Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2016:2533

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
22-04-2016
Datum publicatie
28-04-2016
Zaaknummer
AWB 15_1134 & AWB 15_3217 & AWB 15_2495 & AWB 15_2496
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verlening van subsidie aan TeamAlert voor 2014 en 2015 voor (onder meer) het opzetten van een platform met rijscholenkiezer. Verschoonbaarheid van de termijnoverschrijding. De gesubsidieerde website concurreert met de websites van eisers. Dat TeamAlert geen geld verdient met het exploiteren van haar website, maakt niet dat het niet als een economische activiteit aangemerkt moet worden. De minister heeft eisers terecht aangemerkt als belanghebbenden bij de subsidiebesluiten. Een platform, waarop rijscholen met elkaar worden vergeleken bevat een voorlichtingsaspect maar kan niet gezien worden als een voorlichtingscampagne als bedoeld in artikel 2 van de Subsidieregeling TeamAlert 2012. De bestreden besluiten zijn in strijd met artikel 4:23, eerste lid, van de Awb. Vanwege de concurrentie die eisers van TeamAlert ondervinden is sprake van relativiteit.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
UDH:TvS/13953 met annotatie van mr. M. Aalbers en mr. L.E.A. Thomsin (Europees)mr. dr. A.D.L. Knook en mr. G.A. Dictus (Nederland)
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht

zaaknummers: BRE 15/1134, BRE 15/3217, BRE 15/2495 en BRE 15/2496

uitspraak van 22 april 2016 van de meervoudige kamer in de zaken tussen

[eiseres1] , te [vestigingsplaats eiseres1] , eiseres in BRE 15/1134 en BRE 15/3217,

gemachtigde: mr. drs. L.H.M. Eijpe;

[eiseres2] , te [vestigingsplaats eiseres2] , eiser in BRE 15/2495 en BRE 15/2496,

gemachtigde: mr. A.T. Meijer

en

de minister van Infrastructuur en Milieu, verweerder.

Als derde partij heeft aan het geding deelgenomen

[belanghebbende] , te [vestigingsplaats belanghebbende] ,

gemachtigde: [vertegenwoordiger belanghebbende] .

Procesverloop

[eiseres1] heeft bij de rechtbank Oost-Brabant beroep ingesteld tegen het besluit van de minister van 30 januari 2015 (bestreden besluit I) inzake de ongegrondverklaring van de bezwaren tegen de verlening van subsidie aan [belanghebbende] voor 2014 voor (onder meer) het opzetten van een platform met rijscholenkiezer.

De rechtbank Oost-Brabant heeft dit beroep doorgezonden naar de rechtbank Zeeland-West-Brabant omdat deze rechtbank bevoegd is.

[eiseres2] heeft bij de rechtbank Oost-Brabant beroep ingesteld tegen het besluit van de minister van 21 januari 2015 (bestreden besluit II) inzake de ongegrondverklaring van de bezwaren tegen de verlening van subsidie aan [belanghebbende] voor (onder meer) het opzetten van een platform met rijscholenkiezer.

De rechtbank Oost-Brabant heeft dit beroep doorgezonden naar de rechtbank Zeeland-West-Brabant omdat hier reeds het beroep van [eiseres1] aanhangig was.

Voorts hebben eisers, met toestemming van de minister en de rechtbank, rechtstreeks beroep ingesteld tegen het besluit van de minister van 10 december 2014 (bestreden besluit III) inzake verlening van subsidie aan [belanghebbende] voor 2015 voor (onder meer) het verder ontwikkelen van de rijscholenkiezer.

De minister heeft de op deze zaken betrekking hebbende stukken ingezonden en met verwijzing naar artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) medegedeeld dat alleen de rechtbank kennis mag nemen van een deel van de die stukken.

Bij beslissing van 21 september 2016 heeft de rechtbank geoordeeld dat die beperking van de kennisneming gerechtvaardigd is. Eisers hebben de rechtbank toestemming gegeven om kennis te nemen van die stukken.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden in Breda op 14 maart 2016. [eiseres1] heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. drs. L.H.M. Eijpe, [vertegenwoordiger eiseres1] en [vertegenwoordiger eiseres1] . [eiseres2] is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. A.T. Meijer en [vertegenwoordiger eiseres2] . De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. drs. J.P.J. Geurts, mr. J.P.J. Smit, mr. H.S. Langendijk, [vertegenwoordiger verweerder] en [vertegenwoordiger verweerder] . [belanghebbende] is gehoord bij monde van [vertegenwoordiger belanghebbende] , [vertegenwoordiger belanghebbende] en [vertegenwoordiger belanghebbende] .

Overwegingen

1. Op grond van de stukken en de behandeling ter zitting gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Op 25 oktober 2013 heeft [belanghebbende] door middel van het aanbieden van het Activiteitenplan 2014 (onder meer) verzocht om subsidie voor het opzetten van het project “Platform met Rijscholenkiezer”. Het betreft een online platform met als doel jongeren (tot 24 jaar) te helpen bij het kiezen van een kwalitatief goede rijopleiding. Blijkens de overgelegde begroting is de gevraagde subsidie bestemd voor de arbeidsuren van het management, de projectleider, de projectmedewerker, voor het ontwikkelen van het platform en het review/ waarderingssysteem met een externe webbouwer en voor de communicatiecampagne.

Bij het primaire besluit van 18 december 2013 heeft de minister de gevraagde subsidie voor (onder meer) het opzetten van het platform verleend.

Tegen dit besluit heeft [eiseres1] op 24 september 2014 bezwaar gemaakt. [eiseres2] heeft op 9 oktober 2014 bezwaar gemaakt.

Bij bestreden besluit I en II heeft de minister de bezwaren van eisers ongegrond verklaard.

Op 27 oktober 2014 heeft [belanghebbende] door middel van het aanbieden van het Activiteitenplan 2015 (onder meer) subsidie aangevraagd voor het voor het verder ontwikkelen van de rijscholenkiezer.

Bij bestreden besluit III d.d. 10 december 2014 heeft de minister de gevraagde subsidie verleend.

Hiertegen heeft Seerden op 21 januari 2015 bezwaar gemaakt. [eiseres1] heeft op 28 januari 2015 bezwaar gemaakt. Deze bezwaarschriften zijn met toepassing van artikel 7:1a van de Awb doorgezonden naar de rechtbank.

2.1

De subsidiebeschikkingen zijn genomen op aanvraag en treden ingevolge artikel 3:41 van de Awb in werking door toezending aan de aanvrager. Seerden is op 7 oktober 2014 op de hoogte geraakt van het platform met rijscholenkiezer door de lancering van de website en heeft op 9 oktober 2014 een bezwaarschrift ingediend tegen het primaire besluit. [eiseres1] was al iets eerder op de hoogte geraakt van het ontstaan en het bestaan van het nieuwe initiatief van [belanghebbende] en heeft op haar verzoek het primaire besluit op 19 september toegezonden gekregen. Vervolgens heeft [eiseres1] op 24 september 2014 haar bezwaarschrift ingediend. Ter zitting hebben eisers verklaard dat [belanghebbende] in 2013 contact met hen heeft gezocht over de opzet van het platform. Volgens [eiseres1] is daarbij besproken of die opzet door haar uitgevoerd zou kunnen worden en is niet gesproken over subsidie aan [belanghebbende] voor dat doel. [eiseres2] heeft in dit verband aangegeven dat hij wel wist dat door de minister geld was vrijgemaakt voor voorlichting over rijscholen, maar dat hij pas na de lancering van de website zag dat het platform een concurrerend initiatief was. De rechtbank acht op grond van deze informatie aannemelijk dat eisers niet op een eerder tijdstip wisten of hadden kunnen weten dat [belanghebbende] gesubsidieerd werd voor het opzetten van het “Platform met Rijscholenkiezer”. Aangezien eisers binnen 14 dagen nadat zij van de subsidiering op de hoogte waren geraakt hun bezwaarschriften hebben ingediend, acht de rechtbank de overschrijding van de bezwaartermijn verschoonbaar.

2.2

Bestreden besluit III is op 10 december 2014 verzonden naar [belanghebbende] . De bezwaartermijn eindigde daarmee op 21 januari 2015. Seerden heeft op 21 januari 2015, en dus tijdig, bezwaar gemaakt.

2.3

[eiseres1] heeft per e-mail op 28 januari 2015 bezwaar gemaakt tegen bestreden besluit III. De rechtbank acht deze termijnoverschrijding niet verschoonbaar, omdat [eiseres1] inmiddels wist dat [belanghebbende] gesubsidieerd werd voor het opzetten van een platform met rijscholenkiezer en daarom bedacht had moeten zijn op een vervolgaanvraag voor dit doel. Na de verlening van de subsidie voor het Activiteitenplan 2014 in december 2013 had het op de weg van [eiseres1] gelegen om in december 2014 bij de minister te informeren naar de verlening van subsidie voor het Activiteitenplan 2015. [eiseres2] heeft op deze wijze telefonisch te horen gekregen dat bestreden besluit III op 10 december 2014 is verzonden naar [belanghebbende] en heeft tijdig bezwaar gemaakt. [eiseres1] heeft geen reden aangevoerd waarom zij niet op een vergelijkbare wijze op de hoogte had kunnen geraken van de toezending van bestreden besluit III aan [belanghebbende] . De rechtbank zal daarom het beroep van [eiseres1] tegen bestreden besluit III niet-ontvankelijk verklaren.

3. [eiseres1] exploiteert de website klantenvertellen.nl, met reviews over 32 branches, waaronder de rijschoolbranche. [eiseres2] exploiteert de website RijschoolRegister.nl, waarop Nederlandse rijscholen worden vergeleken en potentiële rijschoolleerlingen wegwijs worden gemaakt in het aanbod van rijscholen. De minister heeft aangenomen dat eisers belanghebbenden zijn bij het subsidiebesluit op grond van de overweging dat alle drie de organisaties met een website informatie verstrekken over rijscholen. De rechtbank kan hier in meegaan en voegt daar aan toe dat er weliswaar inhoudelijke verschillen zijn tussen de drie websites, maar dat zij in essentie hetzelfde aanbieden: een vergelijking van Nederlandse rijscholen op basis van kwaliteit. De websites van eisers doen dit op commerciële basis. Hieruit volgt dat sprake is van een economische activiteit: het aanbieden van diensten op een bepaalde markt. Naar het oordeel van de rechtbank ontplooien zowel [belanghebbende] als eisers dan ook bedrijfsactiviteiten binnen hetzelfde marksegment en verzorgingsgebied. Anders dan de minister en [belanghebbende] is de rechtbank van oordeel dat het enkele feit dat [belanghebbende] geen geld verdient met het exploiteren van haar website, niet maakt dat het niet als een economische activiteit aangemerkt moet worden. De stelling van de minister dat de informatie van [belanghebbende] objectiever is - wat daar ook van zij - maakt het verstrekken ervan niet minder economisch relevant. Voor de rechtbank is doorslaggevend dat [belanghebbende] een dienst in de markt heeft gezet die concurreert met de websites van eisers.

Gelet hierop heeft de minister eisers terecht aangemerkt als belanghebbenden bij het subsidiebesluit van 18 december 2013. In het verlengde van het voorgaande zal de rechtbank [eiseres2] ook aanmerken als belanghebbende bij bestreden besluit III.

4. Eisers hebben in beroep primair aangevoerd dat de subsidieverlening in strijd is met artikel 2, eerste lid, van de Subsidieregeling [belanghebbende] 2012. Met name omdat [belanghebbende] economische activiteiten in concurrentie met derden verricht, maar ook omdat [belanghebbende] in strijd met de aanbestedingsregels rechtstreeks aan een softwarebedrijf opdracht heeft gegeven om het platform te bouwen. Subsidiair is betoogd dat de verlening van de subsidie aan [belanghebbende] in strijd is met het aanbestedingsrecht, met artikel 107 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie en met de Awb en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur.

5.1

Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Subsidieregeling [belanghebbende] 2012, kan de minister op aanvraag per boekjaar een subsidie verstrekken aan de subsidieontvanger voor het uitvoeren van activiteiten op het gebied van verkeersveiligheid voor jongeren van 12 tot en met 24 jaar, gericht op:

a. het creëren van bewustwording bij verkeersdeelnemers van 12 tot en met 24 jaar door het realiseren van verandering in kennis, houding en risicoperceptie ten aanzien van verkeersveiligheid via educatieve projecten en voorlichtingscampagnes, en

b. het versterken van participatie van jongeren van 12 tot en met 24 jaar bij beleidsontwikkeling op het gebied van verkeersveiligheid.

5.2

Partijen zijn het erover eens dat het opzetten van een platform met rijscholenkiezer geen educatief project is. De minister heeft betoogd dat het als een voorlichtingscampagne beschouwd kan worden, omdat de doelgroep dankzij de rijscholenkiezer bewust kan kiezen voor een betrouwbare rijschool met bevoegde rijinstructeurs, waarmee uiteindelijk de verkeersveiligheid is gediend. Van de zijde van [belanghebbende] is in dit verband aangevoerd dat de reviews op de website ook een voorlichtingsfunctie hebben.

5.3

De rechtbank overweegt dat blijkens de subsidieaanvraag [belanghebbende] door middel van een platform, waarop rijscholen met elkaar worden vergeleken, jongeren vanaf 16 jaar wil helpen bij het kiezen van een kwalitatief goede rijschool voor het rijbewijs B. Daarnaast wil [belanghebbende] , door het inzichtelijk maken van de kwaliteit van de individuele rijscholen, de kwaliteit van de gehele rijscholenbranche verhogen en daarmee zorgen voor betere en veiligere beginnende bestuurders. Naar het oordeel van de rechtbank kan niet ontkend worden dat het platform met rijscholenkiezer een voorlichtingsaspect bevat, in de zin van het geven van informatie over rijscholen. Dit kan echter niet gezien worden als een voorlichtingscampagne als bedoeld in artikel 2 van de Subsidieregeling [belanghebbende] 2012. Daarbij wijst de rechtbank op de Toelichting op de Subsidieregeling [belanghebbende] 2012, waar is benadrukt dat [belanghebbende] voor wat betreft de gesubsidieerde activiteiten geen economische activiteiten in concurrentie met derden mag verrichten. De rechtbank vindt ook steun voor deze uitleg van het begrip ‘voorlichtingscampagne’ in de tekst van de Subsidieregeling [belanghebbende] 2015, waarin nu expliciet is opgenomen dat het verrichten van een economische activiteit in concurrentie met derden een weigeringsgrond vormt. Zoals hiervoor onder 3 is overwogen is hier sprake van een economische activiteit van [belanghebbende] , waarbij wordt geconcurreerd met eisers.

5.4

Het voorgaande leidt de rechtbank tot de conclusie dat de Subsidieregeling [belanghebbende] 2012 geen grondslag biedt voor subsidiering van het opzetten en het verder ontwikkelen van een platform met rijscholenkiezer.

6.1

Artikel 8:69a van de Awb bepaalt dat de bestuursrechter een besluit niet vernietigt op de grond dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, indien deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept.

Ingevolge artikel 4:23, eerste lid, van de Awb verstrekt een bestuursorgaan slechts subsidie op grond van een wettelijk voorschrift dat regelt voor welke activiteiten subsidie kan worden verstrekt.

6.2

Gegeven de conclusie dat de Subsidieregeling [belanghebbende] 2012 geen grondslag biedt voor subsidiering van het opzetten en het verder ontwikkelen van een platform met rijscholenkiezer en in aanmerking genomen dat ook overigens niet is gebleken van een wettelijke grondslag voor het verstrekken van de gevraagde subsidie, moet de rechtbank vervolgens vaststellen dat de drie bestreden besluiten in strijd zijn met artikel 4:23, eerste lid, van de Awb. De rechtbank acht het, gelet op de concurrentie die eisers van [belanghebbende] ondervinden, niet kennelijk dat deze bepaling niet strekt tot bescherming van de belangen van eisers.

7. Het beroep van eisers tegen bestreden besluit I en II zal daarom gegrond verklaard worden. Voorts zal ook het beroep van [eiseres2] tegen bestreden besluit III gegrond verklaard worden. De rechtbank zal bestreden besluit I en II vernietigen. De rechtbank ziet aanleiding zelf in de zaak te voorzien, in die zin dat de bezwaren van eisers gegrond verklaard zullen worden en dat het primaire besluit van 18 december 2013 zal worden herroepen voor zover daarbij subsidie is verleend voor het opzetten van het project “Platform met Rijscholenkiezer”. De daartoe strekkende aanvraag van [belanghebbende] zal alsnog worden afgewezen.

Voorts zal de rechtbank bestreden besluit III vernietigen voor zover daarbij subsidie is verstrekt voor het verder ontwikkelen van het “Platform met Rijscholenkiezer” en de daartoe strekkende aanvraag van [belanghebbende] alsnog afwijzen.

8. Inzake de gegrond verklaarde beroepen dient het griffierecht aan eisers te worden vergoed.

De rechtbank zal de minister veroordelen in de door eisers gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.984,-- voor beide eisers (1 punt voor het bezwaarschrift, 1 punt voor de hoorzitting, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 496, en wegingsfactor 1). Daarbij is voor [eiseres2] uitgegaan van samenhangende beroepen als bedoeld in artikel 3, tweede lid, van het Bpb.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart de beroepen van eisers tegen bestreden besluiten I en II gegrond en vernietigt deze besluiten;

  • -

    verklaart de bezwaren van eisers tegen het primaire besluit van 18 december 2013 gegrond;

  • -

    herroept het primaire besluit voor zover daarbij subsidie is verleend voor het opzetten van het project “Platform met Rijscholenkiezer”;

  • -

    wijst de aanvraag om subsidie voor dat project af;

  • -

    bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde bestreden besluiten I en II;

  • -

    verklaart het beroep van [eiseres2] tegen bestreden besluit III gegrond en vernietigt dit besluit voor zover daarbij subsidie is verstrekt voor het verder ontwikkelen van het “Platform met Rijscholenkiezer”;

  • -

    wijst de aanvraag voor deze subsidie af;

  • -

    bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit III;

  • -

    verklaart het beroep van [eiseres1] tegen bestreden besluit III niet-ontvankelijk;

  • -

    draagt de minister op het betaalde griffierecht van € 331,-- aan [eiseres1] te vergoeden;

  • -

    veroordeelt de minister in de proceskosten van [eiseres1] tot een bedrag van € 1.984,--;

  • -

    draagt de minister op het betaalde griffierecht van € 662,-- aan [eiseres2] te vergoeden;

  • -

    veroordeelt de minister in de proceskosten van [eiseres2] tot een bedrag van € 1.984,--.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Breeman, voorzitter, en mr. S. Ketelaars-Mast en mr. M.G.J. Maas-Cooymans, leden, in aanwezigheid van mr. P.H.M. Verdonschot, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 april 2016.

P.H.M. Verdonschot, griffier M. Breeman, voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.