Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2016:2652

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
26-04-2016
Datum publicatie
30-06-2016
Zaaknummer
AWB - 14 _ 6818
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Belanghebbende is een in het Verenigd Koninkrijk gevestigde “open-end” authorised unit trust. Zijn ondernemingsactiviteiten bestaan uit het beleggen van het trustvermogen. De participanten kunnen deelnemen door het kopen van units. Belanghebbende wil teruggaaf dividendbelasting omdat hij vergelijkbaar is met een Nederlands beleggingsfonds met de status van een fiscale beleggingsinstelling. De rechtbank acht niet aannemelijk gemaakt dat de units verhandelbaar zijn in de zin van artikel 2, tweede lid, van de Wet Vpb zodat belanghebbende niet vergelijkbaar is met een in Nederland gevestigd fonds voor gemene rekening en dus ook niet met een fiscale beleggingsinstelling. Belanghebbende heeft evenmin aannemelijk gemaakt dat hij vergelijkbaar is met een ander in Nederland gevestigd belastingsubject dat, naar intern recht, recht zou hebben op teruggaaf van dividendbelasting. Belanghebbende heeft geen recht op teruggaaf.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2016/1507
FutD 2016-1633
FutD 2016-1634
NTFR 2016/1985 met annotatie van
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Belastingrecht, meervoudige kamer

Locatie: Breda

Zaaknummers: BRE 14/6818, 14/6819 en 14/7391 tot en met 14/7394

Uitspraak van 26 april 2016

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[belanghebbende] , gevestigd te [plaats X] (Verenigd Koninkrijk)

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

de inspecteur.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Belanghebbende heeft bij brief van 7 juni 2009, door de inspecteur ontvangen op 9 juli 2009, in daarbij gevoegde aangiften vennootschapsbelasting, voor de navolgende boekjaren de volgende verzoeken om teruggaaf van dividendbelasting ingediend:

boekjaar 2005/2006 tot een bedrag van € 684.526 (zaaknummer 14/6818);

boekjaar 2006/2007 tot een bedrag van € 908.729 (zaaknummer 14/7391);

boekjaar 2007/2008 tot een bedrag van € 980.710 (zaaknummer 14/7392).

Verder heeft hij bij niet gedateerde brief, door de inspecteur ontvangen op 31 december 2013, de volgende verzoeken om teruggaaf van dividendbelasting ingediend:

kalenderjaar 2010 tot een bedrag van € 347.695 (zaaknummer 14/6819);

kalenderjaar 2011 tot een bedrag van € 440.449 (zaaknummer 14/7393);

kalenderjaar 2012 tot een bedrag van € 455.004 (zaaknummer 14/7394).

1.2.

De inspecteur heeft de verzoeken over de boekjaren 2005/2006 tot en met 2007/2008 bij beschikkingen van 31 maart 2014 afgewezen en de daartegen gerichte bezwaren van belanghebbende bij in één geschrift vervatte uitspraken van 3 oktober 2014 niet-ontvankelijk verklaard.

1.3.

De inspecteur heeft de verzoeken over de jaren 2010 tot en met 2012 bij beschikkingen van 12 mei 2014 afgewezen en de bezwaren daartegen bij in één geschrift vervatte uitspraken van eveneens 3 oktober 2014 ongegrond verklaard.

1.4.

Belanghebbende heeft daartegen bij brief van 11 november 2014, ontvangen bij de rechtbank op 13 november 2014, beroep ingesteld. Ter zake van deze beroepen heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 328. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.5.

Met toestemming van partijen heeft de rechtbank bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft. De rechtbank heeft het onderzoek bij brief van 20 april 2016 gesloten en een schriftelijke uitspraak aangekondigd.

2 Feiten

Op grond van de stukken van het geding staat het volgende vast:

2.1.

Belanghebbende is een in het Verenigd Koninkrijk gevestigde “open-end” authorised unit trust (AUT). Zijn ondernemingsactiviteiten bestaan uit het beleggen van het trustvermogen. Op grond van de Europese Richtlijn 85/611/EEG en de Britse Financial Services Act 1986 en Financial Services and Markets Act 2000 kwalificeert hij als een instelling voor collectieve belegging in effecten (UCITS/icbe). [A Limited] is zijn beheerder (‘Manager’). Zijn boekjaren liepen aanvankelijk van 1 augustus tot en met 31 juli.

2.2.

De participanten in belanghebbende kunnen deelnemen in zijn bezittingen door het kopen van units. De units zijn verkrijgbaar als ‘Distribution units’ (waarop dividend wordt uitgekeerd) en ‘Accumulation units’ (waarvan de unitprijs wordt verhoogd met het dividend). Jaarlijks wordt het dividend op 30 september uitgekeerd (distribution units) of bijgeboekt op de unitprijs (accumulation units).

2.3.

In een brief van 14 maart 2013 van belanghebbende aan de inspecteur staat onder meer:

“We can inform you as follows on the characteristics of [belanghebbende]:

- It does not have legal personality according to the law of England.

- It is represent by a management company.

- Any participants participate by buying/holding units/participations which represent a certain value relating to the investment of the trust.

In our view, this trust is similar to a Dutch mutual fund (“fonds voor gemene rekening”), since:

- The trust is based on a contract (strictly, a trust deed),

- A management company manages the investments according to the investment policy,

- The depositary function is separated (conducted by a depositary bank/trustee),

- The investments are held for the account of the participants,

- It has the same objective as a Dutch mutual fund.

(…)

Units/participations in this trust can be transferred to a third party (not being the trust itself) without the need for approval from any co-investors in the trust. In this respect we refer to clause 7 (B) of the trust deed (enclosure 1).”

2.4.

In clausule 7 (B) van de op 10 mei 1989 tussen de beheerder van belanghebbende en [B Limited] (“the trustee”) gesloten trustakte is bepaald:

“Notwithstanding any provisions to the contrary in this Deed or the Regulations, following the Managers and the Trustee becoming bound to cease to issue Certificates in accordance with the provisions of Clause 7 (A) above, the Trustee shall not be entitled to refuse to accept a transfer of Units by a Holder by reason of the fact that a Certificate or Certificates relating to such Units does not accompany an instrument of transfer in respect thereof left with the Trustee for registration PROVIDED THAT the provisions of this Clause 7(B) shall be without prejudice to any other provision or requirement of this Deed or the Regulations relating to the transfer of Units by Holders.”

2.5.

In de Prospectus van belanghebbende van 31 maart 2008 staat onder meer het volgende vermeld:

4. THE REGISTRAR

The Manager has delegated to [C Limited] responsibility to maintain the registers and plan sub-registers. (…)

17 ISSUE AND REDEMPTION OF UNITS IN A SCHEME

(…)

(b) Redemption of Units

Holders may sell units by application in writing to [C Limited], or by telephone as set out in (a) above. Such sale will be subject to the policy on pricing set out in section 12. “Valuation of Property”. A contract note and form for the renunciation of the units will be sent normally no later than the business day next following the day in which falls the valuation point on which the relevant unit price is based. The proceeds will normally be sent by BACS no later than the fourth business day following receipt by the Manager of the appropriate documents which will usually be the duly completed renunciation form.

(…)

Where a redemption of units of not less than 5% (1% for the [D Trust]) of the scheme property takes place either the unitholder or the Manager may by notice request that scheme property is transferred in discharge of the transaction rather than a cash payment.

(..)

The Manager may, with the prior agreement of the Trustee, and must if the Trustee so requires, without notice to the holders, suspend the issue and redemption of units for a period not exceeding 28 days if the Manager (or the Trustee in the case of any requirement by it) are of the opinion that there is good and sufficient reason to do so having regard to the interest of holders. (…)

(e) Deferred Redemption

In times of high redemption, to protect the interests of continuing unitholders, the Manager may defer all redemptions at any valuation point to the next valuation point where requested redemptions exceed 10% of the scheme’s value. This will allow the Manager to match the sale of scheme property to the level of redemption, thereby reducing the impact of dilution on the scheme. At the next such valuation point all deals relating to an earlier valuation point will be completed before those relating to a later valuation point are considered. (…)”

2.6.

Belanghebbende heeft in één brief, gedagtekend 4 juni 2014, bezwaar tegen de afwijzing van de verzoeken om teruggaaf van dividendbelasting over de boekjaren 2005/2006 tot en met 2007/2008 (hierna ook: de brief). Belanghebbende heeft de brief laten versturen door het postbezorgingsbedrijf Royal Mail. Op de website van Royal Mail stond onder Track and Trace, waarvan een afdruk tot het procesdossier behoort, het volgende vermeld:

Nadat de brief op 10, 12 en 13 mei 2014 is aangeboden bij de belastingdienst, maar niet bezorgd, is de brief retour gezonden. De brief is vervolgens op 19 mei 2014 door belanghebbende afgehaald. Op 4 juni 2014 is de brief opnieuw naar de belastingdienst verzonden. De brief kwam op 10 juni 2014 bij de belastingdienst binnen. De inspecteur heeft de bezwaren niet-ontvankelijk verklaard wegens termijnoverschrijding.

3 Geschil

3.1.

In geschil is het antwoord op de volgende vragen:

(1) Heeft de inspecteur de bezwaren tegen de afwijzing van de verzoeken om teruggaaf van dividendbelasting over de boekjaren 2005/2006 tot en met 2007/2008 terecht niet-ontvankelijk verklaard?

(2) Heeft de inspecteur de verzoeken om teruggaaf van dividendbelasting terecht afgewezen?

Belanghebbende beantwoordt deze vragen ontkennend en de inspecteur bevestigend.

3.2.

Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken.

3.3.

Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van de beroepen, vernietiging van de uitspraken op bezwaar en vaststelling van teruggaaf van dividendbelasting over de boekjaren 2005/2006 tot en met 2007/2008 en over de jaren 2010 tot en met 2012 conform de verzoeken.

3.4.

De inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van de beroepen.

4 Beoordeling van het geschil

Ontvankelijkheid van de bezwaren over de boekjaren 2005/2006 tot en met 2007/2008

4.1.

Vast staat dat de brief buiten de bezwaartermijn bij de belastingdienst is binnengekomen.

4.2.

Op grond van artikel 6:11 van de Awb blijft niet-ontvankelijkverklaring van een na afloop van de termijn ingediend bezwaarschrift op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest. Belanghebbende stelt dat de termijnoverschrijding verschoonbaar is, nu de in 4.1 bedoelde brief volgens Track and Trace van Royal Mail op 6 mei 2014 is bezorgd. Hij heeft de brief na retourzending nogmaals, maar nu met een ander postbezorgingsbedrijf, aan de belastingdienst verstuurd.

4.3.

De rechtbank stelt voorop dat de gevolgen van de keuze voor een bepaald postbezorgingsbedrijf in beginsel voor rekening en risico van belanghebbende komen. In het onderhavige geval ziet de rechtbank echter reden voor een uitzondering op deze regel. Op de in 2.6 bedoelde afdruk is immers te lezen dat de brief op 6 mei 2015 “DELIVERED” was. Belanghebbende kon er dan redelijkerwijs vanuit gaan dat de brief op die datum was bezorgd. Dat hij verder geen actie ondernam tot het moment waarop hij de brief terugontving, kan hem dan niet worden aangerekend.

4.4.

Belanghebbende heeft het bezwaarschrift alsnog ingediend binnen 16 dagen na de terugontvangst van de brief. De rechtbank acht aannemelijk dat belanghebbende enige tijd nodig heeft gehad om te onderzoeken wat er nu feitelijk met de brief was gebeurd en is van oordeel dat hij het bezwaarschrift alsnog zo spoedig als onder deze omstandigheden kon worden verlangd heeft ingediend. De rechtbank acht de overschrijding van de bezwaartermijn dan ook verschoonbaar als bedoeld in artikel 6:11 van de Awb. De in 4.1 bedoelde bezwaren zijn dan ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard. De beroepen hiertegen zijn gegrond.

4.5.

De inspecteur heeft belanghebbende meerdere malen op de hoogte gesteld dat en waarom hij van mening is dat de in 4.1 bedoelde verzoeken moeten worden afgewezen. In het verweerschrift vermeldt de inspecteur dat het zijns inziens de voorkeur heeft dat – in het geval de rechtbank de bezwaren ontvankelijk acht – de rechtbank zelf in de zaak voorziet, aangezien een terugwijzing tot een herhaling van zetten zal leiden omdat naar de opvatting van de inspecteur de verzoeken terecht zijn afgewezen en belanghebbende heeft zich daar niet tegen verzet. In het licht hiervan zal een terugwijzing niet tot een eventueel gunstigere beslissing voor belanghebbende leiden zodat hij niet wordt benadeeld indien de rechter zelf in de zaak voorziet. Gelet hierop, en mede in aanmerking nemende dat deze zaken inhoudelijk op dezelfde kwestie betrekking hebben als de andere zaken, zal de rechtbank zelf in deze zaken voorzien.

De verzoeken om teruggaaf van dividendbelasting

4.6.

Tussen partijen is niet in geschil dat noch de Nederlandse wet noch het bilaterale belastingverdrag tussen Nederland en het Verenigd Koninkrijk (intern recht) aan belanghebbende een recht toekent op teruggaaf van dividendbelasting. Belanghebbende beroept zich op het recht van de Europese Unie.

Tegen deze achtergrond dient dan eerst de vraag te worden beantwoord of belanghebbende vergelijkbaar is met een in Nederland gevestigd belastingsubject dat in overigens dezelfde situatie naar intern recht wel recht zou hebben op teruggaaf van dividendbelasting.

4.6.1.

Belanghebbende heeft aangevoerd dat hij vergelijkbaar is met een Nederlands beleggingsfonds met de status van een fiscale beleggingsinstelling. Tussen partijen is niet in geschil dat een Nederlandse fiscale beleggingsinstelling recht zou hebben op de onderhavige verzochte teruggaven.

4.6.2.

Als fiscale beleggingsinstelling in de zin van artikel 28 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (hierna: Wet Vpb) kunnen – indien aan bepaalde voorwaarden wordt voldaan – worden aangemerkt naamloze vennootschappen, besloten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid en fondsen voor gemene rekening (dan wel naar bepaald buitenlands recht opgerichte of aangegane lichamen die naar aard en inrichting vergelijkbaar zijn met deze lichamen).

4.6.3.

Belanghebbende – op wie de stelplicht en bewijslast rust – heeft in het beroepschrift niet aangevoerd met welke van de hiervoor genoemde lichamen hij zich vergelijkbaar acht. Uit de gedingstukken valt op te maken dat hij zich vóór de beroepsfase op het standpunt heeft gesteld dat hij vergelijkbaar is met een fonds voor gemene rekening. De rechtbank gaat – in navolging van de inspecteur – ervan uit dat hij zich ook in beroep op dat standpunt stelt.

4.7.

In artikel 2, eerste lid, onderdeel f (tekst sinds 2008, voorheen onderdeel e) van de Wet Vpb zijn fondsen voor gemene rekening subjectief belastingplichtig voor de Vpb. Een fonds voor gemene rekening wordt in artikel 2, tweede lid, van de Wet Vpb als volgt gedefinieerd:

“Onder een fonds voor gemene rekening wordt verstaan een fonds ter verkrijging van voordelen voor de deelgerechtigden door het voor gemene rekening beleggen of anderszins aanwenden van gelden, mits van de deelgerechtigdheid in het fonds blijkt uit verhandelbare bewijzen van deelgerechtigdheid. Een fonds voor gemene rekening wordt als onderneming aangemerkt. De bewijzen van deelgerechtigdheid worden als verhandelbaar aangemerkt indien voor vervreemding niet de toestemming van alle deelgerechtigden is vereist, met dien verstande dat ingeval vervreemding uitsluitend kan plaatsvinden aan het fonds voor gemene rekening of aan bloed- en aanverwanten in de rechte linie de bewijzen niet als verhandelbaar worden aangemerkt.”

4.8.

Niet in geschil is dat participanten hun units kunnen (terug)verkopen aan belanghebbende. Nu van een fonds voor gemene rekening alleen sprake kan zijn bij verhandelbare bewijzen van deelgerechtigdheid, zal de rechtbank beoordelen of daarvan in het geval van belanghebbende sprake is.

4.8.1.

Belanghebbende is opgericht krachtens de Financial Services Act 1986, welke in 2001 is vervangen door de Financial Services and Markets Act 2000. Nadere regelgeving is opgenomen in het FSA/FCA Handbook. Een belangrijk onderdeel daarvan is het COLL Sourcebook waarin bepalingen zijn opgenomen waaraan het prospectus en de fondsvoorwaarden moeten voldoen. In het COLL Sourcebook is onder meer het volgende bepaald:

“6.4.6. R Transfer of units by act of parties: AUTs and ACSs

(1) Every unitholder of an AUT is entitled to transfer units held on the register by an instrument of transfer in any form that the person responsible for the register may approve, but that person is under no duty to accept a transfer unless:

(a) it is permitted by the trust deed or prospectus; and (…)”

Section 6.4.7 R Certificates (including bearer certificates)

(…)

(3) Bearer certificates may only be issued if they are permitted by the instrument constituting the scheme”.

4.8.2.

Tussen partijen is blijkbaar niet in geschil dat voor de units geen certificaten aan toonder (bearer certificates) zijn uitgegeven of uitgegeven konden worden. De rechtbank gaat er dan ook van uit dat uitsluitend sprake is van certificaten op naam.

4.8.3.

Belanghebbende heeft wel gesteld maar niet aannemelijk gemaakt dat de trustakte of de prospectus de mogelijkheid bood aan participanten om hun units vrij te verhandelen, noch dat anderszins “the person responsible for the register” toestond dat de units vrij werden verhandeld. Belanghebbende stelt kennelijk (zie 2.3) dat uit de in 2.4 aangehaalde clausule 7 (B) van de trustakte blijkt dat de units verhandelbaar zijn. De rechtbank volgt belanghebbende niet in deze stelling. In clausule 7 (B) wordt enkel vermeld dat in één bepaalde situatie, namelijk in het geval dat de beheerder en de bewaarder op grond van artikel 7 (A) van de trustakte gebonden zijn de uitgifte van certificaten te staken, de bewaarder een aanbod van certificaten door een unithouder niet kan weigeren wegens het feit dat de bijbehorende akte van levering ontbreekt. De clausule vermeldt niets over verhandelbaarheid van de certificaten in het algemeen.

4.8.4.

In onderdeel 17 van de prospectus (zie 2.5) staat dat de unithouder zijn units dient aan te bieden aan [C Limited] (onderdeel van belanghebbende zelf) en dat deze afdeling in geval het daartoe noodzaak ziet, het aanbod kan weigeren. Dat wijst naar het oordeel van de rechtbank eerder op een beperking van de verhandelbaarheid tot verkopen aan belanghebbende zelf, dan op vrije verhandelbaarheid.

4.9.

Op basis van al hetgeen is overwogen in 4.8 tot en met 4.8.4, komt de rechtbank tot het oordeel dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat de units verhandelbaar zijn in de zin van artikel 2, tweede lid, van de Wet Vpb. Belanghebbende is dan naar het oordeel van de rechtbank niet vergelijkbaar met een in Nederland gevestigd fonds voor gemene rekening in de zin van artikel 2 van de Wet Vpb. Gelet hierop en hetgeen in 4.6 tot en met 4.6.3 is overwogen heeft belanghebbende dus evenmin aannemelijk gemaakt dat hij vergelijkbaar is met een in Nederland gevestigd belastingsubject dat, naar intern recht, recht zou hebben op teruggaaf van dividendbelasting. Reeds daarom faalt zijn beroep op schending van het unierecht. De overige stellingen van partijen behoeven dan geen behandeling meer. Aan de vraag of het beroep (ook) afstuit op hetgeen in het arrest van de Hoge Raad van 10 juli 2015, ECLI:NL:HR:2015:1777, BNB 2015/203 is overwogen, wordt niet toegekomen. De verzoeken om teruggaaf dividendbelasting voor de jaren 2005/2006 tot en met 2007/2008 worden afgewezen; de verzoeken voor 2010 tot en met 2012 zijn naar het oordeel van de rechtbank terecht afgewezen.

4.10.

Nu de verzoeken om teruggaaf dividendbelasting ten aanzien van de boekjaren 2005/2006 tot en met 2007/2008 moeten worden afgewezen en de uitspraken op bezwaar uitsluitend worden vernietigd omdat de bezwaren ten onrechte niet-ontvankelijk zijn verklaard, ziet de rechtbank aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb te bepalen dat de rechtsgevolgen van de vernietigde besluiten in stand worden gelaten.

4.11.

Gelet op het vorenstaande dienen de beroepen tegen de niet-ontvankelijkheid van de bezwaren tegen de afwijzing op de verzoeken om teruggaaf van dividendbelasting ten aanzien van de boekjaren 2005/2006 tot en met 2007/2008 gegrond te worden verklaard en dienen de beroepen tegen de uitspraken op bezwaar tegen de afwijzing op de overige verzoeken ongegrond te worden verklaard.

5 Proceskosten

5.1.

Nu de beroepen betreffende de boekjaren 2005/2006 tot en met 2007/2008 gegrond zijn, vindt de rechtbank aanleiding de inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van die beroepen redelijkerwijs heeft moeten maken.

5.2.

Bij het vaststellen van deze kosten op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Besluit) is de rechtbank van oordeel dat, op grond van artikel 3, eerste lid van het Besluit (tekst 2016), de zaken met zaaknummers 14/6818, 14/7391 en 14/7392, in welke zaken het beroep gegrond wordt verklaard, samenhangen. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat de beroepen in één geschrift zijn aangebracht en de gronden gelijkluidend zijn.

5.3.

De rechtbank stelt op de voet van het Besluit de voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 248 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 496, maal 1 wegens het aantal samenhangende zaken en een wegingsfactor 0,5).

6 Beslissing

De rechtbank:

- verklaart de beroepen betreffende de afwijzing van de verzoeken om teruggaaf van dividendbelasting over de boekjaren 2005/2006 tot en met 2007/2008 (zaaknummers 14/6818, 14/7391 en 14/7392) gegrond;

- vernietigt ten aanzien van die beroepen de uitspraken op bezwaar;

- bepaalt ten aanzien van die beroepen dat de rechtsgevolgen van de vernietigde uitspraken op bezwaar in stand blijven;

- verklaart de overige beroepen ongegrond;

- veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 248;

- draagt de inspecteur op het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 328 aan hem te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan op 26 april 2016 door mr. A.F.M.Q. Beukers-van Dooren, voorzitter, mr. W.A.P. van Roij, en mr. M.R.T. Pauwels, rechters, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van mr. W.A. de Paepe, griffier.

De griffier, De voorzitter,

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Aan deze uitspraak hoeft eerst uitvoering te worden gegeven als de uitspraak onherroepelijk is geworden. De uitspraak is onherroepelijk als niet binnen zes weken na verzending van de uitspraak een rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtsmiddel is beslist (artikel 27h, derde lid en artikel 28, zevende lid AWR).

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.