Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2016:3161

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
07-04-2016
Datum publicatie
26-05-2016
Zaaknummer
4663182_07042016
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De kantonrechter stelt allereerst vast dat het beroep bij de kantonrechter ten onrechte kennelijk ongegrond verklaard is, nu betrokkene immers het voormelde uitgebreide verweer reeds bij de officier van justitie heeft gevoerd.

De kantonrechter bekruipt ook een gevoel van plaatsvervangende schaamte bij het zien van de wijze, waarop door of namens de officier van justitie voormeld beroep van betrokkene bij de officier van justitie is afgedaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Kanton

Bergen op Zoom

Zaaknummer: 4663182 MB VERZ 15-597

CJIB-nummer: 190729581

Uitspraak: 7 april 2016

Op de in het openbaar gehouden zitting van 7 april 2016 is mr. W.E.M. Verjans, kantonrechter, bijgestaan door mr. J.M.P. van Eekelen als griffier, overgegaan tot de mondelinge behandeling van het beroep dat is ingesteld tegen de beslissing van de officier van justitie met bovengenoemd CJIB-nummer. Het beroepschrift is ingediend door:

naam : [betrokkene]

adres : [adres]

woonplaats : [woonplaats] , nader ook te noemen: betrokkene.

--------------------

Betrokkene is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet ter zitting verschenen.

Namens de officier van justitie is verschenen mr. J.M. Vergoossen, werkzaam bij het CVOM te Utrecht.

De griffier heeft aantekeningen van de zitting gemaakt, welke aantekeningen geacht worden deel uit te maken van dit proces-verbaal.

Aan de betrokkene is bij inleidende beschikking een administratieve sanctie van € 330,- opgelegd ter zake van “Voor een bromfiets niet de vereiste verzekering afsluiten en in stand houden”, welke gedraging zou zijn verricht te Moerdijk op 19 maart 2015 om 22.00 uur

De officier van justitie heeft eerder het beroep van betrokkene kennelijk ongegrond verklaard. De officier van justitie overweegt hierbij -zo blijkt uit het zaakoverzicht- in een standaard overweging (bouwsteen:930!): “U hebt beroep ingesteld tegen de opgelegde sanctie. U stelt dat er sprake is van omstandigheden waardoor uw motorrijtuig niet verzekerd of geschorst was. De officier van justitie overweegt dat u als kentekenhouder verantwoordelijk bent voor het nakomen van de motorrijtuig gebonden verplichtingen, zoals de verzekerings- of schorsingsplicht. U hebt niet voldoende aannemelijk gemaakt dat de beschikking onterecht aan u is opgelegd. Ook geven de omstandigheden geen aanleiding om de beschikking te vernietigen of het sanctiebedrag te verlagen. Alles overwegende verklaart de officier van justitie het beroep kennelijk ongegrond. Omdat het beroep kennelijk ongegrond is, wordt voorbijgegaan aan een eventueel verzoek te worden gehoord.”

Betrokkene heeft beroep ingesteld en daartoe aangevoerd hetgeen in het beroepschrift - dat zich bij de stukken van het geding bevindt - is vermeld. Betrokkene heeft in zijn beroepschrift van 22 juli 2015 bij de officier van justitie het volgende aangevoerd.

“Met referte aan bijgaande schrijven van 19 maart jl. van “RDW” met betrekking tot de verzekeringsplicht van snorfiets merk Sparta met kenteken [kenteken] , wil ik graag de nuance aangeven hoe dit heeft kunnen gebeuren. Vorig jaar heb ik de snorfiets, die overigens stuk was, van iemand gekregen voor mij en mijn zieke vrouw, met de bedoeling om samen, zij in haar scootmobiel en ik op de snorfiets, nog enigszins mobiel te kunnen blijven. De snorfiets was op dat moment nog verzekerd en ik heb hem over laten schrijven op mijn naam. De ziekte van mijn vrouw, zij lijdt aan MS, heeft eind vorig jaar een andere wending gekregen, er werd longkanker met uitzaaiingen geconstateerd, waardoor onze tijd volledig is opgeslokt door ziekenhuisbezoek en behandelingen. Zo’n 2 maanden terug is vastgesteld dat herstel niet mogelijk is en dat het levenseinde snel nadert. Alle behandelingen zijn gestopt en mijn vrouw is uit het ziekenhuis ontslagen om thuis haar laatste korte levensfase in te gaan. Hierdoor zijn onze plannen volledig verwoest en heb ik niet stilgestaan bij het feit om de snorfiets te verzekeren, ook in ogenschouw nemende dat hij stuk was. De snorfiets is nooit gerepareerd en na de 1e brief van “RDW ” heb ik hem ook laten vernietigen en hiervan is het innamebewijs van 24 maart jl. aan de RDW gestuurd. Op 5 mei jl. is mijn vrouw overleden. (zie bijgaande akte van overlijden). Ik weet dat ik formeel in overtreding ben, maar wil gezien ons recente “levenspad” beroep doen op coulance om de boete van € 330, = niet op te leggen.

In afwachting op uw beslissing. ”

1 De beoordeling

De kantonrechter heeft vervolgens op grond van de volgende overwegingen een beslissing genomen, welke beslissing in het openbaar is uitgesproken. In artikel 13 Awb zijn de beslissingsmogelijkheden van de kantonrechter aangegeven en worden aan diens uitspraak enige vormvereisten gesteld. Hoewel het hier gaat om een bestuursrechtelijke procedure doet de kantonrechter als bestuursrechter -na beoordeling van de vraag of het beroep ontvankelijkheid is- per saldo niet veel anders dan hij als strafrechter al deed: hij beoordeelt of de feiten kloppen en of daarop een sanctie moet volgen en zo ja, of de door de officier van justitie bepaalde sanctie -gelet op alle omstandigheden van het geval- niet te hoog of te laag is.

Het beroep is ontvankelijk omdat het tijdig is ingesteld en er zekerheid is gesteld voor de betaling van de sanctie.

De officier van justitie (althans zijn zittingsvertegenwoordiger) heeft ter zitting voorgesteld het beroep gedeeltelijk gegrond te verklaren in die zin dat de sanctie wordt gematigd tot nihil gelet op de door betrokkene geschetste persoonlijke omstandigheden.

Op grond van de inhoud van het zaakoverzicht is naar het oordeel van de kantonrechter voldoende komen vast te staan dat de verweten gedraging door betrokkene is verricht.

De kantonrechter stelt allereerst vast dat het beroep bij de kantonrechter ten onrechte kennelijk ongegrond verklaard is, nu betrokkene immers het voormelde uitgebreide verweer reeds bij de officier van justitie heeft gevoerd. De kantonrechter bekruipt ook een gevoel van plaatsvervangende schaamte bij het zien van de wijze, waarop door of namens de officier van justitie voormeld beroep van betrokkene bij de officier van justitie is afgedaan. Met toepassing van bouwsteen 930 gaat de bevoegde officier van justitie ten onrechte op geen enkele wijze in op de bijzondere (persoonlijke) omstandigheden die door betrokkene werden aangevoerd. De kantonrechter heeft ter zitting al aangegeven niet te begrijpen hoe de officier van justitie tot een dergelijke beslissing is kunnen komen. Het zegt ook wel iets over de wijze, waarop dit soort beroepen, door of namens de bevoegde officier van justitie worden afgedaan.

Dit geval staat -zo weet de kantonrechter op grond van zijn jarenlange ervaring als Mulderrechter- niet op zich. Helaas heeft de officier van justitie -hangende het beroep bij de kantonrechter - ook geen gebruik gemaakt van de mogelijk om zijn beslissing (en de initiële beschikking) alsnog in te trekken. Gelukkig heeft de zittingsvertegenwoordigster wel ingezien dat de beslissing van de officier van justitie in deze vorm niet in stand kan blijven.

De kantonrechter is, uiteindelijk met de officier van justitie, van oordeel dat er ruim voldoende aanleiding bestaat om de opgelegde sanctie te matigen tot nihil. Dit gelet op de door betrokkene genoemde persoonlijke omstandigheden alsmede het feit dat de onderhavige (defecte) bromfiets kennelijk nooit onverzekerd op de openbare weg is geweest en dat deze ook inmiddels is gesloopt. Het beroep zal dan ook gedeeltelijk gegrond worden verklaard.

De kantonrechter overweegt -kijkend naar het kennelijk ongegrond verklaren door de officier van justitie- verder nog het volgende. Als gevolg van artikel 7:3, aanhef en onder b, Awb kan van het horen van belanghebbenden worden afgezien indien het bezwaar kennelijk ongegrond is. Vaste jurisprudentie (zie onder meer Raad van State, 23 oktober 2013, ENCLI:NL:RVS:2013:1604) is echter dat slechts met toepassing van deze bepaling van het horen mag worden afgezien, indien er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel mogelijk is dat de bezwaren niet kunnen leiden toen een andersluidend besluit. Deze omstandigheid doet zich hier echter niet voor. Betrokkene had in zijn beroepschrift bij de officier van justitie overigens ook niet de wens geuit om in die procedure te worden gehoord.

De gestelde zekerheid dient aan betrokkene te worden terugbetaald als hierna in de beslissing bepaald is.

2 De beslissing

De kantonrechter:

- verklaart het beroep gedeeltelijk gegrond;

  • -

    wijzigt de bestreden beslissing in die zin, dat de sanctie wordt gematigd tot nihil inclusief de administratiekosten;

  • -

    draagt de officier van justitie op een bedrag van € 337,- van de zekerheidstelling aan betrokkene terug te betalen.

Waarvan proces-verbaal,

de griffier, de kantonrechter,

Tegen deze beslissing is voor betrokkene geen hoger beroep mogelijk.

Datum toezending beslissing: