Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2016:2441

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
21-04-2016
Datum publicatie
28-04-2016
Zaaknummer
AWB 16_674 & AWB 15_677 & AWB 16_681
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

WMO15. Geen procesbelang. Eisers hebben ieder afzonderlijk op enig moment nadat de primaire besluiten zijn genomen, aangegeven geen gebruik meer te willen maken van de aan hen toegekende voorziening hulp bij het huishouden. De voorziening is verstrekt in de leveringsvorm zorg in natura. Geen twijfel dat de huishoudelijke hulp is verleend tot het moment dat is verzocht om beëindiging. Het college heeft toegezegd geen gebruik te zullen maken van de mogelijkheid tot terugvordering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2016/139
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht

zaaknummers: BRE 16/674, 16/677 en 16/681 WMO15

uitspraak van 21 april 2016 van de meervoudige kamer in de zaken tussen

[naam eiser1] , te [woonplaats] , eiser in de zaak BRE 16/674 WMO15,

[naam eiser2] , te [woonplaats2] , eiseres in de zaak BRE 16/677 WMO15,

[naam eiser3] , te [woonplaats] , eiseres in de zaak BRE 16/681 WMO15,

hierna tezamen ook te noemen: eisers,

gemachtigde: [naam gemachtigde] ,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Waalwijk (college), verweerder.

Procesverloop

Eisers hebben beroep ingesteld tegen de besluiten van 27 januari 2016 (bestreden besluiten) van het college inzake de herroeping van de besluiten van 18 december 2014 waarbij de huishoudelijke hulp op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) per 1 mei 2015 is beëindigd.

Deze zaken zijn gelijktijdig behandeld met de zaken BRE 16/668 tot en met 16/673, 16/675, 16/676, 16/678 tot en met 16/680 en 16/682 tot en met 16/688 WMO15.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden in Breda op 8 april 2016. Eisers hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.M.C. van Halteren.

Overwegingen

1. Op grond van de stukken en de behandeling ter zitting gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Eisers ontvingen hulp bij het huishouden op grond van de Wmo. Bij besluiten van 26 september 2014 heeft het college eisers medegedeeld dat is besloten de eerste drie uur hulp per week als algemene voorziening te zien. Naar het oordeel van het college hebben eisers daarom in het geheel geen recht meer op een individuele voorziening. Het college heeft besloten de (individuele) voorzieningen te beëindigen met ingang van 1 januari 2015. Tegen deze besluiten hebben eisers geen bezwaar gemaakt.

Bij besluiten van 18 december 2014 (primaire besluiten) heeft het college eisers medegedeeld dat is besloten de (individuele) voorzieningen van eisers te verlengen met vier maanden tot 1 mei 2015 en per laatstgenoemde datum te beëindigen.

Eisers hebben bezwaar gemaakt tegen de primaire besluiten.

Het college heeft de bezwaren tegen de primaire besluiten op 22 april 2015 niet-ontvankelijk verklaard, vanwege het ontbreken van procesbelang. Eisers hebben tegen deze beslissingen op bezwaar beroep ingesteld. Met de uitspraken van 15 december 2015 heeft de rechtbank deze beroepen gegrond verklaard, de beslissingen op bezwaar van 1 mei 2015 vernietigd en het college de opdracht gegeven om opnieuw op de bezwaren van eisers te beslissen.

Bij de bestreden besluiten heeft het college de bezwaren gegrond verklaard en de primaire besluiten herroepen. Het rechtsgevolg daarvan is volgens het college dat de besluiten van 26 september 2014 herleven.

2. Eisers kunnen zich met de bestreden besluiten niet verenigen. Daartoe wordt primair aangevoerd dat het niet mogelijk is dat de reeds vernietigde besluiten van 26 september 2014 herleven. Subsidiair is er gehandeld in strijd met het verbod op reformatio in peius, omdat de besluiten van 26 september 2014 nadeliger zijn dan de besluiten van 18 december 2014. Verzocht wordt om de bestreden besluiten te vernietigen en te bepalen dat de eerder toegekende Wmo-voorzieningen per 1 mei 2015 ongewijzigd worden voortgezet.

3. De rechtbank stelt op basis van de stukken het volgende vast.

In de zaak BRE 16/674 WMO15 heeft het college bij besluit van 5 maart 2015 aan eiser medegedeeld dat zijn (individuele) voorziening wordt beëindigd per 4 maart 2015, omdat eiser te kennen heeft gegeven geen gebruik meer te willen maken van de betreffende voorziening.

In de zaak BRE 16/677 WMO15 heeft het college bij besluit van 31 maart 2015 aan eiseres medegedeeld dat haar (individuele) voorziening wordt beëindigd per 1 mei 2015, omdat eiseres te kennen heeft gegeven geen gebruik meer te willen maken van de betreffende voorziening.

In de zaak BRE 16/681 WMO15 heeft het college bij besluit van 3 maart 2015 aan eiseres medegedeeld dat haar (individuele) voorziening wordt beëindigd per 26 februari 2015, omdat eiseres te kennen heeft gegeven geen gebruik meer te willen maken van de betreffende voorziening.

De rechtbank stelt dan ook vast dat eisers ieder afzonderlijk op enig moment nadat de primaire besluiten zijn genomen, hebben aangegeven geen gebruik meer te willen maken van de aan hen toegekende voorziening hulp bij het huishouden. Naar aanleiding daarvan heeft het college de voorzieningen bij besluiten van respectievelijk 3 maart 2015, 5 maart 2015 en 31 maart 2015 beëindigd per de door eisers aangegeven datum. Het is gelet hierop dat de rechtbank zich ambtshalve voor de vraag ziet gesteld of eisers nog een procesbelang hebben bij een inhoudelijk oordeel van de rechtbank.

4. Ter zitting is namens het college aangegeven dat de voorziening hulp bij het huishouden aan eisers in 2015 is verstrekt in de leveringsvorm zorg in natura. De gemachtigde van eisers heeft daarop aangegeven dat het procesbelang erin is gelegen dat de theoretische mogelijkheid bestaat dat de kosten van de volgens het college per 1 januari 2015 onverschuldigd verrichte huishoudelijke hulp van eisers zullen worden teruggevorderd. Namens het college is daarop aangegeven dat dat voor het college een puur theoretische mogelijkheid is en dat het college van die mogelijkheid geen gebruik zal maken. Als de zorg inderdaad is verleend tot het moment waarop door eisers om beëindiging is verzocht en het college geen gebruik maakt van de mogelijkheid tot terugvordering, hebben eisers ook volgens hun gemachtigde geen procesbelang meer.

5. De rechtbank twijfelt er niet aan dat de huishoudelijke hulp is verleend tot het moment dat eisers om beëindiging van die voorziening hebben verzocht. Nu het college heeft toegezegd geen gebruik te zullen maken van de mogelijkheid tot terugvordering, is de rechtbank van oordeel dat eisers geen procesbelang hebben bij hun beroep. De beroepen zullen dan ook niet-ontvankelijk worden verklaard.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door mr. D.H. Hamburger, voorzitter, en mr. R.P. Broeders en mr. E.S.M. van Bergen, leden, in aanwezigheid van mr. H.J. Kroes, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 21 april 2016.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.