Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2016:3060

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
23-05-2016
Datum publicatie
24-05-2016
Zaaknummer
02/811856-10
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2018:421, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Onderzoek EEM. Verdachte veroordeeld voor moord op vriendin tot 18 jaar gevangenisstraf. Uiteenzetting van de ingezette opsporingsbevoegdheid stelselmatige inwinning van informatie (SI) van artikel 126j Sv. Er heeft een Werken onder Dekmantel-traject gelopen voor de duur van ruim een jaar, waarin verdachte de moord tegenover undercover-agenten heeft bekend. Ter zitting heeft hij deze bekentenis ingetrokken. Uitgebreide bewijsmotivering omtrent de afgelegde bekentenissen, waarbij de rechtbank de bekennende verklaringen bruikbaar heeft geacht voor het bewijs.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
EeR 2016, afl. 4, p. 201
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats: Breda

parketnummer: 02/811856-10

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 23 mei 2016

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [geboortedag] 1975 te [geboorteplaats] ( [geboorteland] )

wonende te [woonplaats] , [adres]

raadsman mr. Van der Biezen, advocaat te ’s-Hertogenbosch.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zittingen van 31 maart, 1, 4 en 5 april 2016, waarbij de officier van justitie, mr. Koolen, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. Het onderzoek ter terechtzitting is gesloten op 9 mei 2016.

2 De tenlastelegging

Verdachte staat, na wijziging van de tenlastelegging ter zitting van 7 januari 2016, terecht, terzake dat:

hij op of omstreeks 19 december 2010 te Kaatsheuvel, gemeente Loon op Zand,

opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven

heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet en na kalm beraad en rustig

overleg

- die [slachtoffer] (met kracht) met een (bak-)steen op haar hoofd geslagen, en/of

- ( vervolgens) die [slachtoffer] haar keel en/of hals dichtgeknepen en/of dichtgedrukt

en/of (gedurende enige tijd) dichtgeknepen/dichtgedrukt gehouden, en/of

- door middel van omsnoering of omsnoerend geweld de keel en/of hals van die

[slachtoffer] samengedrukt en/of dichtgedrukt en/of (gedurende enige tijd) samengedrukt/dichtgedrukt gehouden, en/of

- de mond van die [slachtoffer] (gedurende enige tijd) dichtgedrukt, en/of aldus althans

op enige manier die [slachtoffer] (gedurende enige tijd) de ademhaling belemmerd en/of onmogelijk gemaakt, tengevolge waarvan die [slachtoffer] is overleden.

3 Verzoek tot heropening van het onderzoek

Door de Criminele Inlichtingen Eenheid (hierna: CIE) van de regio Midden en West-Brabant werd op 17 januari 2011 de volgende (als betrouwbaar aangemerkte) informatie verstrekt:

“een aantal mannen waaronder [verdachte woninginbraak 1] en iemand van het woonwagenkamp [naam kamp] , met de bijnaam ‘ [bijnaam] ’, hebben in december 2010 een woninginbraak gepleegd in Kaatsheuvel. Bij deze woninginbraak zijn deze inbrekers door de vrouw des huizes overlopen. Na deze confrontatie is de vrouw later dood aangetroffen”.

De verdediging heeft primair het verzoek gedaan om bij tussenvonnis het onderzoek ter terechtzitting te heropenen teneinde de CIE-informant als getuige te horen. Door de informant worden namen van andere verdachten genoemd. Weliswaar zijn beide genoemde personen door de politie gehoord, maar nu [verdachte woninginbraak 2] (in de CIE-info aangeduid als ‘ [bijnaam] ’) geen alibi heeft voor de avond van 19 december 2010, is er belang om de informant te horen. De door hem verschafte informatie is ontlastend voor verdachte en wordt als betrouwbaar bestempeld. De verdediging wenst de betreffende getuige te horen omtrent de aard, de inhoud en herkomst van zijn directe danwel indirecte waarneming als getuige.

Herhaalde afwijzing van dit verzoek leidt tot de conclusie dat verdachte geen ‘fair trial’ krijgt in de zin van artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) en daarmee inbreuk wordt gemaakt op dat artikel.

De officier van justitie meent dat het verzoek tot heropening dient te worden afgewezen. Het horen van de CIE-informant is al eerder verzocht en door de rechtbank gemotiveerd afgewezen. De stand van zaken is thans ongewijzigd. Verder geldt dat uit de CIE-informatie geenszins volgt dat de informant wetenschap heeft van het feit dat de aldaar genoemde personen de dader(s) is of zijn. Daarnaast is de CIE-informatie niet ontlastend voor verdachte. Het CIE-proces-verbaal verschaft informatie die slechts raakt aan het vreselijke incident van 19 december 2010, maar sluit de betrokkenheid van verdachte volstrekt niet uit. Bovendien is er, na onderzoek, geen begin van bevestiging dat de in de CIE-informatie genoemde personen enige betrokkenheid hebben dan wel kunnen hebben.

Het beginsel van fair trial komt door het niet horen van de getuige niet in het gedrang.

De rechtbank overweegt als volgt. Naar aanleiding van de op 17 januari 2011 verstrekte informatie door de CIE heeft de politie een onderzoek ingesteld. Uit het dossier blijkt dat de politie uitgebreid onderzoek heeft gedaan naar deze personen en hun mogelijke betrokkenheid bij de dood van [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer] ). Dit onderzoek is neergelegd in een bijna 200 pagina’s tellend dossier en heeft geen belastend materiaal opgeleverd voor [verdachte woninginbraak 1] en/of [verdachte woninginbraak 2] . Sterker nog, gebleken is dat [verdachte woninginbraak 1] een alibi heeft voor de avond van 18 december 2010 tot 19 december 2010 om 01.15 uur. [slachtoffer] is door de politie op 19 december 2010 omstreeks 01.04 uur gevonden. De rechtbank heeft reeds op 7 april 2015 op hetzelfde gedane verzoek van de verdediging gemotiveerd beslist dat dit verzoek werd afgewezen.

Aldus betreft het verzoek tot het horen van de CIE-informant aangaande de door hem verstrekte informatie een herhaald verzoek. Ook thans is de rechtbank van oordeel, in aanmerking nemend dat geen nieuwe feiten en/of omstandigheden ter onderbouwing van dit verzoek naar voren zijn gebracht, dat het verzoek dient te worden afgewezen. Immers op grond van de resultaten van bovengenoemd onderzoek is de rechtbank - nog steeds - van oordeel dat redelijkerwijs valt aan te nemen dat verdachte door de afwijzing van dit verzoek niet in zijn verdediging wordt geschaad. Anders dan door de verdediging betoogd, wordt door deze beslissing - gelet op het ontbreken van een redelijk belang - geen inbreuk gemaakt op het recht van verdachte op een eerlijk proces, zoals bedoeld in artikel 6 EVRM.

4 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De ontvankelijkheid van de officier van justitie

De verdediging heeft aangevoerd dat de officier van justitie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de strafvervolging van verdachte wegens schending van artikel 6 en artikel 8 EVRM. De raadsman heeft in dat verband de volgende argumenten aangevoerd. In de eerste plaats is de verdediging niet in de gelegenheid gesteld de CIE-informant te horen. Ten tweede heeft verdachte in het kader van het traject ‘Werken Onder Dekmantel’ (hierna: WOD-traject of undercover-traject) zijn verklaringen niet in vrijheid kunnen afleggen. De raadsman heeft daarbij aansluiting gezocht bij het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: EHRM) in de zaak Allan vs United Kingdom (5 november 2002, appl.nr. 48539/99, NJ 2004, 262). Daarbij is het WOD-traject niet op eerlijke wijze verlopen, aangezien de verdediging op geen enkele wijze de mogelijkheid is geboden om de inhoud daarvan aan te vechten. De gehanteerde methodiek deugt niet en evenmin deugt de wijze van bewijsgaring in voornoemd traject. Voorts had de politie niet mogen door-rechercheren nadat de voorlopige hechtenis van verdachte in juni 2011 was geschorst. Hiermee is een onevenredige inbreuk gemaakt op het privéleven van verdachte. Tot slot is sprake geweest van een onzorgvuldige behandeling van de plaats delict met betrekking tot de positie van het slachtoffer, de positie van de kliko’s, de positie van de fiets en het bloed dat is aangetroffen op de kliko’s. Door deze onzorgvuldige behandeling van de plaats delict, is het beeld van de plaats delict onherstelbaar veranderd en niet meer te reconstrueren. De plaats delict kan om die reden niet meer worden gebruikt als referentiekader. De waarheidsvinding is hiermee blijvend verhinderd.

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat het veelvoud aan gemaakte fouten, al deze schendingen van beginselen van een behoorlijke procesorde, bij elkaar opgeteld, primair dienen te leiden tot niet-ontvankelijk verklaring van de officier van justitie.

De officier van justitie voert aan dat het beroep op niet-ontvankelijkheid dient te worden verworpen. Hij heeft zich bij repliek op het standpunt gesteld dat noch het afwijzen van het horen van de CIE-informant, noch het management op de plaats delict - dat onder de gegeven omstandigheden redelijk en gerechtvaardigd was -, noch de inzet of de wijze van inzet van de opsporingsbevoegdheid stelselmatige inwinning van informatie (hierna: SI) kan leiden tot de niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie.

Bij de beoordeling van dit verweer stelt de rechtbank voorop dat niet-ontvankelijkverklaring van de officier van justitie in de vervolging slechts in uitzonderlijke gevallen in aanmerking komt. Volgens vaste jurisprudentie van het EHRM en de Hoge Raad dient een zo vergaande sanctie te volgen, indien een overheid ernstig inbreuk heeft gemaakt op grondrechten danwel de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, zoals onder meer opgenomen in de door de raadsman aangehaalde artikelen 6 en 8 EVRM. Wat artikel 6 EVRM betreft, is het inmiddels vaste jurisprudentie dat er geen sprake meer is van een eerlijk proces indien met de opsporing of vervolging ernstig inbreuk is gemaakt op de beginselen van een behoorlijke procesorde waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van een verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan.

Zoals reeds bij de bespreking van het primaire verzoek van de verdediging tot heropening van het onderzoek is overwogen, oordeelt de rechtbank dat verdachte met het wederom afwijzen van het verzoek om de CIE-informant als getuige te mogen horen niet in zijn verdedingsbelang wordt geschaad. Dit kan derhalve niet bijdragen als onderbouwing van de stelling dat aan verdachtes recht op een eerlijk proces zou zijn tekort gedaan.

De rechtbank overweegt met betrekking tot de eerste stelling van de verdediging inzake het WOD-traject dat de vergelijking met het door de raadsman genoemde EHRM-arrest Allan vs United Kingdom mank gaat. Allan was een gedetineerde verdachte, die zich van meet af aan in het onderzoek op zijn zwijgrecht had beroepen en zich daarmee een duidelijke zwijgende proceshouding had aangemeten. Door een opsporingsambtenaar zich voor te laten doen als medegedetineerde en hem persistent te ondervragen over het delict, is een schending van het nemo tenetur beginsel ontstaan. In onderhavige zaak is sprake van een zich in feitelijke vrijheid bevindende verdachte, die vanaf begin af aan verklaringen heeft afgelegd tegenover de politie en heeft meegewerkt aan een reconstructie. Daarbij geldt dat voor de stelselmatige inwinning van informatie het stellen van vragen door de niet als opsporingsambtenaar kenbare informant aan een verdachte, niet plaatsvindt in de door artikel 29 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) bedoelde verhoorsituatie. De cautie, strekkende tot bescherming tegen de druk en verwarring die in de verhoorsituatie van de als zodanig kenbare opsporingsambtenaar of rechter uitgaat, is dan ook niet van toepassing. Daarmee moet worden aangenomen dat door de enkele misleiding de verklaringsvrijheid niet geacht wordt onder druk te staan, noch dat sprake kan zijn van een schending van het nemo tenetur beginsel. De door de raadsman aangevoerde omstandigheden zijn niet van dien aard, dat de rechtbank daar in deze zaak anders over oordeelt.

Wat de tweede stelling van de verdediging over het WOD-traject betreft, overweegt de rechtbank dat op 30 september 2015 en 16 oktober 2015 getuigenverhoren hebben plaatsgevonden, waarbij de teamleider van het team Werken Onder Dekmantel van de Afdeling Afgeschermde Operaties van de Landelijke Eenheid, een drietal in dat team werkzame politie-informanten ( [nummer 1] , ‘ [naam politieinformant 1] ’ hierna te noemen [naam politieinformant 1] , [nummer 2] , ‘ [naam politieinformant 2] ’ hierna te noemen [naam politieinformant 2] en [nummer 3] ‘ [naam politieinformant 3] ’ hierna te noemen [naam politieinformant 3] ) en de begeleider ( [nummer 4] ) zijn gehoord. De rechtbank overweegt dat de verdediging hierbij alle stukken en informatie aangaande het WOD-traject ter discussie heeft kunnen stellen en haar ondervragingsrecht ten volle heeft kunnen uitoefenen, zodat niet gesproken kan worden van schending van het verdedigingsbelang. Dit kan derhalve evenmin bijdragen als onderbouwing van het verweer van de raadsman.

Ten aanzien van het door-rechercheren nadat verdachte in juni 2011 na een termijn van drie maanden uit de voorlopige hechtenis was geschorst, overweegt de rechtbank dat, zoals - verderop in dit vonnis onder 5.3.2 bij de bespreking van de verweren inzake Eem II uitgebreider zal worden overwogen - zij van oordeel is dat het door-rechercheren rechtmatig is geweest. Dat er geen sprake was van ‘nieuwe informatie en/of nieuwe indicaties strekkende tot bewijs’ doet hier niet aan af, omdat dat in deze zaak geen vereiste is.

Evenmin kan de door de raadsman genoemde ‘indringendheid’ van het SI-traject en de mate van inbreuk op het privéleven van verdachte leiden tot de conclusie dat sprake is van schending van zijn recht op privé- en familieleven. In een periode van ruim één jaar, tot aan het vertrek naar Marbella (Spanje) op 17 september 2014, zijn er ongeveer 17 zakelijke contacten geweest tussen [naam politieinformant 2] en verdachte en ongeveer 5 sociale contacten tussen [naam politieinformant 2] en [naam politieinformant 1] en verdachte en zijn huidige echtgenote. Tevens was er sprake van ongeveer 43 email- danwel sms-contacten tussen [naam politieinformant 2] en verdachte en 21 telefonische contacten. Deze frequentie in een periode van ongeveer één jaar acht de rechtbank niet disproportioneel en levert derhalve geen inbreuk op artikel 8 EVRM op.

Met de raadsman stelt de rechtbank vast dat de plaats delict ten tijde van de start van het onderzoek door het Forensische Opsporingsteam niet meer gelijk was aan de plaats delict ten tijde van het moment dat [slachtoffer] om het leven werd gebracht. Zo kan op grond van het dossier niet de exacte eindpositie worden vastgesteld van onder meer het lichaam van [slachtoffer] , de kliko’s en de fiets. Vast staat dat diverse personen op de plaats delict aanwezig zijn geweest en hier hebben gelopen en handelingen hebben verricht, waaronder naast de politie en de ambulance-medewerkers ook verdachte zelf. Door de feitelijke gang van zaken aldaar, blijft de mogelijkheid open dat dit van invloed kan zijn geweest op de bewijsgaring, in zowel voor verdachte ontlastende als belastende zin. De rechtbank kan de verdediging echter niet volgen in haar betoog dat deze verstoring van de plaats delict van zodanige invloed is dat de plaats delict volledig onbruikbaar is voor de waarheidsvinding. Hierbij wordt in aanmerking genomen het feit dat de verstoring met name is ontstaan door het verplaatsen van objecten zoals fiets, glijbaan en kliko’s om levensreddende medische handelingen mogelijk te maken, hetgeen op dat moment prioriteit had en moest hebben. Desondanks geeft het aantreffen van de situatie ten tijde van de start van het forensisch technisch onderzoek wel degelijk belangrijke inzichten in de omstandigheden ten tijde van het delict. Niet kan worden geconcludeerd dat door een dergelijke behandeling van de plaats delict, verdachte hierdoor in zijn belangen is geschaad. Ook deze omstandigheid kan aldus niet bijdragen aan de conclusie dat er sprake zou zijn van schending van verdachtes recht op een eerlijk proces.

Voorgaande feiten en omstandigheden leiden, noch ieder voor zich, noch in onderling verband en samenhang of optelsom bezien, naar het oordeel van de rechtbank niet tot de conclusie dat sprake is van ernstige inbreuken op de beginselen van een behoorlijke procesorde, waardoor doelbewust en met grove veronachtzaming van de belangen van verdachte aan diens recht op een eerlijk proces tekort is gedaan. Ook overigens heeft de rechtbank geen inbreuk op het recht op een eerlijk proces, zoals bedoeld in artikel 6 EVRM geconstateerd. Van een inbreuk op artikel 8 EVRM door toepassing en wijze van inzet van het WOD-traject is, zoals hierboven betoogd, evenmin gebleken. De officier van justitie is derhalve ontvankelijk in de vervolging van verdachte. Het verweer van de raadsman wordt verworpen.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

5 De beoordeling van het bewijs

5.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de moord op [slachtoffer] . Ter onderbouwing daarvan wijst hij allereerst naar de resultaten van het onderzoek Eem I: het technisch opsporingsonderzoek, de getuigenverklaringen van onder meer [getuige 1] en [getuige 2] en de pathologische rapporten opgemaakt door het Nederlands Forensisch Instituut (hierna: NFI) en International Forensic Services (IFS). Hieruit volgt dat [slachtoffer] net voor 00.15 uur is thuisgekomen, zij zeer hard heeft gegild en zij door geweld van een ander, namelijk door verwurging en/of omsnoering en de ten gevolge daarvan opgelopen verstikking om het leven is gekomen. Ter beantwoording van de vraag wie hiervoor verantwoordelijk is, gaat de officier van justitie vervolgens uit van twee door hem gepresenteerde scenario’s. Het inbrekers- of overvalscenario en het moordscenario. De officier van justitie acht het inbrekers- of overvalscenario volstrekt onaannemelijk. Hij wijst in dat verband op het aangetroffen inbraakbeeld in de woning, dat opvallend geordend was en tevens op het feit dat niets is meegenomen, terwijl er bovendien relatief veel tijd was om spullen mogelijk klaar te zetten. Voorts wijst de officier van justitie in voormeld verband op het feit dat verdachte liegt over het feit dat hij pas net voor 00.54 uur wakker is geworden van geluid. De verklaringen die verdachte heeft afgelegd die zouden moeten aansluiten bij het inbrekers- of overvalscenario acht de officier van justitie onbetrouwbaar en ongeloofwaardig. De gevolgtrekking van de officier van justitie luidt vervolgens dat hij op grond van de onderzoeksbevindingen, daarbij in aanmerking genomen de wijze van verklaren van verdachte op essentiële onderdelen, het inbrekers- of overvalscenario vele malen onwaarschijnlijker vindt dan het moordscenario met verdachte als dader. Reeds op het onderzoek Eem I zou al een veroordeling kunnen worden gebaseerd.

Met betrekking tot het door de verdediging ingebrachte rapport van prof. dr. Ton Derksen verzoekt de officier van justitie hieraan voorbij te gaan.

Met betrekking tot het onderzoek Eem II voert de officier van justitie aan dat, nadat gebleken was dat niet te verwachten viel dat verder DNA-onderzoek tot nadere bewijzende aanwijzingen in welke richting dan ook zou leiden, is besloten tot inzet van het bijzondere opsporingsmiddel SI, in het kader waarvan een WOD-traject is aangevangen. Hierbij heeft steeds de waarheidsvinding voorop gestaan en niet het verkrijgen van een bepaalde verklaring.

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat voor de inzet van dit opsporingsmiddel aan de eisen van subsidiariteit en proportionaliteit is voldaan en dat van enige onrechtmatigheid in de uitvoering niet is gebleken. Verdachte heeft in het kader van het WOD-traject bekennende verklaringen afgelegd. Aan de hand van onderdelen van deze bekentenissen kan tot de conclusie worden gekomen dat sprake is van een betrouwbare bekentenis, in ieder geval van een samenstel van uitlatingen die voor het bewijs van het aan verdachte verweten feit kan worden gebruikt. Dit in samenhang met de onderzoeksresultaten van Eem I leidt tot de conclusie dat onomstotelijk vast staat dat verdachte verantwoordelijk is voor de dood van [slachtoffer] , zoals hij zelf heeft gezegd met voorbedachten rade.

5.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging voert aan dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen en wijst daarbij op het volgende. Ten aanzien van Eem I is de plaats delict dusdanig onzorgvuldig behandeld, dat het beeld hiervan onherstelbaar is veranderd en niet meer te reconstrueren is. Hierdoor is de waarheidsvinding blijvend verhinderd. Ter zake van het technische onderzoek ten aanzien van de tijdlijn, de schreeuw, het ‘faken’ van een plaats delict (inbraak) en de stand van de kliko’s, heeft de verdediging aangevoerd dat het steeds gaat om aannames die de politie zelf heeft gedaan. Het zijn allesbehalve vaststaande gegevens en al deze aannames zijn ook telkens weerlegbaar. Dit kan dan ook geen enkele bijdrage leveren aan het bewijs.

Met het onderzoek Eem I is de zaak volgens de verdediging dan ook allesbehalve opgelost en is er aan het criterium van het bewijsminimum niet voldaan. Nu ook het onderzoek Eem II vanwege haar onrechtmatigheid geheel moet worden uitgesloten van het bewijs, dient verdachte te worden vrijgesproken.

Ter onderbouwing van dit standpunt inzake Eem II, het deel van het dossier dat ziet op de inzet van het opsporingsmiddel SI, stelt de verdediging primair dat daar zodanige gebreken aan kleven dat de enige juiste conclusie kan en moet zijn dat dit gehele traject van het bewijs dient te worden uitgesloten. De verdediging wijst hiertoe onder meer op de onrechtmatigheid van de inzet van dit opsporingsmiddel, alsmede op de schending van de verbaliseringsplicht, en het gebrek aan transparantie en toetsbaarheid. Voorts stelt de verdediging zich op het standpunt dat aan de afgelegde bekentenis van verdachte geen enkele bewijswaarde toekomt. Valse bekentenissen bestaan en de bekennende verklaring van verdachte dient in onderhavig geval ook als zodanig te worden beschouwd, nu verdachte er door het WOD-team is ingeluisd. In dit kader wijst de verdediging tevens op het door haar ingebrachte rapport van prof. dr. Ton Derksen.

Subsidiair, indien de rechtbank het WOD-traject niet onrechtmatig acht, komt de verdediging tot de conclusie dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs uit het dossier naar voren komt, omdat het dossier de volle ruimte laat voor de aanwezigheid van een alternatief scenario. De moord is door een ander gepleegd. Deze persoon heeft het fatale geweld op [slachtoffer] toegepast en voorafgaand of vervolgens de inbraak gepleegd. Ten slotte wijst de verdediging op contra-indicaties voor het scenario zoals dit wordt geschetst door de officier van justitie.

De enige juiste beslissing is volgens de verdediging dat verdachte wordt vrijgesproken van hetgeen hem ten laste is gelegd.

5.3

Het oordeel van de rechtbank

5.3.1

Eem I

Op zaterdag 18 december 2010 was er in Kaatsheuvel sprake van periodes van hevige sneeuwval. Er was sprake van onophoudelijke sneeuwval tussen zaterdag 18 december 2010 om 20:00 uur en zondag 19 december 2010 om 02:00 uur.1 Op die avond, omstreeks 20:45 uur, vertrekken verdachte en [slachtoffer] ( [slachtoffer] ) met de fiets van hun huis aan [straat 1] te Kaatsheuvel, gemeente Loon op Zand, om naar een feest van carnavalsvereniging de ‘ [naam vereniging] ’ in ‘ [naam café] ’ te gaan.2 Verdachte zou aanvankelijk niet mee gaan naar het feest, omdat hij – naar eigen zeggen – moe was van het vele werken in die week. [slachtoffer] heeft hem echter overgehaald om toch mee te gaan en heeft geregeld dat haar vader [vader slachtoffer] die avond komt oppassen op hun kinderen [naam kind 1] en [naam kind 2] . Verdachte verlaat vroegtijdig het feest om hun jongste zoon [naam kind 2] de fles te kunnen geven. Een paar minuten na 22:30 uur komt verdachte thuis en lost de vader van [slachtoffer] af. [slachtoffer] vader gaat vervolgens vrijwel meteen naar huis. Verdachte stuurt om 22:38 uur een sms-bericht naar de telefoon van [slachtoffer] met daarin de mededeling: “Ik ben thuis. X”.3 Enige tijd later, om 23:29 uur, stuurt [slachtoffer] een sms-bericht naar de telefoon van verdachte met de tekst: “Ging het goed op de weg?”. Verdachte reageert hierop om 23:35 uur met de mededeling: “Best wel. Alleen in de bochten opletten. Tot straks X”. Om 23:52 uur stuurt [slachtoffer] opnieuw een sms-bericht naar verdachte, waarin zij schrijft: “Ga mijn jas halen. Sms nog wel als ik echt vertrek”. Op het moment dat verdachte dit sms-bericht ontvangt, is hij aan de telefoon met [vriendin verdachte] (hierna: [vriendin verdachte] ).4

Uit verklaringen van verdachte en [vriendin verdachte] en uit vele sms-berichten die zij elkaar hebben gestuurd, blijkt dat zij op dat moment sinds enige tijd een (voor [slachtoffer] verzwegen) relatie met elkaar hebben.5 Uit sms-berichten van 28 september 2010 blijkt dat [vriendin verdachte] er achter is gekomen dat verdachte, anders dan hij eerder heeft gezegd, een vriendin en kinderen heeft.6 In de dagen erna worden tussen verdachte en [vriendin verdachte] meerdere berichten verzonden over het feit dat verdachte een relatie met [vriendin verdachte] heeft naast zijn relatie met [slachtoffer] .7 Op 9 oktober 2010 schrijft [vriendin verdachte] in een sms-bericht naar verdachte: “Ik wil iemand die ik niet hoef te delen en die er voor mij is als ik hem nodig heb”. Op 6 november 2010 stuurt verdachte een sms-bericht naar [vriendin verdachte] met daarin de tekst: “Geen zorgen maken schat. Is mijn probleem die ik alleen kan oplossen. Ik ben het hier meer dan beu, maar kan het nog niet bekendmaken, pfff. Mis je enorm xxx”. Op 16 november 2010 schrijft verdachte in een sms-bericht: “Goeiemorgen, yep lekker geslapen. En Jij? Vandaag thuis en met de kids naar het KDV, want mijn toekomstige ex is behoorlijk ziek. Straks nog wat klussen en van thuis uit werken natuurlijk. En jij drukke dag? Knuffel en kusjes. Xxx”. Op 4 december 2010 stuurt verdachte een sms-bericht naar [vriendin verdachte] met daarin de tekst: “Ga zo slapen schat. Morgen even met [naam kind 1] buiten spelen in de sneeuw. Ik hou ontzettend veel van jou en wil nog dit jaar bij jou zijn. Dikke knuffel en nachtkusjes voor jou. Tot morgen lekker ding die je bent Xxx”.

Uit de hiervoor vermelde sms-berichten en de verklaringen van verdachte en [vriendin verdachte] blijkt dat de relatie tussen verdachte en [vriendin verdachte] weliswaar werd voortgezet, maar dat [vriendin verdachte] heeft aangegeven dat zij geen vijfde wiel aan de wagen wil zijn. Verdachte heeft hierover verklaard dat hij wist dat [vriendin verdachte] een datum in haar hoofd had, dat zij het (de rechtbank begrijpt: verdachtes gelijktijdige relaties met [slachtoffer] en [vriendin verdachte] ) tot die datum toe zou laten en dat het vanaf die datum op zou houden tussen verdachte en [vriendin verdachte] .8 [vriendin verdachte] heeft op 19 december 2010 verklaard dat zij een ultimatum had gesteld en dat zij zich had voorgenomen hem tot januari 2011 de tijd te geven.9 Voorts heeft zij verklaard dat zij het vorige week nog met verdachte over het ultimatum had gehad. Zij heeft toen tegen verdachte gezegd dat zij dacht hij het niet zou redden vóór haar ultimatum. Verdachte zei vervolgens dat hij dacht dat zijn ultimatum voor dat van [vriendin verdachte] lag. Het was wel duidelijk dat hij vóór kerst in gedachte had, omdat verdachte wist dat kerst heel belangrijk voor haar was. Verdachte heeft gezegd dat hij dacht dat het ultimatum iets was met veel eentjes erin (de rechtbank begrijpt: 1-1-2011) waarop [vriendin verdachte] bevestigend heeft geantwoord. Verdachte heeft verder tegenover [vriendin verdachte] verklaard dat hij voor zichzelf wilde proberen alles voor de vierentwintigste klaar te hebben.10

Tussenconclusie

Vast staat dat verdachte ten tijde van zijn relatie met [slachtoffer] een geheime relatie had met [vriendin verdachte] . Voorts blijkt uit de sms-berichten en de verklaringen van verdachte en [vriendin verdachte] dat [vriendin verdachte] een ultimatum had gesteld en dat verdachte van het bestaan van een ultimatum op de hoogte was. Geconcludeerd kan worden dat verdachte vóór 1 januari 2011 een keuze moest hebben gemaakt tussen [slachtoffer] en [vriendin verdachte] en dat bij het uitblijven daarvan [vriendin verdachte] de relatie met verdachte zou verbreken.

Verdachte heeft over het sms-bericht van [slachtoffer] van 23:52 uur, waarin staat dat zij haar jas gaat halen, verklaard dat hij dit bericht vluchtig – voor of na het telefoongesprek met [vriendin verdachte] – heeft gelezen. Uit de historische telefoongegevens blijkt dat het telefoongesprek met [vriendin verdachte] werd beëindigd om 23:53 uur en in totaal 16 minuten en 42 seconden heeft geduurd. Ten slotte stuurt [slachtoffer] om 23:57 uur een sms-bericht naar verdachte met daarin de tekst: “Vertrek nu”.11 Verdachte heeft over dit bericht verklaard dat hij het voor de dood van [slachtoffer] niet heeft gelezen, omdat hij (de rechtbank begrijpt: tussen 23:53 uur en 23:57 uur) in slaap was gevallen.12 Tijdens de 112-melding geeft verdachte aan dat hij op dat moment ziet dat [slachtoffer] nog een sms-bericht heeft gestuurd om 3 minuten voor middernacht met daarin de tekst dat zij ging vertrekken.13

Tussenconclusie

Verdachte heeft het bericht van [slachtoffer] van 23.52 uur dat zij spoedig zou vertrekken, gelezen tijdens of na het telefoongesprek met [vriendin verdachte] . Verdachte wist dus op grond van dit sms-bericht dat [slachtoffer] spoedig zou vertrekken en enige tijd later thuis zou komen.

Op camerabeelden van Intertoys, gevestigd aan de Hoofdstraat 64 te Kaatsheuvel, is door een verbalisant gezien dat op 19 december 2010, omstreeks 00:03:04 uur tot 00:03:07 uur (systeemtijd), een persoon op een damesfiets door het beeld fietst, die voldoet aan het signalement van [slachtoffer] .14 De verbalisant ziet dat deze persoon uit de richting van de Hoofdstraat komt over de Peperstraat en in de richting van de Markstraat fietst. Gezien de controle van de systeemtijd bij Intertoys kan worden vastgesteld dat deze persoon op zondag 19 december 2010 te 00:00:04 uur over de Peperstraat te Kaatsheuvel fietste. Verdachte heeft ter zitting bevestigd dat [slachtoffer] op de beelden van Intertoys is te zien.15 Op de beelden van de Rabobank, gevestigd aan de Peperstraat, is te zien dat op 19 december 2010 om 00:07 uur een fietser in beeld komt vanuit de richting Peperstraat in de richting van de Huygenstraat.16

De rechtbank stelt op basis hiervan vast dat [slachtoffer] op de beelden van Intertoys is te zien en dat zij vervolgens om 00:07 uur langs de Rabobank fietst. De rechtbank wijst er op dat de Rabobank aan de Peperstraat op de route ligt waarvan verdachte heeft verklaard dat dit de route is die hij en [slachtoffer] altijd namen.17 Daarnaast heeft de rechtbank geen enkele reden om aan te nemen dat [slachtoffer] een andere route heeft gefietst dan gebruikelijk was.

Door de politie is vastgesteld dat de gebruikelijke route, van ‘ [naam café] ’ naar [straat 1] , ( [straatnamen] ) met de fiets met een normale snelheid in ongeveer 9 minuten en 30 seconden kan worden gereden.18 De politie is hierbij uitgegaan van de route waarvan verdachte heeft aangegeven dat dit de route is die [slachtoffer] en hijzelf normaal gesproken namen. Verder is vastgesteld dat deze route lopend kan worden afgelegd in 21 minuten.

Verdachte heeft ter zitting gesteld dat [slachtoffer] er op de fiets in totaal 20 minuten over gedaan moet hebben. De rechtbank acht deze stelling, gelet op het onderzoek van de politie, niet aannemelijk geworden, maar houdt wel rekening met de mogelijkheid dat [slachtoffer] , door het slechte weer die nacht, er een paar minuten langer over heeft gefietst dan 9 minuten en 30 seconden.

Getuige [getuige 1] , woonachtig op [straat 2] te Kaatsheuvel, heeft verklaard dat hij zaterdagavond

18 december 2010 in zijn bed een film lag te kijken.19 Omstreeks 00:05 uur ging hij slapen. Toen hij net op bed lag, hoorde hij ineens een harde ijselijke gil van een vrouw. Het klonk volgens [getuige 1] ‘als vrouwen die hun popidool zien’, maar dan angstig. Het was een gil op hoge toonhoogte. [getuige 1] hoorde de gil tussen 00:05 uur en ongeveer 00:13 uur. Hij weet dit omdat hij een paar minuten na de gil op zijn gsm keek en zag dat het toen 00:15 uur was. Later heeft hij verklaard dat de gil klonk alsof je weet dat je laatste seconde heeft geslagen.20 De gil kwam vanuit de richting van [straat 3] en [straat 1] . In aanvulling op zijn verklaring bij de politie heeft [getuige 1] tijdens de reconstructie verklaard dat de gil die hij hoorde een intense gil was en dat als hij eraan terug denkt zijn haren er nog van overeind gaan staan. De gil die tijdens de reconstructie werd gereconstrueerd ging omhoog en zwakte af. Zo was het in de nacht van 19 december 2010 niet. In de desbetreffende nacht bleef de gil op dezelfde hoogte. Het was een schreeuw die plotseling stopte.21

Getuige [getuige 2] , woonachtig op [straat 4] te Kaatsheuvel, heeft verklaard dat hij

18 december 2010 televisie zat te kijken.22 Op enig moment hoorde hij bij [straat 1] gestommel en het dichtslaan van een deur. Verder hoorde hij die avond een gil. Dit gebeurde om en nabij 00:30 uur. De gil was van iemand die flink schrikt en was afkomstig van een vrouw. In aanvulling op zijn verklaringen bij de politie heeft [getuige 2] tijdens de reconstructie verklaard dat de gil een schrikschreeuw was.23 De gil was vóór het gestommel. Tussen de schreeuw en het gerommel zat ongeveer vijf à tien minuten. Het was een hogere gil dan de gil die tijdens de reconstructie te horen was en er zat veel meer kracht achter. De gil in de nacht van 19 december 2010 kwam onder de overkapping van [straat 1] vandaan.24

De vraag waar de rechtbank zich voor gesteld ziet, is van wie de gil in de nacht op 19 december 2010 vlak na middernacht afkomstig is geweest. De rechtbank overweegt hiertoe het volgende. In het laatste sms-bericht van [slachtoffer] – dat zij om 23:57 uur heeft gestuurd – schrijft zij: “Vertrek nu”. Uit de camerabeelden blijkt dat [slachtoffer] om 00:04 uur langs Intertoys aan de Hoofdstraat te Kaatsheuvel fietst en dat zij vervolgens vanuit de richting Peperstraat in de richting van de Huygenstraat fietst. Uit de door de politie afgelegde route van “ [naam café] ” naar [straat 1] blijkt dat de route per fiets in beginsel ongeveer 9 minuten en 30 seconden bedraagt. Op basis van deze bevindingen – ervan uitgaande dat [slachtoffer] er door de slechte weersomstandigheden langer over heeft gedaan dan gebruikelijk – stelt de rechtbank vast dat [slachtoffer] rond 00:15 uur thuis moet zijn gekomen. Dit sluit aan bij de door de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] genoemde tijdstippen en plaats waar zij de gil hebben gehoord.

Verdachte heeft verklaard dat hij de schreeuw van [slachtoffer] niet heeft gehoord, maar dat hij wakker is geworden van lawaai/gerommel dat hij beneden hoorde. Om 00:54 uur heeft hij de 112-melding gedaan. Verdachte is - naar eigen zeggen - kort daarvoor wakker geworden. Zijn eerste gedachte was dat het de kinderen waren, maar toen dit niet het geval bleek te zijn, dacht hij dat [slachtoffer] was thuisgekomen en misschien iets aan het zoeken was. Toen het voor zijn gevoel te lang duurde, is hij naar beneden gegaan om poolshoogte te nemen. Over het geluid waarvan verdachte wakker is geworden, legt hij wisselende verklaringen af. Getuige [getuige 3] , ambulancemedewerkster, heeft verklaard dat verdachte tegen haar heeft gezegd dat hij wakker was geworden van een schreeuw dan wel katachtig gejank. Ten overstaan van verbalisanten [naam verbalisant 1] en [naam verbalisant 2] heeft verdachte verklaard een harde bonk/knal dan wel een harde klap te hebben gehoord. Bij de politie heeft verdachte verschillende keren verklaard dat hij wakker is geworden van gerommel. Het geluid dat hij hoorde was van een la opentrekken en een beetje schuiven.

Tussenconclusie

De rechtbank is van oordeel dat de verklaring van verdachte, dat hij kort na het gesprek met [vriendin verdachte] in slaap is gevallen (de rechtbank begrijpt: tussen 23:53 uur en 23:57 uur) en tot kort voor 00:54 uur heeft geslapen, ongeloofwaardig is. Daarbij heeft de rechtbank laten wegen dat verdachte niet consistent heeft verklaard over de bron van het geluid waarvan hij – beweerdelijk – wakker is geworden en dat niet kan kloppen dat verdachte van het door de getuige [getuige 2] gehoorde lawaai van de lades van het dressoir wakker is geworden. Het tijdstip van verdachtes ontwaken komt namelijk niet in de buurt van het tijdstip van het kortdurende lawaai van de lades dat uiterlijk om 00:25 uur na de gil door [getuige 2] is gehoord.

Op 19 december 2010, omstreeks 00:54 uur, komt er bij de politie een melding binnen om naar [straat 1] te Kaatsheuvel te gaan.25 Bij de meldkamer van de politie wordt door verdachte gemeld dat er een inbraak is gepleegd in zijn woning en dat zijn vriendin, [slachtoffer] , zonder ademhaling in de achtertuin op de grond ligt. Verdachte geeft aan dat hij op dat moment geen pols bij [slachtoffer] voelt. Naar aanleiding van deze melding gaat de politie om 01:04 uur ter plaatse.26 Bij de voordeur ziet zij een geëmotioneerde man, verdachte, staan. De verbalisanten betreden de woning via de voordeur en lopen vervolgens door de woning naar de achtertuin. Zij zien achter in de tuin een vrouw op haar rug, onder het afdak van de schuur, liggen. De verbalisanten zien dat het slachtoffer met haar hoofd richting de poort ligt en met haar been richting de achterzijde van de woning. De fiets van het slachtoffer ligt gedeeltelijk op/onder haar. De verbalisanten gaan – nadat zij enkele spullen hebben weggehaald om ruimte te maken – reanimeren. Dit wordt korte tijd later overgenomen door ambulancemedewerkers. Enige tijd later wordt door een ambulancemedewerker medegedeeld dat het slachtoffer is overleden .27

Tussenconclusie

De rechtbank leidt uit hetgeen hiervoor is overwogen af dat direct nadat [slachtoffer] vanuit de brandgang door de poort de (achter)tuin van [straat 1] was binnengaan dodelijk geweld op haar is toegepast. De rechtbank wijst er op dat [slachtoffer] vlak achter de poort, onder de overkapping, en gedeeltelijk op of onder haar fiets is aangetroffen en dat er geen aanknopingspunten zijn voor de veronderstelling dat zij op een andere plek om het leven is gebracht. Daarbij komt dat de gil volgens de getuigen [getuige 2] en/of [getuige 1] onder de overkapping van [straat 1] vandaan kwam en dezelfde hoogte bleef houden en zonder af te zwakken direct stopte.

Uit onderzoek door het Forensische Opsporingsteam op het lichaam van [slachtoffer] blijkt dat er zich aan de linkerzijde van het behaarde deel van het hoofd een verwonding bevindt.28 Tijdens de schouw wordt verder gezien dat er een verkleuring aanwezig is in de hals van het slachtoffer. Tevens zijn er tekenen van stuwing, in de vorm van kleine puntvormige bloedinkjes, aanwezig in de ogen van het slachtoffer. Volgens dr. V. Soerdjbalie-Maikoe, forensisch patholoog bij het NFI, kon het niet worden uitgesloten, dat deze het gevolg waren van verstikking dan wel een poging daartoe.

Bij sectie op het lichaam van [slachtoffer] door genoemde forensisch patholoog wordt het letsel aan het behaarde hoofd bevestigd en wordt geconcludeerd dat het intreden van de dood goed kan worden verklaard door inwerking van uitwendig mechanisch samendrukkend, al dan niet in combinatie met omsnoerend, geweld op de hals zoals bijvoorbeeld kan ontstaan bij verwurging al dan niet in combinatie met omsnoering.29 Voorts blijkt dat verwikkelingen van samendrukkend geweld op de mond een bijdrage kan hebben geleverd aan het overlijden.

In het rapport van IFS, ingebracht door de verdediging, wordt geconcludeerd dat de doodsoorzaak gegeneraliseerd zuurstofgebrek door verstikking is30. Het mechanisme van overlijden is een manueel wurgen met één of beide handen. Hierbij kan uitwendige belemmering van de ademwegen in de vorm van een hand of ander lidmaat op de mond nog aan het overlijden hebben bijgedragen. De verwondingen aan het hoofd zijn vitaal, dat wil zeggen dat ze bij leven zijn ontstaan en uiting zijn van een stompe geweldinwerking, mogelijk met een voorwerp.

Tussenconclusie

De rechtbank concludeert op grond van de rapporten van het NFI en IFS dat [slachtoffer] na haar overlijden een verwonding had aan het behaarde hoofd, die bij leven is ontstaan en mogelijk met een stomp voorwerp is toegebracht, dat zij is gewurgd met één of beide handen en door verstikking om het leven is gekomen en dat geweld op haar mond aan het overlijden kan hebben bijgedragen.

De hals van het slachtoffer is – vanwege het aantreffen van de verkleuring van de halsstreek en het aantreffen van puntvormige bloedinkjes in de ogen – bemonsterd op eventuele aanwezigheid van DNA-contactsporen.31 Er is een spoor veiliggesteld onder SIN AACQ1456NL. Van het DNA in de bemonsteringen SIN AACQ1456NL#01 en #02 van de hals van het slachtoffer zijn DNA-mengprofielen verkregen die DNA-kenmerken bevatten van ten minste twee personen, waarvan minimaal één man.32 Met betrekking tot het spoor AACQ1456NL#01 en #02 matcht het DNA-mengprofiel met het DNA-profiel van [slachtoffer] en met dat van verdachte. De berekende frequentie van deze afgeleide DNA-profielen is kleiner dan één op één miljard. De rechtbank wijst er met betrekking tot dit DNA-contactspoor op dat verdachte weliswaar heeft verklaard dat hij [slachtoffer] (de rechtbank begrijpt: op de plaats delict) heeft aangeraakt door haar vast te pakken en bij haar te gaan liggen, maar verdachte heeft na herhaaldelijk en specifiek doorvragen door de rechtbank niet verklaard dat hij haar op enig moment op de plaats delict in de hals heeft aangeraakt. Dit had bijvoorbeeld het geval kunnen zijn als verdachte de hartslag van [slachtoffer] aan een slagader in de hals had willen voelen. Uit de 112-melding en zijn verklaring ter zitting blijkt echter dat verdachte aan haar pols heeft gevoeld.

Tussenconclusie

In de hals van de gewurgde [slachtoffer] is het DNA-profiel van verdachte aangetroffen waarvoor hij geen verklaring heeft gegeven.

Verbalisanten zien bij binnenkomst in de woning dat de lades van de bruine kast aan de linkerzijde tegenover de keuken (de rechtbank begrijpt: het dressoir) open zijn.33 Ook de deuren van dezelfde kast staan open. Verder wordt opgemerkt dat de televisie, die bij binnenkomst links staat, gedraaid staat naar de rechterzijde. Uit het forensisch sporenonderzoek blijkt dat op de bovenzijde van de erfscheidingen links en rechts van de tuin sneeuw ligt.34 De sneeuwlaag is intact. De grond onder de erfafscheidingen is eveneens bedekt met een laagje sneeuw en vertoont geen verstoringen door vallende sneeuw of indruksporen. Behalve op de plaatsen die werden betreden door hulpverleners of door politieagenten worden er door de verbalisanten geen plaatsen aangetroffen waar de sneeuwlaag is verstoord. Evenmin zijn sporen of aanwijzingen aangetroffen die kunnen wijzen op het feit dat de erfafscheidingen rond deze tuin waren overklommen. Verder wordt er op de bovenzijde van de schuurdeur een ononderbroken rechte sneeuwrand waargenomen. Daarnaast wordt geconstateerd dat de poort van de tuin, die een uitgang biedt naar de brandgang nog geheel intact is. Aan de voordeur is niets verbroken.35 Ten slotte wordt vastgesteld dat de lagen sneeuw bovenop de erfafscheiding grenzende aan de brandgang intact zijn en niet waren verstoord.36 Vastgesteld wordt dat er geen sporen van braak en overklimming zijn aangetroffen. De inhoud van de lades en kastjes toonde ordelijk en er waren geen kabels van de televisie losgetrokken.37 Ook na onderzoek van de ramen en de deuren en het daarop aanwezige hang- en sluitwerk werden geen aanwijzingen verkregen die erop duidden, dat iemand zich door middel van braak toegang had verschaft tot de woning.38

In het verlengde van het sporenbeeld dat is aangetroffen in de woning aan [straat 1] hebben diverse verbalisanten een verklaring afgelegd. Verbalisant [naam verbalisant 2] heeft verklaard dat toen hij binnen kwam hij zag dat de deurtjes en lades van het dressoir open stonden.39 De deurtjes stonden allemaal precies hetzelfde open en ook de lades stonden precies even ver open. Verbalisant [naam verbalisant 3] heeft verklaard dat hij had gezien dat alle lades van het dressoir open stonden.40 Het viel hem op dat alle lades even ver open stonden en dat alles nog in de lades lag. Er was niets overhoop gehaald. Later bedacht hij zich nog dat alles netjes in de lades lag. Door verbalisant [naam verbalisant 4] werd ook gezien dat de lades en kastjes van het dressoir open stonden.41 Het viel op dat er nog spulletjes in de lades zaten en dat er niets voor de kast lag. Deze verklaringen worden bevestigd door de verbalisanten [naam verbalisant 5] en [naam verbalisant 1] .42 Ten slotte heeft ambulancemedewerkster [getuige 3] verklaard dat de lades open stonden, maar dat er niet in gerommeld was.43

Op 2 maart 2011 is een onderzoek ingesteld met behulp van luminol naar de aanwezigheid van (latent) bloed in de woning aan [straat 1] . Tijdens dit onderzoek wordt gezien dat op de rand onder het blad en boven twee van de lades in het dressoir een chemiluminescentie optrad. Deze plaatsen werden getest met een tetrabase test en gezien het verkregen testresultaat betrof het bloed. De plaatsen op het dressoir zijn bemonsterd en veiliggesteld onder SIN AACX9071NL en SIN AACX9070NL. Van het DNA in de bemonstering SIN AACX9070NL#01 is een DNA-mengprofiel verkregen die DNA-kenmerken bevat van [slachtoffer] en minimaal één andere (mannelijke) persoon. De frequentie van het DNA-profiel kon niet worden berekend. Van het DNA in de bemonstering SIN AACX9071NL#01 werd een DNA-profiel verkregen die DNA-kenmerken bevat van [slachtoffer] . De berekende frequentie is ongeveer één op 22 miljoen.

Tussenconclusies

De rechtbank stelt vast dat de lades en deurtjes van het dressoir open stonden, op dezelfde manier en evenwijdig aan elkaar en dat er niet in was gerommeld. Er zijn geen sporen van braak, inklimming of overklimming aan de tuin of aan het huis aangetroffen. Vast staat dat er geen geld of goederen zijn gestolen of als buit zijn klaargezet. De rechtbank leidt hieruit af dat er geen sprake is geweest van een daadwerkelijke inbraak.

Uit het feit dat er bloed van [slachtoffer] is aangetroffen onder de rand boven de laadjes van het dressoir concludeert de rechtbank dat de dader na het op [slachtoffer] toepassen van geweld, de laadjes van het dressoir heeft opengeschoven.

5.3.2

Eem II

Nadat verdachte in juni 2011 uit zijn voorlopige hechtenis was geschorst, heeft de officier van justitie na ongeveer twee jaar het onderzoek naar de dood van [slachtoffer] hervat onder de naam Eem II. In dit onderzoek is overgegaan tot de inzet van de bijzondere opsporingsbevoegdheid van artikel 126j Sv: de stelselmatig inwinning van informatie (SI).

Het juridisch kader

In artikel 126j Sv is de bevoegdheid geregeld die wordt aangeduid als stelselmatige inwinning van informatie. Het artikel bepaalt dat de officier van justitie bevoegd is te bevelen dat een opsporingsambtenaar in het belang van het onderzoek stelselmatig informatie inwint over de verdachte, zonder dat kenbaar is dat hij optreedt als opsporingsambtenaar. Blijkens de wetsgeschiedenis kan een opsporingsambtenaar dit doen door stelselmatig in de omgeving van de verdachte te verkeren en aan activiteiten en gesprekken deel te nemen, waaraan ook verdachte of personen uit de directe omgeving van de verdachte deelnemen. Bij deze vorm van opsporing kan dus niet alleen de privacy van de betrokken burgers in het geding zijn, maar kan tevens sprake zijn van misleiding: de burger weet niet dat de persoon met wie hij van doen heeft, een vertegenwoordiger van de overheid is. De opsporingsambtenaar heeft uitdrukkelijk tot opdracht om op zodanige wijze aanwezig te zijn in de omgeving van de verdachte, dat de verdachte of personen uit de directe omgeving van de verdachte met hem contacten onderhouden zonder dat zij weten dat zij met een opsporingsambtenaar van doen hebben. De opsporingsambtenaar observeert dus niet alleen, maar interfereert actief in het leven van de verdachte. Hij gaat daarbij verder dan alleen waarnemen of luisteren. Gelet op de stelselmatigheid waarmee dit kan gebeuren, kan deze bevoegdheid een inbreuk maken op de persoonlijke levenssfeer van verdachte44. Uit de wetsgeschiedenis blijkt voorts dat het inzetten van een SI-traject zijn rechtvaardiging vindt in het grote maatschappelijke belang dat is gediend bij de opsporing van misdrijven die een ernstige inbreuk maken op de rechtsorde, hetzij door hun gewelddadige karakter, hetzij door hun grote omvang en gevolgen voor de samenleving, doch waar regulier openlijk onderzoek onvoldoende resultaat heeft of belooft te hebben45.

In de praktijk is de uitvoering van deze bevoegdheid thans ondergebracht bij het team Werken onder Dekmantel van de Afdeling Afgeschermde Operaties van de Landelijke Eenheid.

Rechtmatigheid

De raadsman heeft aangevoerd dat in deze zaak de bevoegdheid van SI onrechtmatig is ingezet, omdat er niet is voldaan aan het proportionaliteitsbeginsel. Gezien het ontbreken van direct bewijs voor betrokkenheid van verdachte aan het geconstateerde misdrijf en de afwezigheid van ‘nieuwe informatie en/of nieuwe indicaties strekkende tot bewijs’ was door-rechercheren na Eem I op de indringende wijze waarop dat is geschied niet gerechtvaardigd, disproportioneel en daarmee onrechtmatig. Dit verzuim levert volgens de verdediging een onherstelbaar vormverzuim in het voorbereidend onderzoek op, zoals bedoeld in artikel 359a Sv, en dient bestraft te worden met bewijsuitsluiting van het materiaal dat is verkregen door het (onrechtmatige) WOD-traject.

De rechtbank stelt voorop dat de officier van justitie verantwoordelijk is voor de inzet van de bevoegdheid en de wijze van uitvoering van SI. In een zaak als deze, waar de gewelddadige en onbegrijpelijke dood van een moeder van jonge kinderen centraal staat, komt de officier van justitie veel (beleids)vrijheid toe om het opsporingsonderzoek te leiden en (bijzondere) opsporingsbevoegdheden toe te passen. Deze vrijheid is niet onbeperkt en vindt zijn begrenzing onder meer in het beginsel van proportionaliteit en subsidiariteit. Dit beginsel is normatief voor de vraag of een bevoegdheid toegepast mag worden en tevens voor de wijze van uitvoering van deze bevoegdheid. Indien de officier van justitie na afweging van alle betrokken belangen in redelijkheid niet tot toepassing van een hem toekomende opsporingsbevoegdheid had kunnen overgaan, bijvoorbeeld omdat dit disproportioneel was, is dit beginsel geschonden.

Niet in geschil is, dat aan het vereiste dat er sprake dient te zijn van een misdrijf dat een ernstige inbreuk heeft gemaakt op de rechtsorde is voldaan. Evenmin is in geschil dat de officier van justitie en het politieteam in het onderzoek Eem I gebruik hebben gemaakt van alle reguliere opsporingsmethoden, maar dat aan het eind van Eem I naar de mening van het Openbaar Ministerie het misdrijf niet volledig was opgehelderd. Aan het eind van Eem I lag er een uitgebreid onderzoek naar verschillende mogelijke verdachten, waarbij de slotconclusie van de politie was dat de uitkomsten van dit onderzoek naar verdachte wezen als de verantwoordelijke voor de dood van [slachtoffer] . De rechtbank nam jegens verdachte ernstige bezwaren en gronden aan en verdachte heeft 3 maanden in voorlopige hechtenis doorgebracht, alvorens hij in juni 2011 werd geschorst. Niet omdat de verdenking was afgezwakt, maar – zo betoogde de officier van justitie in zijn requisitoir – omdat de officier van justitie vreesde dat de door de rechtbank aangenomen ernstige bezwaren in het kader van de voorlopige hechtenis uiteindelijk bij de beoordeling van de inhoudelijke strafzaak, misschien niet zwaar genoeg waren om ook aan de strengere eisen van wettig en overtuigend bewijs te voldoen. Wetende dat hij op grond van de toenmalige wet bij een onherroepelijke vrijspraak zijn recht op vervolging van verdachte zou verliezen, heeft de officier van justitie gekozen om gebruik te maken van SI. In de hiervoor omschreven omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat de inzet van de bevoegdheid SI proportioneel is geweest. Dat er geen sprake was van ‘nieuwe informatie en/of nieuwe indicaties strekkende tot bewijs’ doet hier niet aan af, omdat dat in deze zaak geen vereiste is.

Evenmin kan de door de raadsman genoemde ‘indringendheid’ van het SI-traject en de mate van inbreuk op verdachtes privéleven leiden tot de conclusie dat het traject niet proportioneel was. In een periode van ruim één jaar, tot aan het vertrek naar Marbella op 17 september 2014 zijn er ongeveer 17 zakelijke contacten geweest tussen undercoveragent [naam politieinformant 2] en verdachte en ongeveer 5 sociale contacten tussen de undercoveragenten [naam politieinformant 2] en [naam politieinformant 1] en verdachte en zijn huidige echtgenote. Tevens was er sprake van ongeveer 43 email- danwel sms-contacten tussen [naam politieinformant 2] en verdachte en 21 telefonische contacten. Deze frequentie in een periode van meer dan één jaar acht de rechtbank niet disproportioneel.

Wat de subsidiariteit betreft, onderschrijft de rechtbank het standpunt van de officier van justitie dat de kans om met minder ver strekkende opsporingsmiddelen dichterbij opheldering van het misdrijf te komen, niet meer reëel was. Het misdrijf had reeds in december 2010 plaatsgevonden, verdachte was sinds juni 2011 geschorst uit de voorlopige hechtenis, inmiddels getrouwd met [vriendin verdachte] en het leek erop dat ‘de rust was wedergekeerd’. Al het mogelijke tactisch en technisch onderzoek was gedaan en de gebruikelijke opsporingsmethoden zoals telefoontaps en observaties hadden het opsporingsteam niet dichter bij de opheldering van de zaak gebracht. De keuze voor de inzet van de bevoegdheid SI voldoet daarmee ook aan de eisen van subsidiariteit.

Nu er voldaan is aan het beginsel van proportionaliteit en subsidiariteit en de rechtbank ook overigens geen onrechtmatigheden heeft geconstateerd, is zij van oordeel dat de inzet van het opsporingsmiddel SI rechtmatig is geweest. Het verweer van de raadsman wordt verworpen.

Eerlijk proces?

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte geen eerlijk proces heeft gehad, vanwege de gebreken die er kleven aan het WOD-traject. In de eerste plaats heeft de raadsman gesteld dat verdachte zijn verklaringen niet in vrijheid heeft kunnen afleggen. Hij heeft daarbij aansluiting gezocht bij het arrest van het EHRM in de zaak Allan vs United Kingdom (5 november 2002, appl.nr. 48539/99, NJ 2004, 262).

De rechtbank overweegt, zoals eerder overwogen, dat de vergelijking met het door de raadsman genoemde arrest mank gaat. Allan was een gedetineerde verdachte, die zich van meet af aan in het onderzoek op zijn zwijgrecht had beroepen en zich daarmee een duidelijke zwijgende proceshouding had aangemeten. Door een opsporingsambtenaar zich voor te laten doen als medegedetineerde en hem persistent te ondervragen over het delict, is een schending van het nemo tenetur beginsel ontstaan. In onderhavige zaak is sprake van een zich in feitelijke vrijheid bevindende verdachte, die vanaf begin af aan verklaringen heeft afgelegd tegenover de politie. Daarbij geldt dat voor de stelselmatige inwinning van informatie het stellen van vragen door de niet als opsporingsambtenaar kenbare informant aan een verdachte, niet plaats vindt in de door artikel 29 Sv bedoelde verhoorsituatie. De cautie, strekkende tot bescherming tegen de druk en verwarring die in de verhoorsituatie van de als zodanig kenbare opsporingsambtenaar of rechter uitgaat, is dan ook niet van toepassing. Daarmee moet worden aangenomen dat door de enkele misleiding de verklaringsvrijheid niet geacht wordt onder druk te staan, noch dat sprake kan zijn van een schending van het nemo tenetur beginsel. De door de raadsman aangevoerde omstandigheden zijn niet van dien aard, dat de rechtbank daar in deze zaak anders over oordeelt.

De stelling van de verdediging dat er voor het onderhavige WOD-traject geen voorafgaande toetsing danwel goedkeuring van de Centrale Toetsingscommissie is verkregen, is op zichzelf juist. Nu deze toetsing c.q. goedkeuring geen vereiste is voor het inzetten van deze bevoegdheid, passeert de rechtbank dit verweer.

De verdediging heeft vervolgens het verweer gevoerd dat sprake is van schending van de verbaliseringsplicht in het WOD-traject, hetgeen eveneens dient te leiden tot de conclusie dat er geen sprake is geweest van een eerlijk proces. De raadsman heeft betoogd dat door de undercover-agenten niet alles is gerelateerd in processen-verbaal, waardoor verificatie niet meer mogelijk is. Het enkel op basis van het geheugen van verdachte vragen mogen stellen aan de undercover-agenten omtrent al hetgeen ontbreekt, vormt geen adequate toetsing of compensatie van het geschonden verdedigingsbelang. Ook heeft de officier van justitie, volgens de verdediging, in strijd met de beleidsregels van het Openbaar Ministerie, te weten de Aanwijzing auditief en audiovisueel registreren van verhoren van aangevers, getuigen en verdachten (AVR), opzettelijk nagelaten om audio- danwel video-opnames te maken, zodat lichaamstaal, intonaties en emoties niet meer te beoordelen zijn.

De rechtbank stelt het volgende vast. Van alle contacten met verdachte of zijn huidige echtgenote [vriendin verdachte] zijn door de verbalisanten [nummer 2] ( [naam politieinformant 2] ), zijn zogenaamde partner verbalisant [nummer 1] ( [naam politieinformant 1] ) en de zogenaamde baas van het beveiligingsbedrijf verbalisant [nummer 3] ( [naam politieinformant 3] ) zo spoedig mogelijk processen-verbaal opgemaakt. Daarnaast hebben zij van iedere inzet, ieder voor zich, verslag gedaan aan hun begeleiders, waarvan die begeleiders ook processen-verbaal hebben opgemaakt. Het onderzoek Eem II behelst 584 pagina’s aan processen-verbaal over de zakelijke ontmoetingen tussen verdachte en [naam politieinformant 2] , een eenmalig contact met [naam politieinformant 3] en over de sociale ontmoetingen tussen [naam politieinformant 2] , [naam politieinformant 1] en verdachtes huidige echtgenote [vriendin verdachte] . Op verzoek van de verdediging is een aanvullend proces-verbaal opgemaakt over de ‘klussen’ die verdachte in het kader van het WOD-traject voor [naam politieinformant 2] heeft gedaan. Het is een feit van algemene bekendheid dat processen-verbaal een zakelijke weergave bevatten van relevante feiten en dat het onmogelijk is om alles letterlijk vast te leggen in een proces-verbaal. De rechtbank heeft dan ook willen aannemen dat niet alles is vastgelegd in processen-verbaal en heeft de verdediging de gelegenheid gegeven de teamleider van het team WOD, begeleider [nummer 4] en de verbalisanten [naam politieinformant 2] , [naam politieinformant 1] en [naam politieinformant 3] als getuigen ter terechtzitting te horen. Tijdens deze verhoren heeft de verdediging alle mogelijkheden gehad om de getuigen te ondervragen en de stellingen van verdachte aan deze getuigen voor te leggen. Voorafgaand aan deze getuigenverhoren heeft verdachte een 183 pagina’s tellend verslag genaamd ‘ [verdachte] – Dossier 2014 – Mijn verslag’ met daarin opgenomen zijn bevindingen in het WOD-traject aan de rechtbank overgelegd, hetgeen aan het dossier is toegevoegd. Tot slot hebben zowel de getuigen als de officier van justitie ter zitting verklaard dat er geen audio- of video-opnames zijn gemaakt van de bekennende verklaringen van verdachte in de taxi en in de villa.

De rechtbank overweegt dat de zakelijke inhoud van de gesprekken telkens is opgenomen in ambtsedige processen-verbaal, dat op verzoek van de raadsman aanvullend proces-verbaal is opgemaakt, dat verdachte de inhoud van deze processen-verbaal op zichzelf niet betwist en dat verdachte en zijn raadsman de teamleider, de rode-draad-begeleider en drie verbalisanten uit het WOD-traject - mede aan de hand van het door verdachte opgetekende verslag - uitgebreid hebben kunnen ondervragen in de beveiligde zittingszaal, hetgeen is vastgelegd in de processen-verbaal van de rechtbank van 30 september en 16 oktober 2015. Naar het oordeel van de rechtbank geven het dossier en de bij de getuigenverhoren verkregen informatie geen aanleiding om te twijfelen aan de inhoud van de processen-verbaal. Evenmin is gebleken dat er door het WOD-team is geprobeerd om informatie achter te houden. Dat het gebruik van dure auto’s, de zweem van luxe en geld in de VIP-wereld en de precieze inhoud van de klussen niet is gerelateerd, acht de rechtbank geen verzuim, omdat het geen voor de waarheidsvinding relevante informatie betreft. Relevante informatie acht de rechtbank wat er door een ieder is gezegd en of er al dan niet beloftes aan verdachte zijn gedaan. Bij de getuigenverhoren heeft de verdediging ruimschoots de gelegenheid gehad om de processen-verbaal tot in detail aan te vullen, hetgeen zij heeft gedaan. Verdachtes uitgebreide lezing van de gebeurtenissen is door de getuigen ook niet ontkend en wordt door de officier van justitie ook niet betwist, zodat van de lezing van verdachte kan worden uitgegaan. De stelling van de verdediging dat de gang van zaken niet meer geverifieerd kon worden, is aldus een onjuiste stelling gebleken. Dat verdachte daarbij uit zijn geheugen moest putten, is naar het oordeel van de rechtbank geen aanleiding om aan te nemen dat er geen adequate toetsing heeft kunnen plaatsvinden of dat het verdedigingsbelang zou zijn geschonden. Ook het feit dat de bekennende verklaringen niet audio- of visueel zijn opgenomen, kan niet tot die conclusie leiden. De rechtbank is het met de raadsman eens dat het met eigen ogen toetsen van de uitlatingen van [naam politieinformant 2] en [naam politieinformant 3] over verdachtes lichaamstaal en emoties op deze wijze niet mogelijk is. Een dergelijke opname was zeker beter toetsbaar geweest, maar de keuze voor een dergelijke opname is aan de officier van justitie, die verschillende redenen kan hebben gehad om te besluiten hier geen toestemming aan de rechter-commissaris voor te (willen) vragen. De door de raadsman aangehaalde Aanwijzing AVR was in deze situatie niet van toepassing, nu deze alleen geldt in een verhoorsituatie, waarvan in het geval van SI – zoals hierboven al uiteengezet – geen sprake is. Bovendien valt in de laatste alinea van de Aanwijzing AVR te lezen dat in uitzonderlijke gevallen in opdracht van de officier van justitie kan worden afgeweken van de gestelde regels. De rechtbank concludeert, alles overwegende, dat aan het WOD-traject geen gebreken of vormverzuimen kleven.

Ook overigens is de rechtbank niet gebleken dat er sprake is geweest van onherstelbare vormverzuimen in het voorbereidend onderzoek, danwel omstandigheden waardoor verdachtes recht op een eerlijk proces te kort of te niet zou zijn gedaan. De rechtbank verwerpt de verweren van de raadsman hieromtrent.

Bewijswaarde van de bekennende verklaringen van verdachte

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte in Marbella tegenover [naam politieinformant 2] en [naam politieinformant 3] een valse bekentenis heeft afgelegd. Hij is bezweken onder de druk. Zijn echtgenote was hoogzwanger en er waren financiële problemen ontstaan. Hij moést met een baan terugkomen uit Marbella. De enige manier om de baan te krijgen, was de moord op [slachtoffer] bekennen. Dus dat is wat hij heeft gedaan.

De rechtbank stelt vast dat verdachte - zowel in Eem I als Eem II - vele malen is verhoord en in die verhoren altijd heeft ontkend iets met de dood van [slachtoffer] van doen te hebben, danwel zich op zijn zwijgrecht heeft beroepen. Ook in Spanje heeft hij steeds volgehouden onschuldig te zijn, tot aan de avond van zijn bekennende verklaringen tegenover [naam politieinformant 2] en [naam politieinformant 3] . Ambtshalve heeft de rechtbank wetenschap van het feit dat er valse bekentenissen worden afgelegd. De rechtbank is zich er dan ook terdege van bewust dat zij (de totstandkoming) van verdachtes bekentenis zorgvuldig moet beoordelen en alle aspecten tegen het licht moet houden. Zij maakt daartoe de volgende overwegingen.

De afgelegde verklaringen in het WOD-traject

De rechtbank stelt op basis van de processen-verbaal van [naam politieinformant 2] en [naam politieinformant 3] vast dat verdachte op de avond van 18 september 2014 in Marbella, Spanje, heeft bekend [slachtoffer] te hebben vermoord. De eerste bekentenis was rond 22:15 uur tegenover [naam politieinformant 2] in een taxi en later die avond, rond 22:45 uur, heeft hij tegenover [naam politieinformant 2] en [naam politieinformant 3] in de villa een uitgebreidere bekentenis afgelegd.

Nadat [naam politieinformant 2] en [naam politieinformant 3] waren gaan zitten, bleef verdachte tegenover hen staan, waarbij hij zijn handen met de handpalmen tegen elkaar ter hoogte van zijn gezicht hield, zich tot [naam politieinformant 3] richtte en begon met de woorden ‘Dit is het gebed van mijn leven. Ik heb het gedaan. Ik heb haar vermoord’. Vervolgens heeft verdachte de volgende informatie over de moord op [slachtoffer] verstrekt. Hij heeft verteld dat hij met zijn vrouw (de rechtbank begrijpt hier en verder: [slachtoffer] ) naar een feest van de carnavalsvereniging was geweest, dat hij eerder was weggegaan, dat hij zijn schoonvader, die op de kinderen paste, had afgelost en dat hij zijn vrouw in de tuin had staan opwachten. Hij vertelde dat hij haar met een baksteen eerst K.O. (de rechtbank begrijpt: knock-out; bewusteloos) had geslagen, waarna hij haar gewurgd had. De inbraak had hij eerst ervoor al in scene willen zetten, maar dit had hij pas na de moord gedaan. Hij had de baksteen uit de brandgang gehaald, maar deze was nu voorgoed verdwenen. Ook de kleding die hij had gedragen tijdens de moord was niet meer te vinden. Op de vraag van [naam politieinformant 2] of zijn vrouw hem dan niet herkend had, heeft verdachte geantwoord dat hij zelfs een bril had gedragen. Hij vertelde dat hij laarzen had gekocht, speciaal voor de moord, maar dat ook deze niet meer terug waren te vinden en echt weg waren46.

[naam politieinformant 3] relateert in zijn proces-verbaal van bevindingen eveneens het voorgaande en aanvullend het volgende. Hij relateert dat verdachte hem, [naam politieinformant 3] , vertelde dat hij door zijn vrouw (de rechtbank begrijpt: [vriendin verdachte] ) voor het blok was gezet en dat zij hem een ultimatum had gesteld, dat hij nooit heeft geweten wat dat ultimatum inhield, maar dat hij wel begreep waar het ultimatum op sloeg. Dat hij met zijn vrouw (de rechtbank begrijpt hier en verder: [slachtoffer] ) destijds op een feest van de carnavalsvereniging was, dat hij bewust eerder naar huis was gegaan om zijn schoonvader af te lossen, dat hij tegen zijn vrouw had gezegd dat hij moe was, dat hij de gedachte had eerst het huis te willen prepareren, maar daar echter later op terugkwam, dat het slecht weer was en dat het had gesneeuwd. Dat hij zijn vrouw had opgewacht in de tuin, dat hij een straatklinker uit de brandgang had gepakt en haar de hersens had ingeslagen en dat hij vervolgens zijn op de grond liggende vrouw had gewurgd. Dat hij naar binnen is gelopen en de woning heeft geprepareerd omdat het op een inbraak moest lijken, dat verdachte de laadjes en deurtje heeft opengezet, dat hij daarna 112 heeft gebeld met de mededeling dat zijn vrouw in de tuin op de grond lag, dat hij bij aankomst van GGD en politie bewust op het lichaam van zijn vrouw is gesprongen om bewijs en sporen weg te maken. Dat hij nieuwe laarzen had gekocht en met kleding had weggemaakt. Zonder daarover te vragen, vervolgde verdachte het gesprek en vertelde over de reconstructie die later had plaatsgevonden. De politie had een opstelling gemaakt in de tuin, welke later veranderd werd door de officier van justitie. Verdachte verklaarde dat er toen een andere kijk kwam op de situatie en de rol van hemzelf en dat hij ze toen maar in die waan heeft gelaten. Op de vraag of zijn vrouw nog gegild had, vertelde verdachte dat dat inderdaad zo was. Hij vertelde dat hij vermomd was en een bril droeg47.

Daarnaast wordt in voornoemde processen-verbaal beschreven dat verdachte zichtbaar opgelucht was nadat hij zijn verhaal had gedaan en dit heeft hij ook zowel aan [naam politieinformant 2] als [naam politieinformant 3] meegedeeld. Verdachte vertelde aan [naam politieinformant 2] dat hij opgelucht was dat hij het verteld had, omdat hij er nooit een streep onder had kunnen zetten en dat hij nu wel over een gebergte heen had moeten stappen om het te vertellen. Dat hij blij was dat het opgelost werd. Tegen [naam politieinformant 2] en [naam politieinformant 3] vertelde hij dat hij opgelucht was, nu hij het had verteld en dat hij uitging van een goede oplossing hiervoor. Ook heeft verdachte aan [naam politieinformant 3] verteld welke oplossing hij graag wenste. Hij wilde graag dat iemand anders de schuld op zich nam en dat dit voor de kerst geregeld zou zijn, zodat verdachte een normale kerst kon hebben4849.

Nadat verdachte en [naam politieinformant 2] weer terug waren bij het hotel, zijn zij nog wat gaan drinken. Zij hebben gesproken over de twee vrouwen wiens dood zij op hun geweten hadden. Op de opmerking van [naam politieinformant 2] , die eerder had verklaard dat hij iemand had doodgereden, dat verdachte en hij eigenlijk in hetzelfde schuitje zaten, reageerde verdachte met de woorden: ‘Ja, maar jij hebt het toen onbewust gedaan, maar ik heb het bewust gedaan. Dit is moord met voorbedachten rade en daar krijg ik levenslang voor, maar ik ga niet achter de tralies zitten!’. Verdachte vertelde [naam politieinformant 2] ongevraagd dat hij nog wel toneel had gespeeld. Hij vertelde dat hij, toen de politie binnen kwam, had zitten huilen. Hij had gezegd dat hij per sé zijn vrouw nog wilde zien en bij haar wilde gaan liggen. Hij was toen op of tegen zijn vrouw gaan liggen en had haar opzettelijk vastgepakt om sporen van de plaats delict te wissen, danwel te vermengen en om er zo voor te zorgen dat zijn DNA op haar zat. Verdachte vertelde dat men met vijf man sterk van de politie hem had proberen tegen te houden en hem hadden vastgepakt. De verbalisant zag dat verdachte bij dit verhaal lachte en zichtbaar trots was. Vervolgens vertelde verdachte dat hij de kleding nog zelfs twee weken na de moord in de woning had verstopt en dat ze de kleding nooit gevonden hadden en dat hij de kleding daarna had weggemaakt. Verbalisant relateert dat verdachte hierbij lachte en dat hij zichtbaar trots was toen hij dit vertelde. [naam politieinformant 2] zei dat hij in eerste instantie aan de kruipruimte zou denken om kleding te verstoppen, waarop verdachte vertelde dat hij de kleding niet in de kruipruimte had verstopt. Verdachte vertelde lachend en trots dat zelfs de speurhonden de kleding niet zouden vinden. Op de vraag van [naam politieinformant 2] waarom verdachte zijn vrouw had vermoord, antwoordde hij dat hij de ellende, stress, alimentatie en alle problemen die een eventuele scheiding met zich mee zou kunnen brengen, niet aankon en dat hij daaraan helemaal niet wilde denken of wilde beginnen50.

De volgende dag (de rechtbank begrijpt: 19 september 2014) heeft [naam politieinformant 2] aan verdachte gevraagd hoe hij zich nu voelde na wat hij gisteren verteld had. Verdachte vertelde dat zich heel opgelucht voelde, maar dat hij een Himalaya-gebergte over had gemoeten, dat hij heel blij was en met hem verschillende mensen, omdat de zaak dadelijk opgelost zou worden en hij kon zeggen dat hij er niets mee te maken had. [naam politieinformant 2] zei tegen verdachte dat hij zich kon voorstellen dat hij het gevoel kon hebben gehad alsof hij een mes op zijn keel kreeg gezet door het ultimatum van [vriendin verdachte] . Verdachte vertelde hierop dat hij dat absoluut niet zo had gevoeld, omdat hij niet wist wanneer het ultimatum afliep en dit ook niet wilde weten en omdat hij zelf de keuze had gemaakt om, wanneer en hoe hij de daad zou plegen51.

Een week na de bekentenissen in Marbella, te weten op 25 september 2014, vond er een ontmoeting plaats tussen verdachte en [naam politieinformant 2] . Bij deze ontmoeting vroeg verdachte aan [naam politieinformant 2] hoe men over hem dacht naar aanleiding van vorige week in Spanje en dat hij blij was dat ze tot een akkoord waren gekomen. Verdachte maakte de opmerking dat hij een koele kikker is en dat dit natuurlijk wel was gebleken na wat hij vorige week in Spanje had verteld. Verbalisant relateert dat verdachte hierbij lachte en uitstraalde alsof hij er trots op was. Verdachte vroeg aan hem of hij wist of [naam politieinformant 3] mogelijk al een oplossing had voor verdachte52. Een week later, op 1 oktober 2014, heeft verdachte wederom tijdens een ontmoeting aan [naam politieinformant 2] gevraagd of zijn baas al iets meer wist over een oplossing, waarop [naam politieinformant 2] tegen verdachte heeft gezegd dat hij niets concreets wist, maar dat hij wist dat hij daarmee bezig was. Verdachte reageerde hierop, door te zeggen, dat hij dan wat meer details zou vertellen met betrekking tot hetgeen gebeurd was53.

Juridisch kader

De rechtbank stelt voorop dat in ons strafrechtsysteem in beginsel een bekennende verklaring van een verdachte een zwaarwegend bewijsmiddel is en rechtstreeks voor het bewijs mag worden gebezigd. Een bekentenis moet op betrouwbaarheid worden getoetst en zeker, indien – zoals in onderhavige zaak - de bekentenis later door de verdachte wordt herroepen.

De rapporten van Derksen

De verdediging heeft gesteld dat de bekentenis van verdachte onbruikbaar is voor het bewijs en dat uit een berekening blijkt dat de waarschijnlijkheid dat verdachte onschuldig is aan de moord op [slachtoffer] 98,3% bedraagt. Deze stellingen heeft de verdediging gebaseerd op een tweetal door haar in het geding gebrachte rapporten van de emeritus hoogleraar algemene wetenschapsfilosofie en cognitiefilosofie prof. dr. Ton Derksen.

De rechtbank heeft bij de bestudering van de beide rapporten vastgesteld dat Derksen kritisch is over de werkwijze van politie en justitie, maar niet over de verklaringen die verdachte pas na kennisname van het strafdossier heeft opgesteld en afgelegd. Die verklaringen worden door Derksen – zonder nader onderzoek van betekenis – als juist aanvaard. Verder heeft de rechtbank vastgesteld dat de rapporten niet uitsluitend zijn gebaseerd op feiten, maar ook op aannames en veronderstellingen. Om die redenen dienen de rapporten van Derksen naar het oordeel van de rechtbank met grote terughoudendheid te worden beoordeeld.

Derksen stelt dat verdachtes bekentenis niet voldoet aan de betrouwbaarheidscondities die aan een bekentenis moeten worden gesteld. Daarbij wijst hij er op dat de bekentenis is afgelegd omdat verdachte door de misleiding van de politie heeft gedacht dat hij na zijn bekentenis aan [naam politieinformant 2] en [naam politieinformant 3] geen straf zou krijgen, dat door hen geen morele veroordeling van hem zou plaatsvinden en dat zijn financiële problemen opgelost zouden zijn omdat hij een baan bij [naam politieinformant 3] zou krijgen. Daardoor is verdachtes bekentenis volgens Derksen onbruikbaar voor het bewijs.

De rechtbank verwerpt de stelling dat verdachtes bekentenis om die reden onbruikbaar is voor het bewijs, omdat zij van oordeel is dat een bekentenis, die rechtmatig is verkregen, bruikbaar is voor het bewijs indien zij in voldoende mate en op essentiële punten bevestiging vindt in de overige bewijsmiddelen. De omstandigheid dat een bekentenis op een later moment wordt ingetrokken, maakt dit niet anders. Voorwaarde is wel dat de bewijsmiddelen geen contra-indicaties of aannemelijk alternatief scenario bevatten waarin een andere dader dan de verdachte naar voren komt.

De berekening van Derksen waaruit zou blijken dat verdachte – kort gezegd – waarschijnlijk onschuldig is, is gemaakt volgens de theorema van Bayes. Daarmee is een – naar het oordeel van de rechtbank – niet onomstreden regel uit de kansrekening gebruikt voor de strafrechtelijke waarheidsvinding waarvan de uitkomst in hoge mate af hangt van de selectie en waardering van de bewijsmiddelen die door Derksen is gemaakt.

De rechtbank sluit niet uit dat deze methode, mits juist toegepast, een hulpmiddel kan zijn bij de waarheidsvinding, maar de uiteindelijke beantwoording van de vraag of een tenlastegelegd feit wettig en overtuigend kan worden bewezen, is geen vraag die zich leent voor kansrekening. De beantwoording van die vraag is en blijft voorbehouden aan de rechter. Daarbij komt dat de rechtbank in deze zaak een andere selectie en waardering van de bewijsmiddelen maakt dan Derksen.

De rechtbank laat om bovengenoemde redenen de rapporten van Derksen buiten beschouwing bij de beantwoording van de vragen van de artikelen 348 en 350 Sv en verwerpt het op deze rapporten gebaseerde verweer van de verdediging.

De druk

De verdediging heeft betoogd dat verdachte is bezweken onder de druk en daardoor een valse bekentenis heeft afgelegd. Deze druk zou zijn ontstaan doordat verdachte al bijna drie maanden geen vast werk en daardoor geen vast inkomen meer had. Hierdoor, alsmede door eerder ontstane schulden, zou verdachte aan het eind van de maand september 2014 niet meer in staat zijn om aan zijn financiële verplichtingen te voldoen. De ‘jobaanbieding’ van [naam politieinformant 2] was de enige mogelijkheid tot het verkrijgen van noodzakelijk nieuw werk en inkomen. Daarom zag verdachte als enige uitweg om ‘met de leugen mee te gaan’ en daarmee financiële zekerheid voor zijn gezin te garanderen. Onder deze omstandigheden voelt verdachte zich er achteraf ‘ingeluisd’ en dient de rechtbank te begrijpen dat zijn bekentenis van generlei waarde is.

De rechtbank kan verdachte hierin niet volgen. Uit de getuigenverhoren van de leden van het Team WOD, de door hen opgemaakte processen-verbaal en de toelichting van de officier van justitie ter zitting, is gebleken dat het team WOD zich er van heeft vergewist - en zich steeds is blijven vergewissen - dat de door [naam politieinformant 2] aangeboden baan geen ‘enige mogelijkheid’ zou worden. Verdachte heeft steeds uit eigen beweging aan [naam politieinformant 2] laten weten dat hij meerdere sollicitaties had lopen, dat hij contact had met een headhuntersbedrijf en diverse ‘jobaanbiedingen’ in de IT-sector had lopen, maar dat hij hier niet op inging omdat hij liever voor [naam politieinformant 2] wilde werken. [naam politieinformant 2] heeft meermalen en steeds als verdachte hem vroeg voor hem te mogen werken – zoals de officier van justitie uitgebreid uiteen heeft gezet in zijn requisitoir – benadrukt dat hij geen toezeggingen kon doen of garanties kon geven en, op het moment dat de baan werd aangeboden, er nog twee andere sollicitanten waren. Verdachte heeft in gesprekken met [naam politieinformant 2] onder meer aangegeven dat hij, ook al zou hij een belachelijk goede aanbieding in de IT krijgen, toch voor de baan bij [naam politieinformant 2] zou kiezen en dat hij in goed overleg met zijn vrouw er voor had gekozen om voor de baan van [naam politieinformant 2] te gaan54. Tijdens het gesprek in de villa op 18 september 2014 in Marbella heeft verdachte tegen [naam politieinformant 3] gezegd dat hij vanwege zijn goede functies en zijn opleiding veel kon verdienen en dat dat eigenlijk nog zo was. [naam politieinformant 3] heeft verdachte verteld dat hij vorige maand nog een sollicitant had en dat deze een goede indruk op hem had gemaakt. Verdachte was de tweede sollicitant en volgende maand zou hij een gesprek hebben met een andere sollicitant55. Deze gang van zaken beschouwend, is de rechtbank van oordeel dat van ontoelaatbare druk, uitgaande van het team WOD, geenszins is gebleken.

Voorts overweegt de rechtbank dat verdachte niet aannemelijk heeft gemaakt dat er sprake was van een nijpende financiële situatie. Zoals uit het financieel onderzoek is gebleken, heeft verdachte na het overlijden van [slachtoffer] € 80.000,- op zijn bankrekening bijgeschreven zien worden.56 Door haar overlijden is de overlijdensrisicoverzekering uitgekeerd, waardoor het huis aan [straat 1] van de ene op de andere dag vrij was van hypotheek. Bij verkoop van dit huis is daardoor een groot bedrag vrijgekomen. Ook het samen met [vriendin verdachte] in Udenhout nieuw gekochte huis was vrij van hypotheek. Verdachte en [vriendin verdachte] reden in de zomer van 2014 allebei een auto en beschikten nog over een (gefinancierde) caravan en een in januari 2011 voor bijna € 37.000,- nieuw aangeschafte motor van het merk Harley Davidson. Bij financiële problemen waren er dus meerdere mogelijkheden tot kostenbesparing danwel mogelijkheden om liquide middelen te verwerven. Daarbij komt dat verdachte ter zitting steeds heeft verklaard dat de maandelijkse vaste lasten van zijn gezin € 8.000,- bedroegen, maar op geen enkele manier aannemelijk heeft kunnen maken waaruit dit bedrag dan zou bestaan.

Wat de door verdachte subjectief gevoelde druk betreft, wil de rechtbank wel aannemen dat het vooruitzicht van geldtekort aan het eind van de maand en de onzekerheid over de mogelijkheid van een leuke, spannende, goed betaalde baan in het bedrijf van [naam politieinformant 3] indruk hebben gemaakt op verdachte en dat hij daardoor druk heeft gevoeld om mét de baan thuis te komen, maar niet aannemelijk is geworden dat daardoor een alles overheersende druk is ontstaan, waardoor hij niet anders kon dan een niet door hem gepleegd misdrijf – nota bene de moord op de moeder van zijn twee oudste kinderen [naam kind 1] en [naam kind 2] – te bekennen. Verdachte had de vrijheid om te kiezen voor een andere (in zijn ogen wellicht minder interessante) baan, om niet mee te gaan naar Marbella en – toen in Marbella bleek dat [naam politieinformant 3] hem niet vertrouwde – onverrichterzake weer naar huis te gaan. Het gesprek met [naam politieinformant 3] was al afgelopen, verdachte was al weer op de terugweg naar het hotel en zou de volgende dag terug naar Nederland vliegen. De beslissing om in de taxi tegenover [naam politieinformant 2] te bekennen, terug te gaan naar de villa en in de villa tegenover [naam politieinformant 3] de moord op [slachtoffer] nogmaals te bekennen, zijn keuzes geweest die verdachte in vrijheid heeft gemaakt. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verdachte volledig vrij is geweest om al dan niet tegen [naam politieinformant 2] en [naam politieinformant 3] te vertellen over de moord.

Dat verdachte er achteraf een bittere nasmaak aan heeft overgehouden en zich er door de politie ingeluisd voelt, is een gevoel dat de rechtbank zich kan voorstellen en ook kan verklaren. Nu misleiding een wezenlijk onderdeel is van het WOD-traject, is verdachte er in wezen ook ingeluisd. Het traject was immers bedoeld om meer informatie bij verdachte los te krijgen, om de zaak op te helderen. Dit maakt echter niet, zoals hiervoor reeds betoogd terzake van de rechtmatigheid van de bevoegdheid SI, dat het traject ontoelaatbaar is geweest. Alles overwegende, is de rechtbank van oordeel dat er op verdachte, noch objectief nog subjectief bezien, ontoelaatbaar veel druk is uitgeoefend. De verweren van de verdediging hieromtrent worden dan ook verworpen.

Daderkennis

De verdediging heeft zich uitdrukkelijk verweerd tegen de stelling van de officier van justitie dat verdachte in zijn bekentenissen heeft laten zien te beschikken over zogeheten daderkennis: dat wil zeggen kennis van feiten van het misdrijf die alleen de dader van dit misdrijf kan weten. De verdachte heeft betoogd dat het onzin is dat er sprake zou zijn van daderkennis in zijn bekentenissen. Alle details over de moord heeft hij ter plekke in Marbella verzonnen en waren gebaseerd op informatie die hij al tot zijn beschikking had uit het dossier Eem I en zijn eigen waarnemingen destijds op de plaats delict.

De rechtbank is met de officier van justitie van oordeel dat de aanwezigheid van daderkennis een zeer stevig argument is voor de betrouwbaarheid van een verklaring. Echter, met de verdediging is de rechtbank van oordeel dat er van unieke, zeer specifieke daderkennis in de verklaringen van verdachte geen sprake is.

Voortgaande toetsing van de betrouwbaarheid van de bekentenissen

Er zijn, naast het toetsen op de aanwezigheid van specifieke daderkennis, ook andere manieren om een verklaring op betrouwbaarheid te toetsen. Aan de hand van toetsing van de waarheidsgetrouwheid van de wél verifieerbare feiten en gebeurtenissen, kan – indien deze substantieel in aantal zijn – in beginsel een oordeel worden gegeven over de betrouwbaarheid van een verklaring in zijn geheel. Op deze wijze de bekentenissen van verdachte tegenover [naam politieinformant 2] en [naam politieinformant 3] analyserend, concludeert de rechtbank dat de verifieerbare feiten uit de bekentenissen van verdachte kloppen met de feitelijke gang van zaken. Immers: verdachte was op de bewuste avond samen met [slachtoffer] op een feestje van de carnavalsvereniging, hij is eerder naar huis gegaan om zijn schoonvader, die op de kinderen paste, af te lossen, hij had [slachtoffer] verteld dat hij moe was en het was slecht weer en het had gesneeuwd die avond. Verdachte heeft 112 gebeld met de mededeling dat [slachtoffer] in de tuin op de grond lag en heeft in het bijzijn van ambulancemedewerkers en politie op/naast het ontzielde lichaam van [slachtoffer] gelegen. Ook hetgeen hij over [vriendin verdachte] heeft verteld tegen [naam politieinformant 2] en [naam politieinformant 3] klopt met hetgeen uit het onderzoek is gebleken. Verdachte ging vreemd met [vriendin verdachte] , zij had een ultimatum gesteld, waarvan hij op de hoogte was, maar niet wist wanneer het afliep. Hetgeen hij vertelde over het strafrechtelijk onderzoek is eveneens aantoonbaar juist. Bij de reconstructie had de politie inderdaad een opstelling gemaakt in de tuin – waarbij werd aangegeven door de politie dat de dader niet via de poort kon zijn gevlucht – waarna de officier van justitie liet zien dat dat in theorie wel mogelijk was. Hierdoor kwam inderdaad een andere kijk op de situatie en de rol van verdachte. De informatie die verdachte gaf over zijn voorlopige hechtenis en de twee andere verdachten klopte eveneens. De rechtbank heeft voorts in de bekennende verklaringen van verdachte geen feiten of gebeurtenissen aangetroffen waarover hij aantoonbaar leugenachtig verklaart. In zoverre beschouwd, kunnen de verklaringen van verdachte in Marbella als betrouwbaar worden aangemerkt.

Het volgende aspect dat de rechtbank in ogenschouw dient te nemen is of de verklaarde niet-verifieerbare informatie aannemelijk, logisch en geloofwaardig is, bezien in het licht van de vaststaande feiten. Het eerste is de verklaring van verdachte dat hij, nadat hij [slachtoffer] had vermoord, naar binnen is gegaan om de laadjes en deuren van de kasten open te zetten, omdat het op een inbraak moest lijken. Naar het oordeel van de rechtbank is het zeer aannemelijk dat deze verklaring klopt. Immers, iedere politieagent die ter plaatse is geweest, heeft gerelateerd dat in de woning laadjes en deurtjes openstonden, maar dat het geenszins oogde of er was ingebroken. De laadjes van het dressoir stonden evenwijdig aan elkaar open en in de laadjes of kastjes – noch in de rest van de woning – was iets overhoop gehaald. Evenmin waren er spullen uit de woning verdwenen of spullen als buit klaargezet.

De informatie dat [slachtoffer] is overleden nadat haar hoofd in aanraking kwam met uitwendig mechanisch botsend geweld en zij daarna (zeer waarschijnlijk met blote handen) is gewurgd, is informatie die door de officier van justitie bewust uit het dossier Eem I is gehouden. Met de verdediging is de rechtbank van oordeel dat het feit dat verdachtes verklaring dat hij [slachtoffer] in de tuin heeft opgewacht, met een straatklinker uit de brandgang knock-out heeft geslagen en haar vervolgens liggend op de grond heeft gewurgd, weliswaar geen specifieke en unieke 100% verifieerbare daderkennis bevat, maar het is voor de beoordeling van verdachtes verklaring wel degelijk van belang dat verdachte komt met deze zeer goed bij het letsel van [slachtoffer] passende gang van zaken. Daarbij geeft hij niet alleen de ‘noodzakelijke’ grote lijnen weer, maar geeft ook uit eigen beweging allerhande details, zoals het speciaal voor de moord aanschaffen van laarzen en kleding, het vermommen met een bril, het halen van de straatklinker uit de brandgang, het opwachten in de tuin, het nog twee weken in huis bewaren van de kleding en het wegmaken van de steen, de laarzen en de kleding. Deze details zijn - behoudens de gil van [slachtoffer] - weliswaar niet verifieerbaar (meer), maar wel aannemelijk, nu zij op een logische wijze passen in het verhaal van verdachte over het verloop van de avond. Het betoog van verdachte dat ‘hij in de leugen van het WOD-team is meegegaan’ wordt door de rechtbank verworpen, nu uit het bovenstaande blijkt dat verdachte geheel uit eigen beweging is gekomen met het opwachten in de tuin, het knock-out slaan van [slachtoffer] met de straatklinker uit de brandgang en het daarna – liggende op de grond – manueel verwurgen. Daarbij heeft verdachte het beperkt aantal ‘suggesties’ van de verbalisanten niet bevestigd. Toen [naam politieinformant 2] bijvoorbeeld vroeg of hij de kleding in de kruipruimte had verstopt, antwoordde verdachte ontkennend. Van ‘meegaan’ in een door de verbalisanten geschetst scenario is aldus geen sprake. Ook wat deze toets betreft, ziet de rechtbank geen aanleiding om de bekentenissen van verdachte niet betrouwbaar te achten.

Vervolgens bekijkt de rechtbank niet alleen de bekentenissen zelf, maar ook hetgeen verdachte die avond en in de periode na 18 september 2014 heeft gezegd en verteld. Nog daargelaten dat verdachte in het WOD-traject (na het volgens hem ‘binnenhalen’ van de baan) en zelfs de eerste maanden na zijn tweede arrestatie in zijn verhoren bij de politie met geen woord gerept heeft over een ‘valse bekentenis’, bevestigt hij in de periode na de bekentenissen juist het door hem gedane verhaal. Met [naam politieinformant 2] bespreekt hij dezelfde avond nog dat het ‘moord met voorbedachten rade’ is en dat hij daar ‘levenslang’ voor krijgt, maar ‘niet achter de tralies’ gaat zitten. De volgende dag verwoordt verdachte naar [naam politieinformant 2] toe dat hij een Himalaya-gebergte over moest om het te vertellen, maar dat hij nu erg opgelucht is. Zelfs terug in Nederland, een week later, komt verdachte er bij [naam politieinformant 2] ongevraagd op terug. Hij wilde graag weten hoe men over hem dacht naar aanleiding van vorige week in Spanje en deelde mee dat hij blij was dat ze tot een akkoord waren gekomen. Verdachte maakte tevens de opmerking dat hij een koele kikker is en dat dit natuurlijk wel was gebleken na wat hij vorige week in Spanje had verteld. Tot slot vraagt hij meermalen of [naam politieinformant 3] al een oplossing voor hem had. Tevens neemt de rechtbank in ogenschouw dat verdachte al in de villa een oplossing had bedacht voor ‘het probleem’. Hij wilde geen alibi, maar er moest iemand anders – niet zijnde één van de twee mannen die door de CIE-informatie als verdachten in beeld waren geweest, want dat waren erg gevaarlijke jongens – voor de moord op [slachtoffer] opdraaien. Daarbij merkte hij nog op dat hij graag zou willen dat dit voor de kerst geregeld zou zijn, zodat verdachte een normale kerst kon hebben.

Tot slot heeft de rechtbank in haar overwegingen meegenomen dat verdachte méér heeft bekend dan waarvan hij in Eem I verdacht werd. Indien hij was ‘meegegaan’ in de lezing van de politie, had hij ‘slechts’ de doodslag bekend. Echter, hij verklaart tegenover [naam politieinformant 2] expliciet dat het moord, te weten doodslag met voorbedachten rade, is geweest.

Al het bovenstaande in overweging nemende, ziet de rechtbank geen enkele aanleiding om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de door verdachte afgelegde bekentenissen. De inhoud van de verklaringen is zeer aannemelijk, logisch en geloofwaardig en daarmee acht de rechtbank de bekentenissen van verdachte in Marbella betrouwbaar en zal zij deze gebruiken voor het bewijs.

5.3.3

Motief

De rechtbank heeft reeds vastgesteld dat verdachte en [vriendin verdachte] in de maanden voorafgaand aan de moord op [slachtoffer] een geheime relatie hadden en dat er sprake is geweest van een ultimatum van de zijde van [vriendin verdachte] . Het ultimatum hield in dat verdachte voor een bepaalde datum een keus moest hebben gemaakt tussen [slachtoffer] en [vriendin verdachte] , omdat [vriendin verdachte] de relatie met verdachte anders zou verbreken. Verdachte heeft dit ultimatum tijdens zijn bekentenis in Marbella aan de orde gesteld en heeft tegen opsporingsambtenaren in het WOD-traject verklaard niet te hebben willen scheiden van [slachtoffer] , omdat hij geen zin had in de ellende, stress, alimentatie en alle problemen die een eventuele scheiding met zich mee zou kunnen brengen. Dit zou hij niet aankunnen en hij wilde daar helemaal niet aan denken of beginnen. Bovenstaande leidt de rechtbank tot de conclusie dat er sprake is geweest van een motief bij verdachte om [slachtoffer] te doden.

5.3.4

Alternatief scenario

Verdachte heeft ter zitting een alternatief scenario geschetst. Volgens verdachte heeft een onbekend gebleven persoon het fatale geweld op [slachtoffer] toegepast en ingebroken in de woning. De raadsman van verdachte heeft hieraan toegevoegd dat het door verdachte geschetste alternatieve scenario zeer wel mogelijk is.

De rechtbank acht het alternatieve scenario niet aannemelijk geworden en is van oordeel dat het alternatieve scenario op onderdelen zelfs erg onwaarschijnlijk is. In dit kader wijst de rechtbank er op dat in en om de woning aan [straat 1] geen sporen van braak dan wel in- of overklimming zijn aangetroffen. De sneeuwlagen op de erfafscheidingen waren volledig intact. Behalve de plaatsen die werden betreden door de hulpverleners of door de politieagenten werden er door de verbalisanten geen plaatsen aangetroffen waar de sneeuwlaag was verstoord en werden er geen sporen of aanwijzingen aangetroffen die konden wijzen op het feit dat de erfafscheidingen rond de tuin waren overklommen. Verder acht de rechtbank van belang dat de inhoud van de openstaande lades en kastjes ordelijk toonde en dat er na onderzoek aan het hang- en sluitwerk in de woning geen aanwijzingen werden verkregen die erop duidden dat iemand door middel van braak de woning was binnen gekomen. Evenmin zijn er sporen gevonden die erop duidden dat de woning was doorzocht.

Verder is niet aannemelijk geworden dat er goederen of geld uit de woning zijn weggenomen of dat er spullen zijn klaar gezet om als buit te worden meegenomen. Er is door de politie een portemonnee met briefgeld, een laptop, een afstandsbediening van de BMW en een televisie in de woning aangetroffen. Goederen die in het zicht hebben gelegen en dus voor het grijpen lagen, terwijl eventuele inbrekers ruim de tijd hadden om spullen mee te nemen. De inbreker zou immers uiterlijk om 00:15 uur in de tuin zijn geweest, vervolgens [slachtoffer] overmeesterd en gedood hebben en zijn verdwenen voordat verdachte om 00:54 uur het alarmnummer 112 belde. Dit houdt in dat de inbreker ruim een half uur de tijd had om spullen weg te halen, hetgeen – zoals net is geconstateerd – niet is gebeurd.

Bovendien zijn er in en om de woning geen (DNA)sporen van andere personen dan [slachtoffer] of verdachte aangetroffen en heeft het onderzoek dat is gedaan naar aanleiding van de CIE-informatie geen ontlastend materiaal voor verdachte en geen belastend materiaal voor anderen opgeleverd.

Het scenario dat [slachtoffer] door een onbekende om het leven zou zijn gebracht, om een andere dan een financiële reden, is onwaarschijnlijk omdat een daarmee corresponderend motief ontbreekt. Verdachte heeft immers verklaard dat er geen problemen met andere mensen waren en er ook geen zakelijke geschillen waren. Geen van de getuigen heeft aangegeven dat er problemen waren met andere personen. Er is dus geen enkele aanleiding om te veronderstellen dat het feit persoonlijk tegen verdachte dan wel tegen [slachtoffer] was gericht.

Uit onderzoek is weliswaar gebleken dat op de, in de woning aan [straat 1] aangetroffen, laptop een handschoenspoor is aangetroffen, maar dat handschoenspoor werd verder nergens anders in de woning aangetroffen. Ten slotte is gebleken dat in het nagelvuil van [slachtoffer] een DNA-mengprofiel van minimaal één onbekend gebleven mannelijk persoon is aangetroffen. De rechtbank is van oordeel dat dit, gelet op de minimale hoeveelheid, de aard en de locatie van het spoor en het feit dat [slachtoffer] net van een feest in een café kwam, geen daderspoor behoeft te zijn. De rechtbank acht de mogelijkheid dat een onbekend gebleven persoon de dader is zo onwaarschijnlijk dat deze in redelijkheid kan worden uitgesloten.

5.3.5

Eindconclusie

De rechtbank acht op grond van voornoemde bewijsmiddelen en bewijsoverwegingen uit zowel Eem I als Eem II, in onderlinge verband en samenhang beschouwd, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte op 19 december 2010 [slachtoffer] om het leven heeft gebracht door haar met een steen op het hoofd te slaan en haar vervolgens te wurgen.

Juridische kwalificatie

Zoals hiervoor overwogen, gebruikt de rechtbank de door verdachte afgelegde bekentenissen voor het bewijs. Hierin heeft verdachte verklaard dat hij speciaal voor het doden van [slachtoffer] laarzen en kleding heeft gekocht, dat hij als vermomming een bril droeg en dat hij [slachtoffer] bewust de tuin heeft opgewacht en haar toen heeft gedood. Hieruit blijkt dat het doden van [slachtoffer] een vooropgezet plan was. Verdachte heeft de tijd gehad voor kalm beraad en rustig overleg met zichzelf over de vraag of hij [slachtoffer] al dan niet van het leven zou beroven. Deze doodslag met voorbedachten rade levert de kwalificatie moord op.

5.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

hij op of omstreeks 19 december 2010 te Kaatsheuvel, gemeente Loon op Zand,

opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven

heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet en na kalm beraad en rustig

overleg

- die [slachtoffer] (met kracht) met een (bak-)steen op haar hoofd geslagen, en/of

- ( vervolgens) die [slachtoffer] haar keel en/of hals heeft dichtgeknepen en/of dichtgedrukt

en/of (gedurende enige tijd) dichtgeknepen/dichtgedrukt gehouden, en/of

- door middel van omsnoering of omsnoerend geweld de keel en/of hals van die

[slachtoffer] samengedrukt en/of dichtgedrukt en/of (gedurende enige tijd) samengedrukt/dichtgedrukt gehouden, en/of

- de mond van die [slachtoffer] (gedurende enige tijd) dichtgedrukt, en/of aldus althans

op enige manier die [slachtoffer] (gedurende enige tijd) de ademhaling belemmerd en/of onmogelijk gemaakt, tengevolge waarvan die [slachtoffer] is overleden.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

De rechtbank heeft kennelijke taal en/of schrijffouten verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in zijn belangen geschaad.

6 De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

7 De strafoplegging

7.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van 18 jaar met aftrek van de tijd die verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. De officier van justitie heeft hierbij rekening gehouden met de ernst van het feit. Het gaat om een moeder van twee zeer jonge kinderen, die geheel argeloos en totaal onverwacht slachtoffer is geworden van bruut geweld door haar partner en die zelf geen enkele aanleiding heeft gegeven tot wat voor geweld of welke vorm van agressie dan ook. De officier van justitie heeft voorts in ogenschouw genomen wat de impact van dit feit is geweest voor de nabestaanden. Gelet op het motief van deze moord en op de zichtbare, uitermate schijnende en onherstelbare gevolgen van dit misdrijf voor de nabestaanden, is de officier van justitie van mening dat slechts een langdurige gevangenisstraf passend is.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft, uitgaande van vrijspraak ten aanzien van het aan verdachte ten laste gelegde feit, geen strafmaatverweer gevoerd.

7.3

Het oordeel van de rechtbank

Verdachte heeft [slachtoffer] , zijn toenmalige 34-jarige levenspartner en moeder van hun twee kinderen [naam kind 1] (destijds 2 jaar oud) en [naam kind 2] (destijds 5 maanden oud), met voorbedachten rade om het leven gebracht. Verdachte is hierbij volgens een van tevoren opgezet plan te werk gegaan en heeft de moord voltrokken in de achtertuin van hun huis, een plek waar [slachtoffer] zich veilig en beschermd mocht voelen. Verdachte heeft [slachtoffer] op een gruwelijke wijze om het leven gebracht. Hij heeft haar bij thuiskomst met een steen hard tegen haar hoofd geslagen, waardoor zij een hoofdwond opliep en knock-out ging en vervolgens – terwijl zij weerloos op de grond lag – haar de ademhaling onmogelijk gemaakt en haar met zijn handen gewurgd. Na deze daad is hij de woning weer ingegaan en heeft hij geprobeerd een inbraak in scene te zetten, om daarmee de schijn te wekken dat een ander of anderen de moord had(den) gepleegd. Hij wilde doen geloven dat [slachtoffer] was overlopen door een inbreker en door die persoon om het leven is gebracht.

Verdachte heeft gemeend te mogen beslissen dat [slachtoffer] niet meer verder mocht leven. Hij heeft haar het grootste goed, het recht op leven, ontnomen. Hij heeft haar de mogelijkheid ontnomen om te zorgen voor [naam kind 1] en [naam kind 2] , er voor hen te zijn wanneer zij hun moeder nodig hebben en om hen te zien opgroeien. Vice versa, heeft hij [naam kind 1] en [naam kind 2] hun moeder ontnomen. En ook hun vader. [naam kind 1] en [naam kind 2] zullen moeten opgroeien zonder moeder, met de wetenschap dat hun vader hun moeder heeft vermoord en moeten incasseren dat hun vader geen rol meer wenst te spelen in hun leven. Gelet op de stukken in het dossier omtrent de kinderen, zullen de psychische gevolgen voor de kinderen veel impact hebben op de rest van hun levens. Verdachte heeft eveneens voor immens verdriet gezorgd bij de vader van [slachtoffer] , haar zus [zus slachtoffer] en bij haar vrienden, collega’s en kennissen. In de slachtofferverklaringen van vader en zus ter zitting is de pijn, het verdriet, het onbegrip en de onmacht die zij voelen helder verwoord. In dit kader wenst de rechtbank nog op te merken dat de nabestaanden zich – gedurende de vele zittingen – ondanks de boosheid, het verdriet en de onmacht waardig hebben gedragen en dat zij zich realiseert dat dit niet altijd gemakkelijk zal zijn geweest.

Verdachte is tot zijn laffe daad gekomen, omdat hij relationeel verder wilde met, de laatste van zijn vele geheime relaties, [vriendin verdachte] . Hij wilde met haar verder, maar had niet het lef en het fatsoen om de relatie met [slachtoffer] op de gebruikelijke wijze te beëindigen. Verdachte heeft verklaard dat hij [slachtoffer] heeft vermoord, omdat hij alle problemen die een scheiding met zich meebrengt niet aan zou kunnen. Verdachte heeft door aldus te handelen totaal gewetenloos en slechts met het oog op zijn eigen belangen gehandeld. Hij heeft het recht op leven, de belangen en toekomst van [naam kind 1] en [naam kind 2] en al het verdriet dat de nabestaanden moeten ondergaan, ondergeschikt gemaakt aan zijn eigen behoeftes. Ook na de moord heeft verdachte zich respectloos gedragen. Hij heeft geen verantwoording genomen voor zijn daad, onmiddellijk zijn relatie met [vriendin verdachte] voortgezet en de nabestaanden jaren in het ongewisse gelaten over wat er met [slachtoffer] was gebeurd. Daarbij heeft hij in het undercovertraject aangegeven dat hij liever niet had dat er een alibi voor hem werd geregeld, maar het liefst had dat er iemand anders voor de moord zou opdraaien en dat het ook wel erg fijn zou zijn als dit voor de kerst geregeld was. Dit alles leidt naar het oordeel van de rechtbank dat er bij verdachte sprake is van een kilheid en berekenbaarheid die zij zelden ziet.

Naast het leed en verdriet bij de nabestaanden en vrienden is er door dit misdrijf ook grote onrust in de samenleving ontstaan. Dit is onder meer tot uiting gekomen in de grote media-aandacht die de zaak heeft gehad en het gegeven dat veel belangstellenden tijdens de verschillende zittingen steeds aanwezig zijn geweest. Het behoeft geen betoog dat dit feit de rechtsorde ernstig heeft geschokt.

Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank rekening gehouden met hetgeen daaromtrent ter terechtzitting is gebleken, alsmede met hetgeen uit het hem betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie blijkt. Hieruit komt naar voren dat hij niet eerder – op een CJIB transactie na – met justitie in aanraking is geweest. Voorts heeft de rechtbank kennis genomen van de rapportages die over verdachte zijn opgemaakt. Uit zowel het psychologische rapport van 18 april 2015, opgemaakt door drs. I.J.G.P. Neissen, als het psychiatrische rapport van 20 april 2015, opgemaakt door drs. H. Hoerée, komt naar voren dat er geen aanwijzingen zijn dat verdachte ten tijde van het ten laste gelegde aan een stoornis leed. Meer in het bijzonder komt uit het psychologische rapport nog naar voren dat verdachte cognitief functioneert op een gemiddeld tot bovengemiddeld niveau passend bij zijn opleiding en werk. Door beide deskundigen wordt geadviseerd om verdachte als volledig toerekeningsvatbaar te beschouwen en de rechtbank zal dit ook doen.

Het voorgaande leidt de rechtbank tot het oordeel dat enkel oplegging van een langdurige gevangenisstraf recht doet aan het ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is gepleegd. De rechtbank houdt bij het bepalen van de op te leggen straf naast het voorgaande rekening met straffen die doorgaans in soortgelijke zaken worden opgelegd. Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat de door de officier van justitie gevorderde straf recht doet aan de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder dit is gepleegd en de persoon van verdachte. De rechtbank zal verdachte dan ook veroordelen tot een gevangenisstraf van 18 jaar met aftrek van de tijd die verdachte reeds in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.

8 De benadeelde partijen

Benadeelde partijen [vader slachtoffer] en [zus slachtoffer]

Als benadeelde partijen hebben vorderingen ingediend [vader slachtoffer] , de vader van [slachtoffer] , en [zus slachtoffer] , haar zus. Zij worden vertegenwoordigd door hun gemachtigde mr. J.L.G. Gerrits, advocaat te Waalwijk.

De benadeelde partij [vader slachtoffer] vordert een materiële schadevergoeding ter hoogte van € 261,- terzake reiskosten voor het bijwonen van de zittingen. Daarnaast vordert hij, evenals de benadeelde partij [zus slachtoffer] een schadevergoeding terzake immateriële schade ter hoogte van € 12.500,-- alsmede kosten voor rechtsbijstand tot een bedrag van € 30.326,47.

Zij vorderen daarmee in totaal een schadevergoeding van respectievelijk € 43.087,47 en

€ 42.826,47.

Allereerst ligt ter beoordeling de vraag voor of de benadeelde partijen [familienaam 2] in hun vorderingen kunnen worden ontvangen, welke vraag door de officier van justitie ontkennend wordt beantwoord.

Ingevolge artikel 51f, eerste lid, Sv kan zich als benadeelde partij in het strafproces voegen degene die rechtstreeks schade heeft geleden door een strafbaar feit. De term ‘rechtstreeks’ brengt met zich dat de kring van benadeelde partijen die zich kan voegen, wordt beperkt tot die personen die zelf zijn getroffen in een belang dat de strafbepaling probeert te beschermen. Niet is gebleken dat voornoemde benadeelde partijen op basis van deze genoemde wettelijke bepaling zich mogen voegen in het strafproces. De kring van voegingsgerechtigden wordt ingevolge artikel 51f, tweede lid, Sv uitgebreid met categorieën van personen die geen rechtstreekse schade hebben geleden. Het betreft hierbij de erfgenamen ter zake van hun onder algemene titel verkregen vordering alsmede om de personen zoals genoemd in artikel 6:108, eerste en tweede lid van het Burgerlijk Wetboek, ter zake van de daar genoemde vorderingen, zijnde kosten van levensonderhoud waarin de overledene voorzag en de personen die de kosten van de lijkbezorging hebben gedragen. Echter, niet is gebleken dat de benadeelde partijen [familienaam 2] hiertoe behoren.

Op grond van het voorgaande zal de rechtbank derhalve bepalen dat de benadeelde partijen [vader slachtoffer] en [zus slachtoffer] in hun vorderingen niet-ontvankelijk zijn. Zij kunnen hun vordering bij de burgerlijke rechter aanhangig maken.

De benadeelde partij Stichting Bureau Jeugdzorg Noord-Brabant, namens [naam kind 1] en [naam kind 2] [familienaam]

Namens de minderjarige kinderen [naam kind 1] en [naam kind 2] , de kinderen van [slachtoffer] , vordert de Stichting Bureau Jeugdzorg Noord-Brabant, vertegenwoordigd door mr. T.J.C. Bueters, advocaat te Wijchen, een schadevergoeding van in totaal € 268.171,24 voor het onderhavige feit. Dit bedrag ziet op een schadevergoeding voor gederfd levensonderhoud tot een bedrag ter hoogte van € 260.170,58, op buitengerechtelijke kosten tot een bedrag van € 4.000,66 en op de proceskosten conform het liquidatietarief (2 punten) ad € 4.000,-. Tevens is gevraagd de schadevergoedingsmaatregel op te leggen en het toe te wijzen bedrag te vermeerderen met wettelijke rente vanaf het moment dat de vordering is ingediend, te weten 11 maart 2016.

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot algehele toewijzing van de door de benadeelde partij ingediende vordering, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De verdediging heeft de inhoud van de vordering niet betwist. De verdediging heeft bepleit dat de door de benadeelde partij ingediende vordering tot schadevergoeding moet worden afgewezen, omdat verdachte het feit niet heeft gepleegd en aldus vrijspraak dient te volgen.

Op basis van eerdergenoemde wettelijke bepalingen kan deze benadeelde partij aanspraak maken op een vergoeding voor de kosten van gederfd levensonderhoud voor [naam kind 1] en [naam kind 2] . Het hiertoe gevorderde bedrag is gemotiveerd onderbouwd met een door rekenkundig bureau Laumen Expertise opgesteld rapport van 22 februari 2016, welk rapport ter zitting van 1 april 2016 is toegelicht door de deskundige J. Laumen. Bij de berekening van deze schadepost is gebruik gemaakt van standaardbedragen van het NIBUD. Daarnaast heeft te gelden dat als uitgangspunten bij de berekening van de schade minimale bedragen zijn gehanteerd.

De rechtbank is van oordeel dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het bewezen verklaarde feit en acht verdachte aansprakelijk voor die schade. Het is de rechtbank uit het verhandelde ter terechtzitting gebleken dat voor de berekening van de schade zoals in onderhavige zaak een breed toegepaste berekeningsmethodiek is gehanteerd. De verdediging heeft de hoogte van het door de benadeelde partij gevorderde schadebedrag niet betwist.

De rechtbank is van oordeel dat nu dit onderdeel van de vordering deugdelijk is gemotiveerd, goed is onderbouwd en niet is betwist en nu dit gevorderde bedrag, na bestudering daarvan, de rechtbank ook anderszins rechtmatig en gegrond voorkomt, dit gedeelte van de vordering voor toewijzing gereed ligt.

Voorts zijn voor toewijzing vatbaar de kosten die zijn gemaakt ten behoeve van de berekening van de hoogte van de vordering van de benadeelde partij. Deze worden gevorderd als buitengerechtelijke kosten en als zodanig toegewezen. Dit bedrag komt de rechtbank ook niet onrechtmatig of ongegrond voor.

Met betrekking tot de toegekende vordering benadeelde partij zal de rechtbank tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen. Het toegewezen bedrag dient te worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 11 maart 2016, zijnde de datum waarop de vordering namens de benadeelde partij is ingediend.

Tot slot zijn de gevorderde proceskosten, 2 punten liquidatietarief, toewijsbaar en zal de rechtbank ook dit laatste onderdeel van de vordering toewijzen.

9 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 10, 27, 36f en 289 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

10 De beslissing

De rechtbank:

De ontvankelijkheid van de officier van justitie

- verklaart de officier van justitie ontvankelijk in de vervolging van verdachte;

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 5.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

Moord;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 18 jaar;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

Benadeelde partijen

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij Stichting Bureau Jeugdzorg Noord-Brabant (ten behoeve van de minderjarigen [naam kind 1] en [naam kind 2] [familienaam] ) van € 264.171,24 ter zake van materiële schade;

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil; (BP.06)

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij Stichting Bureau Jeugdzorg Noord-Brabant in de kosten die de benadeelde partij ter zake van rechtsbijstand heeft gemaakt, te weten € 4.000,00;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van de Stichting Bureau Jeugdzorg Noord-Brabant, € 264.171,24 te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 11 maart 2016, bij niet betaling te vervangen door 365 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd; (BP.04)

- verklaart de benadeelde partij [vader slachtoffer] niet-ontvankelijk in zijn vordering en bepaalt dat die vordering bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;

- veroordeelt de benadeelde partij [vader slachtoffer] in de kosten van verdachte, tot op heden begroot op nihil; (BP.15)

- verklaart de benadeelde partij [zus slachtoffer] niet-ontvankelijk in haar vordering en bepaalt dat die vordering bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;

- veroordeelt de benadeelde partij [zus slachtoffer] in de kosten van verdachte, tot op heden begroot op nihil. (BP.15)

Dit vonnis is gewezen door mr. Van Kralingen, voorzitter, mr. Dekker en mr. Marsé rechters, in tegenwoordigheid van De Klerk-Van Rijs, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 23 mei 2016.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt -tenzij anders vermeld- bedoeld het eindproces-verbaal met dossiernummer 2010248316 van de regionale eenheid politie Zeeland-West-Brabant, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren en doorgenummerd van 1 tot en met 6098. Het proces-verbaal van Forensisch Technisch onderzoek, blz. 3843 van voornoemd eind-proces-verbaal.

2 Het proces-verbaal van verhoor getuige [vader slachtoffer] , pagina 1143 tot en met 1145 van voornoemd eind-proces-verbaal.

3 Het proces-verbaal, analyse historische verkeersgegevens, blz. 3702 en 3703 van voornoemd eind-proces-verbaal.

4 Het proces-verbaal van verhoor van verdachte, blz. 410 van voornoemd eind-proces-verbaal.

5 Het proces-verbaal van verhoor van verdachte en het proces-verbaal van verhoor van getuige [vriendin verdachte] , blz. 330 en 1312 tot en met 1314 van voornoemd eind-proces-verbaal.

6 Het proces-verbaal van bevindingen, blz. 1622 van voornoemd eind-proces-verbaal.

7 Het proces-verbaal van bevindingen, blz. 1622 tot en met 1629 van voornoemd eind-proces-verbaal.

8 Het proces-verbaal van verhoor van verdachte, blz. 356 van voornoemd eind-proces-verbaal.

9 Het proces-verbaal van verhoor van [vriendin verdachte] , blz. 1314 van voornoemd eind-proces-verbaal.

10 Het proces-verbaal van verhoor van [vriendin verdachte] , blz. 1352 van voornoemd eind-proces-verbaal.

11 Het proces-verbaal, analyse historische verkeersgegevens, blz. 3702 van voornoemd eind-proces-verbaal.

12 Het proces-verbaal van verhoor van verdachte, blz. 410 van voornoemd eind-proces-verbaal.

13 Het proces-verbaal van bevindingen, blz. 716 van voornoemd eind-proces-verbaal.

14 Het proces-verbaal van bevindingen, blz. 3776 en 3777 van voornoemd eind-proces-verbaal.

15 Het proces-verbaal van de terechtzitting van 31 maart 2016, inhoudende de verklaring van verdachte.

16 Het proces-verbaal van bevindingen, blz. 3786 van voornoemd eind-proces-verbaal.

17 Het proces-verbaal van bevindingen, blz. 3769 van voornoemd eind-proces-verbaal.

18 Het proces-verbaal van bevindingen, blz. 3769 van voornoemd eind-proces-verbaal.

19 Het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 1] , blz. 814 van voornoemd eind-proces-verbaal.

20 Het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 1] , blz. 827 van voornoemd eind-proces-verbaal.

21 De eigen waarneming van de rechtbank terzake de beelden van de reconstructie van 1 en 2 juni 2011, behorende bij voornoemd eind-proces-verbaal.

22 Het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 2] , pagina 817 van voornoemd eind-proces-verbaal.

23 De eigen waarneming van de rechtbank terzake de beelden van de reconstructie van 1 en 2 juni 2011, behorende bij voornoemd eind-proces-verbaal.

24 Het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 2] , pagina 819 van voornoemd eind-proces-verbaal.

25 Het proces-verbaal van bevindingen, blz. 694 en 698 van voornoemd eind-proces-verbaal.

26 Het proces-verbaal van bevindingen, blz. 50 tot en met 52 van voornoemd eind-proces-verbaal.

27 Het proces-verbaal van verhoor van [getuige 4] , blz. 804 van voornoemd eind-proces-verbaal.

28 Het proces-verbaal van de Unit Forensisch Technisch Onderzoek, blz. 3936 tot en met 3939 van voornoemd eind-proces-verbaal.

29 Het rapport van het Nederlands Forensisch Instituut, blz. 4009 van voornoemd eind-proces-verbaal.

30 Het rapport van het Independent Forensic Services.

31 Het proces-verbaal van de Unit Forensisch Technisch Onderzoek, blz. 3939 van voornoemd eind-proces-verbaal.

32 Het rapport van het Nederlands Forensisch Instituut, blz. 227 en 229 van voornoemd eind-proces-verbaal.

33 Het proces-verbaal van bevindingen, blz. 51 van voornoemd eind-proces-verbaal.

34 Het proces-verbaal van de Unit Forensisch Technisch Onderzoek, blz. 3876 en 3877 van voornoemd eind-proces-verbaal.

35 Het proces-verbaal van de Unit Forensisch Technisch Onderzoek, blz. 3886 en 3887 van voornoemd eind-proces-verbaal.

36 het proces-verbaal van de Unit Forensisch Technisch Onderzoek, blz. 3877 van voornoemd eind-proces-verbaal.

37 Het proces-verbaal van de Unit Forensisch Technisch Onderzoek, blz. 3885 van voornoemd eind-proces-verbaal.

38 Het proces-verbaal van de Unit Forensisch Technisch Onderzoek, blz. 3889 van voornoemd eind-proces-verbaal.

39 Het proces-verbaal van verhoor van getuige [naam verbalisant 2] , blz. 750 van voornoemd eind-proces-verbaal.

40 Het proces-verbaal van verhoor van getuige [naam verbalisant 3] , blz. 728 van voornoemd eind-proces-verbaal.

41 Het proces-verbaal van verhoor van getuige [naam verbalisant 4] , blz. 767 van voornoemd eind-proces-verbaal.

42 De processen-verbaal van verhoor van de getuigen [naam verbalisant 1] en [naam verbalisant 5] , blz. 780 en 739 van voornoemd eind-proces-verbaal.

43 Het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 3] , blz. 792 van voornoemd eind-proces-verbaal.

44 Kamerstukken II, 1996-1197, 25 403, nr. 3, p.34-35

45 Kamerstukken II, 25 403, nr. 7, p. 59

46 Het proces-verbaal van bevindingen Informatie inwinner [nummer 2] , blz. 6012 e.v. van voornoemd eind-proces-verbaal.

47 Het proces-verbaal van bevindingen informatie inwinner [nummer 3] , blz. 6020 e.v. van voornoemd eind-proces-verbaal.

48 Het proces-verbaal van bevindingen Informatie inwinner [nummer 2] , blz. 6012 e.v. van voornoemd eind-proces-verbaal.

49 Het proces-verbaal van bevindingen informatie inwinner [nummer 3] , blz. 6020 e.v. van voornoemd eind-proces-verbaal.

50 Het proces-verbaal van bevindingen Informatie inwinner [nummer 2] , blz. 6012 e.v. van voornoemd eind-proces-verbaal.

51 Het proces-verbaal van bevindingen Informatie inwinner [nummer 2] , blz. 6039 e.v. van voornoemd eind-proces-verbaal.

52 Het proces-verbaal van bevindingen Informatie inwinner [nummer 2] , blz. 6059 e.v. van voornoemd eind-proces-verbaal.

53 Het proces-verbaal van bevindingen Informatie inwinner [nummer 2] , blz. 6080 e.v. van voornoemd eind-proces-verbaal.

54 Het proces-verbaal van bevindingen Informatie inwinner [nummer 2] , blz. 6012 e.v. van voornoemd eind-proces-verbaal.

55 Het proces-verbaal van bevindingen informatie inwinner [nummer 3] , blz. 6020 e.v. van voornoemd eind-proces-verbaal.

56 Het proces-verbaal van bevindingen, blz. 2394 van voornoemd eind-proces-verbaal.