Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2016:2483

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
22-04-2016
Datum publicatie
27-05-2016
Zaaknummer
BRE - 15 _ 5472
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Aan het samenwerkingsverband van 2 broers is een verzuimboete opgelegd, gedagtekend 26 februari 2015, omdat zij in Nederland asfalteerwerkzaamheden zouden hebben uitgevoerd zonder daarvan aangifte OB te doen. Dat sprake is van een samenwerkingsverband, valt alleen op te maken uit het proces-verbaal van de politie van januari 2015. Omdat het samenwerkingsverband in februari 2015 nog niet in verzuim was, is de boete voortijdig en dus onterecht opgelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2016/1157
V-N 2016/34.26.2
FutD 2016-1379
NTFR 2016/1915 met annotatie van
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Belastingrecht, enkelvoudige kamer

Locatie: Breda

Zaaknummer BRE 15/5472

uitspraak van 22 april 2016

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en artikel 27d van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) in het geding tussen

[belanghebbende] , gevestigd te [plaats X],

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

de inspecteur.

De bestreden uitspraak op bezwaar

De uitspraak van de inspecteur van 29 juli 2015 op het bezwaar van belanghebbende tegen de aan hem bij beschikking opgelegde verzuimboete van € 5.278.

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 april 2016 te Middelburg. Aldaar zijn verschenen en gehoord, de gemachtigden van belanghebbende, [gemachtigden], verbonden aan [kantoornaam gemachtigden] te Hulst.

De inspecteur is door de griffier bij aangetekende brief, aan hem verzonden op 24 februari 2016 op het postadres postbus 30206, 2500 GE te ‘s-Gravenhage, onder vermelding van plaats en tijdstip, uitgenodigd om op de zitting te verschijnen. De inspecteur is, zonder kennisgeving aan de rechtbank, niet verschenen. Nu genoemde brief niet ter griffie is terugontvangen en uit informatie van PostNL is gebleken dat de brief op 25 februari 2016 op genoemd adres is uitgereikt, is de rechtbank van oordeel dat de uitnodiging om op de zitting te verschijnen op juiste wijze, tijdig op het juiste adres is aangeboden.

1 Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraak op bezwaar en de boetebeschikking;

- veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van € 1.238;

- gelast dat de inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 167 aan hem vergoedt.

2 Gronden

2.1.

Bij brief van 26 februari 2015 heeft de inspecteur een verzuimboete aangekondigd aan belanghebbende omdat de broers [A] en [B] volgens zijn informatie sinds 2011 actief bezig zijn (geweest) met asfalteringswerkzaamheden in Nederland. Voor deze werkzaamheden is niet om een uitnodiging tot het doen van aangifte van omzetbelasting verzocht. De inspecteur heeft bij beschikking van 26 februari 2015 op grond van artikel 67ca, eerste lid, onder a van de AWR, in samenhang met paragraaf 24b, derde lid van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst een verzuimboete van € 5.278 opgelegd. Deze is op naam gesteld van [C BV], [A] en [B].

2.2.

Ter onderbouwing van de boete heeft de inspecteur een viertal processen-verbaal van de politie overgelegd. Daaruit volgt dat [B] op 5 juli 2011, 2 april 2012 en 6 februari 2013 staande is gehouden in verband met meldingen dat hij zijn diensten als asfalteerder zou hebben aangeboden aan (potentiële) klanten. Bij de staandehouding van 2 april 2012 is het paspoort van [A] in het voertuig van [B] aangetroffen, maar [A] was daarbij zelf niet aanwezig. Op 16 januari 2015 zijn beide broers staande gehouden. Zij hebben toen volgens het daarvan opgemaakte proces-verbaal verklaard dat zij werkzaamheden verrichtten en dat zij een half jaar in Nederland mogen werken zonder contact te hebben met de belastingdienst.

2.3.

Op [datum] 2015 is de besloten vennootschap [C BV] (hierna: de BV) opgericht. Bestuurder van de BV is onder meer [A]. De activiteiten van de BV bestaan uit werkzaamheden op het gebied van de wegenbouw.

2.4.

In geschil is of de verzuimboete terecht aan belanghebbende is opgelegd.

2.5.

Op grond van artikel 14 van de Wet op de omzetbelasting 1968 (hierna: Wet OB) in samenhang met artikel 19 van de AWR is een ondernemer verplicht om de in een tijdvak verschuldigd geworden omzetbelasting binnen één maand na het einde van dat tijdvak op aangifte te voldoen en aan de ontvanger overeenkomstig de aangifte te betalen.

2.6.

De rechtbank stelt vast dat de boetebeschikking is afgegeven aan het [belanghebbende]. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat de naam van de BV niet (volledig) op de boetebeschikking staat vermeld en de BV pas op [datum] 2015 is opgericht, waardoor niet aannemelijk is dat de BV eveneens als belanghebbende moet worden aangemerkt.

2.7.

De rechtbank is van oordeel dat alleen uit het in 2.2 genoemde proces-verbaal van 16 januari 2015 valt op te maken dat er sprake is van een samenwerkingsverband tussen beide broers. Het feit dat op 2 april 2012 het paspoort van [A] in het voertuig van [B] werd aangetroffen geeft onvoldoende aanleiding om aan te nemen dat toen reeds sprake was van een samenwerkingsverband. Op 5 juli 2011 en 6 februari 2013 was [A] in het geheel niet bij de staandehouding betrokken.

2.8.

Indien het in 2.7 genoemde samenwerkingsverband op 16 januari 2015 zou moeten worden aangemerkt als ondernemer in de zin van artikel 7 van de Wet OB, dan moest op grond van de in 2.5 genoemde wetsartikelen de omzetbelasting worden betaald op uiterlijk 28 februari 2015. Het aangiftebiljet had dan ook uiterlijk op die dag moeten worden aangevraagd (artikel 3, eerste lid, van de Uitvoeringsregeling AWR). De boetebeschikking van 26 februari 2015 is dus voortijdig en onterecht afgegeven, nu het samenwerkingsverband op die datum nog niet in verzuim was.

2.9.

Gelet op het vorenstaande is het beroep gegrond verklaard.

2.10.

De rechtbank vindt aanleiding de inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar en het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Besluit) voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 1.238 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift met een waarde per punt van € 246, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 496 en een wegingsfactor 1). Nu belanghebbende niet is verschenen ter zitting, komen de overige door belanghebbende genoemde proceskosten, te weten reis- en verletkosten, op grond van het Besluit niet in aanmerking voor vergoeding. Ook de verletkosten in verband met het overleg met gemachtigde zijn geen kosten die volgens het Besluit in aanmerking komen voor vergoeding.

Deze uitspraak is gedaan op 22 april 2016 door mr. A.F.M.Q. Beukers-van Dooren, rechter, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. J.A. Riemens, griffier.

De griffier, De rechter,

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Aan deze uitspraak hoeft eerst uitvoering te worden gegeven als de uitspraak onherroepelijk is geworden. De uitspraak is onherroepelijk als niet binnen zes weken na verzending van de uitspraak een rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtsmiddel is beslist (artikel 27h, derde lid en artikel 28, zevende lid AWR).

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583,

5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.

Voor burgers is het mogelijk hoger beroep digitaal in te stellen. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van de formulieren op Rechtspraak.nl / Digitaal loket bestuursrecht.