Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2016:3331

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
07-06-2016
Datum publicatie
07-06-2016
Zaaknummer
02-810633-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Woningoverval met aanranding. Toepassing van artikel 77b van het Wetboek van Strafrecht. Vijf jaar gevangenisstraf

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Team jeugd

Zittingsplaats: Breda

parketnummer: 02/810633-14

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 7 juni 2016

in de strafzaak tegen de minderjarige

[verdachte]

geboren op [geboortedag] 1993 te [geboorteplaats] ( [geboorteland] )

gedetineerd in de Justitiële Jeugdinrichting Den Hey-Acker te Breda

raadsman mr. B.J.P. van Gils, advocaat te Tilburg

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld met gesloten deuren op de zitting van 24 mei 2016, waarbij de officier van justitie, mr. Kerkhofs, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

Verdachte staat terecht, terzake dat:

1.

hij op of omstreeks 04 oktober 2011 te Baarle-Nassau tezamen en in vereniging

met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke

toe-eigening uit een woning (gelegen aan het [adres 1] ) heeft weggenomen

onder andere een kluis (inhoudende onder andere een hoeveelheid sieraden en/of

munten en/of aanstekers) en/of een tas (met inhoud) en/of pincodes in elk

geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1] en/of

[slachtoffer 2] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte

en/of zijn mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld

en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 1] en/of

[slachtoffer 2] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te

bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan

zichzelf en/of aan zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken,

hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke

bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat hij, verdachte en/of zijn

mededaders

- de ruit van de voordeur van de woning heeft verbroken en/of

- die woning is binnengedrongen en/of

- de slaapkamer -waar die [slachtoffer 1] en/of die [slachtoffer 2] zich bevonden- is

binnengedrongen en/of

- een of meer vuurwapens en/of een mes en/of een loden pijp/ijzeren staaf op

die [slachtoffer 1] en/of die [slachtoffer 2] heeft gericht en/of

- die [slachtoffer 1] en/of die [slachtoffer 2] (telkens) dreigend heeft toegevoegd: "Geld,

sieraden, juwelen" en/of "Waar is mijn coke en mijn hash en wiet en sieraden

en geld" en/of "De sluitel van de kluis" en/of "Ik ga over lijken, ik schiet

je dood", althans (telkens) woorden van soortgelijke dreigende aard en/of

strekking en/of

- die [slachtoffer 1] heeft gedwongen op bed te gaan liggen en/of

- die [slachtoffer 1] heeft gedwongen haar ochtendjas open te maken en/of

- de knieen en/of de handen van die [slachtoffer 1] heeft vastgebonden en/of

- de bil en/of borst van die [slachtoffer 1] heeft gekust en/of

- die [slachtoffer 1] heeft gedwongen op zijn mond te kussen en/of

- de benen van die [slachtoffer 1] meermalen uit elkaar heeft gedaan en/of

- die [slachtoffer 1] dreigend heeft toegevoegd dat hij haar wilde verkrachten en/of

- die [slachtoffer 2] heeft gedwongen naar een andere kamer te gaan en/of

- de polsen en/of de voeten van die [slachtoffer 2] heeft vastgebonden en/of

- die [slachtoffer 2] met een loden pijp ijzeren staaf tegen zijn arm heeft

geslagen;

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 312 lid 2 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht

2.

hij op of omstreeks 08 februari 2011 te Tilburg tezamen en in vereniging met

een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke

toe-eigening in/uit een woning (gelegen aan de [adres 2] ) heeft

weggenomen een TV (merk Samsung) en/of een afstandsbediening, in elk geval

enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 3] , in elk geval

aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij

verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs

heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun

bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking en/of

inklimming;

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 4 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht

3.

hij in of omstreeks de periode van 30 juni 2011 tot en met 4 juli 2011 te

Tilburg tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met

het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een bedrijfspand heeft

weggenomen onder andere een beeldscherm en/of handgereedschap en/of een

Senseo, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [bedrijf]

, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn

mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de

plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen

goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak,

jaar verbreking en/of inklimming;

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 4 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten, middels cursief, in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte samen met anderen de onder 1 tenlastegelegde diefstal met geweld heeft gepleegd en baseert zich daarbij op de aangiften, de verklaring van medeverdachte [medeverdachte 1] , de politiemutatie van 30 september 2011 en de DNA-match van het speeksel op de borst van aangeefster met het DNA van verdachte. Ook de onder 2 tenlastegelegde woninginbraak acht de officier van justitie wettig en overtuigend bewezen. Zij baseert zich daarbij op de aangifte en het proces-verbaal dactyloscopische individualisatie, waaruit naar voren komt dat er een vingerafdruk van verdachte op een glasscherf in de sponning van het raam is aangetroffen. De onder 3 tenlastegelegde bedrijfsinbraak acht de officier van justitie eveneens wettig en overtuigend bewezen. Zij baseert zich daarbij op de aangifte, het proces-verbaal dactyloscopische individualisatie, waaruit naar voren komt dat er een vingerafdruk van verdachte op de voorzijde van de kozijnstijl van de achterdeur is aangetroffen en de bekennende verklaring van verdachte.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging refereert zich ten aanzien van de bewezenverklaring van de tenlastegelegde feiten aan het oordeel van de rechtbank. Verdachte heeft verklaard dat hij zich niet kan herinneren dat hij bij de onder 1 en 2 tenlastegelegde feiten betrokken is geweest. Het onder 3 tenlastegelegde feit wordt door verdachte bekend.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

Feit 1

In de nacht van 3 op 4 oktober 2011 waren mevrouw [slachtoffer 1] en haar partner de heer [slachtoffer 2] in hun woning aan [adres 1] te Baarle-Nassau. Mevrouw [slachtoffer 1] lag al op bed en zag dat haar partner om 3:30 uur naar boven kwam. Opeens hoorde zij het geluid van een ruit die werd ingeslagen. Vervolgens hoorde zij personen de trap op komen. Mevrouw [slachtoffer 1] deed haar ochtendjas aan en zag op dat moment dat er twee personen de slaapkamer binnen kwamen. Dit waren een donkere man en een lange man, die beiden een pistool hadden. De lange man schreeuwde: “Geld, sieraden, juwelen”. Mevrouw [slachtoffer 1] zag dat beide personen het pistool op haar en haar partner gericht hadden. Zij zag vervolgens dat een derde persoon de slaapkamer binnen kwam. Dit was een kleine man. Zij hoorde dat de donkere jongen riep: “Waar is mijn coke en mijn hash en wiet en sieraden en geld”. Hierna zag mevrouw [slachtoffer 1] dat de kleine man en de lange man de slaapkamer verlieten. De donkere man bleef bij mevrouw [slachtoffer 1] en haar partner in de slaapkamer. De lange man en de kleine man kwamen op een gegeven moment terug in de slaapkamer. De lange man liep naar mevrouw [slachtoffer 1] toe en hij richtte het pistool op haar. Hij schreeuwde om de sleutel van de kluis. Mevrouw [slachtoffer 1] zei tegen de lange man dat het geld in de tas beneden in de keuken lag. Zij zag dat de lange man weer naar beneden liep. Vervolgens kwam de lange man weer naar boven en hij schreeuwde om de pincode van de bankpassen. Mevrouw [slachtoffer 1] heeft de pincodes aan hem gegeven. Zij zag dat de lange man haar partner mee uit de slaapkamer sleurde. De donkere man bleef bij haar. Hij schreeuwde tegen haar dat zij op bed moest gaan liggen en dat zij haar ochtendjas open moest doen. Mevrouw [slachtoffer 1] is vervolgens op bed gaan liggen en heeft haar ochtendjas open gedaan. Mevrouw [slachtoffer 1] zag dat de donkere man haar knieën en haar handen vastbond. Ook zag zij dat de donkere man haar linkerbil en haar linkerborst kuste. Daarnaast vroeg de donkere man of hij haar mocht kussen en gaf haar vervolgens een kus op haar mond. Ook vroeg de donkere man of zij hem een kus wilde geven. Mevrouw [slachtoffer 1] heeft hem toen een kus op zijn mond gegeven. De donkere man heeft vervolgens haar benen uit elkaar gedaan. Hij zag toen een tampon zitten. Mevrouw [slachtoffer 1] vertelde hem dat zij ongesteld was1. De donkere man heeft zeker zes keer haar benen uit elkaar gedaan om te kijken of zij wel echt ongesteld was. Daarbij heeft hij tegen haar gezegd dat hij haar wilde verkrachten2.

De mannen hebben ook een kluis meegenomen met daarin onder andere zilveren munten en sieraden van de moeder van mevrouw [slachtoffer 1]34. Ook hebben zij vijf en zes Dupont aanstekers weggenomen5.

De heer [slachtoffer 2] heeft in aanvulling op de aangiften van mevrouw [slachtoffer 1] nog verklaard dat de donkere jongen riep: “ik ga over lijken, ik schiet je dood” en dat hij tijdens het schreeuwen de heer [slachtoffer 2] dreigde met het pistool. Kort hierop moest de heer [slachtoffer 2] naar een andere slaapkamer. Daar werden zijn polsen en voeten

vastgebonden. Vervolgens gingen de blanke mannen de woonkamer doorzoeken. De donkere man bleef bij mevrouw [slachtoffer 1] . Even later is de lange man terug naar boven gekomen en heeft hij de heer [slachtoffer 2] tegen zijn arm geslagen met een ijzeren staaf6.

Op 4 oktober 2011 heeft er sporenonderzoek plaatsgevonden aan de woning aan [adres 1] te Baarle-Nassau. Tijdens dit onderzoek werd gezien dat de ruit van de voordeur van deze woning kapot was. In deze ruit bevond zich een groot gat. Dit gat bevond zich ter hoogte van het opdekcilinderslot van de voordeur. Tevens werd gezien dat de voordeur op een kierstand openstond7.

Medeverdachte [medeverdachte 1] heeft verklaard dat er, onder andere, een kluis met antiek zilverwaar en oude munten, Dupont aanstekers en een tas met portemonnees met inhoud zijn weggenomen8.

Op basis van bovenstaande bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat er op 4 oktober 2011 door drie mannen uit een woning gelegen aan het [adres 1] te Baarle-Nassau door middel van geweld en bedreiging met geweld een aantal goederen van aangevers [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] zijn weggenomen.

De rechtbank zal thans beoordelen of er voldoende wettig en overtuigend bewijs aanwezig is om verdachte als één van de daders van deze woningoverval aan te merken. Daartoe wijst de rechtbank op het volgende.

Van één van de daders van dit feit, de donkere man, is een compositietekening gemaakt. Mevrouw [slachtoffer 1] heeft tegenover de politie aangegeven dat de donkere man heel goed leek op de gemaakte compositietekening9.

Medeverdachte [medeverdachte 1] heeft tegenover de Belgische politie verklaard dat hij dit feit samen met [medeverdachte 2] en een donkere man met een bril heeft gepleegd. Deze mannen heeft hij in de [straatnaam] in Tilburg opgehaald. Verder heeft hij verklaard dat de man op de compositietekening één van deze mannen was. De algemene trekken op deze compositietekening zijn volgens [medeverdachte 1] juist. Daarnaast heeft [medeverdachte 1] verklaard dat hij omstreeks de dag van de overval op de [straatnaam] samen met [medeverdachte 2] en de donkere man met de bril door de politie is gecontroleerd. Zij hebben toen hun identiteitskaarten overhandigd en het verhaal opgehangen dat ze daar met een taxi waren10. Op 30 september 2011 hebben verbalisanten gemuteerd dat zij die dag omstreeks 3:30 uur op de Perosistraat drie mannen hebben gecontroleerd die kwamen vanuit het hofje aan de [straatnaam] . Bij controle bleek het te gaan om [medeverdachte 2] , [medeverdachte 1] en verdachte. De mannen gaven tegenover de verbalisanten aan dat zij zojuist met de taxi waren afgezet11.

Medeverdachte [medeverdachte 2] heeft verklaard dat verdachte een vroegere buurjongen van hem was. Hoewel [medeverdachte 2] zich niet kan herinneren dat hij op 30 september 2011 door de politie samen met verdachte en [medeverdachte 1] naar hun identiteitsbewijs is gevraagd, geeft hij aan dat hij die dag misschien wel samen met verdachte was en dat hij met hem is staande gehouden12.

Verdachte heeft verklaard dat hij [medeverdachte 2] kent. Ze woonden bij elkaar in de buurt en hebben bij elkaar op school gezeten13.

Op 4 oktober 2011 werd bij mevrouw [slachtoffer 1] een sporenonderzoek verricht aan haar lichaam. Bij dit onderzoek werd gebruik gemaakt van een onderzoeksset zedendelicten14. De onderzoeksset werd voorzien van het nummer ZAAC0892NL15. De bemonsteringen met als opschriften “l. tepel droog” en “l. tepel nat” uit de onderzoeksset zedendelicten ZAAC0892NL van het slachtoffer [slachtoffer 1] zijn door het Nederlands Forensisch Instituut onderzocht op de aanwezigheid van speeksel. Hierbij is in genoemde bemonsteringen een aanwijzing verkregen voor de aanwezigheid van speeksel. Uit het celmateriaal in de bemonsteringen “l. tepel nat” en “l. tepel droog” zijn DNA-profielen verkregen16. Deze DNA-profielen matchen met het DNA-profiel van verdachte. Dit betekent dat het celmateriaal in deze bemonsteringen afkomstig kan zijn van verdachte. De kans dat het DNA- profiel van een willekeurig gekozen man macht met deze DNA- profielen is kleiner dan één op één miljard17.

Op basis van de resultaten uit het onderzoek naar de onderzoeksset zedendelicten gaat de rechtbank ervan uit dat vlak nadat het feit is gepleegd speeksel van verdachte op de linkertepel van mevrouw [slachtoffer 1] is aangetroffen. Verdachte heeft hiervoor geen plausibele verklaring gegeven.

Gelet op bovenstaande bewijsmiddelen acht de rechtbank voldoende wettig en overtuigend bewezen dat verdachte één van de daders is geweest van de diefstal met geweld, zoals onder 1 ten laste is gelegd. Dat hij zich dit feit niet kan herinneren en wellicht onder invloed van drugs is geweest, leidt niet tot een ander oordeel.

Feit 2

Op 8 februari 2011 werd er ingebroken in de woning van [slachtoffer 3] aan de [adres 2] te Tilburg. Men heeft met een steen de ruit rechts naast de voordeur ingegooid. Men is waarschijnlijk door het daardoor ontstane gat naar binnen gegaan. Vanuit de woonkamer heeft men een tv, merk Samsung weggenomen en een afstandsbediening18.

Op 9 februari 2011 heeft er forensisch onderzoek plaatsgevonden aan de woning gelegen aan de [adres 2] te Tilburg. Uit dit onderzoek is naar voorgekomen dat met een steen de ruit van het raam naast de voordeur is ingeslagen/ingegooid. Op een glasscherf in de sponning van dit raam werd een onbekende dacty-greep veiliggesteld. Dit dacty-spoor kreeg als SIN nummer AADA2100NL19. Het onderzoek naar het spoor met SIN nummer AADA2100NL heeft geleid tot individualisatie van het spoor op een persoon geregistreerd in Havank, te weten verdachte20.

De rechtbank acht op basis van deze bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder 2 ten laste gelegde woninginbraak heeft gepleegd. Dat hij zich dit feit (eveneens) niet kan herinneren, leidt niet tot een ander oordeel. Daarbij geldt ook hiervoor dat verdachte geen plausibele verklaring heeft gegeven voor het aantreffen van zijn vingerafdruk op een glasscherf van de ruit naast de voordeur.

Feit 3

Aangezien verdachte ten aanzien van feit 3 een bekennende verklaring heeft afgelegd en ter zake daarvan geen vrijspraak is bepleit, zal worden volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen als bedoeld in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering en acht de rechtbank dat feit wettig en overtuigend bewezen, gelet op:

- de bekennende verklaring van verdachte21;

- de aangifte van [aangever namens bedrijf] , namens [bedrijf]22.

4.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1.

hij op of omstreeks 04 oktober 2011 te Baarle-Nassau tezamen en in vereniging

met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke

toe-eigening uit een woning (gelegen aan het [adres 1] ) heeft weggenomen

onder andere een kluis (inhoudende onder andere een hoeveelheid sieraden en/of

munten en/of aanstekers) en/of een tas (met inhoud) en/of pincodes in elk

geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1] en/of

[slachtoffer 2] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte

en/of zijn mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld

en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 1] en/of

[slachtoffer 2] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te

bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan

zichzelf en/of aan zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken,

hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke

bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat hij, verdachte en/of zijn

mededaders

- de ruit van de voordeur van de woning heeft verbroken en/of

- die woning is binnengedrongen en/of

- de slaapkamer -waar die [slachtoffer 1] en/of die [slachtoffer 2] zich bevonden- is

binnengedrongen en/of

- een of meer vuurwapens en/of een mes en/of een loden pijp/ijzeren staaf op

die [slachtoffer 1] en/of die [slachtoffer 2] heeft gericht en/of

- die [slachtoffer 1] en/of die [slachtoffer 2] (telkens) dreigend heeft toegevoegd: "Geld,

sieraden, juwelen" en/of "Waar is mijn coke en mijn hash en wiet en sieraden

en geld" en/of "De sleutel van de kluis" en/of "Ik ga over lijken, ik schiet

je dood", althans (telkens) woorden van soortgelijke dreigende aard en/of

strekking en/of

- die [slachtoffer 1] heeft gedwongen op bed te gaan liggen en/of

- die [slachtoffer 1] heeft gedwongen haar ochtendjas open te maken en/of

- de knieen en/of de handen van die [slachtoffer 1] heeft vastgebonden en/of

- de bil en/of borst van die [slachtoffer 1] heeft gekust en/of

- die [slachtoffer 1] heeft gedwongen op zijn mond te kussen en/of

- de benen van die [slachtoffer 1] meermalen uit elkaar heeft gedaan en/of

- die [slachtoffer 1] dreigend heeft toegevoegd dat hij haar wilde verkrachten en/of

- die [slachtoffer 2] heeft gedwongen naar een andere kamer te gaan en/of

- de polsen en/of de voeten van die [slachtoffer 2] heeft vastgebonden en/of

- die [slachtoffer 2] met een loden pijp ijzeren staaf tegen zijn arm heeft

geslagen;

2.

hij op of omstreeks 08 februari 2011 te Tilburg tezamen en in vereniging met

een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke

toe-eigening in/uit een woning (gelegen aan de [adres 2] ) heeft

weggenomen een TV (merk Samsung) en/of een afstandsbediening, in elk geval

enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 3] , in elk geval

aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij

verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs

heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun

bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking en/of

inklimming;

3.

hij in of omstreeks de periode van 30 juni 2011 tot en met 4 juli 2011 te

Tilburg tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met

het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een bedrijfspand heeft

weggenomen onder andere een beeldscherm en/of handgereedschap en/of een

Senseo, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [bedrijf]

in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn

mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de

plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen

goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak,

verbreking en/of inklimming;

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van zes jaar met aftrek van het voorarrest. Zij is van mening dat, gelet op het bepaalde in artikel 77b van het Wetboek van Strafrecht, toepassing moet worden gegeven aan het volwassenstrafrecht gelet op de ernst van de feiten, de persoonlijkheid van verdachte en de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging verzoekt om in afwijking van de eis van de officier van justitie en het advies van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna te noemen: de raad), geen toepassing te geven aan artikel 77b van het Wetboek van Strafrecht. Verdachte was ten tijde van de feiten nog geen 18 jaar oud. Daarbij volgt uit de jurisprudentie dat er maar in weinig zaken toepassing wordt gegeven aan artikel 77b van het Wetboek van Strafrecht. Dit gebeurt enkel bij ernstige levensdelicten. In het onderhavige geval is hiervan geen sprake. Ook de persoonlijkheid van verdachte noopt niet tot toepassing van dit artikel. Volgens het rapport van de ForCA is verdachte namelijk nog kinderlijk. Daarbij heeft de ForCa toepassing van artikel 77b van het Wetboek van Strafrecht niet geadviseerd. De verdediging verzoekt dan ook om, conform de leeftijd van verdachte ten tijde van het plegen van de feiten, het jeugdstrafrecht toe te passen en hierbij aan te sluiten bij de straf die aan medeverdachte [medeverdachte 2] is opgelegd. Verder geeft de verdediging aan dat er in deze zaak te weinig informatie is om te komen tot oplegging van een PIJ-maatregel. Daarbij is het de vraag of deze maatregel in het belang is van een zo gunstig mogelijke ontwikkeling van verdachte. Voorts verzoekt de verdediging bij het opleggen van de straf rekening te houden met het feit dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor een misdrijf. De verdediging verzoekt om aan verdachte een deels voorwaardelijke jeugddetentie op te leggen met een proeftijd van één of twee jaar.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Verdachte heeft, naast een woninginbraak en een bedrijfsinbraak, samen met anderen een woningoverval gepleegd. Bij deze woningoverval zijn de slachtoffers vastgebonden en bedreigd met vuurwapens. Het mannelijke slachtoffer is met een ijzeren staaf geslagen en het vrouwelijke slachtoffer is door verdachte op haar bil en borst gekust en is gedwongen om hem op zijn mond te kussen. Daarbij heeft verdachte meerdere keren haar benen gespreid en dreigend tegen haar gezegd dat hij haar wilde verkrachten.

De rechtbank realiseert zich dat een op deze manier uitgevoerde woningoverval voor de slachtoffers een afschuwelijke ervaring moet zijn geweest. De slachtoffers zijn ´s nachts in hun eigen huis, een plek waar ze zich veilig waanden, op een grove wijze overvallen. Daarbij geldt dat als het vrouwelijke slachtoffer op dat moment niet ongesteld was geweest, het door toedoen van verdachte veel erger met haar had kunnen aflopen. Uit de schriftelijke slachtofferverklaringen van de slachtoffers komt naar voren dat ze die nacht enorm bang zijn geweest en dat ze zich hebben afgevraagd of ze het er wel levend van af zouden brengen. Ook hebben zij aangegeven dat deze gebeurtenis hun leven heeft veranderd. De slachtoffers staan minder onbevangen in het leven dan voorheen. Verdachte heeft met het plegen van dit feit getoond dat hij bereid en in staat is om op een ingrijpende manier inbreuk te maken op andermans privésfeer, eigendom en lichamelijke integriteit. Hij heeft dit gedaan met het oog op het verkrijgen van geld, goederen en seksuele behoeftebevrediging. Daarbij heeft hij kennelijk in het geheel niet stilgestaan bij de ernstige gevolgen voor de slachtoffers. De rechtbank neemt verdachte dit zeer kwalijk.

Ook de woninginbraak en de bedrijfsinbraak wordt verdachte door de rechtbank kwalijk genomen. Deze feiten hebben niet alleen de nodige materiële schade veroorzaakt, maar ook, voor wat betreft de woninginbraak, een inbreuk gemaakt op de privacy van de bewoners. De bewoners zullen zich naar verwachting minder veilig voelen in hun woning dan voorheen.

Naast de ernst van de feiten heeft de rechtbank bij de bepaling van de straf rekening gehouden met het strafblad van verdachte. Hieruit blijkt dat verdachte niet eerder voor soortgelijke feiten is veroordeeld. Wel is hij twee keer veroordeeld ter zake van overtredingen van de Leerplichtwet.

Verder heeft de rechtbank bij de bepaling van de straf rekening gehouden met het feit dat verdachte niet mee heeft willen werken aan de onderzoeken door psychiater Van der Lugt, psycholoog Ameling en bij de ForCa. Hierdoor is er geen zicht verkregen op de persoonlijkheid van verdachte.

Daarnaast heeft de rechtbank rekening gehouden met het rapport van 18 mei 2016 dat door de raad over verdachte is opgemaakt en de toelichting hierop ter zitting. De raad heeft aangegeven dat vanwege de weigering van verdachte om mee te werken aan de deskundige-onderzoeken geen zicht is gekomen op het psychisch functioneren van verdachte en op de voor hem gedragsbepalende factoren. Hierdoor kunnen er geen gefundeerde uitspraken worden gedaan omtrent een eventuele noodzaak tot het aangaan van behandelinterventies en kunnen ook geen onderbouwde uitspraken worden gedaan met betrekking tot de noodzaak van een (behandelingsgericht) juridisch kader, noch kan een strafadvies worden gegeven. De raad acht het van belang dat wanneer verdachte schuldig mocht worden bevonden, een poging tot delictanalyse wordt gedaan zodat er meer zicht komt op zijn belevingswereld en mogelijk voor hem risicovolle situaties. De raad is van mening dat het volwassenstrafrecht moet worden toegepast, omdat sprake is van zeer ernstige feiten, die gepleegd zijn in het achttiende levensjaar van verdachte en waarbij een patroon van stijging in zwaarte van de feiten opvalt. De raad adviseert dan ook om aan verdachte op te leggen een deels voorwaardelijke gevangenisstraf met een proeftijd van twee jaar en met als bijzondere voorwaarde het meewerken aan een klinische behandeling/interventie welke gevolgd wordt door een ambulante behandeling, waarbij Reclassering Nederland toezicht houdt op de naleving van de bijzondere voorwaarde.

De rechtbank overweegt dat op grond van artikel 77b van het Wetboek van Strafrecht in de ernst van het feit, de persoonlijkheid van verdachte of de omstandigheden waaronder het feit is begaan, aanleiding kan worden gevonden het minderjarigenstrafrecht buiten toepassing te laten en het meerderjarigenstrafrecht toe te passen, mits aan tenminste één van deze criteria is voldaan. Verdachte was ten tijde van het plegen van de feiten 17 jaar oud. De woningoverval heeft hij één dag voor zijn achttiende verjaardag gepleegd. Verdachte is een paar dagen na dit feit naar het buitenland vertrokken en bijna vier jaar later naar Nederland teruggekomen. Hij is op dit moment 22 ½ jaar oud. Verdachte heeft niet mee willen werken aan de deskundigenonderzoeken. Hierdoor heeft hij er zelf voor gekozen om geen inzicht te geven in zijn persoonlijkheid. Voor de rechtbank is dan ook niet duidelijk geworden in hoeverre hij thans nog leerbaar is en in zijn ontwikkeling kan groeien, noch in hoeverre hiervan ten tijde van het plegen van de feiten sprake was. Daarbij heeft verdachte, ondanks de grote hoeveelheid in het dossier aanwezige bewijs van zijn betrokkenheid bij de woningoverval, hiervoor geen verantwoordelijkheid willen nemen. In plaats daarvan heeft hij gesteld dat hij zich dit feit niet meer kan herinneren. Hij heeft daarmee, mede gelet op het feit dat hij niet mee heeft willen werken aan onderzoeken naar zijn persoonlijkheid, naar het oordeel van de rechtbank een berekenende en volwassen proceshouding getoond. Daarnaast acht de rechtbank de woningoverval een zeer ernstig en volwassen misdrijf. Verdachte heeft een grote rol bij deze overval gespeeld. Hij heeft de slachtoffers met een vuurwapen bedreigd, hen dreigende woorden toegevoegd, naar goederen gevraagd en hij heeft het vrouwelijke slachtoffer vastgebonden. Daarbij heeft hij als enige van de daders zijn macht over het vrouwelijke slachtoffer nog verder misbruikt door haar aan te randen. Dit alles maakt dat de rechtbank in alle drie in artikel 77b van het Wetboek van Strafrecht genoemde criteria aanleiding ziet om in het onderhavige geval het minderjarigenstrafrecht buiten toepassing te laten en het meerderjarigenstrafrecht toe te passen.

De rechtbank is van oordeel dat de ernst van de feiten geen andere straf toelaat dan een gevangenisstraf. Zij ziet geen aanleiding om een deel hiervan voorwaardelijk op te leggen, zodat verdachte tijdens die voorwaardelijke straf kan deelnemen aan een klinische behandeling gevolgd door een ambulante behandeling, zoals door de raad is geadviseerd. Doordat verdachte heeft geweigerd mee te werken aan de deskundigenonderzoeken, is er geen zicht gekomen op zijn persoonlijkheid. Er kan dan ook niet worden gesteld dat een klinische dan wel ambulante behandeling voor hem noodzakelijk is. Wel zal de rechtbank, gelet op het beperkte strafblad van verdachte, een lagere straf opleggen dan door de officier van justitie is gevorderd. De rechtbank heeft daarbij tevens rekening gehouden met de straffen die in andere zaken voor soortgelijke feiten worden opgelegd. De rechtbank zal aan verdachte opleggen een gevangenisstraf van 5 jaar met aftrek van het voorarrest.

7 De benadeelde partij

De benadeelde partij [slachtoffer 1] vordert een schadevergoeding van € 7219,03 voor feit 1.

De rechtbank is van oordeel dat de schade tot een bedrag van € 5500,= ter zake van immateriële schade, een rechtstreeks gevolg is van dit bewezen verklaarde feit en acht verdachte aansprakelijk voor die schade. Het gevorderde acht zij tot dat bedrag voldoende aannemelijk gemaakt en zij zal de vordering tot dat bedrag toewijzen.

Voor het overige, de materiële schade, acht de rechtbank het gevorderde bedrag onvoldoende aannemelijk gemaakt, nu deze schade onvoldoende is onderbouwd. De benadeelde partij heeft slechts prints van websites overgelegd waar de aankoopprijs van de gestolen goederen staat genoemd. Zij heeft geen enkel bonnetje of aankoopbewijs van deze goederen overgelegd, waardoor de huidige waarde van de goederen niet door de rechtbank kan worden bepaald of geschat. De rechtbank zal de benadeelde partij daarom voor dat deel niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering. Voor dat deel kan de benadeelde partij haar vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

De benadeelde partij [slachtoffer 2] vordert een schadevergoeding van € 30.132,50 voor feit 1.

De rechtbank is van oordeel dat de schade tot een bedrag van € 4000,= ter zake van immateriële schade, een rechtstreeks gevolg is van dit bewezen verklaarde feit en acht verdachte aansprakelijk voor die schade. Het gevorderde acht zij tot dat bedrag voldoende aannemelijk gemaakt en zij zal de vordering tot dat bedrag toewijzen.

Voor het overige deel van de gevorderde immateriële schade acht de rechtbank het gevorderde bedrag onvoldoende aannemelijk gemaakt. Ook voor wat betreft de gevorderde materiële schade acht de rechtbank het gevorderde bedrag onvoldoende aannemelijk gemaakt, nu deze schade onvoldoende is onderbouwd. Hiervoor geldt, net als bij de benadeelde partij [slachtoffer 1] , dat de benadeelde partij ten aanzien van de materiële schade slechts prints van websites heeft overgelegd waar de aankoopprijs van de gestolen goederen staat genoemd. Ook hij heeft geen enkel bonnetje of aankoopbewijs van deze goederen overgelegd. De rechtbank zal de benadeelde partij daarom voor dat deel niet-ontvankelijk verklaren in zijn vordering. Voor dat deel kan de benadeelde partij zijn vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Met betrekking tot de toegekende vorderingen benadeelde partij zal de rechtbank tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 10, 24c, 27, 36f, 57, 63, 77b, 310, 311 en 312 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1: Diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;

feiten 2 en 3: telkens: Diefstal waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 5 jaar;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

Benadeelde partijen

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 1] van € 5500,= ter zake van immateriële schade en vermeerderd met de wettelijke rente, berekend vanaf 4 oktober 2011 tot aan de dag der algehele voldoening;

- bepaalt dat voor zover dit bedrag door één of meer mededaders is betaald, verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de benadeelde partij te betalen; (BP.20)

- verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk en bepaalt dat die vordering bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht; (BP.22)

- veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 2] van

€ 4000,= ter zake van immateriële schade en vermeerderd met de wettelijke rente, berekend vanaf 4 oktober 2011 tot aan de dag der algehele voldoening;

- bepaalt dat voor zover dit bedrag door één of meer mededaders is betaald, verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de benadeelde partij te betalen; (BP.20)

- verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk en bepaalt dat die vordering bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht; (BP.22)

- veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van de hierna te noemen slachtoffers de daarbij vermelde bedragen te betalen, en vermeerderd met de wettelijke rente, berekend vanaf 4 oktober 2011 tot aan de dag der algehele voldoening, bij niet betaling te vervangen door het daarbij vermelde aantal dagen hechtenis:

- benadeelde partij [slachtoffer 1] (feit 1), € 5500,=, 62 dagen hechtenis,

- benadeelde partij [slachtoffer 2] (feit 1), € 4000,=, 50 dagen hechtenis,

met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft; (BP04A)

- bepaalt dat voor zover deze bedragen door één of meer mededaders zijn betaald, verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de Staat te betalen;

- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd.

Dit vonnis is gewezen door mr. Meeuwisse, voorzitter, tevens kinderrechter, mr. Slot en

mr. Van Triest, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Venekamp-Vriends, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 7 juni 2016.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt -tenzij anders vermeld- bedoeld het eindproces-verbaal met dossiernummer 205A12002 Kieviet van de regionale eenheid politie Zeeland-West-Brabant, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren en doorgenummerd van 1 tot en met 1169. het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 1] , pagina’s 71, 72 en 74 van voornoemd eindproces-verbaal;

2 het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 1] , pagina 86 van voornoemd eindproces-verbaal;

3 het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 1] , pagina 74 van voornoemd eindproces-verbaal;

4 het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 1] , pagina 78 van voornoemd eindproces-verbaal

5 het proces-verbaal van bevindingen, pagina 85 van voornoemd eindproces-verbaal

6 het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 2] , pagina's 92 en 94 van voornoemd proces-verbaal;

7 het proces-verbaal sporenonderzoek van 9 oktober 2011, pagina 138 van voornoemd eindproces-verbaal;

8 het proces-verbaal van verhoor van verdachte [medeverdachte 1] , pagina 468 van voornoemd eindproces-verbaal

9 het proces-verbaal van bevindingen, pagina 85 van voornoemd eindproces-verbaal;

10 het proces-verbaal van verhoor van verdachte [medeverdachte 1] , pagina’s 461, 462, 471, 474 van voornoemd eindproces-verbaal;

11 het geschrift, te weten het mutatierapport, pagina's 372 en 373 van voornoemd eindproces-verbaal;

12 het proces-verbaal van verhoor van verdachte [medeverdachte 2] , pagina 583 van voornoemd eindproces-verbaal;

13 het proces-verbaal van verhoor van verdachte, pagina's 859 en 860 van voornoemd eindproces-verbaal;

14 het proces-verbaal sporenonderzoek, pagina 137 van voornoemd eindproces-verbaal;

15 het proces-verbaal kennisgeving van inbeslagneming, pagina 891 van voornoemd eindproces-verbaal;

16 het deskundigenverslag van het Nederlands Forensisch Instituut van 16 november 2011, pagina’s 265 en 266 van voornoemd eind-proces-verbaal;

17 het deskundigenverslag van het Nederlands Forensisch Instituut van 27 mei 2015, pagina 819.15 van voornoemd eind-proces-verbaal;

18 het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 3] , pagina 607 van voornoemd eindproces-verbaal;

19 het proces-verbaal sporenonderzoek van 9 februari 2011, pagina 616 en 617 van voornoemd eindproces-verbaal;

20 het geschrift, te weten rapport dactyloscopisch onderzoek, pagina 618 van voornoemd eindproces-verbaal;

21 de verklaring van verdachte, afgelegd ter zitting van 24 mei 2016;

22 het proces-verbaal van aangifte van [aangever namens bedrijf] , namens [bedrijf] , pagina's 625.8 en 625.9;