Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2016:3057

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
20-05-2016
Datum publicatie
13-07-2016
Zaaknummer
AWB - 15 _ 323
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

BRE 15/323 en 15/329 tot en met 15/333

Artikelen 27e, eerste lid, en 67e, eerste lid, van de AWR.

Tegen belanghebbende loopt een strafrechtelijk onderzoek naar zijn betrokkenheid bij hennepteelt. De rechtbank gaat voorbij aan de door een informant in dat kader afgelegde verklaringen. Voor de jaren 2008 en 2009 maakt de inspecteur aannemelijk dat het minimale inkomen van belanghebbende in de jaren 2008 en 2009 respectievelijk € 20.410 en € 14.955 moet zijn geweest. Voor het jaar 2010 heeft belanghebbende niet de vereiste aangifte gedaan, zodat de bewijslast wordt omgekeerd en verzwaard. De rechtbank vermindert alle navorderingsaanslagen.

Wetsverwijzingen
Algemene wet inzake rijksbelastingen 27e
Algemene wet inzake rijksbelastingen 67e
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2016/1590
FutD 2016-1777
NTFR 2016/2086
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Belastingrecht, meervoudige kamer

Locatie: Breda

Zaaknummers BRE 15/323 en 15/329 tot en met 15/333

uitspraak van 12 mei 2016

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[belanghebbende] , wonende te [woonplaats] ,

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

de inspecteur.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De inspecteur heeft aan belanghebbende voor de jaren 2008 tot en met 2010 onderstaande navorderingsaanslagen opgelegd, alsmede bij beschikkingen vergrijpboeten vastgesteld en heffingsrente in rekening gebracht:

Inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV)

Jaar

2008

2009

2010

Aanslagnummer

[aanslagnummer] .H.87

[aanslagnummer] .H.97

[aanslagnummer] .H.07

Belastbaar inkomen uit werk en woning

€ 217.000

€ 19.855

€ 45.112

Bedrag navordering

€ 102.324

€ 3.307

€ 15.913

Vergrijpboete

€ 51.162

€ 1.653

€ 7.956

Heffingsrente

€ 15.254

€ 335

€ 1.009

Zorgverzekeringswet (hierna: ZVW)

Jaar

2008

2009

2010

Aanslagnummer

[aanslagnummer] .W.87

[aanslagnummer] .W.97

[aanslagnummer] .W.07

Bijdrage ZVW

€ 1.592

€ 953

€ 1.642

Heffingsrente

€ 237

€ 96

€ 104

1.2.

De inspecteur heeft bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar van 12 december 2014 de bezwaren gedeeltelijk gegrond verklaard. Bij verminderingsbeschikking van 3 januari 2015 is de navorderingsaanslag IB/PVV 2008 verminderd tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 117.000, de daarbij vastgestelde vergrijpboete verminderd tot € 25.162 en de heffingsrente verminderd naar € 7.502. De overige navorderingsaanslagen zijn door de inspecteur gehandhaafd. Aan belanghebbende is voor de bezwaarfase een proceskostenvergoeding toegekend van € 243.

1.3.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraken op bezwaar bij brief van 21 januari 2015, op dezelfde dag door de rechtbank ontvangen, beroep ingesteld. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 45.

1.4.

De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.5.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 maart 2016 te Breda. Aldaar zijn verschenen en gehoord, belanghebbende en [A] , vergezeld van belanghebbendes gemachtigde, [gemachtigde] , verbonden aan [kantoornaam gemachtigde] te Tilburg, en namens de inspecteur, [verweerder] . De rechtbank heeft het onderzoek gesloten en een schriftelijke uitspraak aangekondigd. Tijdens deze zitting zijn de beroepen met de zaaknummers BRE 15/323 en 15/329 tot en met 15/333 en BRE 15/324 en 15/335 tegelijk behandeld. Voor het verder ter zitting verhandelde verwijst de rechtbank naar het proces-verbaal van de zitting dat gelijktijdig met deze uitspraak aan partijen zal worden toegezonden.

2 Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast:

2.1.

Belanghebbende heeft samen met zijn partner [B] één kind.

2.2.

Belanghebbende drijft een eenmanszaak onder de naam “ [C] ”. De activiteiten van deze onderneming zijn sinds [datum] 2010 ingeschreven in het handelsregister bij de Kamer van Koophandel waarbij als bedrijfsactiviteit is vermeld: de verhuur van overige woonruimte, huur en verhuurbemiddeling, beheer en advies van onroerend goed.

2.3.

Tegen belanghebbende loopt een strafprocedure, omdat informant [D] (hierna: [D] ) bij de politie verklaringen heeft afgelegd over (onder meer) belanghebbendes betrokkenheid bij (grootschalige) hennepteelt en zijn inkomsten daaruit. Ook heeft [D] verklaard dat belanghebbende inkomsten genoot uit het bemiddelen in woonruimte. Op grond van artikel 55 van de AWR heeft de politie in opdracht van het Openbaar Ministerie informatie uit het onderzoek “[onderzoek]” ter beschikking gesteld aan de Belastingdienst. Naar aanleiding daarvan is de inspecteur een onderzoek gestart naar de door belanghebbende ingediende aangiften inkomstenbelasting. Dit onderzoek heeft geleid tot het controlerapport van 13 mei 2013, verzonden op 22 mei 2013, waarbij is onderzocht of de gegevens uit bovenstaand onderzoek aanleiding geven (navorderings)aanslagen IB/PVV op te leggen.

2.4.

In de jaren 2008 en 2009 heeft belanghebbende geen aangiften inkomstenbelasting gedaan en is daar evenmin voor uitgenodigd. In het jaar 2010 heeft belanghebbende aangifte inkomstenbelasting gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van -/- € 9.686 leidend tot een teruggaaf van € 1.987. In deze aangifte heeft belanghebbende aangegeven dat hij in 2010 € 20.798 als kapitaal in zijn onderneming heeft gestort. Aan belanghebbende is vervolgens een aanslag opgelegd conform de ingediende aangifte.

2.5.

Belanghebbendes partner heeft in de jaren 2008 tot en met 2010 bruto looninkomsten genoten van achtereenvolgens € 16.052, € 19.417 en € 19.258 waarop respectievelijk € 2.512, € 3.336 en € 3.511 is ingehouden. Uit afschriften van de bankrekening van belanghebbende blijkt dat hij in de jaren 2008 tot en met 2010 achtereenvolgens € 20.410, € 14.955 en € 11.660 aan contanten op de bankrekening heeft gestort.

2.6.

Naar aanleiding van het onderzoek van de inspecteur genoemd in 2.3 zijn aan belanghebbende over de jaren 2008 tot en met 2010 navorderingsaanslagen IB/PVV met vergrijpboeten en navorderingsaanslagen ZVW opgelegd, waarin het belastbaar inkomen uit werk en woning als volgt is vastgesteld:

Jaar

2008

2009

2010

Hennepinkomsten [adres 1] te [plaats A]

€ 130.000

Hennepinkomsten [adres 2] te [plaats B]

€ 87.000

Hennepinkomsten [adres 3] te [plaats C]

€ 14.000

Hennepinkomsten [adres 4] te [plaats D]

€ 20.000

Kosten levensonderhoud

€ 19.855,50

Contante stortingen

€ 20.798

Totaal correctie

€ 217.000

€ 19.855,50

€ 54.798

2.7.

In de uitspraken op bezwaar heeft de inspecteur het bezwaar tegen de navorderingsaanslag IB/PVV 2008 gegrond verklaard en het belastbaar inkomen uit werk en woning verminderd naar € 117.000, omdat tijdens de bezwaarfase is gebleken dat [D] met betrekking tot het aandeel van belanghebbende in de hennepinkomsten betreffende het pand [adres 1] te [plaats A] een bedrag van € 30.000 heeft genoemd en geen € 130.000.

3 Geschil

3.1.

In geschil is het antwoord op de vraag of de navorderingsaanslagen en de vergrijpboeten terecht en tot de juiste bedragen zijn opgelegd.

3.2.

Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken en ter zitting.

3.3.

Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van de beroepen, vernietiging van de uitspraken op bezwaar en vernietiging van de navorderingsaanslagen, de beschikkingen heffingsrente en de boetebeschikkingen. De inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van de beroepen.

4 Beoordeling van het geschil

Vooraf

4.1.

Voor de berekening van de navorderingsaanslagen gaat de rechtbank voorbij aan hetgeen aan de orde is in het strafproces, waaronder de verklaringen van informant [D] . De rechtbank overweegt daartoe als volgt. De processen verbaal verhoor met betrekking tot de verklaringen van [D] zoals deze door de inspecteur in de onderhavige zaken zijn overgelegd, kunnen naar het oordeel van de rechtbank gezien de tekst daarvan enkel samenvattingen zijn van de door [D] afgelegde verklaringen. De inspecteur heeft ter zitting ook verklaard dat het samenvattingen betreft van verklaringen van [D] , zoals die zijn opgenomen in het overzichtsproces-verbaal dat bij de voorgeleiding in de strafprocedure is verstrekt. Gelet hierop en gelet op het feit dat belanghebbende de inhoud en de rechtsgeldigheid van de verklaringen van [D] betwist, acht de rechtbank de door de inspecteur overgelegde stukken van onvoldoende gewicht om enkel op grond daarvan een zodanige betrokkenheid van belanghebbende bij de hennepteelt aan te nemen dat belanghebbende uit die teelt inkomsten heeft genoten.

Navorderingsaanslagen

4.2.

Vaststaat dat belanghebbende over de jaren 2008 en 2009 geen aangiften IB/PVV heeft gedaan en over 2010 wel aangifte heeft gedaan en een inkomen heeft aangegeven van /- € 9.686. Belanghebbendes partner had in deze periode netto looninkomsten van respectievelijk € 13.540 (2008), € 16.081 (2009) en € 15.747 (2010). Onbetwist staat tevens vast dat de uitgaven voor het levensonderhoud voor een gezin als dat van belanghebbende in deze jaren minstens € 18.470 per jaar bedragen. Ook staat vast dat belanghebbende respectievelijk € 20.410, € 14.955 en € 11.660 aan contanten op zijn bankrekening heeft gestort waarvoor geen verklaringen zijn gegeven. Daarnaast staat vast dat belanghebbende in 2010 een kapitaalstorting in zijn eigen onderneming heeft gedaan van € 20.798. Ook ter zake van de herkomst van dit geld heeft belanghebbende geen verklaring gegeven. Deze feiten brengen de rechtbank tot het oordeel dat er meer inkomsten moeten zijn geweest dan de aangegeven inkomsten van belanghebbende en diens partner om in de noodzakelijke kosten van het levensonderhoud te kunnen voorzien en een dergelijke stortingen te kunnen doen. Een verklaring voor de contante stortingen en het verschil tussen de uitgaven voor levensonderhoud en het gezamenlijk inkomen van belanghebbende en diens partner is niet gegeven.

4.3.

Artikel 27e, eerste lid, van de AWR bepaalt – voor zover van belang – dat indien de vereiste aangifte niet is gedaan het beroep ongegrond wordt verklaard, tenzij is gebleken dat en in hoeverre de uitspraak op het bezwaar onjuist is (‘omkering en verzwaring van de bewijslast’).

IB/PVV en ZVW 2008 en 2009

4.4.

Belanghebbende heeft voor de jaren 2008 en 2009 geen aangiften IB/PVV gedaan en is daarvoor ook niet uitgenodigd. In dat geval kan niet worden geoordeeld dat niet de vereiste aangifte is gedaan zodat voor die jaren geen sprake is van omkering en verzwaring van de bewijslast. Het is dan aan de inspecteur te stellen, en bij betwisting aannemelijk te maken dat belanghebbende inkomsten heeft gehad die ten onrechte niet in de belastingheffing zijn betrokken en tot welk bedrag daarvan sprake is.

4.5.

Voor de jaren 2008 en 2009 heeft de inspecteur het belastbaar inkomen uit werk en woning berekend op respectievelijk € 117.000 en € 19.855,50. De inspecteur leidt dit af uit de verklaringen van [D] en uit de op de bankrekening van belanghebbende in die jaren respectievelijk € 20.410 en € 14.955 gedane contante stortingen, zodat het minimale inkomen van belanghebbende in die jaren respectievelijk € 117.000 en € 14.955 moet zijn geweest, volgens de inspecteur. De inspecteur heeft tevens een schatting gemaakt van de kosten van het levensonderhoud van belanghebbende in 2009 van € 18.470. Hij stelt vervolgens dat dit bedrag te laag is en berekend de correctie voor dat jaar op € 19.855,50, te weten: het gemiddelde van de in 2010 en 2011 gedane kapitaalstortingen zoals die uit de aangiften blijken.

4.6.

Op grond van het overwogene in 4.1 en 4.2 is de rechtbank van oordeel dat de inspecteur aannemelijk heeft gemaakt dat belanghebbende in deze jaren een inkomen van ten minste respectievelijk € 20.410 en € 14.955 moet hebben gehad. Hogere inkomsten zijn naar het oordeel van de rechtbank door de inspecteur, tegenover de gemotiveerde betwisting door belanghebbende, niet aannemelijk gemaakt. Zoals de rechtbank onder 4.1 heeft overwogen gaat de rechtbank voorbij aan de verklaringen van [D] . Ook ziet de rechtbank geen aanleiding om uit te gaan van andere bedragen dan de bedragen die feitelijk in het betreffende jaar contant door belanghebbende op zijn bankrekening zijn gestort. De navorderingsaanslagen IB/PVV en ZVW over deze jaren dienen dan ook te worden verminderd tot navorderingsaanslagen berekend naar belastbare inkomens uit werk en woning dan wel bijdrage inkomens ZVW over die jaren van respectievelijk € 20.410 en € 14.955.

IB/PVV en ZVW 2010

4.7.

De inspecteur stelt dat belanghebbende voor het jaar 2010 niet de vereiste aangifte heeft gedaan. Het door belanghebbende aangegeven belastbaar inkomen van -/- € 9.686 is door de inspecteur gecorrigeerd met € 54.798 tot € 45.112. Deze correctie is gebaseerd op in totaal € 34.000 aan hennepinkomsten en € 20.798 aan kapitaalstortingen in de onderneming.

4.8.

Bij inhoudelijke gebreken in een aangifte kan slechts dan worden aangenomen dat de vereiste aangifte niet is gedaan, indien aan de hand van de normale regels van stelplicht en bewijslast is vastgesteld dat sprake is van één of meer gebreken die ertoe leiden dat de volgens de aangifte verschuldigde belasting verhoudingsgewijs aanzienlijk lager is dan de werkelijk verschuldigde belasting. Tevens is vereist dat het bedrag van de belasting dat als gevolg van de gebreken in de aangifte niet zou zijn geheven, op zichzelf beschouwd aanzienlijk is. Inhoudelijke gebreken in de aangifte worden voor de toepassing van deze regels slechts in aanmerking genomen indien de belastingplichtige ten tijde van het doen van de aangifte wist of zich ervan bewust moest zijn dat daardoor een aanzienlijk bedrag aan verschuldigde belasting niet zou worden geheven. Ook dit moet worden vastgesteld aan de hand van de normale regels van stelplicht en bewijslast. Vgl. HR 30 oktober 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH1083, BNB 2010/47.

4.9.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft de inspecteur aannemelijk gemaakt dat belanghebbende meer inkomsten moet hebben gehad dan hij in zijn aangifte heeft opgegeven. Het verschil tussen hetgeen belanghebbende aan inkomen heeft aangegeven (-/-€ 9.686) en het daadwerkelijk minimaal genoten inkomen, de contante stortingen op zijn bankrekening van € 11.660 en de kapitaalstorting in zijn onderneming van € 20.798, totaal € 32.458, leidt tot het oordeel dat sprake is van een verschil in verschuldigde belasting dat zowel absoluut als relatief aanzienlijk is. Ook acht de rechtbank aannemelijk dat belanghebbende zich ervan bewust moet zijn geweest dat door het achterwege laten van de juiste aangifte een aanzienlijk bedrag aan belasting niet is betaald. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat belanghebbende niet de vereiste aangifte heeft gedaan, zodat de bewijslast wordt omgekeerd en verzwaard. Belanghebbende heeft naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen dat de uitspraak op bezwaar onjuist is.

4.10.

Beoordeeld dient dan te worden of de navorderingsaanslagen berusten op een redelijke schatting. De rechtbank stelt voorop dat in dit kader van de inspecteur slechts kan worden verlangd dat de schatting redelijk is, dat wil zeggen niet naar willekeur, is vastgesteld (zie Hoge Raad 13 november 2015, nr. 14/01744, ECLI:NL:HR:2015:3291). Zoals overwogen in 4.1 gaat de rechtbank voorbij aan de verklaringen van [D] , zodat de schatting niet kan worden gebaseerd op die verklaringen. De rechtbank acht het niet onredelijk om de navorderingsaanslagen te baseren op de door belanghebbende gedane contante stortingen op zijn bankrekening en de in zijn onderneming gedane kapitaalstorting van totaal € 32.458. De rechtbank vermindert de navorderingsaanslag IB/PVV derhalve tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 32.458 en de navorderingsaanslag ZVW dienovereenkomstig.

4.11.

Nu de rechtbank voorbij gaat aan de informatie uit het strafrechtelijk onderzoek, kunnen de stellingen van belanghebbende met betrekking tot schending van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur hem niet baten. Ook de behandeling van het verzoek van belanghebbende tot het stellen van prejudiciële vragen blijft derhalve achterwege.

Vergrijpboeten

4.12.

De navorderingsaanslagen IB/PVV 2008, 2009 en 2010 zijn door de rechtbank verminderd, zodat de vergrijpboeten in ieder geval dienovereenkomstig verminderd moeten worden.

4.13.

In artikel 67e, eerste lid, van de AWR is bepaald dat indien het aan opzet of grove schuld van de belastingplichtige is te wijten dat de aanslag tot een te laag bedrag is vastgesteld of anderszins te weinig belasting is geheven, dit een vergrijp vormt ter zake waarvan de inspecteur hem een boete kan opleggen van ten hoogste 100 procent van de in het tweede lid omschreven grondslag voor de boete (zijnde het bedrag van de navordering). Op grond van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst legt de inspecteur een boete op van 50% indien het aan opzet van belanghebbende is te wijten dat te weinig belasting is geheven en legt hij een boete op van 25% als het aan grove schuld van belanghebbende is te wijten dat er te weinig belasting is geheven.

4.14.

Zoals de rechtbank hiervoor heeft overwogen acht zij aannemelijk dat belanghebbende tot aanzienlijke bedragen inkomen heeft genoten dat niet is aangegeven, terwijl dat wel had gemoeten. De rechtbank acht voorts aannemelijk dat belanghebbende wist dat die inkomsten in zijn aangifte hadden moeten worden vermeld, dan wel dat hij om uitreiking van een aangiftebiljet had moeten vragen, maar dat hij dat bewust heeft nagelaten. Dusdoende heeft belanghebbende naar het oordeel van de rechtbank welbewust de aanmerkelijk kans aanvaard dat te weinig belasting zou worden geheven. Aldus is het aan (voorwaardelijke) opzet van belanghebbende te wijten dat te weinig belasting is geheven. De rechtbank acht een boete van 50% passend en geboden. De omstandigheid dat de navorderingsaanslagen over het jaar 2010 zijn opgelegd met toepassing van de omkering en verzwaring van bewijslast vormt naar het oordeel van de rechtbank, gezien de oordelen van de rechtbank in 4.6 en 4.10, geen aanleiding de boete naar beneden bij te stellen.

4.15.

Voor een vermindering van de boeten bestaat wel aanleiding als gevolg van de overschrijding van de redelijke termijn. Voor de berechting van een zaak in eerste feitelijke aanleg heeft als uitgangspunt te gelden dat deze niet binnen een redelijke termijn geschiedt indien de rechtbank niet binnen twee jaar nadat die termijn is aangevangen uitspraak doet, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. In deze termijn is derhalve de duur van de bezwaarfase inbegrepen (vgl. Hoge Raad 22 april 2005, nr. 37.984, ECLI:NL:HR:2005:AO9006). De termijn vangt aan op het moment dat vanwege het betrokken bestuursorgaan jegens de beboete persoon een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat aan hem een boete zal worden opgelegd.

4.16.

De redelijke termijn is aangevangen op 22 mei 2013, zijnde de dag waarop het controlerapport naar belanghebbende is gezonden en de dag van de dagtekening van de navorderingsaanslagen met de boetebeschikkingen. Tussen 22 mei 2013 en de datum van de uitspraak van de rechtbank (12 mei 2016) is een periode van ongeveer drie jaren verstreken. De redelijke termijn is derhalve overschreden met nagenoeg één jaar. De rechtbank vindt hierin aanleiding de boeten met 10% te verminderen, zodat de boeten over 2008, 2009 en 2010 moeten worden verminderd tot 45% van de verschuldigde IB/PVV.

Slot

4.17.

Gelet op het vorenstaande dienen de beroepen gegrond te worden verklaard.

5 Proceskosten

De rechtbank vindt aanleiding de inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar en het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Nu de beroepen voor al de jaren gegrond zijn wordt tevens de uitspraak inzake de proceskosten van bezwaar vernietigd en worden deze in beroep voor alle jaren mede bepaald. De rechtbank beschouwt de zaken met procedurenummers 15/323 en 15/329 tot en met 15/333 als samenhangende zaken in de zin van artikel 3 van het Besluit en hanteert derhalve een wegingsfactor 1½ voor vier of meer samenhangende zaken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 1.857 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift met een waarde per punt van € 246, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 496 en een wegingsfactor 1½). De rechtbank zal per jaar € 619 toekennen.

6 Beslissing

2008

De rechtbank:

  • -

    verklaart de beroepen gegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraken op bezwaar;

  • -

    vermindert de navorderingsaanslag IB/PVV tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 20.410;

  • -

    vermindert de navorderingsaanslag ZVW tot een berekend naar een bijdrage inkomen van € 20.410;

  • -

    vermindert de vergrijpboete tot 45% van de verschuldigde IB/PVV;

- veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van € 619;

- gelast dat de inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 45 aan deze vergoedt.

2009

De rechtbank:

  • -

    verklaart de beroepen gegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraken op bezwaar;

  • -

    vermindert de navorderingsaanslag IB/PVV tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 14.995;

  • -

    vermindert de navorderingsaanslag ZVW berekend naar een bijdrage inkomen van € 14.995;

  • -

    vermindert de vergrijpboete tot 45% van de verschuldigde IB/PVV;

  • -

    veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van € 619;

2010

De rechtbank:

  • -

    verklaart de beroepen gegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraken op bezwaar;

  • -

    vermindert de navorderingsaanslag IB/PVV tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 32.458;

  • -

    vermindert de navorderingsaanslag ZVW berekend naar een bijdrage inkomen van € 32.458;

  • -

    vermindert de vergrijpboete tot 45% van de verschuldigde IB/PVV;

  • -

    veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van € 619;

Deze uitspraak is gedaan op 12 mei 2016 door mr.drs. M.H. van Schaik, voorzitter, mr. C.A.F.M. Stassen en mr. M. Harthoorn, rechters, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. L. Arts, griffier.

De griffier, De voorzitter,

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Aan deze uitspraak hoeft eerst uitvoering te worden gegeven als de uitspraak onherroepelijk is geworden. De uitspraak is onherroepelijk als niet binnen zes weken na verzending van de uitspraak een rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtsmiddel is beslist (artikel 27h, derde lid en artikel 28, zevende lid AWR).

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.

Voor burgers is het mogelijk hoger beroep digitaal in te stellen. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van de formulieren op Rechtspraak.nl / Digitaal loket bestuursrecht.