Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2016:3663

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
15-06-2016
Datum publicatie
02-03-2017
Zaaknummer
C/02/297122 / HA ZA 15-208
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Onteigening, waarde grond, waardevermindering geen overblijvende, geen aankoop vervangende grond i.v.m. leeftijd eigenaren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Handelsrecht


Middelburg

zaaknummer / rolnummer: C/02/297124 / HA ZA 15-209

Vonnis van 15 juni 2016

in de zaak van

de publiekrechtelijke rechtspersoon

PROVINCIE NOORD-BRABANT,

zetelend te 's-Hertogenbosch,

eiseres,

advocaat mr. drs. H. Nijman te ‘s-Hertogenbosch,

tegen

MR. B. BAAN,
in zijn hoedanigheid van derde ex artikel 20 Onteigeningswet voor de in België woonachtige heer [Gedaagde1] en mevrouw [gedaagde2] ,
kantoorhoudende te Etten-Leur,

gedaagde,
advocaat mr. B. Baan te Etten-Leur.

Eiseres zal hierna de provincie worden genoemd. Gedaagde(n) zal/zullen ieder afzonderlijk worden aangeduid als [Gedaagde1] en [gedaagde2] , en gezamenlijk als [Gedaagde1] - [gedaagde2] (mannelijk enkelvoud).

1
1. Het procesverloop

Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 17 juni 2015
- de akte van 21 september 2015, houdende depot deskundigenrapport
- de brief van mr. Vermeulen van 14 januari 2016 met opgave van de deskundigenkosten
- de pleitnota van de zijde van [Gedaagde1] - [gedaagde2] , tevens akte kostenopgaaf
- het e-mailbericht van de griffier van deze rechtbank van 26 april 2016 aan mr. Nijman met de vraag om een reactie op de kostenopgave van de rechtbankdeskundigen
- het e-mailbericht van mr. Nijman van 28 april 2016 met een reactie op de kostenopgave van de rechtbankdeskundigen.

Bij beschikking van deze rechtbank van 5 februari 2015 heeft de rechtbank mr. J.R. Vermeulen, C.G. Plomp en ir. H. Leonard tot deskundigen benoemd.
Op 31 maart 2015 hebben de deskundigen het onteigende nader opgenomen. Mr. Vermeulen heeft als voorzitter van de deskundigencommissie het conceptdeskundigenrapport aan partijen doen toekomen. Namens [Gedaagde1] - [gedaagde2] is daarop gereageerd bij brief van 12 augustus 2015 en namens de provincie bij brief van 13 augustus 2015.
De zaak is bepleit op 18 januari 2016, waarvan proces-verbaal is opgemaakt.

2
2. De verdere beoordeling

2.1.

Bij vonnis van 17 juni 2015 (hierna: het onteigeningsvonnis) heeft de rechtbank vervroegd de onteigening uitgesproken ten name van de provincie van de percelen:
- kadastraal bekend gemeente Baarle-Nassau, sectie R, nummer 525 (totaal groot 01.95.50 ha), grondplannummer 84.1 ter grootte van 00.00.60 ha, omschrijving terrein (akkerbouw) en grondplannummer 84.2 ter grootte van 00.04.36 ha, omschrijving terrein (akkerbouw);

- kadastraal bekend gemeente Baarle-Nassau, sectie R, nummer 518, geheel ter grootte van 00.17.60 ha, omschrijving terrein (grasland), grondplannummer 86;

- kadastraal bekend gemeente Baarle-Nassau, sectie C, nummer 3672, (totaal groot 00.82.70), grondplannummer 112 ter grootte van 00.02.92 ha, omschrijving terrein (akkerbouw).

2.2.

In het onteigeningsvonnis is het aan [Gedaagde1] - [gedaagde2] gezamenlijk te betalen voorschot op de schadeloosstelling bepaald op € 17.004,60.

2.3.

Het onteigeningsvonnis is op 30 juli 2015 ingeschreven in de openbare registers.

2.4.

De bij beschikking van 5 februari 2015 benoemde deskundigen is opgedragen de schadeloosstelling te begroten.

2.5.

De deskundigen hebben in hun rapport de aan [Gedaagde1] - [gedaagde2] te betalen schadeloosstelling als volgt begroot:
- waarde € 17.836,00
- bijkomende schade € 2.700,00
- schade van derde-belanghebbenden nihil
Totaal € 20.536,00

2.6.

Namens de provincie is bij dagvaarding laatstelijk aangeboden als schadeloosstelling aan:
- [Gedaagde1] met betrekking tot grondplannummer 112 een bedrag van € 2.194,00
- [gedaagde2] met betrekking tot grondplannummer 86 een bedrag van € 12.878,00
- [Gedaagde1] - [gedaagde2] met betrekking tot grondplannummers 84.1 en 84.2 een bedrag van
€ 3.822,00.

De provincie heeft bijkomend aangeboden aan [Gedaagde1] - [gedaagde2] een hoek van 1.820 m² van het perceel F 37, op de voorwaarden zoals vermeld in de als productie 14 bij dagvaarding overgelegde brief van 12 januari 2015. Bij acceptatie van dat aanbod zou de noodzaak tot onteigening van een gedeelte ter grootte van 215 m² van perceel R 525 komen te vervallen.
In aanvulling daarop heeft de provincie bij akte uitlating d.d. 13 mei 2015 nog een bijkomend aanbod gedaan tot aankoop door [Gedaagde1] - [gedaagde2] van de provincie van de percelen kadastraal bekend gemeente Baarle-Nassau sectie C nummers 3670 en 3674, alsmede een gedeelte van daaraan grenzende op Belgisch grondgebied gelegen grond, te weten de percelen kadastraal bekend gemeente Baarle-Hertog sectie F nummers 40 en 43a met een totale omvang van 1.20.38 ha tegen een koopsom van € 6,50 per m².

2.7.

[Gedaagde1] - [gedaagde2] stelt dat de schadeloosstelling voor hem dient te bedragen:
- waarde € 17.836,00
- waardevermindering grond € 2.500,00
- waardevermindering woning c.a. € 15.000,00
- aanpassingskosten (3 eiken) € 450,00
- aanbrengen nieuwe pulsput € 1.500,00
- kosten juridische en deskundige bijstand p.m.
Totaal € 37.286,00 + p.m.

2.8.

De standpunten van partijen ten aanzien van (de hoogte van) de voor vergoeding in aanmerking komende posten, voor zover van belang, zullen conform de in het deskundigenrapport onderscheiden paragrafen worden behandeld.

Waarde van het onteigende
2.9. De deskundigen gaan bij het bepalen van de waarde van het onteigende uit van het op de peildatum bestaande agrarische gebruik en de (voorheen) agrarische bestemming van de percelen. Zij hebben in dat verband de door de provincie en door de onteigende partijen aangedragen referentietransacties geanalyseerd en voorts zelf onderzoek gedaan naar transacties.
De deskundigen zijn bij de waardering van het onteigende uitgegaan van de vrije en onverpachte staat van het onteigende. Op basis van de aard en omvang van het perceel waarvan het onteigende deel uitmaakt en voornoemd onderzoek en voorts hun eigen kennis van de grondmarkt en ervaring taxeren de deskundigen het onteigende op € 7,-- per m², ofwel in totaal op (2.548 m² x € 7,--/m²=) € 17.836,--.

2.10.

Zowel de provincie als [Gedaagde1] - [gedaagde2] kan zich vinden in de door de deskundigen getaxeerde agrarische waarde van € 7,--/m².
[Gedaagde1] - [gedaagde2] stelt daarnaast dat de deskundigen ten onrechte geen waarde hebben toegekend aan een drietal eiken op het perceel R 525. De waarde als hakhout bedraagt volgens [Gedaagde1] - [gedaagde2] € 450,--.

2.11.

De rechtbank is met de deskundigen van oordeel dat, nog daargelaten de vraag of de bomen zich op het onteigende gedeelte van het perceel bevinden, deze bomen geen waarde vertegenwoordigen in het vrije commerciële verkeer.
De rechtbank zal de deskundigen volgen in hun bevindingen en de waarde van het onteigende vaststellen op € 17.836,--.
Bijkomende schade

Waardevermindering overblijvende

2.12.

Als gevolg van de onteigening wordt het achterste deel van de huiskavel, te weten perceel R 518 ter grootte van 1.760 m², onteigend. Op dat deel van het onteigende wordt een grondwal aangelegd. De rondweg zelf met bijbehorende werken zal in de toekomst worden aangelegd op het overblijvende in België gelegen deel van de huiskavel.
Naar het oordeel van de deskundigen betekent dit dat voor de beantwoording van de vraag of er sprake is van waardevermindering van het overblijvende in de onderhavige onteigeningsprocedure uitsluitend in aanmerking kan worden genomen hetgeen thans wordt onteigend en het werk voor zover dat op het onteigende zal worden gerealiseerd. Indien in de toekomst ook een deel van de in België gelegen huiskavel wordt onteigend ten behoeve van de aanleg van de rondweg zelf met bijkomende werken, zal de daaruit voortvloeiende schade in die procedure voor vergoeding in aanmerking komen. Het vorenstaande brengt volgens de deskundigen met zich dat, gelet op de relatief geringe oppervlakte van het onteigende perceel en de aard van het werk dat daarop zal worden aangelegd (een grondwal) geen sprake zal zijn van waardevermindering van de overblijvende huiskavel.
Ten aanzien van de veldkavel R 525 zijn de deskundigen van oordeel dat evenmin sprake is van waardevermindering van het overblijvende. Als gevolg van de onteigening van de strook grond in het zuidelijk deel van het perceel zal volgens de deskundigen sprake zijn van een regelmatiger en voor de bewerking gunstiger vorm. De beperkte vormverslechtering als gevolg van de onteigening van twee kleine hoeken van het perceel wordt geheel goedgemaakt door deze gunstiger vorm van de zuidelijke perceelsgrens, aldus de deskundigen. De deskundigen zijn wel van mening dat als gevolg van de onteigening een deel van de beregeningsinstallatie ten behoeve van het overblijvende moet worden aangepast. Zij beramen de hiermee samenhangende aan [Gedaagde1] - [gedaagde2] te vergoeden kosten op € 1.500,-- inclusief btw.
De onteigening van 292 m² van het perceel C 3672 langs de [adres] zal naar het oordeel van de deskundigen ook niet leiden tot waardevermindering van het overblijvende.

2.13.

[Gedaagde1] - [gedaagde2] stelt zich op het standpunt dat als gevolg van de onderhavige onteigening sprake is van waardevermindering van het overblijvende van de huiskavel (perceel R 518). Hij verwijst naar het arrest van de Hoge Raad van 6 maart 2015 (ECLI:HR:2015:523 onteigening Zuid-Willemsvaart). In dat arrest is volgens hem uitgemaakt dat schade aan het overblijvende, die samenhangt met door derden uit te voeren werkzaamheden op het overblijvende, voor vergoeding in aanmerking komt. De werkzaamheden die samenhangen moeten als één project worden beschouwd, aldus [Gedaagde1] - [gedaagde2] . Hij stelt primair dat de werkzaamheden (aanleg van de weg e.d.) op het overblijvende door de provincie zullen worden uitgevoerd. In zoverre dient de provincie als “derde”, zoals bedoeld in voornoemd arrest, te worden beschouwd, nu de werkzaamheden op Belgisch grondgebied worden verricht.
Subsidiair, voor zover de deskundigen hebben bedoeld te stellen dat, nu het overblijvende op Belgisch grondgebied is gelegen, er geen sprake kan zijn van schadevergoeding in verband met waardevermindering van het overblijvende, omdat het Belgische deel niet door het Nederlandse onteigeningsrecht wordt beheerst, voert [Gedaagde1] - [gedaagde2] het volgende aan. Het is op zich juist dat het overblijvende is gelegen op Belgisch grondgebied, maar de tekst van artikel 41 Onteigeningswet schrijft niet expliciet voor dat niet onteigende goederen (het overblijvende) op Nederlands grondgebied moeten zijn gelegen. Bovendien blijkt uit het geldende bestemmingsplan Omlegging Provinciale weg dat er sprake is van één project, dat de procedures tussen Nederland en België op elkaar worden afgestemd en dat de financiële afspraken zijn vastgelegd in een uitvoeringsovereenkomst tussen de provincie Noord-Brabant, de gemeente Baarle-Hertog (= België) en de gemeente Baarle-Nassau (= Nederland). De provincie betaalt 95% van de projectkosten, de gemeenten Baarle-Hertog en Baarle-Nassau samen 5%. Hieruit blijkt dat het overgrote deel van het tracé niet alleen is gelegen op Nederlands grondgebied, maar ook door Nederland wordt gefinancierd. In de lijn van bovengenoemd arrest is er sprake van één project waar niet op onderdelen in geknipt dient te worden. Dit is een reden te meer om de waardevermindering van het overblijvende op het Belgisch grondgebied mee te nemen in de onderhavige onteigeningsprocedure.
[Gedaagde1] - [gedaagde2] begroot de waardevermindering van het overblijvende woonhuis c.a. op € 15.000,--.
[Gedaagde1] - [gedaagde2] stelt voorts dat sprake is van een waardevermindering van perceel R 525, begroot op € 2.500,--. Hij verwijst naar het rapport van de deskundige, de heer H. Roetert. Volgens Roetert krijgt de rafelige grens nabij de drie eiken inderdaad een gunstiger vorm, maar resteert er in die hoek nog wel een schuine grens. Het nadeel wordt enigszins opgeheven, maar er ontstaat tegen de geplande rondweg een tweetal nieuwe schuine begrenzingen van het perceel waar thans de begrenzing normaal rechthoekig is. Voorts zal over de onteigende strook een ontsluiting worden aangelegd ten behoeve van derden om de overhoek te bereiken, hetgeen ook nadelig is.

2.14.

De provincie betwist de toepasselijkheid van het door [Gedaagde1] - [gedaagde2] aangehaalde arrest in onderhavige zaak. Volgens de provincie kan eventuele schade als gevolg van Belgische werken niet in de Nederlandse procedure worden geclaimd.

2.15.

De rechtbank overweegt als volgt. De deskundigen hebben ter gelegenheid van het pleidooi hun oordeel op dit punt nader toegelicht. Volgens de deskundigen gaat het om de vraag wat de waardevermindering veroorzaakt. Op hetgeen thans wordt onteigend wordt geen rondweg aangelegd, maar een grondwal. De grondwal is aan de overzijde van de huiskavel gelegen, bezien vanuit de woning. Het onderscheid Nederland-België speelt volgens de deskundigen geen belangrijke rol, net zo min als het arrest “Zuid-Willemsvaart”, waar [Gedaagde1] - [gedaagde2] naar verwijst.
De rechtbank is het eens met het oordeel en de motivering van de deskundigen op dit punt en maakt dit oordeel tot het hare. Het is vaste jurisprudentie dat tot vergoedbare waardevermindering behoren de schadelijke gevolgen van het werk en het gebruik van het werk waarvoor wordt onteigend, voor zover dat op het onteigende ligt. Wat buiten het onteigende plaatsvindt moet bij onteigening buiten beschouwing worden gelaten.
Voor zover [Gedaagde1] - [gedaagde2] stelt dat de rondweg hinder zal veroorzaken, is deze vermeende hinder een gevolg van de aanwezigheid van het werk waarvoor wordt onteigend buiten het onteigende. De daardoor gestelde schade is geen rechtstreeks en noodzakelijk gevolg van de onteigening.
Overige bijkomende schade

2.16.

De deskundigen overwegen dat het, gelet op de geringe oppervlakte van het onteigende en de gevorderde leeftijd van [Gedaagde1] en [gedaagde2] (77 en 73 jaar), het meest in de rede ligt om bij de begroting van de schadeloosstelling niet uit te gaan van aankoop van vervangende grond, maar van beëindiging van de exploitatie op het onteigende. De inkomensderving als gevolg van het verlies van het onteigende wordt naar inschatting van de deskundigen geheel gecompenseerd door de rente over het na onteigening vrijkomend kapitaal. Dit is door [Gedaagde1] - [gedaagde2] niet (langer) weersproken. De rechtbank volgt de deskundigen in hun oordeel en maakt dit tot het hare.

2.17.

De deskundigen overwegen voorts dat [Gedaagde1] - [gedaagde2] als gevolg van de onteigening kosten zal maken voor de raadpleging van een accountant omtrent de onteigening en de administratieve en fiscale afwikkeling hiervan. Zij achten het redelijk hiervoor een vergoeding toe te kennen ten bedrage van € 1.200,-- incl. btw.
Deze post is door de provincie niet (langer) betwist. De rechtbank zal deze post opnemen, nu dit bedrag de rechtbank redelijk voorkomt.

2.18.

Uit het voorgaande volgt dat de totale bijkomende schade die aan [Gedaagde1] - [gedaagde2] moet worden vergoed (€ 1.500,-- + € 1.200,-- =) € 2.700,-- bedraagt.

Derde-belanghebbenden

2.19.

Van (andere) derde-belanghebbenden die aanspraak zouden kunnen maken op vergoeding van door de onteigening veroorzaakte schade is niet gebleken.

Rente

2.20.

De deskundigen hebben geadviseerd de te vergoeden rente over het verschil tussen het voorschot en de definitief vast te stellen schadeloosstelling over de periode tussen de inschrijving van het onteigeningsvonnis en de datum waarop in dit vonnis de schadeloosstelling wordt vastgesteld, te bepalen op 1,5% per jaar.
Nu partijen hieromtrent niets hebben gesteld, zal de rechtbank dit percentage overnemen.
De provincie zal voorts op de voet van artikel 55 Onteigeningswet aan [Gedaagde1] - [gedaagde2] over het verschil tussen het voorschot en de definitief vast te stellen schadeloosstelling vermeerderd met de vergoeding van de hiervoor genoemde renteschade, de wettelijke rente dienen te vergoeden vanaf heden tot de dag der algehele voldoening.
Kosten van juridische en deskundige bijstand

2.21.

[Gedaagde1] - [gedaagde2] maakt aanspraak op de volgende kosten:
kosten juridische bijstand: € 19.385,22 (incl. btw)
kosten deskundige bijstand: € 9.383,55 (incl. btw)
Totaal € 28.768,77 (incl. btw)
De provincie heeft meegedeeld geen opmerkingen te hebben ten aanzien van voornoemde kostenopgaven. De rechtbank zal de opgegeven bedragen toewijzen.
Kosten van de door de rechtbank benoemde deskundigen

2.22.

De kosten van de door de rechtbank benoemde deskundigen bedragen volgens hun opgave € 14.873,74 (incl. btw). De provincie heeft meegedeeld ten aanzien van deze kostenopgave geen opmerkingen te hebben. De provincie zal als onteigenende partij dan ook worden veroordeeld tot betaling van deze kosten.

3
3.De beslissing

De rechtbank

3.1.

stelt het bedrag van te dezer zake door de provincie aan [Gedaagde1] - [gedaagde2] verschuldigde schadeloosstelling vast op € 20.536,00,

3.2.

veroordeelt de provincie om aan [Gedaagde1] - [gedaagde2] het bedrag te betalen waarmee de totale schadeloosstelling het totale voorschot te boven gaat en mitsdien tot betaling van een bedrag van € 3.531,40, vermeerderd met een rente van 1,5% per jaar daarover vanaf 30 juli 2015 tot 15 juni 2016, alsmede vermeerderd met de wettelijke rente over deze bedragen vanaf 15 juni 2016 tot aan de dag van voldoening,
3.3. wijst aan als nieuwsblad waarin door de griffier van deze rechtbank dit vonnis bij uittreksel zal worden geplaatst: BN De Stem,

3.4.

veroordeelt de provincie in de kosten van het geding, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [Gedaagde1] - [gedaagde2] begroot op € 19.385,22 (incl. btw) ter zake van kosten van juridische bijstand, € 9.383,55 (incl. btw) ter zake van kosten van overige deskundige bijstand en € 285,00 ter zake van griffierechten,

3.5.

veroordeelt de provincie tevens in de kosten van de door de rechtbank benoemde deskundigen, vastgesteld op een totaalbedrag van € 14.873,74 (incl. btw),

3.6.

verklaart dit vonnis voor wat de veroordelingen tot betaling betreft, uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.A. Witsiers, mr. E.K. van der Lende-Mulder Smit en mr. J.A. van Voorthuizen en in het openbaar uitgesproken op 15 juni 2016.1

1 FM