Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2016:3332

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
08-06-2016
Datum publicatie
08-06-2016
Zaaknummer
298769
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Onteigening Hertogin Hedwigepolder toegestaan. Rechtbank verwerpt de formele bezwaren van de onteigende die de dagvaarding van derden belanghebbenden betreffen. De voorafgaande beslissing van de Kroon wordt marginaal getoetst.

Onteigende doet beroep op zelfrealisatie waarbij de staat de kosten van de uit te voeren werken betaalt. Bijzondere situatie dat het een niet lucratief project betreft. Beroep op zelfrealisatie wordt verworpen omdat de staat belang heeft bij beheer van het totale ontpolderingsproject zonder afhankelijk te zijn van de medewerking van de eigenaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Handelsrecht


Middelburg

zaaknummer / rolnummer: C/02/298769 / HA ZA 15-299

Vonnis van 8 juni 2016

in de zaak van

de publiekrechtelijke rechtspersoon

DE STAAT DER NEDERLANDEN (MINISTERIE VAN ECONOMISCHE ZAKEN),

zetelend te 's-Gravenhage,

eiser,

advocaten mr. M. Rus-van der Velde en mr. M. Heerings te ’s-Gravenhage,

tegen

GÉRY JACQUES JOHN EDMOND LEOPOLD PROSPER DE CLOEDT,

wonende te Verbier, Zwitserland,

gedaagde,

advocaten mr. J.F. de Groot en mr. A. de Snoo te Amsterdam,

en

[interveniënt/pachter 4],

wonende te [woonplaats] ,

interveniënt,

advocaat mr. W.M. Bijloo te Middelharnis.

Partijen zullen hierna de Staat, De Cloedt en [interveniënt/pachter 4] worden genoemd.

1 De procedure

Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het vonnis in incident van 8 juli 2015
    - de brief van mr. Bijloo van 2 november 2015 met producties
    - de akte houdende overlegging producties van de zijde van de Staat
    - de pleitnota van de zijde van de Staat

  • -

    de pleitnota van de zijde van De Cloedt met producties
    - het verkort proces-verbaal van de zitting van 16 november 2015

  • -

    het e-mailbericht van mr. De Snoo van 7 december 2015

  • -

    het nader proces-verbaal van de zitting van 16 november 2015
    - de brief van mr. De Groot van 11 januari 2016

  • -

    de brief van de griffier van deze rechtbank van 15 januari 2016
    - de brief van de griffier van deze rechtbank van 15 april 2016
    - de brief van mr. Rus-van der Velde van 22 april 2016
    - de brief van mr. Bijloo van 25 april 2016
    - de brief van mr. Bijloo van 26 april 2016.
    2. De feiten
    2.1. Bij Koninklijk Besluit van 14 november 2014, nr. 2014002189, gepubliceerd in de Staatscourant van 12 december 2014, nummer 34042, is goedgevonden en verstaan dat ten behoeve van de uitvoering van het rijksinpassingsplan “Hertogin Hedwigepolder” (verder: het rijksinpassingsplan) ten algemene nutte en ten name van de Staat worden onteigend de in dat Koninklijk Besluit ter onteigening aangewezen onroerende zaken, aangeduid op de grondplantekeningen zoals die ter inzage hebben gelegen.
    2.2. Het rijksinpassingsplan voorziet in de realisatie van estuariene natuur in de Hertogin Hedwigepolder, gelegen in de gemeente Hulst in Zeeuws-Vlaanderen. Het rijksinpassingsplan is op 10 februari 2014 vastgesteld door de Staatssecretaris van Economische Zaken en de Minister van Infrastructuur en Milieu en is door de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 12 november 2014 onherroepelijk geworden.
    2.3. In voormeld Koninklijk Besluit zijn onder meer de volgende aan De Cloedt in eigendom toebehorende onroerende zaken ter onteigening aangewezen:
    - (grondplannummer 3) het gehele perceel, kadastraal bekend gemeente Hulst, sectie U, nummer 19, Terrein (natuur), ter grootte van 13.90.71 hectare,

  • -

    (grondplannummer 4) het gehele perceel, kadastraal bekend gemeente Hulst, sectie X, nummer 237, Terrein (natuur), ter grootte van 00.23.83 hectare,

- ( grondplannummer 8) het gehele perceel, kadastraal bekend gemeente Hulst, sectie X, nummer 197, Bedrijvigheid (industrie) erf-tuin, ter grootte van 20.77.40 hectare,
- (grondplannummer 11) het gehele perceel, kadastraal bekend gemeente Hulst, sectie X, nummer 199, Wonen terrein (akkerbouw), ter grootte van 38.68.85 hectare,
- (grondplannummer 12) het gehele perceel, kadastraal bekend gemeente Hulst, sectie X, nummer 179, Wegen, ter grootte van 01.82.85 hectare,
- (grondplannummer 14) het gehele perceel, kadastraal bekend gemeente Hulst, sectie X, nummer 195, Wonen, terrein, (akkerbouw), ter grootte van 37.50.90 hectare,
- (grondplannummer 15) het gehele perceel, kadastraal bekend gemeente Hulst, sectie X, nummer 181, Terrein (akkerbouw), ter grootte van 25.36.50 hectare,
- (grondplannummer 18) het gehele perceel, kadastraal bekend gemeente Hulst, sectie X, nummer 233, Bedrijvigheid (nutsvoorziening), ter grootte van 00.00.14 hectare,
- (grondplannummer 20) het gehele perceel, kadastraal bekend gemeente Hulst, sectie X, nummer 182, Wegen, ter grootte van 00.72.25 hectare,
- (grondplannummer 21) het gehele perceel, kadastraal bekend gemeente Hulst, sectie X, nummer 204, Terrein (akkerbouw), ter grootte van 23.71.75 hectare,
- (grondplannummer 23) het gehele perceel, kadastraal bekend gemeente Hulst, sectie X, nummer 232, Wegen, ter grootte van 02.05.36 hectare,
- (grondplannummer 24) het gehele perceel, kadastraal bekend gemeente Hulst, sectie X, nummer 208, Terrein (akkerbouw), ter grootte van 29.19.35 hectare,
- (grondplannummer 25) het gehele perceel, kadastraal bekend gemeente Hulst, sectie X, nummer 184, Wegen, ter grootte van 00.71.15 hectare,
- (grondplannummer 26) het gehele perceel, kadastraal bekend gemeente Hulst, sectie X, nummer 202, Terrein (akkerbouw), ter grootte van 27.29.30 hectare,
- (grondplannummer 30) het gehele perceel, kadastraal bekend gemeente Hulst, sectie X, nummer 207, Terrein (akkerbouw), ter grootte van 53.67.75 hectare,
- (grondplannummer 31) het gehele perceel, kadastraal bekend gemeente Hulst, sectie X, nummer 200, Terrein (akkerbouw), ter grootte van 23.44.80 hectare,
- (grondplannummer 32) het gehele perceel, kadastraal bekend gemeente Hulst, sectie X, nummer 189, Wonen terrein (akkerbouw), ter grootte van 00.82.30 hectare,
- (grondplannummer 33) het gehele perceel, kadastraal bekend gemeente Hulst, sectie X, nummer 190, Wonen erf-tuin, ter grootte van 00.16.70 hectare,
- (grondplannummer 37) het gehele perceel, kadastraal bekend gemeente Hulst, sectie X nummer 2, Bouwwerken-waterwerken, ter grootte van 04.99.00 hectare.

2.4.

De bovengenoemde onroerende zaken betreffen voornamelijk agrarische onroerende zaken in het landelijk gebied. De overige bovengenoemde onroerende zaken betreffen een dijkperceel, een aantal bebouwde percelen, bestaande uit percelen met (bedrijfs-)woningen, bedrijfsgebouwen en erven, natuur c.q. bosgebied, wegen en nutsvoorzieningen.
De meeste van de agrarische onroerende zaken en het dijkperceel zijn door De Cloedt verpacht. De Staat heeft met de in de dagvaarding met name genoemde pachters voorafgaand aan deze procedure overeenstemming bereikt over de aan hen toekomende schadeloosstelling in verband met de onteigening.
Bij brief van 22 april 2016 heeft mr. Rus-van der Velde namens de Staat aan de rechtbank meegedeeld dat met [pachter 1] en met [pachter 2] inmiddels - na het uitbrengen van de dagvaarding - eveneens overeenstemming is bereikt. Er is geen (volledige) overeenstemming bereikt met [pachter 3] en [interveniënt/pachter 4] .
2.5. [pachter 3] is pachter van de percelen gemeente Hulst, sectie X, nummer 202 gedeeltelijk ter grootte van 02.58.12 ha (grondplannummer 26) en sectie X, nummer 200 gedeeltelijk ter grootte van 02.00.00 ha, (grondplannummer 31). [interveniënt/pachter 4] stelt dat hij onderpachter is van voornoemde percelen.
[interveniënt/pachter 4] is voorts pachter van de percelen gemeente Hulst, sectie X, nummer 202 gedeeltelijk ter grootte van 05.50.00 ha (grondplannummer 26) en sectie X, nummer 200 gedeeltelijk ter grootte van 03.06.33 ha (grondplannummer 31).
2.6. De bebouwde percelen betreffen de adressen Engelbertstraat 1, Engelbertstraat 3, Engelbertstraat 5, Engelbertstraat 2 en Lignestraat ongenummerd. De onroerende zaken aan de Engelbertstraat 1 (sectie X, 189) en Engelbertstraat 3 (sectie X, 190) zijn belast met een zakelijk recht van opstal. Engelbertstraat 1 staat leeg, Engelbertstraat 3 is verhuurd door de opstalrechthouder. De Staat heeft met de eigenaressen van voornoemde opstalrechten en de huurder overeenstemming bereikt over de hen toekomende schadeloosstelling in het kader van beëindiging van het recht van opstal en beëindiging van de huurovereenkomst.

2.7.

Het perceel kadastraal bekend gemeente Hulst, sectie X, nummer 233 (grondplannummer 18) is belast met een opstalrecht ten name van Delta Netwerkbedrijf B.V., gevestigd te Goes. De Staat heeft met Delta Netwerk B.V. overeenstemming bereikt over de aan haar toekomende schadevergoeding in het kader van de beëindiging van het opstalrecht.

2.8.

De percelen kadastraal bekend gemeente Hulst, sectie X nummer 179 (grondplannummer 12), sectie X nummer 232 (grondplannummer 23), sectie X nummer 200 (grondplannummer 31) en sectie X nummer 2 (grondplannummer 37) zijn belast met een zakelijk recht als bedoeld in artikel 5, lid 3, onder b van de Belemmeringenwet privaatrecht ten name van Evides N.V., gevestigd te Rotterdam. De Staat heeft met Evides N.V. overeenstemming bereikt over de beëindiging van bovengenoemd zakelijk recht.

2.9.

De onroerende zaken, met uitzondering van die met grondplannummers 3, 4, 8 en 23 zijn belast met een hypotheek ten gunste van de naamloze vennootschap ABN AMRO Bank N.V.

2.10.

Op 26 mei 2015 heeft een vervroegde plaatsopneming plaatsgevonden. Deze plaatsopneming is voortgezet op 28 september 2015.

2.11.

De dagvaarding, betekend op 23 april 2015, is op 16 juni 2015 overbetekend aan ABN AMRO NV. ABN AMRO N.V. heeft bij brief van 27 augustus 2015 aan de Staat meegedeeld dat zij geen gebruik zal maken van haar bevoegdheid om zich als belanghebbende te voegen in onderhavige onteigeningsprocedure.

3
3. De vordering

3.1.

De Staat vordert dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. bij vervroeging zal uitspreken, ingevolge artikel 78 Onteigeningswet (Ow), ter uitvoering van het rijksinpassingsplan, ter realisatie van estuariene natuur in de Hertogin Hedwigepolder, de onteigening ten name van de Staat en ten algemene nutte van de onroerende zaken, zoals hiervoor onder 2.3. genoemd en aangeduid op de bij akte overlegging producties van 13 mei 2015 als productie 1 overgelegde kaartweergave;

II. met betrekking tot De Cloedt:
indien De Cloedt het aanbod aanvaardt:
a. de schadeloosstelling voor De Cloedt zal vaststellen op € 14.778.425,-- voor alle schaden en kosten hoe dan ook genaamd, doch exclusief de kosten van deskundige bijstand en eventuele belastingschade als rechtstreeks en noodzakelijk gevolg van de onteigening;
indien De Cloedt het aanbod niet aanvaardt:
b. het voorschot op de schadeloosstelling voor De Cloedt zal bepalen op 90% van het aangeboden bedrag, derhalve op (afgerond) € 13.300.582,--;
c. zal bepalen dat geen zekerheid voor de voldoening van de schadeloosstelling nodig is, tenzij deze expliciet wordt verlangd en in dat laatste geval zal bepalen dat de Staat zekerheid mag stellen door 100% van het aangeboden bedrag als voorschot te betalen;
en voorts:
d. zal bepalen dat het in de procedure met rekestnummer C/02/294690/ HA RK 15-30 uit te brengen voorlopig oordeel heeft te gelden als conceptdeskundigenrapport in onderhavige procedure, en
e. ingevolge artikel 54j lid 2 Ow, de datum voor nederlegging van het (concept)deskundigenrapport zal vaststellen;

III. met betrekking tot [pachter 1] :
indien [pachter 1] het aanbod aanvaardt:
a. de schadeloosstelling voor [pachter 1] zal vaststellen op € 542.491,-- voor alle schaden en kosten hoe dan ook genaamd, doch exclusief de kosten van deskundige bijstand en eventuele belastingschade als rechtstreeks en noodzakelijk gevolg van de onteigening;
indien [pachter 1] het aanbod niet aanvaardt:
b. het voorschot op de schadeloosstelling voor [pachter 1] zal bepalen op 90% van het aangeboden bedrag, derhalve op (afgerond) € 488.242,--;
c. zal bepalen dat geen zekerheid voor de voldoening van de schadeloosstelling nodig is, tenzij deze expliciet wordt verlangd en in dat laatste geval zal bepalen dat de Staat zekerheid mag stellen door 100% van het aangeboden bedrag als voorschot te betalen;
en voorts:
d. zal bepalen dat het in de procedure met rekestnummer C/02/294690/ HA RK 15-30 uit te brengen voorlopig oordeel heeft te gelden als conceptdeskundigenrapport in onderhavige procedure, en
e. ingevolge artikel 54j lid 2 Ow, de datum voor nederlegging van het (concept)deskundigenrapport zal vaststellen;

IV. met betrekking tot [pachter 2] :
indien [pachter 2] het aanbod aanvaardt:
a. de schadeloosstelling voor [pachter 2] zal vaststellen op € 506.079,-- voor alle schaden en kosten hoe dan ook genaamd als gevolg van de beëindiging van het recht van opstal op het perceel aan de Engelbertstraat 1 en de pachtovereenkomst voor de percelen Hulst, sectie X, nr. 199 en nr. 200, doch exclusief de kosten van deskundige bijstand en eventuele belastingschade als rechtstreeks en noodzakelijk gevolg van de onteigening;
indien [pachter 2] het aanbod niet aanvaardt:
b. het voorschot op de schadeloosstelling voor [pachter 2] zal bepalen op 90% van het aangeboden bedrag, derhalve op (afgerond) € 455.471,--;
c. zal bepalen dat geen zekerheid voor de voldoening van de schadeloosstelling nodig is, tenzij deze expliciet wordt verlangd en in dat laatste geval zal bepalen dat de Staat zekerheid mag stellen door 100% van het aangeboden bedrag als voorschot te betalen;
en voorts:
d. zal bepalen dat het in de procedure met rekestnummer C/02/294690/ HA RK 15-30 uit te brengen voorlopig oordeel heeft te gelden als conceptdeskundigenrapport in onderhavige procedure, en
e. ingevolge artikel 54j lid 2 Ow, de datum voor nederlegging van het (concept)deskundigenrapport zal vaststellen;

V. met betrekking tot [pachter 3] :
indien [pachter 3] het aanbod aanvaardt:
a. de schadeloosstelling voor [pachter 3] , ervan uitgaande dat hij regulier pachter is en zijn gronden niet onderverpacht, zal vaststellen op € 33.935,-- voor alle schaden en kosten hoe dan ook genaamd, doch exclusief de kosten van deskundige bijstand en eventuele belastingschade als rechtstreeks en noodzakelijk gevolg van de onteigening;
indien [pachter 3] het aanbod niet aanvaardt:
b. het voorschot op de schadeloosstelling voor [pachter 3] zal bepalen op 90% van het aangeboden bedrag, derhalve op (afgerond) € 30.542,--;
c. zal bepalen dat geen zekerheid voor de voldoening van de schadeloosstelling nodig is, tenzij deze expliciet wordt verlangd en in dat laatste geval zal bepalen dat de Staat zekerheid mag stellen door 100% van het aangeboden bedrag als voorschot te betalen;
en voorts:
d. zal bepalen dat het in de procedure met rekestnummer C/02/294690/ HA RK 15-30 uit te brengen voorlopig oordeel heeft te gelden als conceptdeskundigenrapport in onderhavige procedure, en
e. ingevolge artikel 54j lid 2 Ow, de datum voor nederlegging van het (concept)deskundigenrapport zal vaststellen;

VI. met betrekking tot [interveniënt/pachter 4] :
indien [interveniënt/pachter 4] het aanbod aanvaardt:
a. de schadeloosstelling voor [interveniënt/pachter 4] zal vaststellen op € 329.356,-- voor alle schaden en kosten hoe dan ook genaamd, doch exclusief de kosten van deskundige bijstand en eventuele belastingschade als rechtstreeks en noodzakelijk gevolg van de onteigening;
indien [interveniënt/pachter 4] het aanbod niet aanvaardt:
b. het voorschot op de schadeloosstelling voor [interveniënt/pachter 4] zal bepalen op 90% van het aangeboden bedrag, derhalve op (afgerond) € 296.420,--;
c. zal bepalen dat geen zekerheid voor de voldoening van de schadeloosstelling nodig is, tenzij deze expliciet wordt verlangd en in dat laatste geval zal bepalen dat de Staat zekerheid mag stellen door 100% van het aangeboden bedrag als voorschot te betalen;
en voorts:
d. zal bepalen dat het in de procedure met rekestnummer C/02/294690/ HA RK 15-30 uit te brengen voorlopig oordeel heeft te gelden als conceptdeskundigenrapport in onderhavige procedure, en
e. ingevolge artikel 54j lid 2 Ow, de datum voor nederlegging van het (concept)deskundigenrapport zal vaststellen;

VII. alles kosten rechtens.

3.2.

De Staat heeft tegen de achtergrond van de vaststaande feiten het volgende aangevoerd.
De Staat heeft getracht om met De Cloedt in der minne tot overeenstemming te komen over de overdracht van de ter onteigening aangewezen onroerende zaken. De Staat heeft aan De Cloedt ter zake van schadeloosstelling laatstelijk een bedrag van € 14.778.424,30 aangeboden, dat door De Cloedt niet is aanvaard. De Staat handhaaft dit aanbod.

4
4. Het verweer en de reactie van de Staat
4.1. De Cloedt concludeert
primair: tot nietigverklaring van de dagvaarding en/althans met bepaling dat de descente van 26 mei 2015 niet geldt als plaatsopneming in de zin van artikel 54a e.v. Ow;
subsidiair: tot niet-ontvankelijkverklaring van de Staat in diens vorderingen;
meer subsidiair: tot ontzegging van de vorderingen van de Staat;
nog meer subsidiair: tot bevel aan de Staat met toepassing van artikel 22 Rv de stukken als bedoeld in het incident ex artikel 843a Rv in dit geding over te leggen, met bepaling dat De Cloedt na ontvangst van deze stukken in de gelegenheid wordt gesteld diens verweer in de hoofdzaak zo nodig te wijzigen of aan te vullen;
meest subsidiair: tot toewijzing van de vordering van de Staat met bepaling van het voorschot op de schadeloosstelling op 100% van het in de dagvaarding gedane aanbod, en met bepaling van het voorschot op de vergoeding van preprocessuele kosten van juridische en andere deskundige bijstand op € 50.000,-- (excl. btw), althans een ander door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag, alles met veroordeling van de Staat in de preprocessuele en processuele kosten, te vermeerderden met de nakosten.
De Cloedt voert hiertoe het volgende aan.

4.2.

De Cloedt beroept zich op nietigheid van de dagvaarding, althans niet- ontvankelijkheid van de Staat in zijn vordering, wegens het verzuim de hypotheekhoudster in dit geding te betrekken. De Cloedt stelt dat in de dagvaarding niet is vermeld dat op (een deel van) de te onteigenen gronden een recht van hypotheek ten name van ABM AMRO NV rust en dat de Staat de dagvaarding - in strijd met het bepaalde in artikel 18 lid 4 juncto lid 6 juncto lid 8 Ow - niet binnen een week na het uitbrengen van de dagvaarding heeft betekend aan hypotheekhoudster ABN AMRO NV, onder mededeling van de mogelijkheid van tussenkomst.
Daarnaast is ABN AMRO NV, nu zij evenmin in het verzoekschrift tot vervroegde plaatsopneming als hypotheekhoudster is vermeld, niet opgeroepen voor de descente van 26 mei 2015. De hypotheekhoudster heeft ook niet via de publicatie in de krant kennis kunnen nemen van de descente, omdat deze descente niet, althans niet correct, is aangekondigd.
Dit heeft volgens De Cloedt tot gevolg dat de rechtbank - alsnog - dient te verklaren dat de descente van 26 mei 2015 niet kan gelden als formele plaatsopneming in de zin van artikel 54a e.v. Ow, op basis waarvan een proces-verbaal kan worden opgemaakt waarmee een eventueel onteigeningsvonnis in de openbare registers zou kunnen worden ingeschreven. Voorts kan het uit te brengen (concept)deskundigenrapport niet gelden als (concept)rapport in onderhavige procedure.

4.2.1.

De Staat stelt dat het niet tijdig overbetekenen van de dagvaarding aan ABN AMRO niet tot nietigheid van de dagvaarding of niet-ontvankelijkheid van de Staat leidt.
De Cloedt kan geen beroep doen op artikel 18 lid 4 Ow.
Het niet tijdig overbetekenen van de dagvaarding heeft volgens de Staat voorts niet tot gevolg dat de vervroegde descente niet kan gelden als formele plaatsopneming als bedoeld in artikel 54a e.v. Ow en evenmin dat het uit te brengen deskundigenrapport niet kan gelden als deskundigenrapport in deze procedure.

4.3.

De Cloedt voert inhoudelijk als verweer dat de planologische grondslag voor de gevorderde onteigening in strijd is met het recht.
Hij stelt dat zowel in de verplichte zienswijzeprocedure voor het rijksinpassingsplan als in de daaropvolgende beroepsprocedure geen sprake is geweest van “equality of arms”, gelet op de korte termijn van zes weken voor het indienen van de gemotiveerde zienswijze en, als gevolg van de toepasselijkheid van de Crisis- en herstelwet, de eveneens korte periode van zes weken waarbinnen een volledig gemotiveerd beroepschrift moest worden ingediend en niet kon worden volstaan met een pro forma beroep op nader aan te voeren gronden, in relatie tot de omvang van het (ontwerp) rijksinpassingsplan met bijbehorend technisch en specialistisch pakket aan stukken, in een periode waarin eveneens de administratieve onteigeningsprocedure door de Staat werd gestart. De Cloedt is hierdoor niet genoegzaam in de gelegenheid gesteld zich te verweren tegen de planologische grondslag die de basis is voor de onderhavige vordering tot onteigening. De Cloedt heeft deze schending van de Europeesrechtelijke rechtsbeginselen inmiddels voorgelegd aan het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM).
De Cloedt stelt dat het voorgaande door de onteigeningsrechter zelfstandig in het kader van de beoordeling van het onteigeningsverweer moet worden beoordeeld, en dat deze zelfstandige beoordeling niet kan en mag afstuiten op het leerstuk van de formele rechtskracht van het besluit tot vaststelling van het rijksinpassingsplan, te meer niet nu de Afdeling bestuursrechtspraak in ieder geval niet in deze aangelegenheid als volledig onafhankelijk kan worden beschouwd.
De Cloedt verzoekt de rechtbank voorts te overwegen prejudiciële vragen te stellen aan de bevoegde Europese rechter.

4.3.1.

De Staat stelt dat de Afdeling bestuursrechtspraak als hoogste bestuursrechter heeft geoordeeld over het rijksinpassingsplan. De tegen dat plan ingeroepen bezwaren van onder andere De Cloedt zijn verworpen. De planologische grondslag staat daarmee vast en de onteigeningsrechter moet daarvan uitgaan. In die procedure zijn geen fundamentele rechtsbeginselen geschonden en er is geen aanleiding in deze procedure de onteigeningstitel ten volle te toetsen.

4.4.

De Cloedt voert voorts als verweer dat het Koninklijk Besluit (KB) strekkende tot onteigening onrechtmatig is, zowel wat betreft de inhoud als wat betreft de wijze van totstandkoming. De Cloedt stelt hiertoe het volgende.
* Aan de gevolgde administratieve procedure kleven essentiële gebreken.
* Aan de door de regering gestelde voorwaarden om tot onteigening over te gaan is niet voldaan.
* Het KB is onrechtmatig, omdat de uniforme openbare voorbereidingsprocedure van afdeling 3.4 Awb niet correct is toegepast, althans aan (andere) algemene beginselen van behoorlijk bestuur, zoals het formele en materiële zorgvuldigheidsbeginsel en het verbod van vooringenomenheid is niet voldaan.
* Het KB is onrechtmatig, omdat het zelfrealisatieverweer onjuist is beoordeeld.
* Het publiek belang en de noodzaak voor verwerving van perceel U19 ontbreken.
Hij licht zijn stellingen toe als volgt.

Essentiële gebreken aan de gevolgde administratieve procedure
4.4.1. Volgens De Cloedt kleven aan de gevolgde administratieve procedure de navolgende essentiële gebreken, die maken dat het KB onrechtmatig is, althans dat de gevorderde onteigening niet op het - aldus tot stand gekomen - KB kan worden gebaseerd.
a. De Cloedt betwist dat het verzoekbesluit van de Staatssecretaris met de vereiste zorgvuldigheid, na een adequate belangenafweging en zonder vooringenomenheid (artikelen 2:4 lid 1 Awb, 3:2 Awb en 3:4 lid 1 Awb) is genomen. Uit het verzoekbesluit blijkt niet dat de Staatssecretaris bij het nemen van dat besluit rekening heeft gehouden met het beroep van De Cloedt op zelfrealisatie.

b. De Cloedt betwist dat de Staatssecretaris bij toezending van het verzoekbesluit aan de Kroon, de Kroon volledig en accuraat heeft ingelicht over het standpunt van De Cloedt in de minnelijke fase tot dan toe. De Staat heeft het zelfrealisatieverweer in deze fase geheel voor de Kroon verzwegen. De Kroon heeft zijn ontwerpbesluit mitsdien genomen op basis van een incompleet dossier.
c. De Cloedt betwist dat de Kroon het ontwerpbesluit met de vereiste zorgvuldigheid, na een adequate belangenafweging en zonder vooringenomenheid (artikelen 2:4 lid 1 Awb, 3:2 Awb en 3:4 lid 1 Awb) heeft voorbereid, nu dat in vier werkdagen na ontvangst van het verzoekbesluit is opgesteld en verzonden. Uit de tekst van het KB blijkt dat het ontwerpbesluit al werd gemaakt en zelfs klaarlag, voordat het verzoekbesluit werd genomen.
d. De Cloedt stelt dat de Kroon bij de voorbereiding van het ontwerpbesluit c.q. van het KB essentiële beginselen van hoor en wederhoor en daarmee artikel 6 EVRM en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur heeft geschonden, in het bijzonder het materiële en formele zorgvuldigheidsbeginsel, het vereiste van een adequate belangenafweging en het verbod op vooringenomenheid door - buiten het gezichtsveld van De Cloedt - alleen de Staat in de gelegenheid te stellen vragen te beantwoorden.
e. De Cloedt betwist bij gebrek aan wetenschap dat de Kroon de Raad van State volledig en accuraat heeft ingelicht over het standpunt van De Cloedt in de minnelijke fase tot dan toe. De Cloedt betwist om die reden dat de Raad van State op de juiste wijze van zijn wettelijke gehoudenheid om de Kroon te adviseren gebruik heeft gemaakt. De Raad van State heeft een zogenaamd blanco-advies gegeven. De advisering door de Raad van State zonder dat deze beschikt over het volledige dossier is niet in overeenstemming met de Onteigeningswet, de Algemene wet bestuursrecht en de Wet op de Raad van State.
De Cloedt betwist bovendien dat sprake is geweest van een onafhankelijke en onpartijdige advisering door de Raad van State.

Niet voldaan aan door de regering gestelde voorwaarden om tot onteigening over te gaan
4.4.2. De Cloedt stelt dat niet aan de door de regering gestelde voorwaarden voor onteigening is voldaan. In de interpretatieve verklaring met betrekking tot het Verdrag betreffende de Ontwikkelingsschets 2010 is opgenomen dat er geen landbouwgronden ten behoeve van de verwezenlijking van de natuurmaatregelen in onder meer de Hedwigepolder mogen worden onteigend, voordat overleg tussen de Nederlandse Regering en de Tweede Kamer heeft plaatsgevonden op basis van een met redenen omklede regeringsnota. De bedoelde regeringsnota is niet tot stand gekomen. De Kroon heeft geoordeeld dat het standpunt van de regering is gewijzigd en dat niet is gebleken dat de Kamer zich hier tegen heeft gekeerd of te kennen heeft gegeven met de Staatssecretaris in debat te willen gaan. Het is echter niet aan de Kroon om te oordelen dat de Kamer afziet van de gemaakte afspraak. Met het regeringsstandpunt is ook c.q. juist ten behoeve van de direct belanghebbenden een waarborg geschapen tegen lichtvaardige inzet van het middel van onteigening.
De Kroon had een bevoegdheidsgebrek ten aanzien van het voorgelegde verzoekbesluit moeten constateren, althans had moeten constateren dat de Staatssecretaris met het nemen en indienen van het verzoekbesluit gerechtvaardigde verwachtingen van De Cloedt heeft geschonden. Voor zover het KB uitgaat van een ander standpunt is dit onrechtmatig.

Onjuiste toepassing van afdeling 3.4 Awb

4.4.3.

De Cloedt stelt dat sprake is van een onjuiste toepassing van afdeling 3.4 Awb.
De Cloedt heeft, in reactie op de bieding bij brief van 18 februari 2014, in zijn brief van 20 maart 2014 een zo uitgewerkt mogelijk zelfrealisatievoorstel geformuleerd. Reeds vier dagen later, op 25 maart 2014, heeft de Staatssecretaris het verzoekbesluit genomen. Daarin wordt het beroep op zelfrealisatie in het geheel niet vermeld. Op 1 april 2014 is het “ontwerpbesluit tot onteigening” ter inzage gelegd. Dit is slechts het standaardmodel van een dergelijk besluit, waarin nog allerlei zaken moeten worden ingevuld. Het gaat niet in op de specifieke omstandigheden van het geval. Het beroep op zelfrealisatie wordt daarin niet vermeld, laat staan weerlegd. Hieruit volgt dat het verzoekbesluit (kennelijk) reeds gereed lag, en onmiddellijk na ontvangst van de reactie van De Cloedt in procedure zou worden gebracht, (kennelijk) ongeacht hetgeen De Cloedt in reactie op de brief van 18 februari 2014 naar voren zou brengen, terwijl de Staat wist dat De Cloedt de noodzaak tot onteigening zou bestrijden. Gelet op het voorgaande, betwist De Cloedt dat de Staatssecretaris kennis heeft genomen van de brief van De Cloedt van 20 maart 2014. Deze handelwijze is onzorgvuldig.
De procedure in onderhavige zaak wekt zowel procedureel als formeel de indruk volledig “voorgekookt” te zijn. Dit is niet alleen formeel en materieel onzorgvuldig en in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, maar ook is sprake van een zodanige schijn van vooringenomenheid dat strijd ontstaat met de rechtstatelijke principes, waaronder het beginsel van fair play en het recht op een eerlijk proces (art. 6 EVRM).
Bovendien is deze handelwijze strijdig met de tekst en bedoeling van de uniforme openbare voorbereidingsprocedure van artikel 3:11 Awb. Zoals De Cloedt reeds in de zienswijze aan de Kroon heeft aangevoerd, heeft de Kroon geen voldoende concreet, althans geen voldoende deugdelijk gemotiveerd, ontwerpbesluit ter inzage gelegd. De Kroon heeft niettemin het KB geslagen. Hetgeen de Kroon in reactie op dit onderdeel van de zienswijze aanvoert rechtvaardigt die handelwijze niet.

Onjuiste beoordeling zelfrealisatieverweer
4.4.4. De Cloedt stelt dat sprake is van een onjuiste beoordeling van het zelfrealisatieverweer door de Kroon. De Kroon heeft het beroep van De Cloedt op zelfrealisatie op grond van de volgende redenen niet gehonoreerd:
a. het beroep is niet onvoorwaardelijk
b. er is geen concreet plan
c. De Cloedt is niet bereid op eigen kosten zelf te realiseren
d. De Cloedt beschikt niet over alle gronden die nodig zijn om het project te realiseren en te kunnen laten functioneren
e. een deel van de uit te voeren werkzaamheden betreft de aanleg van infrastructuur, waaronder een primaire waterkering. Uit oogpunt van doelmatige aanleg en doelmatig beheer is het gewenst dat de overheid die gronden in eigendom verkrijgt.

a. De Cloedt betwist dat er geen sprake is van een zuiver en onvoorwaardelijk beroep op zelfrealisatie. Het beroep van De Cloedt op zelfrealisatie was glashelder en zuiver: als het rijksinpassingsplan onherroepelijk zou worden, zou De Cloedt de alsdan vaststaande bestemmingen op diens gronden conform dat plan en bijbehorende uitvoeringsbesluiten realiseren. Volgens De Cloedt kan het niet aan hem worden tegengeworpen dat het beroep op zelfrealisatie is gedaan onder de voorwaarde dat het rijksinpassingsplan onherroepelijk is. Hij stelt, onder verwijzing naar het KB van 23 april 2015 (stcrt. 2015 nr. 12855 d.d. 21 mei 2015 Echt-Susteren) dat de Kroon zich heeft bediend van gelegenheidsargumentatie.
b. De Cloedt stelt dat de overweging van de Kroon dat een concreet plan tot zelfrealisatie ontbreekt en dat de samenwerkings- en vaststellingsovereenkomst nog niet als zodanig kan worden aangemerkt onbegrijpelijk en rechtens onjuist is. Het bestaan van een concreet zelfrealisatieplan is noch in het Kroonbeleid, noch in de jurisprudentie van de onteigeningsrechter een vastomlijnd begrip.
Nu De Cloedt heeft verklaard het plan volledig conform de openbare stukken te zullen uitvoeren, in het concept van de Samenwerkings- en vaststellingsovereenkomst (zelfrealisatie-overeenkomst) een voorstel omtrent de verdere voorwaarden heeft neergelegd, zich bereid heeft verklaard om deze overeenkomst zodanig aan te passen dat beide partijen zich daarin zouden kunnen vinden, en de Staat bij herhaling heeft uitgenodigd voor overleg hierover, doch bij de Staat geen gehoor heeft getroffen om daarover in overleg te treden, is er rechtens geen reden om het beroep op zelfrealisatie niet te honoreren. Bij de Staat is louter sprake (geweest) van onwil om over zelfrealisatie te praten. In het kader van het criterium van onteigening als ultimum remedium had de Staat meer moeite moeten doen om de mogelijkheid van zelfrealisatie te onderzoeken. De Kroon maakt ook hier gebruik van een gelegenheidsargument. In het KB Echt-Susteren (dat van latere datum is dan het KB Hedwigepolder) worden geen verdere eisen gesteld dan dat “de eigenaren zich conformeren aan de door de gemeente gewenste vorm van uitvoering”. Dat heeft De Cloedt jegens de Staat gedaan. Door in het onderhavige KB Hedwigepolder anders te beslissen, is dit KB ofwel in strijd met het eigen beleid van de Kroon, dan wel is het Kroonbeleid waarop het KB is gebaseerd zelf kennelijk niet consistent.
c. Ten aanzien van de overweging van de Kroon dat De Cloedt niet bereid is op eigen kosten zelf te realiseren, stelt De Cloedt als volgt. Voor zover hieruit moet worden afgeleid dat de Kroon van oordeel is dat de noodzaak voor onteigening alleen dan afwezig is, indien gebleken is dat de eigenaar in staat en bereid is om de geprojecteerde bestemmingen voor eigen rekening (op eigen kosten) te realiseren, is dat onjuist, want in strijd met het recht. De Kroon noch de onteigeningsrechter heeft dit criterium eerder gehanteerd en daarvoor is rechtens ook geen plaats.
Indien komt vast te staan dat de nieuwe bestemming door zelfrealisatie kan worden gerealiseerd, waardoor geen onteigening nodig is, zou het niet uit mogen maken of het de Staat is die de feitelijke ontpoldering bekostigt of de eigenaar zelf. Het behoort er primair om te gaan of realisatie van het inpassingsplan mogelijk is zonder dat de Staat de eigendom van de particuliere gronden gedwongen ontneemt.
Het stellen van de eis dat een beroep op zelfrealisatie alleen valide is, als de zelfrealisator de kosten draagt in een geval als het onderhavige, waarin sprake is van zeer onrendabele bestemmingen en een eindsituatie die voor de grondeigenaar elk genot van diens gronden heeft weggenomen, zou betekenen dat de particuliere grondeigenaar - die er belang bij heeft de eigendom van zijn gronden te behouden - gedwongen eigendomsontneming slechts kan “afkopen” door van de Staat - zonder enige grondslag daarvoor - de volledige kosten van de feitelijke realisatie en het beheer over te moeten nemen, terwijl de Staat die kosten bij onteigening hoe dan ook voor zijn rekening had moeten nemen. Daarmee zou sprake zijn van misbruik van recht en van ongerechtvaardigde verrijking aan de zijde van de Staat, en van verarming aan de zijde van de particuliere grondeigenaar.
d. De Cloedt stelt dat de omstandigheid dat hij niet beschikt niet over alle gronden die worden bestreken door het rijksinpassingsplan niet aan hem kan worden tegengeworpen. De Cloedt is er niet in geslaagd om na het onherroepelijk worden van het rijksinpassingsplan met de (drie) andere particuliere grondeigenaren afspraken te maken. Deze partijen voelden zich niet (meer) vrij daartoe, omdat zij inmiddels (meer of minder vergaand) met de Staat in gesprek waren of zelfs al (concept)overeenstemming hadden bereikt. De Cloedt heeft zich bereid verklaard in het kader van zijn beroep op zelfrealisatie de rechten en verplichtingen van de Staat op grond van deze overeenkomsten één op één over te nemen. Van de Staat, die het op eenvoudige en niet-bezwarende wijze in zijn macht heeft om ter voorkoming van gedwongen eigendomsontneming een overigens compleet en valide beroep op zelfrealisatie te completeren c.q. accorderen, mag en moet worden verwacht dat hij dienovereenkomstig handelt, althans de mogelijkheden daartoe serieus onderzoekt en daarover overleg voert met betrokkenen. De Kroon heeft er ten onrechte geen acht op geslagen dat als het niet gecontracteerd hebben door voornoemde partijen met De Cloedt het gevolg was van een (in het licht van de aangekondigde zelfrealisatie) voorzienbaar frustrerend optreden van de Staat, dit nooit aan De Cloedt zou mogen worden tegengeworpen.
e. De Cloedt stelt dat de Kroon het verweer van De Cloedt op de punten van de (uiteindelijke) eigendomssituatie van cruciale waterstaatswerken en de (uiteindelijke) beheers- en onderhoudssituatie van de ontpolderde Hedwigepolder niet op zijn merites heeft beoordeeld. De Cloedt heeft bij diens beroep op zelfrealisatie aan deze aspecten uitdrukkelijk aandacht besteed. Hij heeft zich ten aanzien van deze aspecten bereid verklaard zich contractueel te verbinden.

Het publiek belang en de noodzaak voor verwerving van perceel sectie U, nummer 19 ontbreken
4.4.5. Volgens De Cloedt ontbreekt het publiek belang bij verwerving van perceel sectie U, nummer 19. Dit buitendijks gelegen perceel bestaat reeds sinds het in eigendom is van de familie De Cloedt volledig uit schor, aldus De Cloedt. Hieruit blijkt enerzijds dat de toegedachte bestemming ter plaatse reeds is gerealiseerd, en anderzijds dat de eindsituatie
- schor - tevens kan worden gerealiseerd en beheerd zonder dat de Staat de eigendom van deze gronden dient te verwerven. Zelfs als de inrichting van het perceel zou moeten worden aangepast ten behoeve van de ontpoldering, ontbreekt de noodzaak tot onteigening, aldus De Cloedt. De Cloedt is bereid daarover afspraken te maken met de Staat en mee te werken.

4.4.6.

De Staat stelt dat een onteigeningsrechter slechts marginaal mag toetsen als bovendien het bezwaar reeds bij de Kroon is aangevoerd. Er is één uitzondering die hier niet van toepassing is. De Staat heeft gemotiveerd aangegeven dat de Kroon reeds op de formele verweren heeft gereageerd.
Het beroep op zelfrealisatie gaat alleen op als de onteigende de door de onteigenaar voorziene ontwikkeling zelf en op eigen kosten kan realiseren.
Een concreet plan voor zelfrealisatie heeft altijd ontbroken. De Cloedt beschikt niet over alle benodigde gronden en zelfrealisatie maakt een samenhangend beheer door de Staat niet mogelijk.

4.5.

De Cloedt voert ten slotte het verweer dat de noodzaak voor onteigening ontbreekt.
Volgens De Cloedt is niet voldaan aan artikel 17 Ow. De Staat heeft niet voldaan aan de op hem rustende verplichting dat hij in de periode tussen het geslagen zijn van het KB en het uitbrengen van het exploot van de dagvaarding moet hebben getracht hetgeen onteigend moet worden bij minnelijke overeenkomst te verkrijgen. Dit wettelijk vereiste moet, gelet op de strekking van de onteigeningswet als ultimum remedium, aldus (en breder) worden opgevat, dat de Staat in deze periode actief en serieus moet hebben getracht gerechtelijke onteigening te voorkomen. De Staat heeft zich echter uitsluitend de verwerving in eigendom van de gronden van De Cloedt ten doel gesteld en daaraan meer gewicht toegekend dan aan pogingen om gedwongen eigendomsontneming van de gronden van De Cloedt te voorkomen. Dit laatste zou kunnen door middel van zelfrealisatie, vestiging van een eeuwigdurend erfpachtrecht, of eventueel de door de Staat zelf genoemde variant van onteigening met teruglevering van de gronden aan De Cloedt en met bepaling dat de schadeloosstelling door de onteigeningsrechter wordt vastgesteld. De Staat heeft de gesprekken over deze mogelijkheden afgekapt voordat deze waren begonnen.
De Cloedt stelt voorts dat niet is voldaan aan het noodzaakvereiste. Tussen de Staat en De Cloedt is slechts eenmaal direct mondeling overleg gevoerd op 6 november 2013. Elk verzoek van De Cloedt om overleg nadien is door de Staat geweigerd. Bij de afweging of onteigening noodzakelijk is - tegenover een gemotiveerd beroep op zelfrealisatie of een optie van eeuwigdurend erfpachtrecht - kunnen het infrastructurele karakter van de te realiseren bestemmingen en de toekomstige beheerssituatie een rol spelen, maar de overige door de Staat genoemde factoren (“nationaal belang”, “internationale verplichtingen”, “infrastructuur”, “beheer”, “eigendomsverwerving was altijd al uitgangspunt”, “zo is het ook aan de Kamer gecommuniceerd”) niet. Dit zijn slechts interne, beleidsmatige factoren.
Het infrastructurele karakter en de beheerssituatie zijn voor wat betreft het beroep op zelfrealisatie door De Cloedt afgedekt en spelen bij de optie van eeuwigdurend erfpachtrecht geen rol.

4.5.1.

De Staat heeft betwist onvoldoende overleg te hebben gevoerd met De Cloedt over de minnelijke verkrijging van zijn percelen. Daarbij is onder andere verwezen naar genoemde correspondentie. Ook heeft de Staat betwist dat het plan kan worden uitgevoerd door, alsmede het beheer op langere termijn kan liggen bij een particulier als De Cloedt.

4.6.

De Cloedt doet geen afstand van zijn recht op zekerheid. Hij stelt voorts dat niet kan worden volstaan met een voorschot van 100%, zijnde een bedrag van € 14.778.425,--, maar dat dit dient te worden vermeerderd met een forfaitair bedrag van € 50.000,-- als voorschot op de kosten van deskundige bijstand.

5
5. De beoordeling

5.1.

Met betrekking tot het beroep op nietigheid van de dagvaarding, althans niet-ontvankelijkheid van de Staat in zijn vordering volgt de rechtbank de Staat in zijn reactie.
Hoewel de overbetekening aan de hypotheekhoudster ABN AMRO NV niet, zoals artikel 18 lid 4 juncto lid 6 Ow bepaalt, binnen een week na het uitbrengen van de dagvaarding heeft plaatsgevonden, leidt dit niet tot de conclusie dat de dagvaarding nietig is, althans dat de Staat niet-ontvankelijk is in zijn vordering.
Artikel 18 Ow bepaalt dat het geding wordt gevoerd tegen de in het KB aangewezen eigenaren en mede-eigenaren of, indien beperkte rechten worden onteigend als bedoeld in artikel 4 Ow, de bij KB aangewezen rechthebbenden. De derde belanghebbenden als genoemd in artikel 3 Ow worden niet als gedaagde partij in het geding betrokken. Wel moet de dagvaarding aan hen ter kennis worden gebracht, in het geval van een hypotheekhouder of beslaglegger door overbetekening van de dagvaarding. Op die manier worden zij in staat gesteld tijdig in het geding tussen te komen. Zij behouden dat recht gedurende de gehele rechtbankprocedure, zolang de eindconclusies door partijen niet zijn genomen.
De bepaling van artikel 18 lid 4 Ow dient derhalve ter bescherming van de belangen van derden. De Cloedt komt, als eigenaar, geen beroep toe op deze bepaling. Gesteld noch gebleken is overigens dat sprake is van enig geschaad belang van De Cloedt door niet tijdige betekening van de dagvaarding aan de hypotheekhoudster.
De bepalingen in artikel 18 lid 4, 6 en 8 Ow zijn bovendien niet op straffe van nietigheid dan wel niet-ontvankelijkheid voorgeschreven. Hooguit ontstaat een schadevergoedingsverplichting van de onteigenaar jegens de derde belanghebbende.
Vast staat dat ABN AMRO NV op de hoogte is van het onteigeningsgeding en geen gebruik wil maken van haar recht om tussen te komen, zodat zij geacht wordt niet in haar belangen te zijn geschaad door de niet tijdige betekening van de dagvaarding.
Ten aanzien van de stelling van De Cloedt dat de descente van 26 mei 2015 niet kan gelden als formele plaatsopneming in de zin van artikel 54 a e.v. Ow en dat het op te stellen rapport niet kan gelden als conceptrapport dan wel definitief rapport, overweegt de rechtbank dat, voor zover er al een gebrek zou kleven aan de descente, dit niet aan toewijzing van de vordering tot vervroegde onteigening in de weg staat. De verzoekschriftprocedure overeenkomstig artikel 54a Ow betreft een andere procedure dan de onderhavige dagvaardingsprocedure. In onderhavige procedure is alleen relevant de constatering dat toepassing is gegeven aan artikel 54a Ow, hetgeen het geval is. De vraag of in de verzoekschriftprocedure aan alle formaliteiten is voldaan, is in onderhavige procedure niet aan de orde.

5.2.

Ten aanzien van het verweer van De Cloedt dat de planologische grondslag voor de gevorderde onteigening in strijd is met het recht wordt als volgt overwogen.
De toetsing van de planologische titel die aan de onteigening ten grondslag ligt behoort niet tot de taak van de onteigeningsrechter. Die planologische titel wordt getoetst door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State in de procedure ten aanzien van het rijksinpassingsplan. De Afdeling bestuursrechtspraak heeft bij uitspraak van 12 november 2014 de beroepen tegen het rijksinpassingsplan ongegrond verklaard. Daarmee is het rijksinpassingsplan onherroepelijk en staat de planologische grondslag vast. De onteigeningsrechter dient van de rechtmatigheid, zowel voor wat betreft de inhoud als voor wat betreft de wijze van totstandkoming, van het planologisch besluit dat aan de onteigening ten grondslag ligt uit te gaan.
De omstandigheid dat De Cloedt de vermeende schending van Europeesrechtelijke rechtsbeginselen heeft voorgelegd aan het EHRM maakt dit niet anders. Indien de klacht van De Cloedt bij het EHRM zou slagen, leidt dit hoogstens tot een schadevergoedingsverplichting jegens De Cloedt, niet tot aantasting van de planologische titel.
Het verweer dat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State niet volledig als onafhankelijk kan worden beschouwd, welk verweer door De Cloedt in zijn verzoekschrift aan het EHRM nader is onderbouwd, leidt evenmin tot de conclusie dat de onteigeningsrechter de planologische titel dient te toetsen. Het enkele feit dat de staatsraden van de Afdeling bestuursrechtspraak uitspraak moeten doen ten aanzien van de vaststelling van het rijksinpassingsplan, nadat de Afdeling advisering reeds positief heeft geadviseerd over maatregelen die nodig zijn om het rijksinpassingsplan na vaststelling uit te voeren, wettigt niet de slotsom dat vrees ten aanzien van de onpartijdigheid van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State objectief is gerechtvaardigd. Het verweer faalt reeds om die reden.

5.3.

Met betrekking tot het verweer van De Cloedt dat het Koninklijk Besluit onrechtmatig is, zowel wat betreft de inhoud als wat betreft de wijze van totstandkoming overweegt de rechtbank als volgt.
Vooropgesteld zij dat tot de nauwkeurig afgebakende taak van de onteigeningsrechter in beginsel, want behoudens de toetsing in het kader van artikel 17 Ow, niet behoort de beoordeling van de vraag naar - onder meer - de noodzaak van de onteigening. Deze beoordeling is overgelaten aan het bestuur. De onteigeningsrechter is bevoegd het onteigeningsbesluit inhoudelijk te toetsen, als de stellingen van de te onteigenen partij daartoe aanleiding geven. Daarbij dient de rechter de rechtmatigheid van het onteigeningsbesluit te toetsen en wel in beginsel naar de situatie ten tijde van het besluit (ex tunc). In beginsel is voorwaarde voor een dergelijke toetsing dat de te onteigenen partij haar bezwaren al in de aan het onteigeningsgeding voorafgaande administratieve procedure heeft kenbaar gemaakt. Een uitzondering hierop is aan de orde wanneer hetgeen de onteigende aanvoert, meebrengt dat de onteigening in het licht van na (de goedkeuring van) het onteigeningsbesluit gewijzigde of aan het licht gekomen omstandigheden aan de zijde van de onteigenende partij in strijd is met het recht, omdat de onteigening niet (meer) geschiedt ten behoeve van het doel waarvoor volgens het onteigeningsbesluit onteigend wordt, of omdat ten gevolge van gewijzigde inzichten met betrekking tot de uitvoering van een aan de onteigening ten grondslag liggend besluit of plan niet (meer) kan worden gezegd dat de onteigening geschiedt ter uitvoering daarvan. De burgerlijke rechter dient zich evenwel te beperken tot een marginale toetsing van het onteigeningsbesluit. De toetsing zal zich beperken tot de vraag of de Kroon bij afweging van de wederzijdse belangen in redelijkheid heeft kunnen komen tot het oordeel dat onteigend dient te worden.

Essentiële gebreken aan de gevolgde administratieve procedure
5.3.1. Ten aanzien van de stellingen van De Cloedt op dit punt onder 4.4.1. (a), (b) en (c) overweegt de rechtbank dat, zo deze stellingen al juist zouden zijn, De Cloedt na vaststelling van het ontwerpbesluit de mogelijkheid heeft gehad om zienswijzen in te dienen en van deze mogelijkheid gebruik heeft gemaakt. De Cloedt heeft deze stellingen reeds in de administratieve procedure bij De Kroon aangevoerd. De Kroon is daarop in het Koninklijk Besluit vervolgens gemotiveerd ingegaan. De Cloedt wordt dan ook niet geacht in zijn belangen te zijn geschaad door de door hem gestelde gebreken.
Met betrekking tot de stelling van De Cloedt onder (d) is de rechtbank van oordeel dat de conclusie gerechtvaardigd lijkt dat de procedure zoals die door de Kroon werd gevolgd in strijd is met het beginsel van hoor en wederhoor. De Cloedt heeft echter onvoldoende onderbouwd op welke wijze hij daardoor in zijn belangen is geschaad. Uit de stelling van De Cloedt blijkt niet dat in het Koninklijk Besluit informatie is gebruikt die is verkregen uit overleg tussen de Kroon en de Staat dat heeft plaatsgevonden na de hoorzitting en waarop hij niet heeft kunnen reageren.
Ten aanzien van de stelling onder (e) overweegt de rechtbank dat, voor zover de Kroon de Raad van State onvolledig heeft geïnformeerd met betrekking tot het standpunt van De Cloedt over de zelfrealisatie, De Cloedt, gelet op de motivering van de Kroon, onvoldoende concreet heeft gemaakt tot welk ander resultaat de overwegingen van de Kroon zouden hebben geleid, als de Raad van State op de door De Cloedt voorgestane wijze zou zijn geïnformeerd. Immers de Kroon heeft het argument van zelfrealisatie wel meegewogen maar te licht bevonden.
Niet voldaan aan door de regering gestelde voorwaarden om tot onteigening over te gaan
5.3.2. Deze stelling is door De Cloedt eerder in zijn zienswijze naar voren gebracht en de Kroon is in het Koninklijk Besluit gemotiveerd ingegaan op deze zienswijze (zie KB onder ad 2). De Kroon heeft als volgt overwogen. “Het standpunt van de regering tot het, indien nodig, inzetten van het middel van onteigening heeft in 2012 een wijziging ondergaan. De regering heeft in 2007 nog een voorbehoud met betrekking tot de inzet van het middel van onteigening, als gevolg waarvan eerst en op basis van een regeringsnota met de Tweede Kamer diende te worden overlegd. Vervolgens heeft de regering in 2012 op basis van de toen in het regeerakkoord vastgelegde keuze voor ontpoldering gekozen voor het doorlopen van de onteigeningsprocedure in geval de minnelijke verwerving van de benodigde gronden niet zou slagen. Dit is bij voornoemde brief van 21 december 2012 ook aan de kamer meegedeeld. Niet gebleken is, dat de kamer zich tegen het (gewijzigde) standpunt van de regering heeft gekeerd of te kennen heeft gegeven hierover met Onze Staatssecretaris van Economische Zaken in debat te willen gaan. Dit in aanmerking nemend is de Kroon tot het oordeel gekomen dat de Staatssecretaris tot zijn verzoekbesluit van 25 maart 2014 heeft kunnen komen.”
De rechtbank is van oordeel dat de Kroon in redelijkheid tot dit oordeel heeft kunnen komen.
Voor zover De Cloedt stelt dat met de interpretatieve verklaring met betrekking tot het Verdrag betreffende de Ontwikkelingsschets 2010 de gerechtvaardigde verwachting is gewekt dat het middel van onteigening niet lichtvaardig wordt ingezet en dat de Kroon op die grond het verzoek had moeten afwijzen, overweegt de rechtbank dat louter de wijziging van het regeringsstandpunt zoals die door de Kroon is aangenomen, niet de conclusie rechtvaardigt dat sprake is van een lichtvaardige inzet van het middel van onteigening.

Onjuiste toepassing van afdeling 3.4 Awb
5.3.3. De rechtbank overweegt dat De Cloedt dit standpunt reeds in de procedure bij de Kroon heeft ingenomen, waarop door de Kroon gemotiveerd is gereageerd. De Kroon heeft geoordeeld dat niet kan worden geconcludeerd dat de Uniforme openbare voorbereidingsprocedure niet, althans niet correct is gevolgd. De rechtbank is van oordeel dat de Kroon in redelijkheid tot dit oordeel heeft kunnen komen.
De Cloedt wordt voorts op dit punt geacht niet in zijn belangen te zijn geschaad, nu hij een uitgebreide zienswijze heeft ingediend en niet heeft aangegeven wat hij daarnaast had willen aanvoeren.

Onjuiste beoordeling beroep op zelfrealisatie
5.3.4. De Cloedt kan worden gevolgd in zijn standpunt dat de Kroon zijn beroep op zelfrealisatie niet heeft kunnen passeren op de gronden dat dat beroep niet onvoorwaardelijk zou zijn en een concreet plan zou ontbreken (4.4.4. a. en b.).
Dit geldt echter niet ten aanzien van zijn standpunt geformuleerd onder 4.4.4. c., d., en e.
De rechtbank overweegt hieromtrent als volgt.
a. en b. De Cloedt heeft van begin af aan de vaststelling van het rijksinpassingsplan bestreden. Hij heeft zich op het standpunt gesteld dat niet ontpolderd en dientengevolge niet onteigend mag worden. Voor het geval het rijksinpassingsplan onherroepelijk zou worden vastgesteld, heeft De Cloedt steeds een beroep gedaan op zelfrealisatie. Het mag niet aan De Cloedt worden tegengeworpen dat hij zijn argumentatie op enig moment als primair en subsidiair heeft aangeduid. Voorts mag het De Cloedt niet worden tegengeworpen dat hij verweer heeft gevoerd tegen de vaststelling van het rijksinpassingsplan. Daaruit mag niet de conclusie worden getrokken dat hij niet bereid zou zijn het rijksinpassingsplan te realiseren, in het geval dat onherroepelijk zou worden vastgesteld. Ook de Kroon zelf heeft in die zin overwogen in het KB 23 april 2015, Stcrt. 2015 nr. 12855 d.d. 21 mei 2015 Echt/Susteren. De Kroon overweegt daarin: “Naar ons oordeel kan het reclamanten niet worden tegengeworpen dat zij hun plan beter vinden dan het huidige bestemmingsplan waartegen zij ook beroep hebben ingediend. Hieruit kan naar Ons oordeel niet de conclusie worden getrokken dat zij niet bereid zouden zijn om het bestemmingsplan te realiseren. Immers tijdens de hoorzitting hebben reclamanten aangegeven dat zij niettemin, mocht het huidige bestemmingsplan onherroepelijk worden, zeker bereid en in staat zijn om de genoemde bestemming Centrum-1 van het nieuwe bestemmingsplan op hun gronden zelf te realiseren. Daarbij zullen reclamanten zich conformeren aan de door verzoeker gewenste vorm van planuitvoering en aan het exploitatieplan. Wij oordelen derhalve dat, mede gezien het langdurig overleg tussen partijen over (zelf)realisatie van het voorgaande bestemmingsplan, het aannemelijk moet worden geacht dat reclamanten ook bereid zijn de bestemming Centrum-1 in het nieuwe bestemmingsplan te realiseren. In elk geval dient daarover nog minnelijk overleg gevoerd te worden tussen partijen.”
De Cloedt heeft verklaard dat hij bereid en in staat is de bestemmingen op zijn gronden geheel conform het rijksinpassingsplan en de verdere openbare stukken zoals de uitvoeringsbesluiten te realiseren. Aan De Cloedt kan niet worden verweten dat hij geen concreter plan heeft overgelegd dan zijn toezegging om het plan uit te voeren conform het rijksinpassingsplan. In het KB Echt/Susteren stelt de Kroon geen verdere eisen dan dat de eigenaren “zich conformeren aan de door de gemeente gewenste vorm van planuitvoering”. Het Kroonbeleid waarop het KB Hedwigepolder is gebaseerd is op dat punt dan ook niet consistent.
c., d. en e. Een beroep op zelfrealisatie wordt door de Kroon getoetst aan het zogenaamde noodzaakvereiste: als de onteigende de door de onteigenaar voorziene ontwikkeling zelf en op eigen kosten kan realiseren op de wijze zoals deze door de onteigenaar wordt voorgestaan binnen de planning zoals de onteigenaar dat wenst, dan is onteigening niet noodzakelijk.
De rechtbank stelt voorop dat De Cloedt heeft erkend, dat hij niet alle gronden die benodigd zijn voor realisering van het project in eigendom heeft. Nu hij heeft aangeboden de ontbrekende percelen alsnog in eigendom te verwerven, behoeft dit zelfrealisatie niet in de weg te staan. Dit ligt anders voor het aspect van de kosten. De Cloedt wil het project zelf realiseren, maar op kosten van de Staat. In die zin voldoet hij niet aan voornoemd vereiste voor zelfrealisatie. Denkbaar is dat van dat vereiste kan worden afgeweken, indien, zoals in onderhavig geval, het te realiseren project niet lucratief is. De rechtbank is echter van oordeel dat in dit geval niet van de Staat kan worden verlangd dat hij de kosten draagt van de ontpoldering, terwijl De Cloedt eigenaar blijft van de percelen. Als De Cloedt eigenaar blijft, heeft de Staat slechts beperkt zeggenschap over de (wijze van) uitvoering van het ontpolderingsproject en het beheer van het gebied op langere termijn, aangezien hij telkens, want steeds als er (onderhouds)werkzaamheden moeten worden uitgevoerd, afhankelijk is van overeenstemming daarover met De Cloedt. Mede gelet op de aard van het te realiseren werk, waterstaatswerken, waarmee ook een publiek belang is gemoeid, te weten bescherming tegen hoog water, wordt deze situatie terecht onwenselijk geacht door de Staat. Dat de Staat (een deel van) de kosten mogelijk kan declareren bij de Belgische overheid, doet aan het voorgaande niet af.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat de Kroon in redelijkheid tot het oordeel heeft kunnen komen dat het beroep op zelfrealisatie niet kan slagen.

Het publiek belang en de noodzaak voor verwerving van perceel U10 ontbreken
5.3.5. De Cloedt heeft dit verweer reeds in de procedure bij de Kroon naar voren gebracht. De Kroon heeft ten aanzien hiervan overwogen dat dit perceel weliswaar een buitendijks gelegen perceel betreft dat reeds volledig uit schor bestaat, maar dat dit niet impliceert dat er geen noodzaak tot onteigening bestaat. Ter uitvoering van het rijksinpassingsplan dienen op het betreffende perceel geulen te worden gegraven en dient het buiten deze geulen gelegen schor te worden afgegraven. Het water dient via die geulen het nieuw ingerichte gebied binnen te stromen. De onroerende zaak is voor de ontwikkeling en instandhouding van deze natuur van cruciaal belang.
De Cloedt heeft dit onvoldoende gemotiveerd betwist. Het gebied moet dus als één geheel ontwikkeld worden en daarin past niet - mede gezien wat de rechtbank heeft overwogen over zelfrealisatie - dat een deel wordt uitgezonderd.

5.3.6.

Uit het voorgaande volgt dat de Kroon bij de afweging van de belangen in redelijkheid tot het oordeel heeft kunnen komen dat de betrokken percelen dienen te worden onteigend. Het Koninklijk Besluit is derhalve rechtmatig.

5.4.

Ten aanzien van het verweer van De Cloedt dat de noodzaak voor onteigening ontbreekt wordt als volgt overwogen.
Volgens De Cloedt heeft de Staat niet voldoende onderhandeld ten aanzien van het beroep op zelfrealisatie en de optie van eeuwigdurende erfpacht. Uit hetgeen De Cloedt aan deze stelling ten grondslag legt volgt dat De Cloedt zich ten aanzien van de zelfrealisatie op het standpunt stelt dat onderdeel van de onderhandelingen is dat de Staat de kosten draagt van de zelfrealisatie. Zoals hiervoor onder r.o. 5.3.4. is overwogen, kan dat niet van de Staat worden verlangd. Het verweer van De Cloedt strandt reeds op dit punt.
De rechtbank is voorts van oordeel dat de Staat met betrekking tot het voorstel van eeuwigdurende erfpacht voldoende heeft onderhandeld. Uit de brief van de Staat van 5 februari 2015 blijkt dat partijen hierover hebben gesproken. De Staat heeft in de betreffende brief gemotiveerd aangegeven waarom het voorstel van eeuwigdurende erfpacht voor de Staat geen optie is. Volgens de Staat gaat het in casu om de uitvoering van een rijksproject, waarin niet alleen nationale belangen zijn gediend, maar ook internationale verplichtingen aan de orde zijn. Bovendien moeten infrastructurele werken worden aangelegd en beheerd die van groot belang zijn voor de hoogwaterbescherming van Nederland. Alleen het eigendomsrecht biedt voldoende waarborgen om de gestelde doelen ook daadwerkelijk te kunnen bereiken, aldus de Staat. De rechtbank is van oordeel dat niet gezegd kan worden dat de Staat, door zich op dit standpunt te stellen, onvoldoende heeft onderhandeld op dit punt.

5.5.

De in de Onteigeningswet voorgeschreven formaliteiten en termijnen zijn nageleefd.

5.6.

Uit het voorgaande volgt dat er geen gegronde redenen zijn om de vordering van de de Staat om bij vervroeging de onteigening uit te spreken af te wijzen.
Voor zover De Cloedt thans nog het nog meer subsidiaire verweer voert tot bevel aan de Staat om met toepassing van artikel 22 Rv de stukken als bedoeld in het incident ex artikel 843a Rv in dit geding over te leggen, met bepaling dat De Cloedt na ontvangst van deze stukken in de gelegenheid wordt gesteld diens verweer in de hoofdzaak zo nodig te wijzigen of aan te vullen, overweegt de rechtbank dat hieromtrent reeds in het vonnis in incident van 8 juli 2015 is beslist. De rechtbank ziet geen aanleiding op die beslissing terug te komen.
De vordering tot het uitspreken van de vervroegde onteigening wordt toegewezen.

5.7.

Nu De Cloedt het aanbod van de Staat niet heeft aanvaard, zal de Staat worden veroordeeld tot betaling van een voorschot op de schadeloosstelling aan De Cloedt. Met betrekking tot dat voorschot heeft de Staat gevorderd een bedrag van 90% van het bij dagvaarding aangeboden bedrag te betalen en daarbij te bepalen dat geen zekerheid voor de voldoening van de schadeloosstelling nodig is, tenzij deze expliciet wordt verlangd en in dat laatste geval te bepalen dat de Staat zekerheid mag stellen door 100% van het aangeboden bedrag als voorschot te betalen.
De Cloedt doet geen afstand van zijn recht op zekerheid. De rechtbank zal het door de Staat aan De Cloedt te betalen voorschot vaststellen op 100% van het aangeboden bedrag, zijnde een bedrag van € 14.778.425,-- (veertien miljoen zevenhonderdachtenzeventigduizend vierhonderdvijfentwintig euro).
De vordering tot verhoging van het voorschot met een bedrag van € 50.000,-- als voorschot op de kosten van juridische en andere bijstand zal worden afgewezen, nu hiervoor een wettelijke basis ontbreekt.

5.8.

Gelet op de inhoud van de brief van mr. Rus-van der Velde van 22 april 2016, waarin wordt meegedeeld dat inmiddels met [pachter 1] en met [pachter 2] overeenstemming is bereikt, gaat de rechtbank ervan uit dat het in de dagvaarding gedane aanbod aan deze belanghebbenden geen bespreking en beslissing meer behoeft.
5.9. Nu [pachter 3] het aanbod niet heeft aanvaard, zal de Staat worden veroordeeld tot betaling van een voorschot op de schadeloosstelling aan [pachter 3] . De Staat heeft verzocht het voorschot te bepalen op 90% van het in de dagvaarding aangeboden bedrag. [pachter 3] heeft geen verweer gevoerd. Nu partijen hieromtrent geen overeenstemming hebben bereikt, zal het door de Staat aan [pachter 3] te betalen voorschot conform artikel 54i lid 2 Ow worden vastgesteld op 90% van de aangeboden schadeloosstelling. Dit komt overeen met een bedrag van € 30.542,--. De rechtbank ziet geen aanleiding het voorschot op een ander bedrag vast te stellen.

5.10.

Gelet op het bepaalde in artikel 54i lid 4 Ow, zal de rechtbank bepalen dat de Staat ten behoeve van [pachter 3] zekerheid dient te stellen voor een bedrag van € 3.394,--, door dit bedrag te deponeren op de derdengeldrekening van een door [pachter 3] aan te wijzen notaris (en indien [pachter 3] geen notaris aanwijst: van een notaris naar keuze van de Staat).

5.11.

Nu [interveniënt/pachter 4] het aanbod niet heeft aanvaard, zal de Staat worden veroordeeld tot betaling van een voorschot op de schadeloosstelling aan [interveniënt/pachter 4] . De Staat heeft verzocht het voorschot te bepalen op 90% van het in de dagvaarding aangeboden bedrag. [interveniënt/pachter 4] heeft hiertegen geen verweer gevoerd. Nu partijen hieromtrent geen overeenstemming hebben bereikt, zal het door de Staat aan [interveniënt/pachter 4] te betalen voorschot conform artikel 54i lid 2 Ow worden vastgesteld op 90% van de aangeboden schadeloosstelling. Dit komt overeen met een bedrag van € 296.420,--. De rechtbank ziet geen aanleiding het voorschot op een ander bedrag vast te stellen.

5.12.

Gelet op het bepaalde in artikel 54i lid 4 Ow, zal de rechtbank bepalen dat de Staat ten behoeve van [interveniënt/pachter 4] zekerheid dient te stellen voor een bedrag van € 32.936,--, door dit bedrag te deponeren op de derdengeldrekening van een door [interveniënt/pachter 4] aan te wijzen notaris (en indien [interveniënt/pachter 4] geen notaris aanwijst: van een notaris naar keuze van de Staat).

5.13.

Tijdens de descente van 26 mei 2015 heeft de rechter-commissaris het verzoek van de Staat tot het uitbrengen van een voorlopig oordeel afgewezen en meegedeeld dat de deskundigen te zijner tijd een conceptrapport zullen uitbrengen.
Gelet hierop passeert de rechtbank het verzoek van de Staat om te bepalen dat het in de procedure met rekestnummer C/02/294690/ HA RK 15-30 uit te brengen voorlopig oordeel heeft te gelden als conceptdeskundigenrapport in onderhavige procedure.
5.14. De zaak zal voor het overige worden verwezen naar de parkeerrol van 5 oktober 2016 in afwachting van het deskundigenbericht.

6 De beslissing

De rechtbank:

6.1.

spreekt vervroegd uit de onteigening ter uitvoering van het rijksinpassingsplan ter realisatie van estuariene natuur in de Hertogin Hedwigepolder, ten name van de Staat en ten algemene nutte, vrij van alle lasten en rechten, van de onroerende zaken, die zijn aangeduid op de grondplantekening die ingevolge de wet ter inzage heeft gelegen in de gemeente Hulst en die in het Koninklijk Besluit van 14 november 2014 (nr. 2014002189) nader zijn vermeld als:

  • -

    (grondplannummer 3) het gehele perceel, kadastraal bekend gemeente Hulst, sectie U, nummer 19, Terrein (natuur), ter grootte van 13.90.71 hectare,

  • -

    (grondplannummer 4) het gehele perceel, kadastraal bekend gemeente Hulst, sectie X, nummer 237, Terrein (natuur), ter grootte van 00.23.83 hectare,

(grondplannummer 8) het gehele perceel, kadastraal bekend gemeente Hulst, sectie X, nummer 197, Bedrijvigheid (industrie) erf-tuin, ter grootte van 20.77.40 hectare,
- (grondplannummer 11) het gehele perceel, kadastraal bekend gemeente Hulst, sectie X, nummer 199, Wonen terrein (akkerbouw), ter grootte van 38.68.85 hectare,
- (grondplannummer 12) het gehele perceel, kadastraal bekend gemeente Hulst, sectie X, nummer 179, Wegen, ter grootte van 01.82.85 hectare,
- (grondplannummer 14) het gehele perceel, kadastraal bekend gemeente Hulst, sectie X, nummer 195, Wonen, terrein, (akkerbouw), ter grootte van 37.50.90 hectare,
- (grondplannummer 15) het gehele perceel, kadastraal bekend gemeente Hulst, sectie X, nummer 181, Terrein (akkerbouw), ter grootte van 25.36.50 hectare,
- (grondplannummer 18) het gehele perceel, kadastraal bekend gemeente Hulst, sectie X, nummer 233, Bedrijvigheid (nutsvoorziening), ter grootte van 00.00.14 hectare,
- (grondplannummer 20) het gehele perceel, kadastraal bekend gemeente Hulst, sectie X, nummer 182, Wegen, ter grootte van 00.72.25 hectare,
- (grondplannummer 21) het gehele perceel, kadastraal bekend gemeente Hulst, sectie X, nummer 204, Terrein (akkerbouw), ter grootte van 23.71.75 hectare,
- (grondplannummer 23) het gehele perceel, kadastraal bekend gemeente Hulst, sectie X, nummer 232, Wegen, ter grootte van 02.05.36 hectare,
- (grondplannummer 24) het gehele perceel, kadastraal bekend gemeente Hulst, sectie X, nummer 208, Terrein (akkerbouw), ter grootte van 29.19.35 hectare,
- (grondplannummer 25) het gehele perceel, kadastraal bekend gemeente Hulst, sectie X, nummer 184, Wegen, ter grootte van 00.71.15 hectare,
- (grondplannummer 26) het gehele perceel, kadastraal bekend gemeente Hulst, sectie X, nummer 202, Terrein (akkerbouw), ter grootte van 27.29.30 hectare,
- (grondplannummer 30) het gehele perceel, kadastraal bekend gemeente Hulst, sectie X, nummer 207, Terrein (akkerbouw), ter grootte van 53.67.75 hectare,
- (grondplannummer 31) het gehele perceel, kadastraal bekend gemeente Hulst, sectie X, nummer 200, Terrein (akkerbouw), ter grootte van 23.44.80 hectare,
- (grondplannummer 32) het gehele perceel, kadastraal bekend gemeente Hulst, sectie X, nummer 189, Wonen terrein (akkerbouw), ter grootte van 00.82.30 hectare,
- (grondplannummer 33) het gehele perceel, kadastraal bekend gemeente Hulst, sectie X, nummer 190, Wonen erf-tuin, ter grootte van 00.16.70 hectare,
- (grondplannummer 37) het gehele perceel, kadastraal bekend gemeente Hulst, sectie X nummer 2, Bouwwerken-waterwerken, ter grootte van 04.99.00 hectare,

6.2.

bepaalt het bedrag van het voorschot op de schadeloosstelling te betalen aan De Cloedt op 100% van het in de dagvaarding aangeboden bedrag van € 14.778.425,-- (veertien miljoen zevenhonderdachtenzeventigduizend vierhonderdvijfentwintig euro),

6.3.

bepaalt dat geen zekerheid voor de voldoening van de schadeloosstelling aan De Cloedt nodig is,

6.4.

bepaalt het bedrag van het voorschot op de schadeloosstelling te betalen aan [pachter 3] op 90% van het in de dagvaarding aangeboden bedrag, zijnde € 30.542,-- (dertigduizend vijfhonderdtweeënveertig euro),
6.5. bepaalt dat de Staat zekerheid dient te stellen ten behoeve van [pachter 3] voor een bedrag van EUR 3.394,-- (drieduizend driehonderdvierennegentig euro) door dit bedrag te deponeren op de derdengeldrekening van een door [pachter 3] aan te wijzen notaris (indien [pachter 3] geen notaris aanwijst: van een notaris naar keuze van de Staat),

6.6.

bepaalt het bedrag van het voorschot op de schadeloosstelling te betalen aan [interveniënt/pachter 4] op 90% van het in de dagvaarding aangeboden bedrag, zijnde € 296.420,-- (tweehonderdzesennegentigduizend vierhonderdtwintig euro),

6.7.

bepaalt dat de Staat zekerheid dient te stellen ten behoeve van [interveniënt/pachter 4] voor een bedrag van € 32.936,-- (tweeëndertigduizend negenhonderdzesendertig euro), door dit bedrag te deponeren op de derdengeldrekening van een door [interveniënt/pachter 4] aan te wijzen notaris (indien [interveniënt/pachter 4] geen notaris aanwijst: van een notaris naar keuze van de Staat),

6.8.

stelt de datum voor nederlegging van het deskundigenrapport vast op 5 oktober 2016,

6.9.

wijst aan als nieuwsblad waarin de griffier dit vonnis bij uittreksel zal plaatsen de Provinciale Zeeuwse Courant,

6.10.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
6.11. bepaalt dat de zaak op de parkeerrol zal komen van 5 oktober 2016,

6.12.

houdt iedere verdere beslissing aan.


Dit vonnis is gewezen door mr. E.K. van der Lende-Mulder Smit, mr. H.A. Witsiers, en mr. J.A. van Voorthuizen en in het openbaar uitgesproken op 8 juni 2016.1

1 FM