Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2016:3635

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
07-06-2016
Datum publicatie
25-07-2016
Zaaknummer
AWB 15_3905
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

WWB

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 15/3905 WWB

uitspraak van 7 juni 2016 van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam eiser1] en [naam eiser2] , te [woonplaats eisers] , eisers,

gemachtigde: mr. S. Çakal,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Tilburg, verweerder.

Procesverloop

Eisers hebben beroep ingesteld tegen het besluit van 16 april 2015 (bestreden besluit) van het college inzake de intrekking en terugvordering van hun bijstandsuitkering.

Het beroep is op 27 oktober 2015 op zitting behandeld.

Bij tussenuitspraak van 8 december 2015 heeft de rechtbank het college in de gelegenheid gesteld om het geconstateerde gebrek te herstellen.

Het college heeft in reactie op de tussenuitspraak aangegeven geen gebruik te willen maken van de geboden herstelmogelijkheid. Het college heeft op verzoek van de rechtbank een specificatie gestuurd van de hoogte van het terugvorderingsbedrag over de verschillende periodes waarover het recht op bijstand is ingetrokken. In reactie hierop hebben eisers de rechtbank verzocht om het beroep gegrond te verklaren, omdat het college het gebrek niet heeft hersteld. Eisers hebben verder aangegeven zich voor het overige te refereren aan het oordeel van de rechtbank.

De rechtbank heeft bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft.

Overwegingen

1. Voor een weergave van de feiten, de beroepsgronden en het wettelijk kader verwijst de rechtbank naar de tussenuitspraak.

2. In haar tussenuitspraak heeft de rechtbank, kort gezegd, overwogen dat de intrekking van de bijstandsuitkering over de periode van 27 mei 2003 tot en met 30 juni 2003 geen stand kan houden, in ieder geval niet op de door het college gehanteerde grondslag.

De rechtbank heeft het college in de gelegenheid gesteld om te bezien of er aanleiding bestaat om de intrekking van de bijstandsuitkering over deze periode te baseren op een andere grondslag of anderszins te besluiten.

3. Gelet op het in de tussenuitspraak geconstateerde gebrek, is het beroep gegrond. Het bestreden besluit komt voor vernietiging in aanmerking, in ieder geval voor wat betreft de intrekking van de bijstandsuitkering over de periode van 27 mei 2003 tot en met 30 juni 2003.

4. De rechtbank heeft zich in de tussenuitspraak nog niet uitgelaten over de terugvordering van de bijstandsuitkering.

5. Op grond van artikel 58, eerste lid, van de Participatiewet vordert het college van de gemeente die de bijstand heeft verleend, de kosten van bijstand terug voor zover de bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is ontvangen als gevolg van het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid.

Op grond van artikel 58, achtste lid, van de Participatiewet kan het college besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien, indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn.

6. De rechtbank heeft in de tussenuitspraak overwogen dat de intrekking van de bijstand van eisers over de periode van 8 februari 2006 tot en met 9 december 2007, en over de periode van 25 november 2008 tot en met 17 september 2014, op goede gronden is geschied. Hieruit volgt dat eisers in die periodes ten onrechte bijstand hebben ontvangen. Het college was dan ook gehouden de kosten van bijstand over genoemde periodes van eisers terug te vorderen.

7. Eisers hebben aangevoerd dat het terugvorderingsbedrag niet in verhouding staat tot de overschrijding van de vermogensgrens.

De rechtbank overweegt dat er in dit geval sprake is van een aanmerkelijke overschrijding van het vrij te laten vermogen. Het aannemen van onevenredigheid tussen de terugvordering en het daarmee beoogde doel ligt in dat geval minder voor de hand. Bovendien hebben eisers niet aannemelijk gemaakt dat zij in (een gedeelte van) de hiervoor genoemde periodes wel recht op bijstand hadden gehad, indien zij het college wel op de hoogte hadden gesteld van het bezit van onroerend goed. Het college behoefde naar het oordeel van de rechtbank ten aanzien van de hiervoor genoemde periode dan ook niet van (een deel van) de terugvordering af te zien vanwege een onevenredigheid als hiervoor bedoeld.

8. Nu de intrekking van de bijstandsuitkering over de periode van 27 mei 2003 tot en met 30 juni 2003 geen stand houdt, houdt de terugvordering van de uitkering over die periode evenmin stand. Het bestreden besluit komt ook op dit punt voor vernietiging in aanmerking.

9. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, komt de rechtbank tot het volgende oordeel. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit voor zover dit betrekking heeft op de intrekking en terugvordering van de bijstandsuitkering over de periode van 27 mei 2003 tot en met 30 juni 2003, wegens strijd met het motiveringsbeginsel. Nu aan het primaire besluit wat betreft deze periode hetzelfde gebrek kleeft, ziet de rechtbank aanleiding om het primaire besluit te herroepen, voor zover dit ziet op de intrekking en terugvordering van de bijstandsuitkering over de periode van 27 mei 2003 tot en met 30 juni 2003.

De intrekking en terugvordering van de bijstandsuitkering over de periode van 8 februari 2006 tot en met 9 december 2007, en over de periode van 25 november 2008 tot en met 17 september 2014 kan de rechterlijke toets wel doorstaan.

De rechtbank ziet aanleiding om zelf in de zaak te voorzien, door het terugvorderingsbedrag vast te stellen op € 153.641,45. Dit is het bedrag dat eisers ten onrechte hebben ontvangen in de periode van 8 februari 2006 tot en met 9 december 2007, en de periode van 25 november 2008 tot en met 17 september 2014.

10. Nu het beroep gegrond wordt verklaard, dient het griffierecht aan eisers te worden vergoed.

11. De rechtbank zal het college veroordelen in de door eisers gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.984,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, 1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift en 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting, met een waarde per punt van € 496, en wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit, voor zover dit betrekking heeft op de intrekking en terugvordering van de bijstandsuitkering over de periode van 27 mei 2003 tot en met 30 juni 2003;

  • -

    herroept het primaire besluit, voor zover dit betrekking heeft op de intrekking en terugvordering van de bijstandsuitkering over de periode van 27 mei 2003 tot en met 30 juni 2003;

  • -

    stelt het terugvorderingsbedrag vast op € 153.641,45;

  • -

    bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het bestreden besluit;

  • -

    laat het bestreden besluit voor het overige in stand;

  • -

    draagt het college op het betaalde griffierecht van € 45,- aan eisers te vergoeden;

  • -

    veroordeelt het college in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 1.984,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.Z.B. Sterk, rechter, in aanwezigheid van E.C. Petrusma, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 7 juni 2016.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak en de tussenuitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.