Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2016:3342

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
24-05-2016
Datum publicatie
15-07-2016
Zaaknummer
BRE - 15 _ 6225
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Belanghebbende stelt dat zijn spreekuur als huisarts was uitgelopen en dat hij geen tijd had om een parkeerkaartje te kopen omdat hij te laat was voor een bespreking op het gemeentehuis. De rechtbank ziet niet in waarom dat een uitzondering op de verplichting tot betaling van parkeerbelasting zou rechtvaardigen. Ook een bordje in de auto dat hij visite liep, wat niet waar was, is geen argument om geen parkeerbelasting te betalen.

Wetsverwijzingen
Gemeentewet 225
Gemeentewet 234
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Belastingblad 2016/365
V-N Vandaag 2016/1645
V-N 2016/39.23.12
FutD 2016-1817
NTFR 2016/2160 met annotatie van Mr. R. van den Berg
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Belastingrecht, enkelvoudige kamer

Locatie: Breda

Zaaknummer BRE 15/6225

uitspraak van 24 mei 2016

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en artikel 27d van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) in het geding tussen

[belanghebbende] , wonende te [woonplaats],

belanghebbende,

en

de heffingsambtenaar van de [gemeente X],

de heffingsambtenaar.

De bestreden uitspraak op bezwaar

De uitspraak van de heffingsambtenaar van 13 augustus 2015 op het bezwaar van belanghebbende tegen de aan hem opgelegde naheffingsaanslag parkeerbelasting (aanslagnummer [aanslagnummer]).

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 mei 2016 te Middelburg.

Aldaar zijn verschenen en gehoord, belanghebbende, en namens de heffingsambtenaar,

[verweerder].

1 Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

2 Gronden

2.1.

Op 7 juli 2015 heeft belanghebbende zijn auto met kenteken [kenteken] geparkeerd aan de [adres] te [plaats X] op een plaats die bij gemeentelijke verordening is aangewezen als een plaats waar tegen betaling van parkeerbelasting geparkeerd mag worden.

2.2.

Door parkeercontroleurs is om 12:31 uur geconstateerd dat er geen parkeerbelasting was voldaan. Aan belanghebbende is een naheffingsaanslag opgelegd. Belanghebbende heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Dit bezwaar is ongegrond verklaard.

2.3.

Tussen partijen is in geschil of de naheffingsaanslag parkeerbelasting terecht is opgelegd. Niet in geschil is dat belanghebbende op de betreffende datum de personenauto zonder geldig betaalbewijs heeft geparkeerd op een parkeerplaats alwaar op het betreffende tijdstip parkeerbelasting was verschuldigd.

2.4.

Op grond van het bepaalde in artikel 225 en 234 van de Gemeentewet kan een gemeente een parkeerbelasting instellen. Krachtens de Verordening parkeerbelastingen [plaats X] 2015 (hierna: de Verordening) heeft de [gemeente X] een zodanige heffing ingesteld. In artikel 2, aanhef en eerste lid, van de Verordening is bepaald:

“Onder de naam ‘parkeerbelastingen’ worden de volgende belastingen geheven:

1.een belasting ter zake van het parkeren van een voertuig op een bij, dan wel krachtens deze verordening in de daarin aangewezen gevallen door het college van burgemeester en wethouders te bepalen plaats, tijdstip en wijze; (…)”.

De verschuldigde belasting wordt ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Verordening geheven van degene die het voertuig heeft geparkeerd.

2.5.

De bewijslast dat de naheffingsaanslag terecht is opgelegd rust op de heffingsambtenaar. Nu vaststaat dat belanghebbende zonder geldig betaalbewijs heeft geparkeerd op een parkeerplaats alwaar op het betreffende tijdstip parkeerbelasting was verschuldigd is de naheffingsaanslag in overeenstemming met de Verordening opgelegd.

2.6.

Belanghebbende stelt dat zijn spreekuur als huisarts was uitgelopen en dat hij geen tijd had om een parkeerkaartje te kopen omdat hij te laat was voor een bespreking op het gemeentehuis. De rechtbank ziet niet in waarom dat een uitzondering op de verplichting tot betaling van parkeerbelasting zou rechtvaardigen. Belanghebbende had een bordje in de auto dat hij visite liep maar dat was niet waar en dat is overigens evenmin een argument om geen parkeerbelasting te betalen.

2.7.

De wet biedt geen ruimte om op grond van redelijkheid en billijkheid heffing achterwege te laten. Als wordt geparkeerd op een plaats die is aangewezen als een plaats waar met parkeerbelasting mag worden geparkeerd, dan moet parkeerbelasting worden voldaan. Indien deze parkeerbelasting niet is voldaan dan wordt de verschuldigde parkeerbelasting nageheven.

2.8.

Voor zover belanghebbende met zijn stelling de redelijkheid van de wettelijke bepaling ter discussie stelt merkt de rechtbank het volgende op. De rechter dient, gelet op artikel 11 van de Wet van 15 mei 1829, houdende algemeene bepalingen der wetgeving van het Koningrijk (Stb 1822, 10 en Stb 1829, 28), volgens de wet recht te spreken en mag in geen geval de innerlijke waarde of billijkheid van de wet beoordelen. De wet - in dit geval de Gemeentewet – biedt de gemeente de mogelijkheid tot het heffen van parkeerbelasting zonder rekening te houden met de reden van parkeren en een reden voor het niet voldoen van parkeerbelasting. De Verordening is in overeenstemming met de wet en de inhoud daarvan staat dan niet ter beoordeling aan de rechter.

2.9.

Gelet op het vorenstaande is het beroep ongegrond verklaard.

2.10.

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Deze uitspraak is gedaan op 24 mei 2016 door mr. A.F.M.Q. Beukers-van Dooren, rechter, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van

mr. W.C.C. Koreman-de Bok, griffier.

De griffier, De rechter,

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583,

5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.

Voor burgers is het mogelijk hoger beroep digitaal in te stellen. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van de formulieren op Rechtspraak.nl / Digitaal loket bestuursrecht.