Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2016:2850

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
10-05-2016
Datum publicatie
10-05-2016
Zaaknummer
02-800495-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

De rechtbank gaat ervan uit dat een onbekend gebleven man heeft geslagen met een machete waardoor het slachtoffer gewond is geraakt. Deze man wordt als dader aangemerkt. Niet is komen vast te staan dat sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen deze onbekend gebleven man en verdachte waardoor geen sprake kan zijn van mededaderschap. Dat betekent vrijspraak voor het tenlastegelegde feit, conform eis van de officier van justitie en verweer van de raadslieden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats: Breda

parketnummer: 02/800495-14

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 10 mei 2016

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [geboortedag] 1987 te [geboorteplaats]

wonende te [adres 1]

raadsman mr. M.S. Yap, advocaat te Bergen op Zoom

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 26 april 2016 waarbij de officier van justitie mr. Koolen en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering. Verdachte staat, met inachtneming hiervan, terecht terzake dat

hij op of omstreeks 17 mei 2014 te Woensdrecht ter uitvoering van het door

verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of

anderen, althans alleen, opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van

het leven te beroven, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, met

een groot scherp mes voornoemde [slachtoffer] meermalen in het lichaam en/of hoofd

heeft/hebben gesneden en/of gestoken, terwijl de uitvoering van dat

voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

art 289 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

subsidiair, althans indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 17 mei 2014 te Woensdrecht tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, aan een persoon (te weten: [slachtoffer] ) opzettelijk en met voorbedachten rade zwaar lichamelijk letsel (diepe snijwonden op het hoofd en/of lichaam), heeft toegebracht, door deze met een groot scherp mes opzettelijk meermalen in en/of op het lichaam en/of hoofd te snijden en/of te slaan;

meer subsidiair, althans indien het vorenstaande eveneens niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 17 mei 2014 te Woensdrecht tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [slachtoffer] , opzettelijk en met voorbedachten rade zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet met een groot scherp mes voornoemde [slachtoffer] meermalen in en/of op het lichaam en/of hoofd heeft/hebben gesneden en/of heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dit voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie vordert vrijspraak van het ten laste gelegde. Volgens hem is er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs om een nauwe en bewuste samenwerking aan te nemen tussen verdachte en de medeverdachte die als “de Turk” wordt aangeduid. Deze laatste zou het letsel met een machete aan [slachtoffer] hebben toegebracht. Nergens blijkt dat verdachte wist dat “de Turk” een machete bij zich had en ook overigens blijkt niet dat verdachte een significante bijdrage heeft geleverd aan de geweldshandelingen. Evenmin is er voldoende wettig en overtuigend bewijs ten aanzien van het opzet, al dan niet in voorwaardelijke zin, van verdachte op het toepassen van het geweld op het slachtoffer door “de Turk”. Nu verdachte niet als dader kan worden aangemerkt en er geen sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking gericht op het gepleegde geweld kan het (mede)plegen niet bewezen worden en dient vrijspraak te volgen.

4.2

Het standpunt van de verdediging

Door de verdediging wordt eveneens vrijspraak van verdachte van het ten laste gelegde bepleit. Er is onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voor een bewuste en nauwe samenwerking met “de Turk” die het letsel met een machete aan [slachtoffer] heeft toegebracht. Er was immers geen voorgenomen plan tot het toepassen van geweld op het slachtoffer, verdachte wist niet dat “de Turk” een wapen bij zich had en heeft op geen enkele wijze bijgedragen aan het geweld. Verdachte is direct de woning uit gevlucht toen hij het wapen had gezien.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

Aangever [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer] ) heeft verklaard dat hij samen met andere Poolse mensen in een huis woonde dat werd verhuurd door medeverdachte [medeverdachte] (aan de [adres 2] , te Woensdrecht). Van medeverdachte [medeverdachte] moest hij de woning verlaten. Op 17 mei 2014 rond 23:00 uur kwamen drie mannen bij hem in de woning, een Turkse man en twee Poolse mannen. De Turkse man zei dat hij de woning uit moest. De Turkse man sprak Engels en één van de Poolse mannen vertaalde het. De Poolse mannen bleven achter een doek staan. De Turkse man heeft hem met een machete geslagen. Hij sloeg hem drie of vier keer hard met het mes, waarbij hij hem op zijn hoofd en arm heeft geraakt. Hij heeft daardoor snijwonden opgelopen op het hoofd en zijn arm. De Poolse mannen hebben geen geweld gebruikt.

Getuige [getuige 1] – een huisgenoot van [slachtoffer] – heeft verklaard dat hij op 17 mei 2014 rond 23:00 uur gebonk hoorde op de deur. Hij deed de deur open en zag drie mannen, een Turkse man en twee Poolse mannen. Ze vroegen naar [slachtoffer] , die in woonkamer lag te slapen. De Turkse man maakte hem wakker en zei dat hij moest verhuizen De Turkse man sprak Nederlands en Engels. Een van de Poolse mannen vertaalde naar het Pools. Een Poolse man sprak ook Engels. Opeens hoorde hij [slachtoffer] schreeuwen en kort daarop zag hij dat de mannen weg gingen. Getuige [getuige 1] heeft niet kunnen zien wat er gebeurde, want [slachtoffer] lag achter een gordijn te slapen.

Getuige [getuige 2] – een huisgenoot van [slachtoffer] – heeft verklaard dat een van de mannen een mes had, dat hij met een doek omwikkelde.

Medeverdachte [medeverdachte] heeft verklaard dat hij op de avond van 17 mei 2014 in zijn woning met verdachte wat heeft gedronken en gepraat over [slachtoffer] , samen met een andere Poolse man die hij kent als [naam] en nog een donkere man. [medeverdachte] had klachten gekregen over [slachtoffer] waarop hij naar [slachtoffer] een sms heeft gestuurd dat hij moest vertrekken. Verdachte is samen met de twee andere mannen naar [slachtoffer] toe gegaan om [slachtoffer] te zeggen dat hij weg moest gaan. Voor ze vertrokken naar [slachtoffer] , heeft de donkere man gezegd: “niets is gratis”. [medeverdachte] heeft hem daarop honderd euro gegeven.

Verdachte heeft verklaard dat hij slechts met de Turkse man en de andere Poolse man is meegegaan om het huis aan te wijzen waar [slachtoffer] woonde. Daarna zouden die beide mannen verdachte thuis brengen. In de woning is hij niet naar [slachtoffer] toe gegaan. Hij spreekt geen Engels. Hij zag pas in de woning dat de Turkse man een mes meegenomen had. Hij had dat mes onder zijn jas verborgen.

Bewijsoverweging

Naar het oordeel van de rechtbank is op grond van de bewijsmiddelen komen vast te staan dat de onbekend gebleven Turkse man degene is geweest die een aantal maal heeft geslagen met een machete ten gevolge waarvan het slachtoffer [slachtoffer] verwondingen heeft opgelopen. Deze man, die de feitelijke uitvoeringshandelingen heeft verricht, wordt derhalve als dader aangemerkt. De vraag die thans voorligt is of verdachte als medepleger beschouwd kan worden. Hiervoor is vereist dat verdachte in een bewuste en nauwe samenwerking met (ten minste) de (verder onbekend gebleven) ‘Turkse man’ heeft gehandeld.

De rechtbank is van oordeel dat het dossier onvoldoende bewijsmiddelen bevat om te kunnen oordelen dat hiervan sprake is geweest. Voorts is immers ook vast komen te staan dat verdachte met deze Turkse man en een andere Poolse man naar het huis van [slachtoffer] is gegaan, dat verdachte dit huis heeft aangewezen en vervolgens binnen in het huis is geweest. [slachtoffer] is geslagen door de Turkse man met de machete waarbij tevens vaststaat dat verdachte vervolgens is vertrokken. Verdachte ontkent iedere wetenschap omtrent de intentie tot het toepassen van het geweld en de aanwezigheid van de machete. Uit geen enkel bewijsmiddel blijkt dat verdachte op voorhand wetenschap heeft gehad van enige intentie van het toepassen van geweldshandelingen noch van de aanwezigheid van de machete. Evenmin blijkt uit enig bewijsmiddel dat verdachte zelf enige uitvoeringshandeling heeft verricht gericht op het toebrengen van letsel. Van een nauwe en bewuste samenwerking met de dader is dan ook niet gebleken. Verdachte kan derhalve niet als mededader worden aangemerkt en dient reeds hierom te worden vrijgesproken van het tenlastegelegde feit in alle varianten.

5 De benadeelde partij

De benadeelde partij [slachtoffer] vordert ten aanzien van het ten laste gelegde een schadevergoeding van € 16.182,-.

Nu de verdachte is vrijgesproken van het feit waaruit de schade zou zijn ontstaan, zal de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering. De vordering kan bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

6 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van hetgeen is ten laste gelegd;

Benadeelde partij

- verklaart de benadeelde partij [slachtoffer] niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat die vordering bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;

Voorlopige hechtenis

- heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte.

Dit vonnis is gewezen door mr. Schild, voorzitter, mr. Tempelaar en mr. Brouwer, rechters, in tegenwoordigheid van mr. De Jonge, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 10 mei 2016.

Mr. Brouwer is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.