Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2016:3092

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
20-04-2016
Datum publicatie
30-05-2016
Zaaknummer
C/02/291618 / HA ZA 14-905
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Geschil tussen visser van oesters en afnemer van die oesters. Onderwerpen zijn is de wijze van afrekening, schuldeisersverzuim, ingebrekestelling. Verpachter niet ingebreke. Eenzijdige wijziging van de wijze van factureren schept geen recht ten opzichte van wederpartij.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Handelsrecht

Middelburg

zaaknummer / rolnummer: C/02/291618 / HA ZA 14-905

Vonnis van 20 april 2016

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[eiseres] ,

gevestigd te Yerseke,

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

advocaat mr. J.A.M. de Kerf te Goes,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde] ,

gevestigd te Yerseke,

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

advocaat mr. M.W. Dieleman te Middelburg.

Partijen zullen hierna [eiseres] en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 18 maart 2015

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 30 juni 2015

  • -

    de conclusie van antwoord in reconventie tevens akte inbreng producties.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Partijen hebben in 1991 een samenwerkingsovereenkomst gesloten, een zogenaamde “overeenkomst oesterteelt”. Met deze overeenkomst kreeg [eiseres] het exclusieve recht om oesterpercelen van [gedaagde] te exploiteren/bevissen, waarbij [eiseres] de oesters in eerste instantie aan zou bieden aan [gedaagde] volgens in de overeenkomst vastgestelde prijzen.

2.2.

De oesterovereenkomst had betrekking op circa twintig percelen. Zes percelen, nadien vernummerd naar vier percelen, werden door [gedaagde] gepacht van de staat. De pacht die [gedaagde] betaalde, werd doorbelast aan [eiseres] . De bedoeling was dat [eiseres] die pacht op enig moment zou overnemen. De overige percelen werden rechtstreeks door [gedaagde] aan [eiseres] in gebruik gegeven.


Voor de overname van de percelen is het volgende overeengekomen:
“ 1a. Zodra [eiseres] als pachter door het Ministerie van Landbouw Visserij en Natuurbeheer is erkend, dient [gedaagde] de volgende percelen aan te bieden aan [eiseres] tegen de dan geldende marktwaarde (Rb ………)
(Tot die tijd wordt de pacht voor deze percelen door [eiseres] aan [gedaagde] . betaald, waarvoor [gedaagde] . de nota of kwitantie van het Ministerie overlegt).”


[eiseres] zou de oesters in de eerste plaats aan [gedaagde] leveren die deze aan derden verkocht. [eiseres] factureerde tot april 2008 op basis van de na de levering door [gedaagde] aangeleverde gegevens.
Vanaf april 2008 is door [eiseres] gefactureerd op basis van door hem geleverde oesters. Daarover was geen overeenstemming met [gedaagde] .

2.3.

[eiseres] heeft [gedaagde] op 29 maart 2010 per brief verzocht een achterstallig saldo van € 53.717,47 te voldoen. De brief van de advocaat van [eiseres] heeft de volgende inhoud:

“Geachte heer de Koeijer,

Zoals ik u reeds gemeld heb in mijn emailbericht van 25 maart, behartig ik de belangen van de heer [eiseres] van de gelijknamige oesterkwekerij in Yerseke.
Op grond van een oesterteeltovereenkomst levert cliënt vanaf 1991 oesters aan u. Gaandeweg echter de betalingstermijn die u hanteert, opgelopen tot een abnormale en onaanvaardbare hoogte. Zo staan de leveringen vanaf juni 2009 nog steeds open. Daarnaast moet cliënt constateren dat uw reclamaties over geleverde oesters en uw claims voor kortingen erg laat gedaan worden, om niet te zeggen, te laat. Hier komt dan nog bij dat cliënt zich niet kan vinden in de kiloprijs die u vanaf oktober 2009 voor de creuzen 3 wilt hanteren.

In februari 2010 is cliënt bij u geweest om de factuur van juni tot en met december 2009 te bespreken. U bent toen echter niet tot overeenstemming kunnen komen. Vervolgens heeft u uw standpunt aangegeven in een berekening die u per email aan cliënt heeft verzonden.


(Rb: vervolgens worden de commentaren op de facturen besproken) om te vervolgen:

Als bijlage stuur ik u een overzicht toe dat cliënt heeft opgesteld over de openstaande facturen. Uit dit overzicht blijkt dat er over de leveranties van juni tot en met december 200 nog openstaat € 53.717,47. Ik verzoek u vriendelijk om dit bedrag uiterlijk 15 april a.s. aan cliënt te betalen.

Daarnaast lijkt het me zinvol om de leverings- en betalingscondities op een rijtje te zetten:”

Rb: volgen leverings- en betalingscondities.

In een e-mail van 25 maart 2010 aan [gedaagde] heeft [eiseres] zich bereid verklaard te blijven leveren.

2.4.

Over de betalingen en de betalingscondities is een geschil ontstaan. [eiseres] is in mei 2010 gestopt met het vissen op de percelen van [gedaagde] .

2.5.

Op 16 maart 2012 heeft [gedaagde] de oesterteeltovereenkomst opgezegd en heeft hij [eiseres] verboden op zijn percelen te komen.
Tussen partijen is op 11 juli 2012 een vonnis in kort geding gewezen waarin beide partijen is verboden bepaalde percelen van [gedaagde] nog te (doen) betreden teneinde een deskundige de gelegenheid te geven deze op te nemen.
De voorzieningenrechter ging er toen van uit dat de overeenkomst tussen partijen nog niet rechtsgeldig was opgezegd.

2.6.

De samenwerkingsovereenkomst tussen partijen is sinds 2012 geëindigd.

3 Het geschil

in conventie

3.1.

[eiseres] vordert samengevat - veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 32.862,31 openstaande nota’s, € 91.701,58 onverschuldigd betaalde pacht, buitengerechtelijke en gerechtelijke kosten en rente.

De vordering tot betaling van € 32.862,31 betreft de levering van oesters overeenkomstig een in het geding gebracht overzicht. Een bedrag van € 27.811,33 dateert van 2009 en een bedrag van € 5.050,98 betreft twee facturen uit 2013.
[gedaagde] heeft over de aard, het aantal, de soort, de prijs en kwaliteit van de leveranties wel geklaagd, maar volgens [eiseres] te laat. Na de melding door [gedaagde] kon niet meer adequaat worden gereageerd en was bewijs niet meer voorhanden. Ook bedong [gedaagde] korting voor al veel eerder geleverde oesters die hij had doorgeleverd aan Carrefour en waarop hij een korting had moeten geven.

3.2.

[eiseres] vordert de betaalde pacht terug. Zij was alleen pacht verschuldigd voor de vier percelen die hij van [gedaagde] zou overnemen. De overige percelen werden gratis ter beschikking gesteld. In 2010 heeft [gedaagde] definitief geweigerd mee te werken aan de overdracht van de pacht aan [eiseres] . Omdat de overname niet is doorgegaan is de pacht al die jaren onverschuldigd betaald.

3.3.

[eiseres] vordert betaling van € 3.950,- buitengerechtelijke kosten. Zij stelt dat die kosten zijn gemaakt om een procedure te voorkomen.
heeft zijn totale vordering beperkt tot € 100.000,-.

3.4.

[gedaagde] voert verweer. Zij stelt dat er al in 1994 geschillen waren over de uitvoering van de overeenkomst. Zij heeft toen het contract ontbonden. Partijen zijn wel zaken blijven doen, maar niet op basis van het contract van 1991.

De oesterpercelen die [eiseres] destijds van [gedaagde] ging pachten verkeerden in goede staat. [eiseres] kon ook direct oesters van de percelen vissen.

3.5.

[gedaagde] heeft de facturen waarvan [eiseres] betaling vordert deels inhoudelijk betwist. Zij stelt dat [eiseres] onjuist heeft gefactureerd. Zij verwerpt de stelling van [eiseres] dat zij niet tijdig heeft gereclameerd.

3.6.

[gedaagde] stelt dat [eiseres] de betaalde pacht verschuldigd blijft. In 1994 heeft [gedaagde] de percelen aangeboden en toen is er geen overeenstemming bereikt. [eiseres] is ook niet benadeeld omdat zij na overname van de pacht de gebruiksvergoeding aan de staat had moeten betalen.

[gedaagde] beroept zich op verjaring van de vordering.

in reconventie

3.7.

[gedaagde] vordert samengevat - veroordeling van [eiseres] tot betaling van € 926.141,47, vermeerderd met rente en kosten.
Deze vordering is aldus opgebouwd: € 15.916,54 achterstallige pacht/gebruiksvergoeding; schade aan terugloop/staking leveranties € 368.984,00; schade aan percelen € 538.648,00; kosten deskundige € 9.917,16; reeds betaald € 7.324,23.

3.8.

De schade als gevolg van de terugloop/staking leveranties is ontstaan omdat [eiseres] vanaf 2007/2008 minder oesters heeft geleverd dan nodig voor de handel waardoor [gedaagde] elders heeft moeten bijkopen. [eiseres] heeft ook aan derden oesters geleverd. Ook in 2010 heeft [gedaagde] nog een bestelling gedaan en toen heeft [eiseres] op 7 april 2010 meegedeeld dat zij niet bereid was nog te leveren. Feitelijk is toen de samenwerking beëindigd. Alleen in 2012/1213 zijn door [eiseres] nog oesters geleverd.

3.9.

[eiseres] was gehouden om de percelen in dezelfde staat op te leveren als waarin hij deze had ontvangen. Hij heeft de percelen leeggevist. De totale kosten van margeschade, onderhoud en inkoop bedragen € 538.648,-.

3.10.

[gedaagde] vordert kosten van een deskundige die zij heeft ingeschakeld om de staat van de percelen die bij [eiseres] in gebruik waren te onderzoeken.

3.11.

[eiseres] verweert zich tegen de vordering tot betaling van achterstallige pacht. Doordat [gedaagde] in 2010 weigerde mee te werken aan de overdracht behoefde [eiseres] geen pacht die feitelijk diende als vergoeding van het optierecht, meer te betalen. [eiseres] heeft ook geen facturen voor de pacht meer ontvangen sinds die van 2008/2009. [gedaagde] heeft pas weer op 31 december 2013 facturen over de jaren 2010 tot en met 2013 opgesteld. De percelen zijn al die tijd door derden bevist. Tussen partijen is daarover gecorrespondeerd. Dit heeft uiteindelijk geleid tot opzegging van de overeenkomst door [gedaagde] .

3.12.

[eiseres] verwijst naar de overeenkomst met [gedaagde] waarin staat dat zij het recht had oesters aan derden te verkopen. [gedaagde] heeft minder besteld. Vanaf 2008 nam de vraag van consumenten naar oesters af en was er overproductie in Frankrijk.

Van staking van de leveranties is geen sprake geweest. [eiseres] wilde alleen goede betalingsafspraken maken op een moment dat het aantal openstaande nota’s toenam.

De schadeberekening van [naam x] gaat uit van de verkeerde aanname dat [eiseres] geweigerd zou hebben te leveren. Het door [naam x] genoemde margeverlies is rendementsverlies als gevolg van de problemen in de branche.
Overigens is [eiseres] nimmer door [gedaagde] in gebreke gesteld om oesters te leveren.

3.13.

[eiseres] stelt dat het rapport over de schade aan de percelen theoretische waarde heeft. Dankzij haar inspanningen zijn de opbrengsten verveelvoudigd zoals uit de cijfers van [gedaagde] blijkt. Het verwijt dat zij de percelen niet meer onderhouden heeft na 2010 is niet terecht. Zij mocht niet meer op die percelen komen. Als er gevist is, was dat door derden.

3.14.

[eiseres] verweert zich tegen de vordering tot betaling van de kosten van de deskundige die [gedaagde] heeft ingeschakeld. [gedaagde] heeft de deskundige ingeschakeld. Door het visverbod van [gedaagde] , in strijd met het vonnis in kort geding dat tussen partijen is gewezen, had het opstellen van het rapport geen zin meer. Haar is ook geen schadeloosstelling aangeboden terwijl zij daar wel recht op had. De oesters op de percelen kwamen haar nog toe.

4 De beoordeling

in conventie

4.1.

[gedaagde] heeft een door Taxatie- en Advieskantoor Rijk opgemaakte beschrijving van de gang van zaken tussen [eiseres] en [gedaagde] in het geding gebracht. Deze gang van zaken blijkt ook uit wat partijen over en weer stellen.
[eiseres] heeft in 2008 eenzijdig een nieuwe wijze van factureren ingevoerd. Voordien kreeg [eiseres] van [gedaagde] een opgave van de omzet in hoeveelheden verkochte oesters, onder vermelding van stuks aantallen en soorten en eventuele gegeven kortingen. Aan de hand daarvan maakte [eiseres] de factuur aan [gedaagde] . Verrekening van dode oesters vond gelijktijdig plaats aan de hand van tellingen en een opgave door de werknemers uit de loods van [gedaagde] . Deze werden bij een volgende factuur van [eiseres] gecrediteerd.
was bij deze gang van zaken afhankelijk van de informatie van [gedaagde] . Bij zo’n informele op vertrouwen gebaseerde gang van zaken kan [eiseres] zich niet verweren tegen klachten van [gedaagde] met het argument dat deze te laat zijn en dat zij deze niet kan controleren. Uitgangspunt was immers dat [gedaagde] [eiseres] van informatie voorzag. Haar opgave was bepalend. Om deze gang van zaken te wijzigen was een nieuwe afspraak met [gedaagde] nodig. Die nieuwe afspraak ontbreekt, zodat de opgave van [gedaagde] leidend bleef.
4.2. Over de facturen voor de leveringen februari en maart 2009 is geen geschil. Het gaat om € 1.832,82.
verwijst naar een overzicht (prod. 3 bij dagvaarding). Zij is akkoord met de factuur van € 9.225,96 voor de creuzen 1, 2 en 3 tot en met september.

De facturen voor de creuzen 2 en 3 over oktober tot en met december moeten, gelet op de overweging onder 4.1, gecorrigeerd worden met de door [gedaagde] opgegeven prijzen, zodat daarvan resteert € 29.694,40.
De marktprijs van de oesters uit de Grevelingen was volgens [gedaagde] lager dan [eiseres] opgaf zodat van die facturen na vermindering € 10.026,98 overblijft.
Ook voor de opgave van de dode oesters is [eiseres] afhankelijk van de opgave van [gedaagde] . Hier moet, overeenkomstig zijn berekening, € 5.958,63 verrekend worden.
Uit het verslag van Taxatie- en Advieskantoor Rijk blijkt dat kortingen die [gedaagde] moest geven aan klanten werden verwerkt in de facturen van [eiseres] . Er is dan ook, gezien het uitgangspunt dat afspraken niet eenzijdig gewijzigd kunnen worden, geen reden de korting aan Carrefour niet geheel mee te nemen. Dit leidt tot een extra creditering van € 148,68 zodat het totaal aan creditering uitkomt op € 1.670,72.
Per saldo heeft [eiseres] dan € 43.150,81 te vorderen vermeerderd met 6% btw is

€ 45.739,86.
[gedaagde] heeft op 2 september 2009 € 1.942,79 en op 31 maart 2010 € 28.532,90 betaald, zijnde totaal € 30.475,69. Dit bedrag wordt van de vordering afgetrokken zodat resteert te betalen € 15.264,17 inclusief btw.

4.3.

De vordering van [eiseres] tot terugbetaling van de pacht wordt afgewezen. Uit de overgelegde overeenkomst van 1991 blijkt niet dat een geslaagde pachtovername voorwaarde was voor de pachtbetaling. Doordat de overname kort na het sluiten van de overeenkomst niet is doorgegaan was deze bepaling al uitgewerkt en bleef de verplichting pacht te betalen over. Een andersluidende afspraak is gesteld noch gebleken.
Als gevolg was [eiseres] pacht verschuldigd over 2008/2009 en mag [gedaagde]

€ 5.998,09 inclusief BTW over 2008/2009 verrekenen.

4.4.

[gedaagde] zal in conventie veroordeeld worden tot betaling aan [eiseres] van € 15.264,17 verminderd met € 5.998,09 is € 9.266,08 inclusief btw. De ingangsdatum van de rente is onbetwist zodat het bedrag moet worden vermeerderd met de wettelijke handelsrente vanaf de in de vordering opgenomen datum 29 maart 2010.

De vordering tot terugbetaling van de pacht zal worden afgewezen.

4.5.

De vordering tot betaling van de buitengerechtelijke kosten is niet betwist en zal gelet op het toe te wijzen bedrag, wordt gematigd tot € 838,00.
[gedaagde] zal worden veroordeeld in de proceskosten in deze begroot op:
griffierechten € 3.829,00

advocaatkosten € 2.842,00

totaal € 6.671,00

in reconventie

4.6.

De door [gedaagde] gevorderde schade wegens terugloop van de leveranties in de periode voor 2010 wordt afgewezen. Gesteld noch gebleken is dat [eiseres] op dit punt in gebreke is gesteld zodat van verzuim geen sprake kan zijn.
Voor zover [gedaagde] stelt dat [eiseres] de leveranties in 2010 zonder geldige reden heeft gestaakt verwerpt de rechtbank die stelling. [gedaagde] had een grote betalingsachterstand zodat zij in verzuim was en zich niet op een verzuim van [eiseres] kon beroepen.
De stelling dat de brief van 29 maart 2010, die namens [eiseres] is geschreven een weigering bevatte om verder te leveren wordt verworpen. De brief die onder 2.3 voor het belangrijkste deel wordt weergegeven bevat een dergelijke passage niet.
Verder is gesteld noch gebleken dat [eiseres] op dit punt door [gedaagde] in gebreke is gesteld. De leverantie van oesters aan [gedaagde] in 2012 weerspreekt ook de stelling van [gedaagde] .

4.7.

De vordering tot betaling van schadevergoeding wordt afgewezen. De overeenkomst tussen [eiseres] en [gedaagde] was tot maart 2012 niet ontbonden en [eiseres] had het recht op de percelen van [gedaagde] te vissen.
[eiseres] had geen verplichting opnieuw te zaaien.
De stelling van [gedaagde] dat de percelen in een slechtere staat zijn achtergelaten dan dat [eiseres] ze in 1991 heeft ontvangen, wordt verworpen. De stelling wordt gemotiveerd betwist en uit niets blijkt wat de toenmalige staat van de percelen was. De stelling is dus ook onvoldoende onderbouwd.

4.8.

De benoeming van de deskundige heeft, gezien ook de vorderingen in dit geding geen zin gehad. De kosten daarvan blijven dan voor [gedaagde] die de deskundige heeft ingeschakeld.

4.9.

Op grond van de “Overeenkomst oesterteelt” was [eiseres] jaarlijks voor vier percelen pacht aan [gedaagde] verschuldigd. [gedaagde] heeft de overeenkomst in maart 2012 ontbonden zodat de verplichting voor [eiseres] tot die tijd doorliep. Bij de veroordeling in conventie is rekening gehouden met pacht voor het jaar 2008/2009. Omdat de pacht begin 2012 is opgezegd blijft nog te betalen twee jaar pacht zijnde € 3.872,48 en

€ 3.920,11 inclusief btw.

4.10.

Alleen de vordering tot betaling van pacht wordt toegewezen. Dit is een gering deel van wat [gedaagde] vorderde. De rechtbank zal de proceskosten dan ook compenseren omdat [gedaagde] grotendeels in het ongelijk wordt gesteld.
De rechtbank zal de vordering tot betaling van nakosten afwijzen gelet op de in conventie en in reconventie toe te wijzen bedragen.

5 De beslissing

De rechtbank

in conventie

- veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan [eiseres] van € 9.266,08 vermeerderd met de wettelijke handelsrente vanaf 29 maart 2010 tot aan de dag der betaling en te vermeerderen met de buitengerechtelijke kosten van € 838,00;
- veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten aan de zijde van [eiseres] , begroot op

€ 6.671,00;

in reconventie

  • -

    veroordeelt [eiseres] om aan [gedaagde] te betalen € 7.792,59 vermeerderd met de wettelijke handelsrente vanaf 18 februari 2015 tot aan de dag der betaling;

  • -

    compenseert de proceskosten zo dat ieder de eigen proceskosten betaalt;

in conventie en in reconventie

- verklaart dit vonnis voor wat betreft de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
- wijst af het meer of anders gevorderde.


Dit vonnis is gewezen door mr. H.A. Witsiers en in het openbaar uitgesproken op 20 april 2016