Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2016:3137

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
26-05-2016
Datum publicatie
26-05-2016
Zaaknummer
02-811221-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Rechtbank acht doodslag wettig en overtuigend bewezen, ondanks het feit dat de patholoog bij de gerechtelijke sectie geen zekere doodsoorzaak had gevonden.

Gelet echter op de bevindingen van de patholoog dat het smoren van het slachtoffer een reële doodsoorzaak kan zijn, het feit dat in de auto waarin het slachtoffer lag, een rode broek werd gevonden waarop sporen werden aangetroffen die er sterk op duiden dat die broek op het gezicht van het slachtoffer werd gedrukt en dus werd gebruikt om te smoren, het feit dat juist op de andere kant van die rode broek, die onlangs was gewassen, DNA-materiaal van verdachte werd aangetroffen en het feit dat verdachte de enige is geweest die die avond bij het slachtoffer is geweest en ook ruzie had met het slachtoffer, brengt de rechtbank tot het oordeel dat verdachte het slachtoffer opzettelijk heeft gedood.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats: Breda

parketnummer: 02-811221-13

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 26 mei 2016

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op [geboortedag] 1992

gedetineerd in Detentiecentrum Schiphol

raadsman mr. Kuijpers, advocaat te Amsterdam

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 12 mei 2016, waarbij de officier van justitie, mr. Gudde, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering. Verdachte staat, met inachtneming hiervan, terecht ter zake dat

hij op of omstreeks 22 september 2013 te Tilburg, opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte (met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg), een of meer vorm(en) van uitwendig en/of mechanisch geweld op en/of tegen het hoofd en/of lichaam van die [slachtoffer] toegepast, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden.

(artikel 287 Wetboek van Strafrecht, art 289 Wetboek van Strafrecht)

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft vrijspraak gevorderd voor de ten laste gelegde moord. Wel acht zij de ten laste gelegde doodslag wettig en overtuigend bewezen. De officier van justitie heeft, om tot die conclusie te komen, allereerst de relatie tussen verdachte en het slachtoffer (hierna steeds aangeduid als [slachtoffer] ) in beeld gebracht en gereconstrueerd wat er in de middag en avond van de 22ste september 2013 tussen verdachte en [slachtoffer] is voorgevallen. Vervolgens heeft zij de door verdachte benoemde scenario’s besproken en is tot de conclusie gekomen dat de onderzoeksresultaten en de sectie op het lichaam van [slachtoffer] de door verdachte geschetste scenario’s niet ondersteunen. Op basis van het uitgevoerde technische onderzoek op de sporen aangetroffen op de rode broek en de sectiebevindingen van arts en patholoog dr. Kubat, is de officier van justitie tot de conclusie gekomen dat [slachtoffer] door verdachte met de rode broek is gesmoord en dat dit smoren ook heeft geleid tot het overlijden van [slachtoffer] .

4.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van de moord dan wel de doodslag. De verdediging heeft daartoe het volgende aangevoerd.

Verdachte heeft, naast de door hem geschreven brieven, uitgebreide verklaringen afgelegd bij politie, bij de rechter-commissaris en tijdens het onderzoek ter terechtzitting, welke verklaringen volgens de verdediging consistent zijn en ook worden ondersteund door verschillende onderzoeksbevindingen.

Met betrekking tot de inzet van een informant nadat verdachte vanuit Zwitserland was overgebracht naar het arrestantenverblijf van de KMAR op Schiphol, is de verdediging van mening dat niet is voldaan aan de vereisten van proportionaliteit en subsidiariteit. De verklaring van de informant moet daarom worden uitgesloten van het bewijs.

Daarnaast is de verdediging met betrekking tot de verklaring van de informant van mening dat die verklaring te veel tegenstrijdigheden bevat, dat het proces-verbaal niet op een juiste wijze is opgemaakt en dat daarom het proces-verbaal van het bewijs moet worden uitgesloten.

Voorts heeft de verdediging aangevoerd dat uit de in het dossier aanwezige rapportages blijkt dat geen doodsoorzaak is vast komen te staan, ook niet dat [slachtoffer] met de rode broek zou zijn gesmoord. De verdediging heeft ter onderbouwing van dat laatste nog aangevoerd dat niet kan worden vastgesteld dat de mascara/eyeliner die op de rode broek werd aangetroffen, dezelfde mascara/eyeliner was die [slachtoffer] die avond op had. Voor het op de rode broek aangetroffen DNA-materiaal heeft de verdediging aangevoerd dat dit onderzoek geen onderbouwing biedt voor het scenario van het Openbaar Ministerie.

Het verrichte forensisch onderzoek, zo concludeert de verdediging, biedt onvoldoende grond om buiten redelijke twijfel vast te stellen dat [slachtoffer] is komen te overlijden als gevolg van smoren met de rode broek. Daarnaast stelt de verdediging nog met betrekking tot het IDFO en de rapportage van Kokshoorn, dat deze niet kunnen worden gebezigd voor het bewijs.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

4.3.1

Het aantreffen van het lichaam van [slachtoffer] en het tijdstip waarop en de omstandigheden waaronder zij werd aangetroffen

Op 22 september 2013 trof de getuige [getuige]1 om 23.44 uur op de Stokhasseltlaan in Tilburg bij de bushalte schuin op de weg een auto aan met draaiende motor. De lichten van de auto waren nog aan2. In de auto van het merk Daewoo Matiz, kenteken [kenteken] , kleur grijs, zag [getuige] op de bijrijdersstoel een vrouw liggen. Hij belde onmiddellijk 112.

Agenten van politie3 waren om 23.53 uur ter plaatse en zij zagen op de bijrijdersstoel van een personenauto een persoon in half liggende houding met de gordel om. De leuning van de stoel stond helemaal naar achteren. Geconstateerd werd dat deze persoon een vrouw betrof, dat zij koud aanvoelde en er werd geen ademhaling bij haar waargenomen.

Vervolgens werd de vrouw gereanimeerd totdat de ambulance ter plaatse kwam. Tijdens het reanimeren werd door de ambulanceverpleegkundige [ambulanceverpleegkundige]4 en ambulancechauffeur [ambulancechauffeur]5 waargenomen dat het slachtoffer een jonge vrouw was, dat zij niet ademde en geen pols had en dat ook op de monitor een vlakke lijn te zien was bij de hartslag. De vrouw was erg bleek en had een erg lage lichaamstemperatuur. Bij het slachtoffer werden geen verwondingen gezien, met uitzondering van een blauwe plek in haar hals, links van het strottenhoofd. Voorts werd geconstateerd dat het intuberen moeizaam ging en dat er via de slang bloed omhoog kwam. Ook tijdens het beademen kwam nog via de tube bloed omhoog.

Na 18 minuten stopte het ambulancepersoneel met reanimeren.

Nadat het lichaam van de overleden vrouw was overgebracht naar het uitvaartcentrum, werd zij door de heer [stiefvader slachtoffer] geïdentificeerd als zijn stiefdochter [slachtoffer] , geboren op [geboortedag slachtoffer] 19926.

Uit onderzoek is voorts vast komen te staan dat op camerabeelden van een bus van Veolia Transport te zien is dat de grijze Daewoo Matiz op 22 september 2013 om 23.32 uur nog niet bij de bushalte op de Stokhasseltlaan stond.

4.3.2

Pathologie onderzoek op het lichaam van [slachtoffer]

Bij de gerechtelijke sectie op het lichaam van [slachtoffer] door arts en patholoog dr. Kubat7 werden onder andere de volgende bevindingen gedaan:

- op de bovenlip rechts, was een streepvormige, oppervlakkige huidbeschadiging met

indroging aanwezig (lengte ca. 0,7 cm);

- onder het slijmvlies van de onderlip, links en rechts naast de middellijn, bevonden zich

kleine blauwpaarse bloeduitstortingen;

- voor in de hals, links naast de middellijn bevond zich een zeer oppervlakkige

huidbeschadiging met indroging (afmeting ca. 1 bij 3,5 cm);

- er werden geen bloeduitstortingen in de halsspieren en geen letsels van het elastische

halsskelet waargenomen;

- er waren zeer veel stipvormige bloeduitstortingen in het gelaat en de bindvliezen van de

oogleden en enkele stipvormige bloeduitstortingen in de slijmvliezen van het tandvlees en enkele organen.

De deskundige concludeert dat de eerste drie bevindingen het gevolg waren van inwerking van gering, uitwendig, mechanisch geweld en dat niet kan worden aangegeven of de letsels voorafgaande aan of tijdens/ten gevolge van de reanimatie waren ontstaan.

Het kan dus zijn dat alle of een deel van de letsels aan de lippen en de hals ontstaan waren in het kader van de reanimatie, maar het kan ook niet worden uitgesloten dat zij geheel of deels waren ontstaan in het kader van een andere geweldsinwerking, bijvoorbeeld samendrukkend geweld op de mond (smoren) en de hals (wurgen).

Dr. Kubat heeft geen zekere doodsoorzaak gevonden. Gelet op de bevindingen in het gelaat en de hals dient verstikking ten gevolge van smoren en/of samendrukkend geweld op de hals als doodsoorzaak te worden overwogen.

Tijdens het onderzoek ter terechtzitting8 heeft de deskundige dr. Kubat daar nog aan toegevoegd dat bij het pathologie onderzoek geen ziekelijke afwijkingen bij [slachtoffer] zijn geconstateerd die het overlijden van [slachtoffer] zouden kunnen verklaren. Alle natuurlijke doodsoorzaken zijn uitgesloten die met een sectie uit te sluiten zijn. De deskundige heeft daaraan toegevoegd dat alleen een overlijden door een hartritmestoornis of een epileptische aanval niet met een sectie kan worden vastgesteld. Deze doodsoorzaken hoeven alleen overwogen te worden als er een medische voorgeschiedenis is van wegrakingen en/of een familiaire voorgeschiedenis van wegrakingen of plots overlijden op jonge leeftijd9. Medicatiegebruik, drugsgebruik en een hoofdtrauma na botsend geweld op het hoofd zijn als doodsoorzaak uitgesloten. De deskundige heeft daar aan toegevoegd dat verstikking door smoren of wurgen als reële doodsoorzaak moet worden overwogen.

Huisarts [huisarts] heeft verklaard dat er geen sprake was van ziekelijke afwijkingen bij [slachtoffer]10.

4.3.3

Onderzoek van de rode broek

Tijdens het onderzoek in de personenauto11 waarin het lichaam van [slachtoffer] werd aangetroffen, trof het onderzoeksteam op de achterbank een roze make-up tasje aan, een plastic tas met daarin schone, opgevouwen kleding en in het midden op de bank een rode broek (SIN-nummer AAGQ4026NL). Geconstateerd werd dat deze broek binnenstebuiten gekeerd was, niet was gedragen en dat in de broek vouwen en kreukels zichtbaar waren van het wassen en vouwen. Op de binnenzijde van het linker voorpand werden enkele zwarte vlekken, gelijkend op mascaravlekken waargenomen en meer naar de binnenzijde van het voorpand waren grotere lichtkleurige vlekken zichtbaar, gelijkend op slijm.

Van de op de rode broek aangetroffen vlekken en het gelaat van [slachtoffer] werden foto’s gemaakt, op dezelfde schaalverhouding en deze foto’s werden op elkaar gelegd12. Op grond van de gedane bevindingen hebben de technisch rechercheurs geconstateerd dat de aansluitingen die bij het vergelijken van de foto’s werden gezien tussen de zwarte vlekken op de rode broek met de ogen van [slachtoffer] en de lichtkleurige vlekken op de rode broek met de onderzijde van de neus en de neusgaten van [slachtoffer] , steun gaven aan de hypothese dat [slachtoffer] met de rode broek kan zijn gesmoord. Om deze hypothese te onderbouwen of te falsificeren diende de rode broek onderzocht te worden of de zwarte vlekken daadwerkelijk mascara danwel eyeliner is, en de lichtkleurige vlekken daadwerkelijk speeksel danwel neusvocht/slijm van [slachtoffer] is.

Uit een door het NFI uitgevoerd vergelijkend onderzoek13 naar het visueel patroon (plaats en vorm) op de rode broek AAGQ4026NL en het gezicht van [slachtoffer] werd door deskundige ing. Keereweer onder meer geconcludeerd dat de bevindingen van het vergelijkend onderzoek waarschijnlijker zijn wanneer de hypothese “de zwarte en witte contactvlekken op de rode broek zijn ontstaan door afdrukken van oogleden en wimpers, die zijn voorzien van oogmake-up, en lichaamsvloeistof uit de neus en mond van [slachtoffer]”, juist is dan wanneer de hypothese juist is dat “de zwarte en witte contactvlekken op de broek op een andere wijze zijn ontstaan”.

De deskundige heeft aanvullend aan zijn conclusie toegevoegd dat de waarschijnlijkheid van de hypothese sterk beïnvloed zal worden als uit chemisch onderzoek is gebleken dat de zwarte vlekken op de broek en de oogmake-up van [slachtoffer] in samenstelling overeenkomen of verschillen en evenzo als de witte vlekken op de broek biologisch overeenkomen of verschillen met vocht uit mond en neus van het slachtoffer.

De witte vlekken op de rode broek (AAGQ4026NL) zijn bemonsterd en getest14 op de aanwezigheid van speeksel. Deze test reageerde positief. Van de bemonstering van de vlekken zijn DNA-profielen opgesteld en deze zijn gelijk aan het DNA-profiel van [slachtoffer] , aldus deskundige Herbergs.

Voorts heeft onderzoek plaatsgevonden op de broek en de daarop aangetroffen zwarte korrelige substantie15. Uit dit onderzoek kan worden geconcludeerd dat de verkregen massaspectra van de zwarte vlekken op de broek (AAGQ4026NL) massasignalen bevatten die overeenkomen met de aangeleverde mascara. De afzonderlijke zwarte deeltjes in de zwarte vlekken op de broek bleken bij de uitgevoerde onderzoeken precies dezelfde componenten, in nagenoeg dezelfde onderlinge concentratieverhouding te hebben als de onderzochte mascara. Deze mascara werd aangetroffen in een make-up tasje, afkomstig uit het voertuig (AAGQ4013NL)16.

4.3.4

De relatie tussen verdachte en de rode broek

Bij onderzoek17 aan eerdergenoemde rode broek, waarmee [slachtoffer] is gesmoord, werd een duidelijke grotere hoeveelheid humaan mannelijk DNA werd aangetoond in onder andere de bemonsteringen #40 en #41. In de bemonsteringen #40 en #41 is een DNA-mengprofiel aangetoond, waarvan een DNA-hoofdprofiel afgeleid is dat gelijk is aan DNA-sporenprofiel A.

Uit onderzoek van bloed van verdachte18 is vast komen te staan dat het DNA-profiel van verdachte matcht met het DNA-sporenprofiel A.

De bemonsteringen #40 en #41 zijn genomen op de achterkant van de broekspijp, waar de zwarte en witte vlekken zijn aangetroffen, op dezelfde hoogte als deze vlekken19.

Deskundige dr. Kokshoorn20 heeft verklaard dat in het algemeen kan worden gesteld dat naarmate een contact langduriger en intensiever (uitoefenen van druk of frictie) is, de kans toeneemt dat celmateriaal wordt overgedragen. De kans dat celmateriaal van verdachte is overgedragen doordat de rode broek is gewassen tegelijk met kleding van verdachte is zeer klein, doordat verdachte de rode broek heeft opgevouwen na het wassen is klein en door overdracht vanaf de achterbank van de auto is zeer klein.

4.3.5

Het IDFO onderzoek

Om de resultaten van de deskundigen van verschillende onderzoeksgebieden in deze zaak samen te brengen is een IDFO rapport opgesteld21. In dit IDFO onderzoek werden de gecombineerde onderzoeksresultaten getoetst aan de hypotheses
“1. De verdachte heeft het slachtoffer gesmoord met de rode broek.

2. De verdachte heeft het slachtoffer niet gesmoord met de rode broek en de verdachte heeft geen relatie tot de broek.”.

Met de zinsnede “de verdachte heeft geen relatie tot de broek” wordt bedoeld dat er vanuit wordt gegaan dat verdachte de rode broek niet heeft gedragen of anderszins contact met de broek heeft gehad.

In het IDFO-rapport wordt geconcludeerd dat de combinatie van de geëvalueerde bevindingen tenminste zeer veel waarschijnlijker is wanneer de verdachte het slachtoffer heeft gesmoord met de rode broek dan wanneer de verdachte het slachtoffer niet heeft gesmoord met de rode broek en de verdachte geen relatie heeft tot deze broek.

Voorts wordt in het rapport geconcludeerd dat de bevindingen bij de sectie goed kunnen worden verklaard door het smoren van het slachtoffer en lijken er bovendien in deze situatie bijna geen andere doodsoorzaken mogelijk dan verstikking ten gevolge van smoren en/of samendrukkend geweld op de hals.

Met betrekking tot de uitgebrachte IDFO rapportage constateert de rechtbank dat met het uitgevoerde onderzoek door het NFI op zorgvuldige wijze uitvoering is gegeven aan de door de rechtbank verstrekte opdracht. Zowel de officier van justitie als de raadsman hebben voldoende gelegenheid gekregen om hun inbreng te geven bij de totstandkoming van het rapport. In het rapport is op basis van de relevante onderzoeken door het NFI uitgebreid en zorgvuldig gerapporteerd. De rechtbank is dan ook van oordeel dat niets zich ertegen verzet om het uitgebrachte rapport te bezigen voor het bewijs, naast de andere bewijsmiddelen in deze strafzaak.

4.3.6

De verklaring van verdachte

Verdachte heeft ter zitting verklaard22 dat hij degene is die op de camerabeelden23 staat en die op 22 september 2013 om 20.53 uur samen met [slachtoffer] de flat aan de [adres] te Tilburg verliet waar [vriendin slachtoffer] , een vriendin van [slachtoffer] , woonde. Verdachte heeft verklaard dat ze op weg gingen naar huis en dat ze onderweg waren gestopt om te praten. Bij die gelegenheid had verdachte ook een jointje gerookt en hij was daardoor in de war. Ook zou [slachtoffer] hem bij die gelegenheid hebben verteld dat ze weer abortus had laten plegen. Ook zou verdachte tussendoor even bij een vriend zijn geweest, maar hij is [slachtoffer] toch weer gaan zoeken. Hij heeft haar weer aangetroffen bijna op dezelfde plaats waar hij haar had achtergelaten, zij is weer bij hem in de auto gestapt en hij heeft gezegd dat hij haar naar huis zou brengen. Tijdens die rit naar huis zou [slachtoffer] aan het stuur van de auto hebben getrokken, waarop verdachte op de rem heeft getrapt. Hij zou met zijn hoofd tegen de voorruit zijn gekomen en enige tijd bewusteloos zijn geweest. Ook [slachtoffer] zou volgens verdachte bewusteloos zijn geweest. Verdachte verklaarde dat hij geen polsslag meer bij haar voelde. Vervolgens heeft verdachte verklaard dat hij in paniek is geraakt en dat hij haar stoel helemaal naar achteren heeft gedaan om haar te reanimeren en hij heeft haar gordel vastgemaakt om met [slachtoffer] naar het Tweestedenziekenhuis in Tilburg te rijden. Onderweg daarnaartoe heeft verdachte de auto met [slachtoffer] er in op de Stokhasseltlaan laten staan.

4.3.7

De overwegingen van de rechtbank

De rechtbank stelt vast dat [slachtoffer] op 22 september 2013 om 20.53 uur levend en wel samen met verdachte de woning van haar vriendin [vriendin slachtoffer] heeft verlaten. Nog geen drie uur later, om 23.44 uur wordt haar levenloze lichaam aangetroffen in de auto op de Stokhasseltlaan. Vaststaat dat verdachte [slachtoffer] daar heeft achtergelaten, terwijl zij buiten bewustzijn was en hij geen polsslag meer kon voelen. Vaststaat ook de [slachtoffer] nog leefde, toen zij bij verdachte in de auto stapte. Niemand anders heeft [slachtoffer] na 21.30 uur, het moment waarop haar telefoon uitging24, nog gezien of gesproken.

Deskundige Kubat heeft niet kunnen vaststellen dat [slachtoffer] door verstikking door smoren of wurgen om het leven is gekomen. De stipvormige bloeduitstortingen in haar gezicht en oogleden kunnen immers ook veroorzaakt zijn door de reanimatie. Allerlei andere mogelijke doodsoorzaken heeft de deskundige echter kunnen uitsluiten, zodat er uiteindelijk drie mogelijke doodsoorzaken overbleven: dood door verstikking, door een hartritmestoornis of door een epileptische aanval. Uit het dossier blijkt niet dat [slachtoffer] een medische of familiaire voorgeschiedenis heeft op het gebied van wegrakingen, plots overlijden op jonge leeftijd, epilepsie of hartritmestoornissen. Haar huisarts heeft verklaard dat [slachtoffer] geen ziekelijke afwijkingen had. De deskundigen Kubat en Van der Peijl concluderen dan ook in het IDFO-rapport dat er bijna geen andere doodsoorzaak mogelijk lijkt te zijn dan verstikking ten gevolge van smoren en/of wurgen.

De rechtbank is van oordeel dat de resultaten van de verschillende forensische onderzoeken, zoals deze hiervoor door de rechtbank zijn benoemd, de conclusie rechtvaardigen dat de rode broek, die op de achterbank van de auto is aangetroffen, door verdachte enige tijd met kracht op het gezicht van [slachtoffer] is gedrukt. Aan de ene zijde van de rode broek is immers speeksel van [slachtoffer] en zwarte mascara aangetroffen, precies passend op de oogleden en wimpers van [slachtoffer] en haar neus en mondopening. Aan de andere kant van de broek, op dezelfde hoogte, is een duidelijk grotere hoeveelheid celmateriaal van verdachte aangetroffen. Verdachte heeft geen verklaring gegeven hoe zijn celmateriaal op de rode broek terecht kan zijn gekomen. Hij kan zich de rode broek niet herinneren.

De rechtbank is van oordeel dat met de genoemde bewijsmiddelen, als zij in hun onderlinge samenhang worden beoordeeld, wettig en overtuigend is bewezen dat [slachtoffer] door verdachte om het leven is gebracht door haar te smoren met de rode broek.

Indien het al zo mocht zijn dat [slachtoffer] tijdens de autorit aan het stuur van de auto heeft getrokken en dat verdachte daardoor abrupt heeft geremd en zij daardoor mogelijk haar hoofd zou hebben gestoten, dan wordt, op grond van het uitgevoerde onderzoek van deskundige dr. Kubat, uitgesloten dat dit tot haar dood heeft geleid. De verschillende verklaringen van verdachte over het overlijden van [slachtoffer] zijn dan ook, naar het oordeel van de rechtbank, evident onjuist.

Voorts is de rechtbank op grond van het voorgaande tot het oordeel gekomen dat verdachte het gezicht van [slachtoffer] enige tijd met kracht heeft bedekt met de rode broek. De rechtbank is van oordeel dat dit een uitvoeringshandeling is, die zozeer is gericht op het doden van [slachtoffer] , dat er sprake is van opzet bij verdachte op haar dood.

Voor wat betreft de aan verdachte ten laste gelegde voorbedachte rade is de rechtbank met de officier van justitie en de verdediging van oordeel dat uit de bewijsmiddelen niet is vast komen te staan dat verdachte het vooropgezette plan had om [slachtoffer] van het leven te beroven. De rechtbank ziet de dood van [slachtoffer] als het resultaat van een escalatie van relationele problemen tussen [slachtoffer] en verdachte en niet als een daad waar een moment van kalm beraad en rustig overleg aan is voorafgegaan.

4.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

hij op of omstreeks 22 september 2013 te Tilburg, opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte (met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg), een of meer vorm(en) van uitwendig en/of mechanisch geweld op en/of tegen het hoofd en/of lichaam van die [slachtoffer] toegepast, ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van twaalf jaar.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft als strafmaatverweer aangevoerd dat in de jurisprudentie een bestendige lijn te zien is als het gaat om de strafmaat bij doodslag, namelijk een gevangenisstraf voor de duur van acht jaar. Voorts heeft de verdediging gevraagd bij de strafbepaling rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte en de overschrijding van de redelijke termijn, die niet aan verdachte of aan de verdediging te wijten is.

6.3

Het oordeel van de rechtbank
Op 22 september 2013 rond 21.00 uur uur zijn [slachtoffer] en verdachte vertrokken vanuit het flatgebouw waar [vriendin slachtoffer] woont. [vriendin slachtoffer] , de vriendin van [slachtoffer] , heeft verklaard dat [slachtoffer] en verdachte die avond in haar woning ruzie hadden. Verdachte had [slachtoffer] bedreigd met een mes. [vriendin slachtoffer] had gehoord dat [slachtoffer] en verdachte voor die ruzie spraken over [vriend slachtoffer] , de man met wie [slachtoffer] een relatie zou hebben. Ook had [slachtoffer] tegen [vriendin slachtoffer] gezegd dat ze het had uitgemaakt met verdachte en dat ze bang voor hem was. Verdachte heeft zelf in zijn handgeschreven brief aangegeven dat [slachtoffer] hem had verteld over zijn kind en dat hij toen heel boos werd. Ook ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat [slachtoffer] drie kinderen van hem had gedood. Hij bedoelt daarmee dat zij zwangerschappen heeft afgebroken. In eerdergenoemde brief zei verdachte ook dat hij zich mishandeld en gebruikt voelde door [slachtoffer] .

De rechtbank gaat er vanuit dat hierin het motief zit van verdachte om [slachtoffer] om het leven te brengen. Hij voelde zich gekrenkt en tot het uiterste getergd. In de auto krijgen [slachtoffer] en verdachte opnieuw ruzie. Verdachte heeft [slachtoffer] toen voorgoed het zwijgen opgelegd door haar te smoren met de rode broek. Als verdachte daarna merkt dat [slachtoffer] niet meer bijkomt, raakt hij in paniek. Hij laat [slachtoffer] uiteindelijk dood achter in de auto, moederziel alleen, zonder enige hulp voor haar te zoeken. Verdachte bekommert zich niet meer om [slachtoffer] . Hij vlucht naar Zwitserland en denkt op die manier aan strafvervolging te ontkomen. Ter zitting heeft hij verklaard dat hij bang was voor de politie en de gevolgen die de dood van [slachtoffer] voor hem zou kunnen hebben. Hij heeft [slachtoffer] in de auto in de Stokhasseltlaan achtergelaten, omdat dit op loopafstand was van de woning van een vriend.

Het is duidelijk dat voor verdachte zijn eigen welzijn op de eerste plaats komt. Dat in Nederland de ouders, de stiefvader, de broers en de vriendin van [slachtoffer] achterblijven, die hun dochter, zus en beste vriendin zijn kwijtgeraakt, interesseert verdachte kennelijk in het geheel niet. Dat die familie na de dood van [slachtoffer] met ontelbare vragen achterblijft, interesseert hem evenmin. En dat tijdens de zitting de hevig geëmotioneerde vader en moeder van [slachtoffer] hem bijna smeken om de waarheid te vertellen, lijkt verdachte niet te raken. Hij blijft hardnekkig volhouden dat [slachtoffer] zichzelf iets zou hebben aangedaan of dat zij zomaar uit het niets zou zijn gestopt met leven. Deze egocentrische houding rekent de rechtbank verdachte zwaar aan, juist ook omdat de naaste familieleden van [slachtoffer] verdachte in het verleden in hun gezin hebben opgenomen en geprobeerd hebben om hem in een vreemd land een thuis aan te bieden.

Betreffende de persoonlijke omstandigheden van verdachte tast de rechtbank grotendeels in het duister. Verdachte wilde niet meewerken aan een psychiatrisch en psychologisch onderzoek. Hij kiest er voor om weinig van zichzelf prijs te geven. De rechtbank kan daar dan ook bij een strafbepaling geen rekening mee houden. Het enige wat de rechtbank kan vaststellen is dat verdachte in Nederland nog geen strafblad heeft.


Voor wat betreft het verweer van de verdediging dat de redelijke termijn zou zijn geschonden en dat daarmee bij de bepaling van de hoogte van de straf rekening moet worden gehouden, is de rechtbank van oordeel dat van een overschrijding van de redelijke termijn in dit geval geen sprake is geweest. De rechtbank heeft daarbij met name de complexiteit van de onderhavige zaak mee laten wegen en het gegeven dat een gedegen onderzoek in deze zaak noodzakelijk was.

De rechtbank is van oordeel dat voor een levensdelict als het onderhavige alleen een langdurige onvoorwaardelijke gevangenisstraf op zijn plaats is. Voor het bepalen van de hoogte van die vrijheidsstraf zal de rechtbank aansluiting zoeken bij de straffen die in soortgelijke gevallen plegen te worden opgelegd.

Alles overziend is de rechtbank van oordeel dat aan verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf moet worden opgelegd van tien jaar.

7 De benadeelde partij

De benadeelde partij [stiefvader slachtoffer] vordert een schadevergoeding van € 4.104,87.

De rechtbank is van oordeel dat de schade een rechtstreeks gevolg is van dit bewezenverklaarde feit en acht verdachte aansprakelijk voor die schade.

Het gevorderde is voldoende aannemelijk gemaakt, zodat de vordering zal worden toegewezen.

Met betrekking tot de toegekende vordering benadeelde partij zal de rechtbank tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 10, 27, 36f en 287 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

doodslag;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 10 jaar;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

Benadeelde partij

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [stiefvader slachtoffer] van

€ 4.104,87;

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil; (BP.06)

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [stiefvader slachtoffer] , € 4.104,87 te betalen, bij niet betaling te vervangen door 51 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd. (BP.04)

Dit vonnis is gewezen door mr. Hertsig, voorzitter, mr. Veldhuizen en mr. Schotanus, rechters, in tegenwoordigheid van Nouws, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 26 mei 2016.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt -tenzij anders vermeld- bedoeld het eindproces-verbaal met dossiernummer 2013188542 van de regionale eenheid politie Zeeland-West-Brabant, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren en doorgenummerd van 1 tot en met 2873 (hierna te noemen proces-verbaal 1) of van het Forensisch dossier met dossiernummer BHV 2013188542 van de regionale politie Zeeland-West-Brabant, Team Forensische Opsporing, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren en doorgenummerd van 1 tot en met 288 (hierna te noemen proces-verbaal 2) Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige] , pagina 726 van voornoemd eind-proces-verbaal 1.

2 Het proces-verbaal van onderzoek Plaats Delict, pagina 15 van voornoemd eindproces-verbaal 2.

3 Het proces-verbaal van bevindingen, pagina 712 van voornoemd eindproces-verbaal 1.

4 Het proces-verbaal van verhoor getuige [ambulanceverpleegkundige] , pagina 734 van voornoemd eind-proces-verbaal 1.

5 Het proces-verbaal van verhoor getuige [ambulancechauffeur] , pagina 737 van voornoemd eindproces-verbaal 1.

6 Het proces-verbaal van bevindingen, pagina 773 van voornoemd eindproces-verbaal 1.

7 Het geschrift, te weten het deskundigenrapport van dr. B. Kubat, arts en patholoog van het Nederlands Forensisch Instituut (NFI), pagina 139 van voornoemd eindproces-verbaal 2.

8 De verklaring van de deskundige dr. Kubat, afgelegd op de zitting van 12 mei 2016.

9 De beantwoording van aanvullende vragen van de officier van justitie door dr. Kubat, brief van 14 augustus 2014, apart opgenomen in het dossier.

10 Het geschrift, te weten een brief d.d. 3 maart 2016 van [huisarts] , huisarts van verdachte.

11 Het proces-verbaal van bevindingen, pagina 29 van voornoemd eindproces-verbaal 2.

12 Het proces-verbaal van bevindingen, pagina 53 van voornoemd eindproces-verbaal 2.

13 Het deskundigenverslag van ing. I. Keereweer, kras-, indruk- en vormsporen onderzoeker van het NFI, pagina 162 van voornoemd eindproces-verbaal 2.

14 Het deskundigenverslag van dr. P.J. Herbergs van The Maastricht Forensic Institute (TMFI), pagina 170 van voornoemd eindproces-verbaal 2.

15 Het deskundigenverslag van dr.ir. R.F.M. van Gorcom van RIKILT, pagina 204 van voornoemd eindproces-verbaal 2 en het deskundigenverslag van dr. G.J.Q. van der Peijl van het NFI d.d. 12 november 201, bijlage 5 bij het IDFO-rapport van het NFI, apart opgenomen in het dossier.

16 Het proces-verbaal van bevindingen, pagina 31 van voornoemd eindproces-verbaal 2.

17 Het deskundigenverslag van Herbergs van TMFI, pagina 165 van voornoemd eindproces-verbaal 2.

18 Het deskundigenverslag van Herbergs van TMFI, pagina 193 van voornoemd eindproces-verbaal 2.

19 Het geschrift, te weten een email d.d. 9 mei 2016 van Herbergs van TMFI, gericht aan de officier van justitie.

20 Het rapport beantwoording vragen meervoudige kamer van 8 april 2016 van deskundige dr. B. Kokshoorn van het NFI, apart opgenomen in het dossier.

21 Het Interdisciplinair rapport van de NFI- en TMFI-onderzoeken van dr. G.J.Q. van der Peijl van 11 november 2015.

22 De verklaring van verdachte, afgelegd op de zitting van 12 mei 2016.

23 Het proces-verbaal camerabeelden, pagina 1063 van voornoemd eindproces-verbaal 1.

24 Het proces-verbaal over telecom gegevens, pagina 1495 van voornoemd eindproces-verbaal1.