KBL-rekeningen had. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat sprake was van een aanzienlijk vermogen bij de KBL en dat een dergelijk aanzienlijk vermogen niet zomaar verdwijnt (vgl. HR 28 juni 2013, nr. 11/04152, ECLI:NL:HR:2013:63 en HR 31 januari 2014, nr. 12/05573, ECLI:NL:HR:2014:171).

4.7.4.

Ook wat betreft de jaren 2002, 2003, 2005 en 2006 acht de rechtbank het bewijs geleverd. Weliswaar volgt uit de door de KBC aan belanghebbende verstrekte gegevens dat de bankrekeningen in juli 2000 zijn opgeheven, maar dat neemt niet weg dat de rechtbank aannemelijk acht dat belanghebbende nog wel de beschikking had over een substantieel vermogen. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat sprake was van een aanzienlijk vermogen zowel bij de KBC als de KBL en dat een dergelijk aanzienlijk vermogen niet zomaar verdwijnt. De niet onderbouwde verklaring van belanghebbende dat het geld is opgegaan aan de verbouwing van de woning en het restant is vergokt in een casino, acht de rechtbank niet geloofwaardig. De rechtbank acht aannemelijk dat belanghebbende in al die jaren nog een vermogen van tenminste € 100.000 had in al die jaren in het buitenland dat niet in de aangifte is vermeld.

4.7.5.

Wat betreft de vraag of bewezen is dat bij het plegen van de beboetbare feiten sprake was van opzet, moet het volgende worden vooropgesteld. In een geval als het onderhavige, waarin een belastingplichtige een bankrekening aanhoudt in een land met een (fiscaal) bankgeheim of discretieplicht en aanzienlijke tegoeden daarop en de rente-inkomsten daaruit ten onrechte niet heeft aangegeven, kan in het algemeen reeds op grond daarvan worden aangenomen dat hij die aangifte opzettelijk onjuist heeft gedaan (HR 28 juni 2013, nr. 11/04152, ECLI:NL:HR:2013:63). Aangezien belanghebbende geen feiten heeft aangevoerd die aanleiding zouden kunnen geven om af te wijken van deze regel, acht de rechtbank bewezen dat sprake was van opzet.

4.7.6.

De rechtbank acht, zoals gezegd, bewezen dat belanghebbende omvangrijke bedragen heeft gestort op bankrekeningen in landen met een bankgeheim of discretieplicht en dit geld en de daaruit ontvangen inkomsten gedurende een lange reeks van jaren bewust aan het zicht van de fiscus heeft onttrokken. Deze omstandigheden maken dat sprake is van omstandigheden die in beginsel in elk van de in geding zijnde jaren vergrijpboeten van 100% van de verschuldigde belastingbedragen rechtvaardigen. Over de correcties van de bij de KBC aangehouden tegoeden heeft inspecteur de boeten verminderd tot 40%, omdat belanghebbende ten aanzien van die rekeningen openheid van zaken heeft gegeven. Met betrekking tot de correcties gebaseerd op de opnamen in 1993 en 2000 is de inspecteur wel – net zoals ter zake van de KBL-correcties – uitgegaan van een boetepercentage van 100%.

4.7.7.

De rechtbank ziet aanleiding voor vermindering van de boeten in verband met de omstandigheid dat de grondslag van de boeten (deels) tot stand is gekomen op basis van omkering van de bewijslast. De rechtbank acht daarbij in het bijzonder een vermindering aangewezen in verband met de toenemende onzekerheid omtrent de hoogte van het niet-aangegeven vermogen met name voor de jaren na 2000, zeker voor zover de schatting voortbouwt op het KBL-vermogen uit 1994. Voor de jaren IB 1992 en VB 1993 dient er naar het oordeel van rechtbank rekening mee te worden gehouden – zoals overigens ook de inspecteur heeft gedaan – dat tot het geschatte vermogen en inkomsten ook KBL-vermogen hoort (vgl. HR 28 juni 2013, nr. 11/04152, ECLI:NL:HR:2013:63, r.o. 3.8.4). Alles afwegende acht de rechtbank de hierna te vermelden boeten passend en geboden.

Op die boeten komt nog in mindering een korting wegens overschrijding van de redelijke termijn. Voor de jaren vóór 2001 acht de rechtbank een korting van 30% geboden gelet op de inmiddels zeer lange tijdsduur. Voor de jaren na 2001 acht de rechtbank een percentage van 20% gepast. Per saldo komen de boeten op de volgende bedragen uit:

- voor IB 1992: ƒ 5.000 minus 30% is ƒ 3.500;

- voor IB 1993-2000: ieder jaar ƒ 7.000 minus 30% is ƒ 4.900;

- voor IB 2002, 2003, 2005 en 2006: ieder jaar € 1.000 minus 20% is € 800;

- voor VB 1993: ƒ 800 minus 30% is ƒ 560;

- voor VB 1994-1995 en 1997-2000: ieder jaar ƒ 1.000 minus 30% is ƒ 700.

Vraag 8 Vertrouwensbeginsel

4.8.1.

Belanghebbende heeft ter zitting het standpunt ingenomen dat hij aan het lange stilzwijgen van de inspecteur, van eind 2006 tot juli 2014, het gerechtvaardigd vertrouwen heeft kunnen ontlenen dat de inspecteur niet meer op de aanslagen zou terugkomen.

4.8.2.

Het beroep op het vertrouwensbeginsel faalt, omdat het enkele tijdsverloop niet bij belanghebbende het in rechte te beschermen vertrouwen heeft kunnen wekken dat de inspecteur alsnog de reeds opgelegde (navorderings)aanslagen niet wilde handhaven. Daarbij overweegt de rechtbank dat van een stilzitten van de zijde van de inspecteur geen sprake is geweest gelet op de bij het Hof gevoerde beroepsprocedure over de navorderingsaanslagen IB 1990 tot en met 2000 en VB 1991 tot en met 2000 en de met belanghebbende gevoerde correspondentie over de aanslagen IB 2002, 2003, 2005 en 2006.

Vraag 9 Immateriëleschadevergoeding

4.9.1.

Belanghebbende heeft verzocht om toekenning van een vergoeding van immateriële schade als gevolg van de lange behandelingsduur van het bezwaar en beroep.

4.9.2.

De zaken hebben in hoofdzaak betrekking op hetzelfde onderwerp, zowel in bezwaar als in beroep. Dit betekent dat voor die zaken gezamenlijk slechts eenmaal schadevergoeding wordt toegekend wegens (redelijke) termijnoverschrijding en voor het overige te volstaan met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden (vgl. HR 21 maart 2014, nr. 12/04057, ECLI:NL:HR:2014:540).

4.9.3.

Tussen de ontvangst van het eerste bezwaarschrift door de inspecteur (10 juni 2003) en de dagtekening van de uitspraak van de rechtbank (7 juni 2016) zijn 14 jaar of 168 maanden verstreken. De redelijke termijn die staat voor de behandeling van bezwaar en beroep is 24 maanden, waarvan 6 maanden voor bezwaar en 18 maanden voor beroep. Daarbij verdient opmerking dat, mede gelet op de berekening van de inspecteur, tussen partijen niet in geschil is dat de tijd die gemoeid is met de eerdere procedure voor het Hof in aanmerking dient te worden genomen bij de bepaling van het tijdsverloop en geen aanleiding geeft om de redelijke termijn aan te passen. De rechtbank ziet geen reden om de termijn in dit geval te verlengen. De overschrijding van de redelijke termijn is dan 144 maanden (168 min 24). Belanghebbende heeft dus recht op een vergoeding van € 12.000 (144/6 = 24 x € 500). Nu de beroepsfase 14 maanden, van 2 april 2015 tot 7 juni 2016, heeft geduurd, is de overschrijding van de redelijke termijn volledig toe te rekenen aan de bezwaarfase. De veroordeling tot schadevergoeding zal daarom worden uitgesproken ten laste van de inspecteur.

5 Proceskosten

De rechtbank vindt aanleiding de inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van de beroepen redelijkerwijs heeft moeten maken. Daarbij zijn de zaken als samenhangend in de zin van artikel 3 van Besluit proceskosten bestuursrecht aan te merken. De kosten zijn op de grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 2.790 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 0,5 punt voor het indienen van de conclusie van repliek en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 496 en een wegingsfactor 1,5 voor het gewicht van de zaken en factor 1,5 wegens vier of meer samenhangende zaken). Voor de bezwaarfase is al een kostenvergoeding toegekend van € 1.366,88.

6 Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart de beroepen tegen de navorderingsaanslagen IB 1991, 1992 en 1993 en VB 1992 en 1993 en de bijbehorende beschikkingen heffingsrente ongegrond;

  • -

    verklaart de overige beroepen gegrond en vernietigt de uitspraken op bezwaar;

  • -

    vernietigt de navorderingsaanslagen IB 1990 en VB 1991 en de bijbehorende beschikkingen heffingsrente en boetebeschikkingen;

  • -

    vermindert de boete bij de navorderingsaanslag IB 1992 tot ƒ 3.500;

  • -

    vermindert de boete bij de navorderingsaanslag IB 1993 tot ƒ 4.900;

  • -

    vermindert de navorderingsaanslag IB 1994 tot een berekend naar een belastbaar inkomen van ƒ 49.998, vermindert de heffingsrente dienovereenkomstig en vermindert de boete tot ƒ 4.900;

  • -

    vermindert de navorderingsaanslag IB 1995 tot een berekend naar een belastbaar inkomen van ƒ 62.279, vermindert de heffingsrente dienovereenkomstig en vermindert de boete tot ƒ 4.900;

  • -

    vermindert de navorderingsaanslag IB 1996 tot een berekend naar een belastbaar inkomen van ƒ 76.723, vermindert de heffingsrente dienovereenkomstig en vermindert de boete tot ƒ 4.900;

  • -

    vermindert de navorderingsaanslag IB 1997 tot een berekend naar een belastbaar inkomen van ƒ 71.869, vermindert de heffingsrente dienovereenkomstig en vermindert de boete tot ƒ 4.900;

  • -

    vermindert de navorderingsaanslag IB 1998 tot een berekend naar een belastbaar inkomen van ƒ 67.555, vermindert de heffingsrente dienovereenkomstig en vermindert de boete tot ƒ 4.900;

  • -

    vermindert de navorderingsaanslag IB 1999 tot een berekend naar een belastbaar inkomen van ƒ 85.549, vermindert de heffingsrente dienovereenkomstig en vermindert de boete tot ƒ 4.900;

  • -

    vermindert de navorderingsaanslag IB 2000 tot een berekend naar een belastbaar inkomen van ƒ 88.258, vermindert de heffingsrente dienovereenkomstig en vermindert de boete tot ƒ 4.900;

  • -

    vermindert de navorderingsaanslag IB 2002 tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 17.899 (met handhaving van de overige elementen), vermindert de heffingsrente dienovereenkomstig en vermindert de boete tot € 800;

  • -

    vermindert de navorderingsaanslag IB 2003 tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 11.974 (met handhaving van de overige elementen), vermindert de heffingsrente dienovereenkomstig en vermindert de boete tot € 800;

  • -

    vermindert de navorderingsaanslag IB 2005 tot een berekend naar belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 27.155 (met handhaving van de overige elementen), vermindert de heffingsrente dienovereenkomstig en vermindert de boete tot € 800;

  • -

    vermindert de navorderingsaanslag IB 2006 tot een berekend naar belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 24.651 (met handhaving van de overige elementen), vermindert de heffingsrente dienovereenkomstig en vermindert de boete tot € 800;

  • -

    vermindert de boete bij de navorderingsaanslag VB 1993 tot ƒ 560;

  • -

    vermindert de navorderingsaanslag VB 1994 tot een berekend naar een belastbaar vermogen van ƒ 648.320, vermindert de heffingsrente dienovereenkomstig en vermindert de boete tot ƒ 700;

  • -

    vermindert de navorderingsaanslag VB 1995 tot een berekend naar een belastbaar vermogen van ƒ 470.640, vermindert de heffingsrente dienovereenkomstig en vermindert de boete tot ƒ 700;

  • -

    vermindert de navorderingsaanslag VB 1997 tot een berekend naar een belastbaar vermogen van ƒ 778.691, vermindert de heffingsrente dienovereenkomstig en vermindert de boete tot ƒ 700;

  • -

    vermindert de navorderingsaanslag VB 1998 tot een berekend naar een belastbaar vermogen van ƒ 951.920, vermindert de heffingsrente dienovereenkomstig en vermindert de boete tot ƒ 700;

  • -

    vermindert de navorderingsaanslag VB 1999 tot een berekend naar een belastbaar vermogen van ƒ1.195.200, vermindert de heffingsrente dienovereenkomstig en vermindert de boete tot ƒ 700;

  • -

    vermindert de navorderingsaanslag VB 2000 tot een berekend naar een belastbaar vermogen van ƒ 1.222.731, vermindert de heffingsrente dienovereenkomstig en vermindert de boete tot ƒ 700;

  • -

    veroordeelt de inspecteur tot het vergoeden van de immateriële schade aan belanghebbende van € 12.000;

  • -

    veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van € 2.790;

- gelast dat de inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 45 aan deze vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan op 7 juni 2016 door mr. A.F.M.Q. Beukers-van Dooren, voorzitter, mr. M.R.T. Pauwels en mr. M.W.C. Soltysik, rechters, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. M.J. van Balkom, griffier.

De griffier, De voorzitter,

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Aan deze uitspraak hoeft eerst uitvoering te worden gegeven als de uitspraak onherroepelijk is geworden. De uitspraak is onherroepelijk als niet binnen zes weken na verzending van de uitspraak een rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtsmiddel is beslist (artikel 27h, derde lid en artikel 28, zevende lid AWR).

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.

Voor burgers is het mogelijk hoger beroep digitaal in te stellen. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van de formulieren op Rechtspraak.nl / Digitaal loket bestuursrecht.