Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2016:3551

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
03-06-2016
Datum publicatie
10-08-2016
Zaaknummer
AWB 16_512
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Aanvraag uitkering Participatiewet buiten behandeling gesteld. Termijn van vier weken als bedoeld in artikel 4:5, vierde lid, is niet verstreken. Niet ophalen aangetekende brief komt voor risico aanvrager. Hij kon weten dat de brief die de behandelend ambtenaar hem per mail stuurde niet de brief was die hem per aangetekende post was gestuurd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 16/512 PW

uitspraak van 3 juni 2016 van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam eiser] , te [woonplaats eiser] , eiser,

gemachtigde: mr. J.A.H. Matthijssen,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Tilburg, verweerder.

Procesverloop

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 4 december 2015 (bestreden besluit) van het college inzake het niet in behandeling nemen van een aanvraag om een uitkering op grond van de Participatiewet en inzake de terugvordering van voorschotten.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden in Tilburg op 22 april 2016. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Het college is, met voorafgaand bericht, niet verschenen.

Overwegingen

1. Op grond van de stukken en de behandeling ter zitting gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Eiser heeft op 31 augustus 2015 een bijstandsuitkering aangevraagd. Op 2 september 2015 is hem een zogenoemde ‘checklist’ uitgereikt waarop is aangekruist welke bewijsstukken eiser diende mee te nemen. Bij brief van 28 september 2015 is eiser gevraagd de bewijsstukken mee te nemen naar een gesprek waarvoor hij is uitgenodigd op 19 oktober 2015.

Aan eiser zijn voorschotten toegekend.

Bij brief van 4 november 2015, die per aangetekende post is verzonden, heeft het college eiser gevraagd om enige nader omschreven bewijsstukken te verstrekken, uiterlijk op 18 november 2015. De brief van 4 november 2015 is twee maal aan eisers adres aangeboden terwijl hij niet thuis was. Eiser heeft de gevraagde bewijsstukken niet uiterlijk op 18 november 2015 ingeleverd.

Bij besluit van 20 november 2015 (primair besluit) heeft het college de aanvraag buiten behandeling gesteld en zijn de verleende voorschotten teruggevorderd.

Eisers bezwaar tegen het primaire besluit is bij het bestreden besluit ongegrond verklaard.

2. Eiser heeft in beroep aangevoerd dat de termijn om op de aanvraag te beslissen verstreek op 26 oktober 2015. Daarom kon de aanvraag niet meer buiten behandeling worden gesteld. Eiser heeft de benodigde stukken alsnog overgelegd en die dienen bij de beoordeling van de aanvraag te worden betrokken.

Subsidiair heeft eiser aangevoerd dat het niet aanleveren van de gevraagde stukken niet aan hem te wijten is. De brief van 4 november 2015 heeft hem niet bereikt en de behandelaar van de aanvraag heeft telefonisch laten weten dat hij de brief niet meer op het postkantoor hoefde op te halen. Het college heeft ten onrechte verondersteld dat de brief van 4 november 2015 per mail aan eiser is bekendgemaakt.

3. In artikel 4:5, eerste lid, aanhef en onderdeel c, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is bepaald dat het bestuursorgaan kan besluiten de aanvraag niet te behandelen, indien de verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag of voor de voorbereiding van de beschikking, mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad de aanvraag binnen een door het bestuursorgaan gestelde termijn aan te vullen.

In het vierde lid is bepaald dat een besluit om de aanvraag niet te behandelen aan de aanvrager wordt bekendgemaakt binnen vier weken nadat de aanvraag is aangevuld of nadat de daarvoor gestelde termijn ongebruikt is verstreken.

In artikel 4:13 van de Awb is bepaald dat een beschikking dient te worden gegeven binnen de bij wettelijk voorschrift bepaalde termijn of, bij het ontbreken van zulk een termijn, binnen een redelijke termijn na ontvangst van de aanvraag.
In het tweede lid is bepaald dat de in het eerste lid bedoelde redelijke termijn in ieder geval is verstreken wanneer het bestuursorgaan binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag geen beschikking heeft gegeven, noch een mededeling als bedoeld in artikel 4:14, derde lid, heeft gedaan.

In artikel 4:15, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de Awb is bepaald dat de termijn voor het geven van een beschikking wordt opgeschort met ingang van de dag na die waarop het bestuursorgaan de aanvrager krachtens artikel 4:5 uitnodigt de aanvraag aan te vullen, tot de dag waarop de aanvraag is aangevuld of de daarvoor gestelde termijn ongebruikt is verstreken.

4. Met betrekking tot de primaire beroepsgrond, dat het college niet meer bevoegd was om de aanvraag buiten behandeling te stellen, overweegt de rechtbank het volgende.

Naar aanleiding van eisers aanvraag van 31 augustus 2015 heeft het college eiser op 28 september 2015 uitgenodigd om op 19 oktober 2015 bewijsstukken in te leveren. Eiser is gewezen op de consequenties die aan het niet tijdig indienen van de aanvullende bewijsstukken verbonden kunnen zijn.

Het college heeft eiser op 4 november 2015 opnieuw gevraagd om aanvullende bewijsstukken in te leveren, thans uiterlijk op 18 november 2015. Eiser is in die brief opnieuw gewezen op de mogelijke consequenties van het niet tijdig indienen van de aanvullende bewijsstukken. Nadat de hersteltermijn ongebruikt verstreek heeft het college op 20 november 2015, dus binnen de termijn van vier weken als bedoeld in artikel 4:5, vierde lid, van de Awb, de aanvraag buiten behandeling gesteld.

5. De rechtbank volgt eiser niet in de opvatting dat op 20 november 2015 de beslistermijn was verstreken. Die termijn, die met het oog op artikel 4:13 van de Awb acht weken bedraagt, ving aan toen eiser op 31 augustus 2015 zijn aanvraag indiende en werd op 28 september 2015 en op 4 november 2015 voor de duur van drie, respectievelijk twee weken opgeschort.

Eisers verwijzing naar de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 12 juli 2006 treft geen doel omdat eiser er aan voorbijgaat dat de beslistermijn werd opgeschort door de brief van 28 september 2015.

6. Het college was dan ook bevoegd om te besluiten eisers aanvraag niet te behandelen.

7. Bij de beoordeling van de vraag of het college in redelijkheid van die bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken is van belang dat eiser meent dat hem geen verwijt treft omdat de brief van 4 november 2015 hem niet heeft bereikt. De brief is twee keer aan zijn adres aangeboden toen hij niet thuis was, en daarna heeft, volgens eiser, de behandelend ambtenaar hem in de veronderstelling gebracht dat hij de brief niet meer hoefde op te halen.

Eiser wist in ieder geval op 12 november 2015, door het telefoongesprek met de behandelend ambtenaar, dat op het postkantoor een brief op hem lag te wachten. Hij was dus in de gelegenheid om die brief vóór 18 november 2015 op te halen. Dat de behandelend ambtenaar eiser heeft gezegd dat hij de brief niet hoefde op te halen is door het college ontkend en door eiser niet aannemelijk gemaakt. Daarnaast is het eisers eigen verantwoordelijkheid of hij een aangetekend poststuk wel of niet ophaalt.

Naar het oordeel van de rechtbank moet voor eiser duidelijk zijn geweest dat de brief, die de behandelend ambtenaar hem op 12 november 2015 mailde, niet de brief was die twee keer aan zijn adres werd aangeboden en inmiddels op het postkantoor kon worden opgehaald.

In de eerste plaats omdat het mailbericht melding maakt van een ‘brief hersteltermijn’, terwijl de gemailde brief geen hersteltermijn bevatte.

In de tweede plaats omdat eiser wist dat de brief al twee keer aan zijn adres was aangeboden. De brief die hem op 12 november 2015 om 12.01 uur werd gemaild was een brief van 11 november 2015 en kon daarom niet de brief zijn die al twee keer aan zijn adres werd aangeboden.

Dat eiser niet tijdig kennis heeft genomen van de brief van 4 november 2015 komt voor zijn risico en vormt geen aanleiding voor het oordeel dat het college in redelijkheid niet gebruik kon maken van de bevoegdheid om de aanvraag niet de behandelen. Ook van andere redenen, die tot dat oordeel aanleiding geven, is de rechtbank niet gebleken.

8. Het beroep zal ongegrond worden verklaard.

9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. N.E.M. de Coninck, rechter, in aanwezigheid van mr. P. Oudkerk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 3 juni 2016.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.