Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2016:3058

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
20-05-2016
Datum publicatie
13-07-2016
Zaaknummer
AWB - 15 _ 324
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

BRE 15/324 en 15/335

IB/PVV en ZVW met vergrijpboete.

Tegen belanghebbende loopt een strafrechtelijk onderzoek naar zijn betrokkenheid bij hennepteelt. De rechtbank gaat voorbij aan de door een informant in dat kader afgelegde verklaringen. Desondanks heeft de inspecteur middels een vermogensvergelijking aannemelijk gemaakt dat belanghebbende meer inkomsten heeft gehad dan hij in zijn aangifte heeft opgegeven. Belanghebbende heeft niet de vereiste aangifte gedaan, waardoor de bewijslast wordt omgekeerd en verzwaard. De schatting van de inspecteur is redelijk, zodat de navorderingsaanslagen in stand blijven.

Wetsverwijzingen
Algemene wet inzake rijksbelastingen 27e, geldigheid: 2014-01-06
Algemene wet inzake rijksbelastingen 67e, geldigheid: 2009-07-02
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2016-1777
V-N Vandaag 2016/1591
V-N 2016/39.23.20

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Belastingrecht, meervoudige kamer

Locatie: Breda

Zaaknummers BRE 15/324 en 15/335

uitspraak van 12 mei 2016

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[belanghebbende] , wonende te [woonplaats],

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

de inspecteur.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De inspecteur heeft aan belanghebbende over het jaar 2010 onderstaande navorderingsaanslagen opgelegd:

- inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) (aanslagnummer [aanslagnummer].H.08), berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 23.919, alsmede bij beschikking een vergrijpboete van € 2.504 en heffingsrente van € 317;

- zorgverzekeringswet (hierna: ZVW) (aanslagnummer [aanslagnummer].W.08), berekend naar een bijdrage ZVW van € 1.183, alsmede heffingsrente van € 47.

1.2.

De inspecteur heeft bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar van 12 december 2014 de navorderingsaanslagen met heffingsrente en de boetebeschikking gehandhaafd.

1.3.

Belanghebbende heeft daartegen bij brief van 21 januari 2015, op dezelfde dag door de rechtbank ontvangen, beroep ingesteld. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 45.

1.4.

De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.5.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 maart 2016 te Breda. Aldaar zijn verschenen en gehoord, belanghebbende en [A], vergezeld van belanghebbendes gemachtigde, [gemachtigde], verbonden aan [kantoornaam gemachtigde] te Tilburg, en namens de inspecteur, [verweerder]. Tijdens deze zitting zijn de beroepen met de zaaknummers BRE 15/323 en 15/329 tot en met 15/333 en BRE 15/324 en 15/335 tegelijk behandeld. De rechtbank heeft het onderzoek gesloten en een schriftelijke uitspraak aangekondigd. Voor het verder ter zitting verhandelde verwijst de rechtbank naar het proces-verbaal van de zitting dat gelijktijdig met deze uitspraak aan partijen zal worden toegezonden.

2 Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast:

2.1.

Belanghebbende woonde in het onderhavige jaar samen met zijn partner [B] en hun kind. De partner van belanghebbende had geen inkomsten.

2.2.

Belanghebbende drijft sinds [datum] 2004 een eenmanszaak onder de naam “[C]”. De omzet van de onderneming bedroeg in de jaren 2008 tot en met 2011 achtereenvolgens € 48.170, € 40.063, € 34.948 en € 26.303.

2.3.

Belanghebbende had in 2010 vier auto’s op zijn naam staan.

2.4.

Belanghebbende heeft aangifte inkomstenbelasting 2010 gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 2.852. Met dagtekening 30 december 2011 zijn aan belanghebbende aanslagen IB/PVV en ZVW opgelegd conform de ingediende aangifte.

2.5.

Tegen belanghebbende loopt een strafprocedure, omdat (onder meer) informant [D] (hierna: [D]) bij de politie verklaringen heeft afgelegd over (onder meer) belanghebbendes betrokkenheid bij (grootschalige) hennepteelt en zijn inkomsten daaruit. Op grond van artikel 55 van de AWR heeft de politie in opdracht van het Openbaar Ministerie informatie uit het onderzoek “[onderzoek]” ter beschikking gesteld aan de Belastingdienst. Naar aanleiding daarvan is de inspecteur een onderzoek gestart naar de door belanghebbende ingediende aangiften inkomstenbelasting voor de jaren 2008 tot en met 2012. Van dit onderzoek is met dagtekening 22 mei 2013 een rapport opgesteld dat tot de gedingstukken behoort.

2.6.

Voor zijn betrokkenheid bij een hennepkwekerij in een door belanghebbende gehuurd pand in [plaats A] in 2009/2010 is belanghebbende veroordeeld tot een taakstraf. In deze zaak heeft belanghebbende op 10 februari 2010 een verklaring bij de politie afgelegd, waarin hij heeft verklaard dat hij in dat pand een hennepkwekerij is begonnen. Deze verklaring en de veroordeling door de strafrechter staan los van het onder 2.5 genoemde strafrechtelijk onderzoek.

2.7.

Naar aanleiding van het in 2.5 genoemde onderzoek naar de juistheid van de aangiften inkomstenbelasting zijn aan belanghebbende over het jaar 2010 de onderhavige navorderingsaanslag IB/PVV en ZVW opgelegd.

2.8.

Bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar van 12 december 2014 heeft de inspecteur de bezwaren van belanghebbende ongegrond verklaard.

3 Geschil

3.1.

In geschil is het antwoord op de vraag of de navorderingsaanslagen en de vergrijpboete terecht en tot juiste bedragen zijn opgelegd.

3.2.

Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken en ter zitting.

3.3.

Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van de beroepen, vernietiging van de uitspraken op bezwaar en vernietiging van de navorderingsaanslagen, de beschikkingen heffingsrente en de boetebeschikking. De inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van de beroepen.

4 Beoordeling van het geschil

Navorderingsaanslagen

4.1.

De inspecteur stelt dat belanghebbende niet de vereiste aangifte heeft gedaan en heeft daartoe onderstaande vermogensvergelijking opgemaakt:

Inkomsten

Onttrekking onderneming 7.478

Zorgtoeslag partner 1.107

Kinderbijslag 780

Belastingteruggaaf partner AHK 1.987

Kindgebonden budget 1.011 +

Totale inkomsten 12.363

Uitgaven

Huur (verklaring belh) 7.200

Gas en licht (NIBUD) 2.664

Water (NIBUD) 192

Telefoon/kabel/internet (NIBUD) 625

Zorgverzekering (NIBUD) 3.156

Wegenbelasting 1.889

Autoverzekering (schatting) 500

Benzine (schatting) 1.000

Eten en drinken (NIBUD) 6.888

Betaalde IB 3.620

Aankoop auto aanbetaling (35-BS-ZX) 1.500 +

Totale uitgaven 30.733 –

Verschil -/- 18.370

De inspecteur heeft daarbij opgemerkt dat – rekening houdend met het afgenomen saldo van de bankrekeningen van belanghebbende van € 439 – een tekort resteert van € 17.931, zodat belanghebbende meer inkomsten moet hebben gehad om in zijn levensonderhoud te kunnen voorzien. De navorderingsaanslagen zijn door de inspecteur gebaseerd op een correctie van € 1.250 per maand, te weten € 15.000 in het onderhavige jaar. Dit bedrag is afgeleid uit de informatie die door het Openbaar Ministerie aan de inspecteur is verstrekt over de door [D] afgelegde verklaringen.

4.2.

Artikel 27e, eerste lid, van de AWR bepaalt – voor zover van belang – dat indien de vereiste aangifte niet is gedaan het beroep ongegrond wordt verklaard, tenzij is gebleken dat en in hoeverre de uitspraak op het bezwaar onjuist is (‘omkering en verzwaring van de bewijslast’).

4.3.

Bij inhoudelijke gebreken in een aangifte kan slechts dan worden aangenomen dat de vereiste aangifte niet is gedaan, indien aan de hand van de normale regels van stelplicht en bewijslast is vastgesteld dat sprake is van één of meer gebreken die ertoe leiden dat de volgens de aangifte verschuldigde belasting verhoudingsgewijs aanzienlijk lager is dan de werkelijk verschuldigde belasting. Tevens is vereist dat het bedrag van de belasting dat als gevolg van de gebreken in de aangifte niet zou zijn geheven, op zichzelf beschouwd aanzienlijk is. Inhoudelijke gebreken in de aangifte worden voor de toepassing van deze regels slechts in aanmerking genomen indien de belastingplichtige ten tijde van het doen van de aangifte wist of zich ervan bewust moest zijn dat daardoor een aanzienlijk bedrag aan verschuldigde belasting niet zou worden geheven. Ook dit moet worden vastgesteld aan de hand van de normale regels van stelplicht en bewijslast. Vgl. HR 30 oktober 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH1083, BNB 2010/47.

4.4.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft de inspecteur met de door hem opgestelde vermogensvergelijking aannemelijk gemaakt dat belanghebbende meer inkomsten moet hebben gehad dan hij in zijn aangifte heeft opgegeven. Tevens acht de rechtbank aannemelijk dat het verschil tussen hetgeen belanghebbende aan inkomen heeft aangegeven (€ 2.852) en het daadwerkelijk minimaal door hem benodigde inkomen (€ 17.931) leidt tot een bedrag aan verschuldigde maar niet aangegeven belasting dat zowel absoluut als relatief aanzienlijk is. Ook acht de rechtbank aannemelijk dat belanghebbende zich ervan bewust moet zijn geweest dat door het achterwege laten van de juiste aangifte een aanzienlijk bedrag aan belasting niet is betaald. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat belanghebbende niet de vereiste aangifte heeft gedaan, zodat de bewijslast wordt omgekeerd en verzwaard. Belanghebbende heeft naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen dat de uitspraak op bezwaar onjuist is.

4.5.

Beoordeeld dient dan te worden of de navorderingsaanslagen berusten op een redelijke schatting. De rechtbank stelt voorop dat in dit kader van de inspecteur slechts kan worden verlangd dat de schatting redelijk is, dat wil zeggen niet naar willekeur, is vastgesteld (zie Hoge Raad 13 november 2015, nr. 14/01744, ECLI:NL:HR:2015:3291). Naar het oordeel van de rechtbank berust de vermogensvergelijking van de inspecteur op juiste uitgangspunten en is deze niet onredelijk.

4.6.

Bij de beoordeling van de navorderingsaanslagen gaat de rechtbank voorbij aan de verklaringen van [D]. De rechtbank oordeelt dat de inspecteur op basis van de vermogensvergelijking reeds aannemelijk heeft gemaakt dat tenminste een bedrag van circa € 15.000 aan inkomen niet in de belastingheffing is betrokken. Belanghebbende heeft niet aangetoond dat dit bedrag te hoog is. Dat de inspecteur de correctie in de navorderingsaanslagen op basis van de verklaringen van [D] heeft berekend op € 15.000, maakt dit niet anders.

4.7.

Nu de rechtbank voorbij gaat aan de informatie uit het strafrechtelijk onderzoek, kunnen de stellingen van belanghebbende met betrekking tot schending van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur hem niet baten. Ook de behandeling van het verzoek van belanghebbende tot het stellen van prejudiciële vragen blijft derhalve achterwege.

Vergrijpboete

4.8.

In artikel 67e, eerste lid, van de AWR is bepaald dat indien het aan opzet of grove schuld van de belastingplichtige is te wijten dat de aanslag tot een te laag bedrag is vastgesteld of anderszins te weinig belasting is geheven, dit een vergrijp vormt ter zake waarvan de inspecteur hem een boete kan opleggen van ten hoogste 100 procent van de in het tweede lid omschreven grondslag voor de boete (zijnde het bedrag van de navordering). Op grond van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst legt de inspecteur een boete op van 50% indien het aan opzet van belanghebbende is te wijten dat te weinig belasting is geheven en legt hij een boete op van 25% als het aan grove schuld van belanghebbende is te wijten dat er te weinig belasting is geheven.

4.9.

Zoals de rechtbank hiervoor heeft overwogen acht zij aannemelijk dat belanghebbende tot aanzienlijke bedragen inkomen heeft genoten dat niet is aangegeven, terwijl dat wel had gemoeten. De rechtbank acht voorts aannemelijk dat belanghebbende wist dat die inkomsten in zijn aangifte hadden moeten worden vermeld, maar dat hij dat bewust heeft nagelaten. Dusdoende heeft belanghebbende naar het oordeel van de rechtbank welbewust de aanmerkelijk kans aanvaard dat te weinig belasting zou worden geheven. Aldus is het aan (voorwaardelijke) opzet van belanghebbende te wijten dat te weinig belasting is geheven. De rechtbank acht een boete van 50% passend en geboden. De omstandigheid dat de navorderingsaanslag is opgelegd met toepassing van omkering en verzwaring van de bewijslast vormt naar het oordeel van de rechtbank, gezien het in 4.6 overwogene, geen aanleiding de boete naar beneden bij te stellen.

4.10.

Voor een vermindering van de boete bestaat wel aanleiding als gevolg van de overschrijding van de redelijke termijn. Voor de berechting van een zaak in eerste feitelijk aanleg heeft als uitgangspunt te gelden dat deze niet binnen een redelijke termijn geschiedt indien de rechtbank niet binnen twee jaar nadat die termijn is aangevangen uitspraak doet, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. In deze termijn is derhalve de duur van de bezwaarfase inbegrepen (vgl. Hoge Raad 22 april 2005, nr. 37.984, ECLI:NL:HR:2005:AO9006). De termijn vangt aan op het moment dat vanwege het betrokken bestuursorgaan jegens de beboete persoon een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat aan hem een boete zal worden opgelegd.

4.11.

De redelijke termijn is aangevangen op 22 mei 2013, zijnde de dag waarop het controlerapport naar belanghebbende is gezonden en de dag van de dagtekening van de navorderingsaanslagen met de boetebeschikking. Tussen 22 mei 2013 en de datum van de uitspraak van de rechtbank (12 mei 2016) is een periode van ongeveer drie jaren verstreken. De redelijke termijn is derhalve overschreden met nagenoeg één jaar. De rechtbank vindt hierin aanleiding de boete van € 2.504 met 10% te verminderen tot € 2.253.

Slot

4.12.

Gelet op het vorenstaande zijn de navorderingsaanslagen terecht en tot de juiste bedragen opgelegd. De beroepen dienen ongegrond te worden verklaard, nu enkel vanwege de ambtshalve geconstateerde overschrijding van de redelijke termijn tot de conclusie is gekomen dat de boete moet worden verminderd (vergelijk het arrest van de Hoge Raad van 16 september 2011, nr. 10/03571, ECLI:NL:HR:2011:BP8053, BNB 2011/286).

5 Proceskosten

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

6 Beslissing

De rechtbank:

- verklaart de beroepen ongegrond;

- vermindert de vergrijpboete tot een bedrag van € 2.253.

Deze uitspraak is gedaan op 12 mei 2016 door mr.drs. M.H. van Schaik, voorzitter, mr. C.A.F.M. Stassen en mr. M. Harthoorn, rechters, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. L. Arts, griffier.

De griffier, De voorzitter,

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Aan deze uitspraak hoeft eerst uitvoering te worden gegeven als de uitspraak onherroepelijk is geworden. De uitspraak is onherroepelijk als niet binnen zes weken na verzending van de uitspraak een rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtsmiddel is beslist (artikel 27h, derde lid en artikel 28, zevende lid AWR).

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.

Voor burgers is het mogelijk hoger beroep digitaal in te stellen. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van de formulieren op Rechtspraak.nl / Digitaal loket bestuursrecht.