Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2016:2700

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
22-04-2016
Datum publicatie
25-05-2016
Zaaknummer
AWB 15_7158
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

PW

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 15/7158 PW

uitspraak van 22 april 2016 van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam eiser] , te [woonplaats] , eiseres,

gemachtigde: mr. D.P.F. Arens,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Tilburg, verweerder.

Procesverloop

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 17 september 2015 (bestreden besluit) van het college inzake de intrekking en terugvordering van haar bijstandsuitkering.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden in Breda op 14 maart 2016. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Als tolk is verschenen [naam tolk] . Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam vertegenwoordiger] .

Overwegingen

1. Op grond van de stukken en de behandeling ter zitting gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Eiseres ontving sinds december 2001 een bijstandsuitkering naar de norm voor een alleenstaande. In het kader van het project ‘Vermogen in het buitenland’ is onderzoek gedaan naar het vermogen van eiseres in het buitenland. De bevindingen van dit onderzoek zijn neergelegd in een rapport uitkeringsfraude van 20 februari 2015.

Bij besluit van 27 februari 2015 (primair besluit I) heeft het college de bijstandsuitkering van eiseres ingetrokken per 25 september 2002. Volgens het college heeft eiseres vermogen in [naam land] en heeft zij dit niet doorgegeven aan het college. Hierdoor kan niet met zekerheid worden vastgesteld of eiseres de beschikking had over middelen om te voorzien in de noodzakelijke kosten van bestaan. Het college stelt vast dat eiseres sinds 25 september 2002 beschikt over onroerend goed in [naam land] . De huidige waarde van dit onroerend goed is hoger dan het restant vrij te laten vermogen, aldus het college. Daarnaast dient eiseres de te veel verstrekte bijstand terug te betalen. Over de hoogte van dit bedrag ontvangt zij nog nader bericht.

Bij besluit van 19 maart 2015 (primair besluit II) heeft het college een bedrag van € 170.988,69 van eiseres teruggevorderd.

Bij het bestreden besluit heeft het college de bezwaren van eiseres tegen de primaire besluiten ongegrond verklaard.

2. Het college stelt zich in het bestreden besluit, samengevat, op het volgende standpunt. Er stonden percelen op naam van eiseres en die worden daarom tot het vermogen gerekend waar zij redelijkerwijs over kon beschikken. Het college gaat uit van de in zijn opdracht uitgevoerde taxatie uit 2014 waaruit blijkt dat de gezamenlijke waarde van de percelen € 10.125,62 bedraagt. Eiseres heeft een verklaring overgelegd van 14 april 2015, waarin staat dat er geen onroerend goed op haar naam staat geregistreerd. Aan deze verklaring komt geen betekenis toe, omdat die dateert van na de periode in geding. Eiseres heeft haar inlichtingenplicht geschonden. Hierdoor is het college gehouden om het recht op bijstand in te trekken. Het college is ook gehouden om de ten onrechte verstrekte bijstand terug te vorderen. Er is geen sprake van dringende redenen om van terugvordering af te zien.

3. Eiseres voert in beroep, samengevat, het volgende aan. Zij heeft geen melding gedaan van het feit dat zij van haar vader onroerend goed heeft geërfd, omdat zij dacht dat dit niet relevant was. Daarnaast kon eiseres niet redelijkerwijs beschikken over het onroerend goed. Eiseres betwist verder de juistheid van de taxatie waar het college van uitgaat. Er is geen grond voor intrekking en terugvordering van haar bijstandsuitkering. Ten slotte is er sprake van dringende redenen om van terugvordering af te zien.

4. Artikel 17, eerste lid, van de Participatiewet bepaalt dat de belanghebbende aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling doet van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling of het recht op bijstand.

In artikel 34, eerste lid, aanhef en onder a, van de Participatiewet is bepaald dat onder vermogen wordt verstaan de waarde van de bezittingen waarover de alleenstaande of het gezin beschikt of redelijkerwijs kan beschikken, verminderd met de aanwezige schulden. De waarde van de bezittingen wordt vastgesteld op de waarde in het economische verkeer bij vrije oplevering.

De vermogensgrens voor een alleenstaande bedroeg in 2002 € 4.820,- en in 2015 € 5.895,-.

Op grond van artikel 54, derde lid, van de Participatiewet trekt het college een besluit tot toekenning van bijstand in, indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid, heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand.

Op grond van artikel 58, eerste lid, van de Participatiewet vordert het college van de gemeente die de bijstand heeft verleend, de kosten van bijstand terug voor zover de bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is ontvangen als gevolg van het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid.

Intrekking

5. De beoordelingsperiode loopt van 25 september 2002 (datum intrekking) tot en met 27 februari 2015 (datum van het intrekkingsbesluit).

6. Ter zitting heeft het college een toelichting gegeven op de grondslag van de intrekking van de bijstandsuitkering. Volgens het college heeft eiseres de inlichtingenplicht geschonden door geen melding te maken van het bezit van onroerend goed in [naam land] . Door dit bezit is het vermogen van eiseres in 2014 hoger dan het voor haar vrij te laten vermogen. Het is niet duidelijk wat de waarde van dit bezit is in de periode uit het verleden. Hierdoor kan het recht op bijstand over de periode in geding niet worden vastgesteld.

7. Een besluit tot intrekking van de bijstand is een voor betrokkene belastend besluit, waarbij het aan het bestuursorgaan is om de nodige kennis over de relevante feiten en omstandigheden te vergaren. Dat betekent dat de last om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking is voldaan in beginsel op het college rust.

Voor zover hierna wordt gesproken over ‘eigenaar’ of ‘bezit’, wordt daarmee in voorkomende gevallen ook ‘deeleigenaar’ en ‘deelbezit’ bedoeld.

De rechtbank stelt vast dat uit onderzoek is gebleken dat eiseres ten tijde van belang eigenaar was van diverse percelen in [naam land]. Het gaat daarbij om een lijst van 26 percelen (in het dossier genummerd van A1 tot en met A26). Eiseres heeft op 25 september 2002 twintig percelen en op 6 oktober 2003 zes percelen in haar bezit gekregen. Dit is niet tussen partijen in geding.

Tussen partijen is niet in geschil dat eiseres dit bezit (destijds) niet heeft gemeld aan het college. Eiseres heeft aangevoerd dat zij het niet relevant vond om te melden, omdat het slechts om een geringe waarde ging (minder dan € 1.000,-), zij verder niets met het onroerend goed van doen had en zij van mening was dat het eigendom van de grond was overgegaan op haar broer. Naar het oordeel van de rechtbank kunnen de beweegredenen van eiseres om het bezit niet te melden, niet afdoen aan het feit dat eiseres het bezit van het onroerend goed had moeten melden aan het college. Het is namelijk aan verweerder om te beoordelen of dit bezit van invloed is op het recht op bijstand. De rechtbank is dan ook van oordeel dat eiseres de inlichtingenplicht heeft geschonden.

8. Indien onroerende zaken in een officieel eigendomsregister op naam van een betrokkene staan geregistreerd, is volgens vaste rechtspraak de vooronderstelling gerechtvaardigd dat deze zaken een bestanddeel vormen van het vermogen waarover hij daadwerkelijk beschikt of redelijkerwijs kan beschikken. In een dergelijke situatie is het aan de betrokkene om aannemelijk te maken dat het tegendeel het geval is (zie onder meer de uitspraken van 30 november 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BO6528 en 11 januari 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BP0817).

Eiseres heeft in beroep aangevoerd dat zij niet daadwerkelijk of redelijkerwijs kon beschikken over het onroerend goed, omdat het feitelijk beheer van de percelen bij haar broer lag.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiseres echter niet met objectieve en verifieerbare gegevens aannemelijk gemaakt dat zij niet (redelijkerwijs) kon beschikken over het op haar naam staande onroerend goed in [naam land] . De enkele stelling van eiseres dat haar broer de percelen feitelijk beheerde en zij daar zelf geen bemoeienis mee had, is daartoe ontoereikend.

9. Eiseres heeft verder de juistheid van de door het college gehanteerde taxatie betwist. Zij heeft aangevoerd dat de door het college gehanteerde taxatie niet realistisch is, omdat er sprake is van deelbezit. Zij heeft daarbij gewezen op de verklaring van advocaat [naam advocaat] .

De rechtbank overweegt dat het college is uitgegaan van een onderzoeksrapport van [naam bedrijf] . Dit rapport is opgesteld door advocaat [naam advocaat] . Hij schrijft onder conclusie: “De onroerende goederen zijn alle deelbezit en de economische waarde is vrij laag. Voorts is het aantal deeleigenaren van de onroerende goederen zeer groot en is het percentage ervan dat bezit is van [eiseres] zeer klein. Ik vermoed dat omdat deze onroerende goederen deelbezit zijn, er bij executoriale verkoop niet veel belangstelling zal zijn.”

Ten eerste gaat deze passage over executoriale verkoop, terwijl bij de taxatie juist de waarde bij vrije verkoop van belang is. Ten tweede is bij de waardebepaling rekening gehouden met de omstandigheid dat er sprake is van deelbezit. Ten derde heeft eiseres geen eigen taxatie ingebracht, zodat niet valt in te zien dat geen waarde kan worden gehecht aan de taxatie die door het college wordt gehanteerd. Het beroep van eiseres kan op dit punt dan ook niet slagen.

Eiseres heeft verder aangevoerd dat de taxatie uit 2014 niet gebruikt kan worden om de waarde uit 2002 en 2003 te bepalen. Ten aanzien van dit punt overweegt de rechtbank dat eiseres de op haar rustende inlichtingenplicht heeft geschonden. Het is daarom aan eiseres om aannemelijk te maken dat, in het geval wel aan de inlichtingenplicht zou zijn voldaan, over de periode in geding recht op bijstand bestond. Het is daarom aan eiseres om objectieve en verifieerbare informatie te verstrekken aan de hand waarvan de (ontwikkeling van de) waarde van het onroerend goed had kunnen worden bepaald en vervolgens het recht op (aanvullende) bijstand had kunnen worden vastgesteld. Eiseres heeft dergelijke gegevens niet aangedragen.

Voor zover eiseres heeft verwezen naar de WOZ-waarde (€ 836,-), overweegt de rechtbank als volgt. De vaststelling van de WOZ-waarde vindt plaats naar opgave van de eigenaar, die als belastingplichtige baat heeft bij vaststelling van een lage waarde. Het verschil tussen deze waarde en de verkoopwaarde is daarom verklaarbaar en doet niet twijfelen aan het taxatierapport van [naam bedrijf] .

Ten slotte heeft eiseres in beroep nog gronden aangevoerd die zien op het nabestaandenpensioen en de opbrengsten uit het onroerend goed. Naar het oordeel van de rechtbank worden deze zaken niet door het college aan eiseres tegengeworpen, zodat de rechtbank hieraan voorbij gaat.

10. Nu eiseres gedurende de gehele periode in geding beschikte of redelijkerwijs kon beschikken over vermogen boven de voor haar geldende grens van het vrij te laten vermogen, is de rechtbank van oordeel dat eiseres in die periode geen recht op bijstand had. Het college was dan ook verplicht om, over de periode in geding, tot intrekking van het recht op bijstand over te gaan.

Terugvordering

11. De rechtbank is van oordeel dat het college verplicht was om met toepassing van artikel 58, eerste lid, van de Participatiewet de over de periode in geding gemaakte kosten van bijstand van eiseres terug te vorderen, tenzij sprake is van dringende redenen.

12. Eiseres heeft aangevoerd dat er sprake is van dringende redenen. Eiseres heeft daarbij gewezen op de omstandigheid dat zij al ruim dertien jaar op bijstandsniveau leeft en daarom geen reserves op heeft kunnen bouwen om het terugvorderingsbedrag te kunnen voldoen. Daarnaast zal eiseres - gelet op haar persoonlijke omstandigheden – ook nimmer in staat zijn om nog een inkomen te genereren. Eiseres heeft er ten slotte op gewezen dat zij betalingsachterstanden heeft.

13. De rechtbank is van oordeel dat hetgeen eiseres heeft aangevoerd, geen dringende reden oplevert op grond waarvan het college af had moeten zien van terugvordering van de ten onrechte verstrekte bijstandsuitkering. De rechtbank wijst er in dit verband nog op dat bij de invordering of verrekening de aflossingsbedragen in die zin moeten worden vastgesteld dat eiseres blijft beschikken over de beslagvrije voet, bedoeld in artikel 475d van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, welke als regel voldoende bescherming biedt om in het levensonderhoud te kunnen blijven voorzien.

14. Het beroep zal ongegrond worden verklaard.

15. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. D. van Kralingen, rechter, in aanwezigheid van E.C. Petrusma, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 april 2016.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.