Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2016:3222

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
31-05-2016
Datum publicatie
31-05-2016
Zaaknummer
02/800594-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Moord/doodslag, voorbedachte rade, noodweer, noodweerexces, putatief noodweer.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats: Breda

parketnummer: 02/800594-15

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 31 mei 2016

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [geboortedag] 1957 te [geboorteplaats] ( [geboorteland] )

gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting te Middelburg, locatie Torentijd

raadsman mr. R.A. Oliemans, advocaat te Bergen op Zoom

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 17 mei 2016, waarbij de officier van justitie, mr. Van der Hofstede, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering. Verdachte staat, met inachtneming hiervan, terecht ter zake dat

feit 1

hij op of omstreeks 03 september 2015 te Roosendaal [slachtoffer] opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven heeft beroofd, door met een vuurwapen op/in de borst/rug (ter hoogte van de hartstreek), althans het bovenlichaam, van die [slachtoffer] te schieten;

subsidiair, althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 03 september 2015 te Roosendaal [slachtoffer] opzettelijk van het leven heeft beroofd, door met een vuurwapen op/in de borst/rug (ter hoogte van de hartstreek), althans het bovenlichaam, van die [slachtoffer] te schieten;

feit 2

hij op of omstreeks 03 september 2015 te Roosendaal een wapen van categorie III onder 1, te weten een pistool (ZCZ, model 70), voorhanden heeft gehad;

feit 3

hij op of omstreeks 03 september 2015 te Roosendaal (een) wapen(s) van categorie I onder 7°, te weten een luchtdrukwapen en/of een gasaansteker, zijnde (een) voorwerp(en) dat/die voor wat betreft zijn/hun vorm en afmetingen een sprekende gelijkenis vertoonde(n) met (een) vuurwapen(s) en/of met (een) voor ontploffing bestemde voorwerp(en) voorhanden heeft gehad.

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte op 3 september 2015 [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer] ) van het leven heeft beroofd. Hij baseert zich daarbij – kortweg – op de processen-verbaal van bevindingen waarin de meldingen van het schietincident bij alarmnummer 112 zijn gerelateerd, de processen-verbaal van bevindingen van de verbalisanten die ter plaatse zijn geweest, het proces-verbaal van aanhouding van verdachte, de onderzoeksresultaten van het Nederlands Forensisch Instituut (hierna: het NFI), de getuigenverklaringen van [naam echtgenote slachtoffer] en [getuige] , alsmede de bekennende verklaring die verdachte bij de politie heeft afgelegd.

De officier van justitie is van mening dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte heeft gehandeld met voorbedachte raad, zodat feit 1 primair bewezen kan worden verklaard. De officier van justitie wijst in dit verband op de verklaring van [naam echtgenote slachtoffer] . Zij heeft gezien dat haar echtgenoot – het latere slachtoffer [slachtoffer] – zich omdraaide om het tuinpad van de woning van verdachte weer af te lopen, waarna [naam echtgenote slachtoffer] verdachte de deur uit zag komen en op [slachtoffer] zag schieten. Haar verklaring past bij de verklaring van [getuige] , alsmede bij de bevindingen van het NFI. Voorts baseert de officier van justitie zich in dit verband op de verklaring die verdachte heeft afgelegd bij de rechter-commissaris.

Op grond van voornoemde bewijsmiddelen gaat de officier van justitie er vanuit dat verdachte in zijn woning het wapen heeft gepakt, de patroonhouder erin heeft gestopt en het wapen heeft doorgeladen. Vervolgens heeft verdachte zijn voordeur geopend en [slachtoffer] , die op dat moment het tuinpad van de woning van verdachte opliep, op borsthoogte in zijn rug geschoten. De officier van justitie acht het daarbij aannemelijker dat [slachtoffer] , toen hij het wapen bij verdachte zag, zich heeft willen afweren en omdraaien om het tuinpad weer af te lopen, dan dat [slachtoffer] een vechthouding zou hebben aangenomen en om die reden een rondje draaide, zoals verdachte in latere verklaringen heeft aangegeven.

De officier van justitie acht voorts wettig en overtuigend bewezen dat verdachte een vuurwapen van de derde categorie van de Wet wapens en munitie voorhanden heeft gehad, alsmede twee imitatiewapens. De officier van justitie baseert zich daarbij op de processen-verbaal van bevindingen met betrekking tot het aantreffen van deze wapens in de woning van verdachte, het proces-verbaal Wapens, Munitie en Explosieven en de bekennende verklaring die verdachte bij de politie heeft afgelegd.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van moord, maar hooguit van doodslag, zoals subsidiair is ten laste gelegd. Verdachte dient echter in geval van doodslag te worden ontslagen van alle rechtsvervolging, aangezien er sprake is van (putatief) noodweer(exces). De verdediging legt daaraan – kortweg – het volgende ten grondslag.

[slachtoffer] was eerder die dag bij verdachte aan de deur gekomen en heeft daarbij bedreigingen geuit. Verdachte is daarop met een wapen naar buiten gegaan om zijn vrouw en kind te beschermen die ieder moment thuis konden komen. Toen [slachtoffer] voor de tweede keer boos en geagiteerd op verdachte af kwam, heeft verdachte eerst naar [slachtoffer] geroepen dat hij zijn hond zou laten komen. Ondanks dit dreigement bleef [slachtoffer] schreeuwend op verdachte afkomen en hij probeerde verdachte bij zijn kraag te vatten. [slachtoffer] kwam op verdachte over alsof hij wilde vechten en hield daarbij één hand in zijn zak alsof hij daar iets in had zitten. Toen verdachte constateerde dat hij zich niet meer tijdig in zijn woning kon verschansen, omdat [slachtoffer] sneller bij hem was, heeft hij [slachtoffer] zijn wapen getoond. Toen ook dit dreigement geen effect had en [slachtoffer] op verdachte bleef afkomen, heeft verdachte het noodlottige schot gelost. Verdachte kon geen kant meer op en stond op het moment dat hij schoot op één meter afstand van [slachtoffer] . Verdachte heeft het wapen ter hand genomen om te dreigen. Er was geen sprake van een situatie waarbij verdachte zich willens en wetens had voorgenomen om [slachtoffer] te doden. Verdachte wilde zijn aanrander tegenhouden en schoot om die reden [slachtoffer] in de borst.

Voor wat betreft de bewezenverklaring ten aanzien van het ongeoorloofde wapenbezit refereert de verdediging zich aan het oordeel van de rechtbank.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

feit 1

Op 3 september 2015 omstreeks 17.00 uur ontving de Gemeenschappelijke Meldkamer Midden- en West-Brabant meerdere 112-meldingen over een schietpartij aan de [adres] te Roosendaal (hierna: de woning)1. Ter plaatse trof de politie op het tuinpad, liggend op ongeveer anderhalve meter van de voordeur van de woning2, een man aan die werd gereanimeerd door een vrouw3. Op het balkon van de woning zag de politie een man staan en zij hoorden hem roepen4. De man hield in zijn rechterhand een op een vuurwapen gelijkend voorwerp vast5. De politie heeft vervolgens het slachtoffer vanaf het tuinpad verplaatst naar de Hobbemastraat waar de politie de reanimatie heeft overgenomen6 in afwachting van de ambulance7. Tijdens de reanimatie heeft de politie geconstateerd dat het slachtoffer in zijn borstkas, ter hoogte van zijn hart, een klein gaatje had en ook op de rugzijde van het slachtoffer werd een klein gaatje waargenomen8. De inmiddels gearriveerde trauma-arts heeft vastgesteld dat het slachtoffer was overleden9.

Bij de sectie op het lichaam van het slachtoffer is gebleken dat hij is overleden door verwikkelingen ten gevolge van inwerking van uitwendig mechanisch perforerend geweld, te weten een doorschot door de borstkas links. Het slachtoffer bleek [slachtoffer] te zijn en de vrouw die bij [slachtoffer] was aangetroffen, bleek zijn echtgenote [naam echtgenote slachtoffer] te zijn10.

Tijdens de reanimatie van [slachtoffer] heeft de meldkamer een 112-melding ontvangen van verdachte11. In dit telefoongesprek met de meldkamer gaf verdachte aan dat hij op iemand had geschoten en zich wilde aangeven. Verdachte heeft vervolgens op aangeven van de meldkamer zijn wapen in de keuken gelegd12 en is naar buiten gekomen waar hij door de politie is aangehouden13.

Kort voor voornoemde gebeurtenissen – omstreeks 16.15 uur – had mevrouw [naam buurvrouw] , de buurvrouw van verdachte, gebeld met [slachtoffer]14. [naam buurvrouw] vertelde hem dat zij zojuist van haar advocaat had vernomen dat door de echtgenote van verdachte aangifte tegen haar was gedaan en zij was hierdoor overstuur. [slachtoffer] gaf daarop aan dat zijn vrouw, [naam echtgenote slachtoffer] , wel bij [naam buurvrouw] langs zou komen15. [slachtoffer] zei ook dat het zo niet langer kon doorgaan en dat er gepraat moest worden met die mensen16. [slachtoffer] en [naam echtgenote slachtoffer] zijn de achterburen van [naam buurvrouw] . [naam echtgenote slachtoffer] arriveerde vijf minuten later bij [naam buurvrouw]17. Rond 16.30 uur verscheen ook [slachtoffer] bij [naam buurvrouw] aan de deur18. [slachtoffer] vertelde dat hij bij verdachte aan de deur was geweest om het verhaal aan te horen, maar dat er niemand thuis was. [naam buurvrouw] merkte op dat ze dat vreemd vond, waarop [slachtoffer] aangaf nog een keer langs te gaan. [naam echtgenote slachtoffer] liep vervolgens achter [slachtoffer] aan in de richting van verdachtes woning19. [slachtoffer] is richting de voordeur van verdachtes woning gelopen en vervolgens zag [naam echtgenote slachtoffer] dat verdachte in de deuropening stond20.

[naam buurvrouw] hoorde verdachte schreeuwen: ‘Wat wil je! Wat moet je!’, waarna zij [slachtoffer] hoorde schreeuwen: ‘Ik wil alleen met je praten!’21. [naam echtgenote slachtoffer] zag dat verdachte een wapen in zijn hand had, dat hij het wapen voor zich uitstrekte in de richting van [slachtoffer] en een schot loste waarna [slachtoffer] voorover viel met zijn gezicht op de tegels22.

Getuige [getuige] heeft verklaard dat zij op weg was naar de speeltuin toen zij zag dat [slachtoffer] naar de voordeur van de woning van verdachte liep. Zij hoorde verdachte zeggen ‘ga weg of ik haal mijn hond’. Zij hoorde [slachtoffer] zeggen: ‘laat maar komen’ of woorden van gelijke strekking23. Zij zag dat verdachte in de deuropening stond. Toen [getuige] ter hoogte van het tuinpad van de woning van verdachte was, zag ze dat verdachte een wapen vasthield en dat hij vervolgens vanuit de deuropening op [slachtoffer] schoot24.

Op het tuinpad aan de rechterzijde werd op een afstand van ongeveer twee meter van het portiek een bloedvlek met een doorsnede van ongeveer 20 centimeter aangetroffen. Op de overgang van de stoeptegels van het tuinpad naar het portiek werd een verschoten huls aangetroffen25.

Verdachte heeft bij zijn inverzekeringstelling op 4 september 2015 verklaard dat hij één keer heeft geschoten. Het was de tweede keer dat [slachtoffer] voor zijn deur stond. De tweede keer zag verdachte hem aankomen. Hij liep snel op verdachte af. Verdachte heeft toen zijn pistool gepakt en klaar gemaakt. Hij heeft het pistool in zijn achterzak gestoken. Verdachte verklaart vervolgens: ‘Ik wilde de angst omdraaien, dat hij bang zou worden van mij in plaats van ik van hem. Dat wilde ik doen door hem het vuurwapen te laten zien. Ik heb geschoten omdat hij ging bewegen.26

Tijdens zijn eerste verhoor door de politie heeft verdachte verklaard dat hij zag dat de man, die hij heeft neergeschoten, snel naar hem toe kwam gelopen. Verdachte heeft vervolgens zijn pistool uit een oude jas uit een kast onder de trap gepakt. Het pistool was niet geladen. Verdachte heeft het magazijn, dat ook los in de jaszak zat, in het pistool gestopt en vervolgens heeft hij het pistool geladen. Verdachte heeft verklaard dat hij daarna de deur open deed en zag dat de man een meter voor zijn voordeur stond. Vervolgens heeft verdachte het pistool gepakt, met twee handen vastgehouden en heeft hij één keer op de man geschoten27.

Op grond van voornoemde bewijsmiddelen kan worden vastgesteld dat het verdachte is geweest die eenmaal op [slachtoffer] heeft geschoten en daardoor een schotwond door het hart van [slachtoffer] heeft veroorzaakt, ten gevolge waarvan [slachtoffer] is komen te overlijden.

De rechtbank baseert zich voor de bewezenverklaring – onder meer – op de verklaringen die verdachte op 4 september 2015 heeft afgelegd. De verklaringen die verdachte bij de rechter-commissaris in het kader van zijn inverzekeringstelling en diezelfde dag bij de politie heeft afgelegd, komen de rechtbank het meest authentiek voor omdat ze direct na het incident zijn afgelegd en ook in één lijn liggen met elkaar, en met die van de (oog)getuigen [getuige] en [naam echtgenote slachtoffer] . Het later door verdachte naar voren gebrachte scenario, dat hij ter bescherming van zijn echtgenote en dochter naar buiten is gegaan en het tuinpad is afgelopen en toen opnieuw werd geconfronteerd met [slachtoffer] , die versneld op hem af kwam, waarna verdachte geen kant meer op kon en uiteindelijk schoot, vindt daarentegen geen steun in de bewijsmiddelen en wordt om die reden door de rechtbank buiten beschouwing gelaten.

De juridische kwalificatie: moord of doodslag?

Voor een bewezenverklaring van het voor moord vereiste bestanddeel ‘voorbedachte raad’ moet komen vast te staan dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en dat hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven.

Bij de vraag of sprake is van voorbedachte raad gaat het bij uitstek om een weging en waardering van de omstandigheden van het concrete geval door de rechter, waarbij deze het gewicht moet bepalen van de aanwijzingen die voor of tegen het bewezen verklaren van voorbedachte raad pleiten. De vaststelling dat verdachte voldoende tijd had om zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit vormt weliswaar een belangrijke objectieve aanwijzing dat met voorbedachte raad is gehandeld, maar behoeft de rechter niet ervan te weerhouden aan contra-indicaties een zwaarder gewicht toe te kennen. Daarbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan de omstandigheid dat de besluitvorming en uitvoering in plotselinge hevige drift plaatsvinden, dat slechts sprake is van een korte tijdspanne tussen besluit en uitvoering of dat de gelegenheid tot beraad eerst tijdens de uitvoering van het besluit ontstaat. Zo kunnen bepaalde omstandigheden (of een samenstel daarvan) de rechter uiteindelijk tot het oordeel brengen dat de verdachte in het gegeven geval niet met voorbedachte raad heeft gehandeld.

Mede met het oog op het strafverzwarende gevolg dat dit bestanddeel heeft moeten aan de vaststelling dat de voor voorbedachte raad vereiste gelegenheid heeft bestaan, bepaaldelijk eisen worden gesteld en dient de rechter, in het bijzonder indien de voorbedachte raad niet rechtstreeks uit de bewijsmiddelen volgt, daaraan in zijn motivering van de bewezenverklaring nadere aandacht te geven (zie in dit verband HR 28 februari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BR2342, NJ 2012/518).

Op grond van de bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat verdachte, pas toen hij [slachtoffer] voor de tweede keer over het tuinpad naar zijn woning zag komen lopen, zijn pistool heeft gepakt, dit schietklaar heeft gemaakt, de deur heeft geopend, aanvankelijk met de bedoeling om [slachtoffer] met het wapen angst aan te jagen, zo blijkt uit verdachtes verklaring bij de rechter-commissaris, en na een korte woordenwisseling, toen [slachtoffer] kennelijk niet onmiddellijk reageerde zoals verdachte verwachtte, gericht en van zeer nabij vanuit de deuropening heeft geschoten op borsthoogte van [slachtoffer] , die inmiddels de voordeur van verdachtes woning had bereikt en door dat schot, zoals te verwachten viel, dodelijk werd verwond.

Dat verdachte het wapen niet eerder heeft gepakt, leidt de rechtbank – behalve uit de verklaring van verdachte – af uit het feit dat verdachte, tot het moment dat hij [slachtoffer] voor de tweede keer aan zag komen lopen over het tuinpad, geen enkele aanleiding had om te veronderstellen dat [slachtoffer] nogmaals bij hem langs zou komen en er voor hem dus niet eerder een reden was om zich met het oog op een te verwachten confrontatie van een wapen te voorzien.

Deze gebeurtenissen zijn zo snel op elkaar gevolgd dat, naar het oordeel van de rechtbank, van kalm beraad en het zich rekenschap geven van de betekenis van de gevolgen van zijn voorgenomen daad, geen sprake kan zijn geweest.

Nu de rechtbank heeft vastgesteld dat het verdachte aan voldoende tijd heeft ontbroken om zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit, kan van voorbedachte raad geen sprake zijn geweest. Dit betekent dat het onder feit 1 primair tenlastegelegde, te weten moord, niet wettig en overtuigend kan worden bewezen. De rechtbank zal verdachte daarvan vrijspreken.

De door verdachte verrichte gedragingen, te weten van zeer korte afstand met een vuurwapen op borsthoogte een schot lossen, zijn naar het oordeel van de rechtbank naar haar aard en uiterlijke verschijningsvorm zo zeer gericht op de dood dat het niet anders kan dan dat verdachte door zijn handelen willens en wetens de aanmerkelijke kans op de dood van [slachtoffer] heeft aanvaard. Het onder 1 subsidiair ten laste gelegde, doodslag, kan dan ook wettig en overtuigend worden bewezen.

feit 2 en feit 3

Aangezien verdachte ten aanzien van de feiten 2 en 3 een bekennende verklaring heeft afgelegd en ter zake daarvan geen vrijspraak is bepleit, zal worden volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen als bedoeld in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering en acht de rechtbank dat feit wettig en overtuigend bewezen, gelet op:

- de bekennende verklaring van verdachte afgelegd tijdens de zitting van 17 mei 201628;

- het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [naam verbalisant]29;

- het proces-verbaal van de Unit Forensisch Technisch Onderzoek30;

- het proces-verbaal Wapens en Munitie en Explosieven31.

4.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

feit 1 subsidiair

hij op of omstreeks 03 september 2015 te Roosendaal [slachtoffer] opzettelijk van het leven heeft beroofd, door met een vuurwapen op/in de borst/rug (ter hoogte van de hartstreek), althans het bovenlichaam, van die [slachtoffer] te schieten;

feit 2

hij op of omstreeks 03 september 2015 te Roosendaal een wapen van categorie III onder 1, te weten een pistool (ZCZ, model 70), voorhanden heeft gehad;

feit 3

hij op of omstreeks 03 september 2015 te Roosendaal (een) wapen(s) van categorie I onder 7°, te weten een luchtdrukwapen en/of een gasaansteker, zijnde (een) voorwerp(en) dat/die voor wat betreft zijn/hun vorm en afmetingen een sprekende gelijkenis vertoonde(n) met (een) vuurwapen(s) en/of met (een) voor ontploffing bestemde voorwerp(en) voorhanden heeft gehad.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

Door de verdediging is een beroep gedaan op (putatief) noodweer(exces). Aan dat verweer is ten grondslag gelegd dat verdachte, nadat [slachtoffer] voor de eerste keer bij hem aan de deur was geweest, naar buiten is gegaan om de thuiskomst van zijn echtgenote en dochter af te wachten en dat hij toen opnieuw werd geconfronteerd met [slachtoffer] die versneld op hem af kwam lopen met een hand in zijn zak alsof hij daar een wapen in te verbergen had. Verdachte was naar eigen zeggen niet meer in staat om de veiligheid van zijn woning op te zoeken, zodat hij wel moest schieten.

Wil er sprake zijn van noodweer dan dient allereerst vast te komen staan dat sprake is geweest van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van, in dit geval, verdachte. Ook een onmiddellijk dreigend gevaar voor een dergelijke aanranding wordt beschouwd als een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding. Daarbij geldt dat uit objectieve omstandigheden moet kunnen worden afgeleid dat iemand daadwerkelijk op het punt staat om tot de aanval over te gaan. Dit betekent ook dat een beroep op noodweer niet kan worden aanvaard ingeval de gedraging van degene die zich op deze exceptie beroept, noch op grond van diens bedoeling noch op grond van de uiterlijke verschijningsvorm van de gedraging, kan worden aangemerkt als verdedigend, maar – naar de kern bezien – als aanvallend, bijvoorbeeld gericht op een confrontatie of deelneming aan een gevecht. In zo een geval kan ook een beroep op noodweerexces of op putatief noodweer niet slagen (zie in dit verband HR 9 juni 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK4788, NJ 2010/339).

De lezing van verdachte, die aan het beroep op (putatief) noodweer(exces) ten grondslag is gelegd, neemt de rechtbank niet over. De rechtbank heeft hierboven op basis van de bewijsmiddelen vastgesteld dat de feitelijke gang van zaken aldus is geweest dat verdachte het slachtoffer voor de tweede keer naar zijn woning heeft zien komen, vervolgens zijn pistool heeft gepakt en dat schietklaar heeft gemaakt, de deur heeft geopend en na een korte woordenwisseling het slachtoffer heeft neergeschoten. Deze gedragingen worden door de rechtbank aangemerkt als aanvallend, verdachte had immers ook binnen in zijn woning kunnen blijven en de deur dicht kunnen laten toen hij [slachtoffer] het tuinpad op zag komen lopen, en getuigen op geen enkele wijze van een verdediging tegen (een dreiging van) een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding. Bovendien was verdachtes handelen ook aanvallend bedoeld. Dit leidt de rechtbank af uit de door de verdachte bij de rechter-commissaris afgelegde verklaring waarin hij heeft aangegeven dat hij de angst wilde omdraaien. De rechtbank verwerpt dan ook het beroep op noodweer, noodweerexces en putatief noodweer.

Er zijn ook overigens geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

Verdachte is strafbaar, omdat ook overigens niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 18 jaar.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging verzoekt de rechtbank om bij het opleggen van een straf rekening te houden met de bedreigende situatie waarin verdachte verkeerde op 3 september 2015 en met de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Verdachte is een zieke man, ouder dan zijn kalenderleeftijd, die spijt heeft van hetgeen er is gebeurd. Verdachte heeft geen relevant strafblad en er bestaat geen vrees voor herhaling.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Verdachte heeft zich op 3 september 2015 schuldig gemaakt aan doodslag op zijn 51 jaar oude achterbuurman [slachtoffer] door hem door zijn hart te schieten met een vuurwapen. Doodslag wordt in ons strafrechtstelsel beschouwd als een van de ernstigste misdrijven. Een dergelijke daad schokt de rechtsorde in hoge mate en brengt ook buiten de directe omgeving van het slachtoffer angst en gevoelens van onveiligheid teweeg. Het nemen van een leven van een ander is een zo ernstig strafbaar feit dat ter zake de strafoplegging in beginsel alleen een langdurige gevangenisstraf in aanmerking komt. Doorgaans worden voor het plegen van doodslag gevangenisstraffen gelegen tussen de acht en twaalf jaar opgelegd.

Voor het bepalen van de hoogte van de op te leggen gevangenisstraf in deze zaak heeft de rechtbank de navolgende omstandigheden in het nadeel van verdachte laten meewegen.

Verdachte heeft op klaarlichte dag op straat een vuurwapen gebruikt en daarmee [slachtoffer] doodgeschoten. Zijn handelen is niet alleen schokkend geweest voor de diverse (oog)getuigen, waaronder de 14-jarige [getuige] , maar versterkt ook de in de maatschappij levende gevoelens van onveiligheid.

Eén van de ooggetuigen was de echtgenote van [slachtoffer] , mevrouw [naam echtgenote slachtoffer] . Zij zag hoe verdachte haar man volstrekt onverwacht en zonder enkele aanleiding met een vuurwapen neerschoot. [slachtoffer] was een onschuldig slachtoffer, die bij verdachte aan de deur kwam omdat hem was gevraagd te bemiddelen bij een burenruzie waarbij hij zelf geen enkele betrokkenheid had. Nadat verdachte [slachtoffer] had neergeschoten en [slachtoffer] op het tuinpad van de woning van verdachte lag, belette verdachte [naam echtgenote slachtoffer] , en ook de gealarmeerde hulpdiensten, om [slachtoffer] te hulp te schieten door met een wapen in zijn hand in de deuropening – en later op zijn balkon – te blijven staan. Hoewel het op grond van het voorgaande reeds voor zich spreekt dat het handelen van verdachte een enorme schok teweeg moet hebben gebracht bij de nabestaanden en het voor hen bijzonder moeilijk moet zijn om op deze manier hun geliefde te verliezen, werd dit bij de inhoudelijke behandeling van de zaak te meer duidelijk door de slachtofferverklaring van mevrouw [naam echtgenote slachtoffer] . Zij benoemde op de zitting niet alleen haar eigen verdriet en het gemis van haar echtgenoot, maar ook de enorme impact van het verlies van een vader voor haar beide dochters en het grote verdriet en gemis waarmee zij dagelijks worstelen.

Naast het plegen van dit levensdelict met een vuurwapen, heeft verdachte in zijn woning een vuurwapen en twee imitatievuurwapens voorhanden gehad. Het voorhanden hebben van dergelijke imitatiewapens is een strafbaar feit nu deze gebruikt plegen te worden bij het plegen van delicten om een dreigende situatie mee te creëren. De strafwaardigheid van het bezit van een vuurwapen volgt reeds uit het onder feit 1 bewezenverklaarde.

Bij de strafoplegging zal de rechtbank voorts rekening houden met de persoon van verdachte en hetgeen over zijn persoonlijkheid naar voren is gekomen in de rapportage van psycholoog drs. Van ’t Hoen.

Drs. Van ’t Hoen komt in zijn rapportage van 29 januari 2016 tot de conclusie dat er bij verdachte geen aanwijzingen zijn voor een ziekelijke stoornis of gebrekkige ontwikkeling van de geestesvermogens, dan wel voor een psychotische stoornis of een persoonlijkheidsstoornis in termen van de DSM. Evenmin zijn er aanwijzingen om een stoornis in middelengebruik te vermoeden bij verdachte. Verdachte heeft een blanco psychiatrische voorgeschiedenis. Verdachte functioneert op een gemiddeld intellectueel niveau en kampt de laatste jaren met vele lichamelijke beperkingen zoals hart- en vaatproblemen, diabetes en gewrichtsklachten. Hierdoor is het sociaal netwerk van verdachte wat kleiner geworden, maar niet in die zin dat sprake is van vereenzaming. Verdachte is volledig afgekeurd waardoor hij niet meer werkt, maar kampt niet met grote financiële problemen. Afgezien van het conflict met de buren, bestonden er geen noemenswaardige problemen in het dagelijkse leven van verdachte die voor oplopende spanning gezorgd zouden kunnen hebben. Er zijn geen aanwijzingen gevonden voor een gestoorde agressieregulatie of voor impulscontroleproblemen, noch is er een patroon in antisociaal gedrag naar voren gekomen.
Alles overziend komt de psycholoog tot de conclusie dat verdachte ten tijde van het plegen van het delict volledig toerekeningsvatbaar was en dat het met name situationele factoren zijn geweest die tot onderhavig delictgedrag hebben geleid. Er bestaat naar de mening van de psycholoog dan ook geen aanleiding voor een behandeling vanuit een juridisch kader. De rechtbank neemt de conclusie van de psycholoog over.

Uit het strafblad van verdachte blijkt dat verdachte tweemaal eerder is veroordeeld voor bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, waarvan een maal in 2012, en eenmaal eerder voor verboden wapenbezit. Verdachte was derhalve een gewaarschuwd man, maar heeft zich desondanks opnieuw schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van (imitatie)vuurwapens en het vuurwapen bovendien ook daadwerkelijk gebruikt, met fatale gevolgen voor [slachtoffer] .

Uit het dossier en het verhandelde ter zitting zijn geen feiten of omstandigheden naar voren gekomen die in het voordeel van verdachte kunnen meewegen bij de strafoplegging. Dat verdachte zich door [slachtoffer] bedreigd heeft gevoeld en in reactie daarop heeft gehandeld, waarvoor behoudens de verklaring van verdachte overigens geen aanknopingspunten in het dossier te vinden zijn, maakt dit niet anders, nu ook dat op geen enkele manier de buitensporig gewelddadige reactie van verdachte rechtvaardigt.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat voor de feiten 1 subsidiair, 2 en 3 een gevangenisstraf voor de duur van 13 jaar met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, passend en geboden is. De rechtbank gaat er daarbij vanuit dat verdachte, ondanks zijn lichamelijke beperkingen, detentiegeschikt is nu zij niet beschikt over stukken waaruit het tegendeel blijkt.

7 De benadeelde partij

De vordering van de benadeelde partij

De benadeelde partij, weduwe [naam echtgenote slachtoffer] , vordert een schadevergoeding van € 70.000,- voor feit 1. Deze vordering is opgebouwd uit een bedrag van € 50.000,- als vergoeding van materiële schade en een bedrag van € 20.000,- als vergoeding van immateriële schade. De gevorderde materiële schadevergoeding ziet op een voorschot op gederfd levensonderhoud. De gevorderde immateriële schadevergoeding is primair gebaseerd op shockschade en subsidiair op affectieschade.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft verzocht om de vordering te matigen en bij wijze van voorschot een bedrag van € 7.500,- ter zake van geleden materiële schade en € 7.500,- ter zake van geleden immateriële schade toe te wijzen. Ten aanzien van het meer gevorderde verzoekt de officier van justitie de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte heeft betoogd dat de vordering in haar geheel niet-ontvankelijk moet worden verklaard, omdat deze feitelijk niet eenvoudig van aard is en derhalve niet geschikt om in de strafprocedure te behandelen.

De beoordeling van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat de behandeling van de vordering ten aanzien van de materiële schade een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. De rechtbank licht dit als volgt toe.

Om een beslissing te kunnen nemen over deze vordering, ook wanneer het een voorschot betreft vooruitlopend op een nog te vorderen schadevergoeding in een civiele procedure, dient in voldoende mate inzichtelijk te worden gemaakt wat het exacte bedrag aan gederfde inkomsten over een bepaalde periode is. Ter onderbouwing is namens de benadeelde partij slechts een – vereenvoudigde – berekening overgelegd gebaseerd op het verschil tussen het gezinsinkomen vóór het overlijden van [slachtoffer] en het gezinsinkomen na diens overlijden. In de overgelegde berekening is bijvoorbeeld niet meegenomen dat de gezinsuitgaven door het wegvallen van de heer [slachtoffer] , hoe verdrietig ook, zijn verlaagd. Voorts is onduidelijk op welke periode het bedrag van de vordering ter grootte van € 50.000,- precies ziet. Voor een juiste beoordeling van deze vordering is dan ook nader onderzoek noodzakelijk, waarvoor in deze strafprocedure geen ruimte is, en welk onderzoek, indien dit in het kader van onderhavige strafzaak zou moeten worden verricht, een onevenredige belasting van het strafproces zou betekenen. De rechtbank zal daarom de benadeelde partij voor dit deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaren.

Naar het huidige Nederlandse recht is de mogelijkheid voor vergoeding van immateriële schade in verband met het verlies van een dierbare zeer beperkt. Vaste jurisprudentie is dat slechts shockschade (artikel 6:106 eerste lid, aanhef en onder a van het Burgerlijk Wetboek) voor vergoeding in aanmerking kan komen. In het zogenaamde Taxibusarrest (HR 22 februari 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD5356) is bepaald dat shockschade alleen wordt toegekend aan degene die het ongeval heeft waargenomen of direct is geconfronteerd met de ernstige gevolgen daarvan. De rechtbank stelt vast dat aan dit zogenoemde confrontatievereiste in deze zaak is voldaan.

Daarnaast moet er sprake zijn van een als gevolg van die confrontatie ontstaan geestelijk letsel waarvan in het algemeen slechts sprake zal zijn wanneer een in de psychiatrie erkend ziektebeeld is vastgesteld. Uit de bij de vordering overgelegde stukken, te weten een brief van de GGZ, blijkt niet dat bij de benadeelde partij een dergelijk ziektebeeld is vastgesteld. Nader onderzoek naar de vraag of bij de benadeelde partij een in de psychiatrie erkend ziektebeeld kan worden vastgesteld levert thans voor de strafprocedure een onevenredige belasting op, zodat de benadeelde partij ook voor dit deel van de vordering niet-ontvankelijk zal worden verklaard.

Immateriële schade die is veroorzaakt door het verdriet vanwege het overlijden c.q. het om het leven brengen van een dierbare (affectieschade) valt niet onder artikel 6:106 eerste lid, aanhef en onder a van het Burgerlijk Wetboek, zodat de benadeelde partij, voor zover haar vordering gebaseerd is op affectieschade, om die reden niet-ontvankelijk moet worden verklaard.

Namens de benadeelde partij is aangevoerd dat er aanleiding is om, in afwijking van het geldende recht, over te gaan tot vergoeding van affectieschade. Hierbij is aansluiting gezocht bij Europese Richtlijn 2012/29 EU en het thans aanhangige wetsontwerp inzake affectieschade.

De rechtbank volgt dit standpunt niet op grond van het volgende. In beginsel heeft een Europese richtlijn werking tussen burgers en overheid en niet tussen burgers onderling. Alleen in uitzonderingsgevallen, indien het gaat om een algemeen beginsel van het recht van de Europese Unie, kan dat anders zijn. Een zodanig recht lijkt hier echter niet aan de orde.

Bovendien rijst de vraag of de richtlijn op dit punt voldoende duidelijk, nauwkeurig en onvoorwaardelijk is om rechtstreekse werking te kunnen hebben. Tot slot ziet de rechtbank ook in een beroep op het wetsvoorstel “affectieschade” geen ruimte om reeds thans, vooruitlopend op de nog vast te stellen wetgeving, tot een vergoeding van affectieschade te komen. Zoals de Hoge Raad reeds herhaalde malen heeft gesteld, heeft de rechter niet de vrijheid om – vooruitlopend op een eventueel door de wetgever door te voeren wijziging van de wet op dit punt – een zodanige vergoeding toe te kennen.

De rechtbank zal om voornoemde redenen de benadeelde partij dan ook niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering. Wel kan zij haar vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 10, 27, 57, 91 en 287 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen de artikelen 13, 26, 55, 56 en 60 van de Wet wapens en munitie, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van het onder feit 1 primair tenlastegelegde feit;

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1 subsidiair : Doodslag;

feit 2 : Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en

munitie, terwijl het feit is begaan met betrekking tot een

vuurwapen van categorie III;

feit 3 : Handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en

munitie, meermalen gepleegd;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 13 jaar;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

Benadeelde partij

- verklaart de benadeelde partij [naam echtgenote slachtoffer] niet-ontvankelijk in haar vordering en bepaalt dat die vordering bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;

- veroordeelt de benadeelde partij in de kosten van verdachte, tot op heden begroot op nihil (BP.15).

Dit vonnis is gewezen door mr. Struijs, voorzitter, mr. De Weert en mr. Brouwer, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Van Althuis, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 31 mei 2016.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt -tenzij anders vermeld- bedoeld het eindproces-verbaal met dossiernummer 2015229883 van de regionale eenheid politie Zeeland-West-Brabant, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren en doorgenummerd van 1 tot en met 315. Processen-verbaal van bevindingen, p. 252-256, 257-262 en 263-264.

2 Proces-verbaal van bevindingen, p. 91.

3 Proces-verbaal van bevindingen, p. 72.

4 Proces-verbaal van bevindingen, p. 72.

5 Proces-verbaal van bevindingen, p. 80.

6 Proces-verbaal van bevindingen, p. 91.

7 Proces-verbaal van bevindingen, p. 78

8 Proces-verbaal van bevindingen, p. 79.

9 Proces-verbaal van bevindingen, p. 79.

10 Proces-verbaal van bevindingen, p. 92.

11 Proces-verbaal van bevindingen, p. 266.

12 Proces-verbaal van bevindingen, p. 268.

13 Proces-verbaal van bevindingen, p. 81.

14 Proces-verbaal van getuigenverhoor [naam echtgenote slachtoffer] , p. 107.

15 Proces-verbaal van getuigenverhoor [naam echtgenote slachtoffer] , p. 108.

16 Proces-verbaal van getuigenverhoor [naam buurvrouw] , p. 100.

17 Proces-verbaal van getuigenverhoor [naam buurvrouw] , p. 100.

18 Proces-verbaal van getuigenverhoor [naam echtgenote slachtoffer] , p. 108.

19 Proces-verbaal van getuigenverhoor [naam buurvrouw] , p. 100.

20 Proces-verbaal van getuigenverhoor [naam echtgenote slachtoffer] , p. 108.

21 Proces-verbaal van getuigenverhoor [naam buurvrouw] , p. 98.

22 Proces-verbaal van getuigenverhoor [naam echtgenote slachtoffer] , p. 108.

23 Proces-verbaal van getuigenverhoor [getuige] , p. 140.

24 Proces-verbaal van getuigenverhoor [getuige] , p. 141.

25 Proces-verbaal van sporenonderzoek, p. 181.

26 Het proces-verbaal van verhoor verdachte door de rechter-commissaris d.d. 4 september 2015.

27 Proces-verbaal verhoor verdachte d.d. 4 september 2015, p. 48.

28 De verklaring van verdachte, afgelegd op de zitting van 17 mei 2016.

29 Proces-verbaal van bevindingen, p. 73.

30 Proces-verbaal sporenonderzoek FTO, p.182.

31 Proces-verbaal Wapens Munitie en explosieven, p. 243-246.