Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2016:2386

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
05-04-2016
Datum publicatie
27-05-2016
Zaaknummer
BRE - 15 _ 2504
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Blh is – met zijn medebestuurders - aansprakelijk gesteld voor onbetaald gebleven naheffingsaanslagen OB van een Stichting. Voor 2011 acht de rechtbank dat terecht: de Stichting was Vpb-plichtig, de verschuldigde OB is niet aangegeven en betaald en er heeft geen controle op de administratie plaatsgevonden. Het is aan de grove schuld van de Stichting te wijten dat te weinig belasting is afgedragen. De betalingsonmacht is niet binnen twee weken na het ontstaan daarvan gemeld. Belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij mocht vertrouwen op de deskundigheid van degene die de boekhouding deed. Blh wordt niet toegelaten tot het weerleggen van het vermoeden dat de niet-betaling aan hem is te wijten.

De naheffingsaanslag OB 2013 is op grond van artikel 29, tweede lid, van de Wet OB 1968 opgelegd maar over het verkeerde tijdvak nu geen rekening is gehouden met de betalingstermijn van de desbetreffende factuur. De rechtbank vermindert het bedrag van de aansprakelijkstelling.

Wetsverwijzingen
Invorderingswet 1990 36
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2016/1156
FutD 2016-1450
NTFR 2016/1777
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Belastingrecht, meervoudige kamer

Locatie: Breda

Zaaknummer BRE 15/2504

uitspraak van 5 april 2016

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en artikel 27d van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) in het geding tussen

[belanghebbende] , wonende te [woonplaats] ,

belanghebbende,

en

de ontvanger van de Belastingdienst,

de ontvanger.

De bestreden uitspraak op bezwaar

De uitspraak van de ontvanger van 4 maart 2015 op het bezwaar van belanghebbende tegen de beschikking aansprakelijkstelling (kenmerk [aanslagnummer] AS.14.032).

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 maart 2016 te Breda.

Aldaar zijn verschenen en gehoord, belanghebbende, [A] ,

[B] , [C] en namens de beide heren [A + B] ,

[gemachtigde] , verbonden aan [kantoornaam gemachtigde] te Amsterdam.

Namens de ontvanger zijn verschenen, [verweerder] .

Tegelijkertijd zijn behandeld de zaken die bij de rechtbank zijn geregistreerd met de nummers BRE 15/2501, BRE 15/2502, BRE 15/2503 en BRE 15/2504.

1. Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraak op bezwaar en de beschikking;

  • -

    vermindert het bedrag van de aansprakelijkstelling tot € 14.283;

  • -

    veroordeelt de ontvanger in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van € 56,02;

- gelast dat de ontvanger het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 45 aan hem vergoedt.

2. Gronden

2.1.

Belanghebbende is aansprakelijk gesteld voor omzetbelastingschulden van de [Stichting] (hierna: [Stichting] ). Het betreft een aan [Stichting] opgelegde naheffingsaanslag over het tijdvak 2011 (€ 13.641 omzetbelasting), gedagtekend 28 september 2013 en een aan [Stichting] opgelegde naheffingsaanslag over het tijdvak 1 januari 2013 tot en met 30 juni 2013 (omzetbelasting € 46.206 waarvan nog openstond € 30.645), gedagtekend 25 juli 2013. Belanghebbende is tevens aansprakelijk gesteld voor de heffingsrente ad € 642 die [Stichting] was verschuldigd bij de naheffingsaanslag over het tijdvak 2011.

2.2.

[Stichting] is opgericht op [datum] 2010 en hield zich bezig met het ontwikkelen en verkopen van duurzame-energieproducten. Belanghebbende stond bij de Kamer van Koophandel geregistreerd als bestuurder vanaf de oprichting tot [datum] 2012. Uit de stukken blijkt dat [Stichting] handelde in onder meer eco-lampen.

2.3.1.

De naheffingsaanslagen zijn het gevolg van een namens de inspecteur in 2012 ingesteld boekenonderzoek. Wat betreft de naheffingsaanslag 2011 is daaruit gebleken dat er over het desbetreffende tijdvak te weinig omzetbelasting is voldaan (een aansluitverschil).

De naheffingsaanslag 2013 is opgelegd op de voet van artikel 29, tweede lid, van de Wet op de omzetbelasting 1968 (hierna: Wet OB 1968). Tijdens het boekenonderzoek is gebleken dat [Stichting] op of omstreeks 5 mei 2011 van [D BV] 4.300 eco-lampen en 1.680 eco-lamp-servicekits heeft gekocht voor € 260.000 exclusief € 49.400 omzetbelasting. [Stichting] heeft de omzetbelasting als voorbelasting in aftrek gebracht. De factuur van 5 mei 2011 vermeldt een uiterlijke betalingstermijn van 90 dagen. Ten tijde van het boekenonderzoek stond van de koopprijs nog € 289.400 open. Omdat dat bedrag twee jaar na de factuurdatum nog niet was betaald, heeft de inspecteur de daarop betrekking hebbende voorbelasting, ad € 46.206 (19/119e van € 289.400), nageheven.

2.3.2.

Betaling van de naheffingsaanslagen door [Stichting] is uitgebleven. Bij beschikking met dagtekening 27 maart 2014 is belanghebbende, op de voet van artikel 36 van de Invorderingswet 1990 (hierna: IW 1990), aansprakelijk gesteld voor de beide naheffingsaanslagen omdat hij gedurende het materieel ontstaan van die belastingschulden als bestuurder van [Stichting] optrad en ook als zodanig stond ingeschreven bij de Kamer van Koophandel.

2.4.

Tussen partijen zijn de volgende punten in geschil:

  1. Is het beroep van belanghebbende ontvankelijk?

  2. Is [Stichting] aan de heffing van vennootschapsbelasting onderworpen zodat artikel 36 van de IW 1990 van toepassing is?

  3. Is de naheffingsaanslag over het tijdvak 1 januari 2013 tot en met 30 juni 2013 terecht opgelegd?

  4. Kan de (gewezen) bestuurder aansprakelijk worden gehouden voor een belastingschuld die eerst na afloop van zijn bestuursperiode formeel verschuldigd is geworden?

  5. Kan de (gewezen) bestuurder verweten worden dat geen informatie is verstrekt naar aanleiding van de melding dat sprake is van betalingsonmacht?

Tussen partijen is niet in geschil dat de naheffingsaanslag over het tijdvak 2011 terecht en naar een juist bedrag is opgelegd.

Vooraf

2.5.1.

Op 17 maart 2016 heeft de rechtbank van belanghebbende een brief ontvangen waarin hij heeft verzocht om uitstel voor de zitting van 22 maart 2016. Als reden voor dit verzoek heeft belanghebbende aangevoerd dat zijn gemachtigde afgelopen week heeft aangegeven niet meer voor belanghebbende op te treden en dat belanghebbende op zoek is gegaan naar een nieuwe gemachtigde voor wie een goede voorbereiding in een dergelijke korte tijd niet meer mogelijk zou zijn. Ook belanghebbende zelf zou niet in de gelegenheid zijn om bij de zitting aanwezig te zijn.

2.5.2.

Dit verzoek is door de rechtbank afgewezen. De rechtbank heeft hierbij het volgende in aanmerking genomen. Uitstel van een zitting wordt slechts in uitzonderlijke omstandigheden verleend. Op 9 februari 2016 is telefonisch contact geweest met de toenmalige gemachtigde van belanghebbende, [gemachtigde] . Tijdens dat telefonisch contact is de datum van de zitting, 22 maart 2016, afgestemd. Met dagtekening 16 februari 2016 is de uitnodiging voor de zitting aan de toenmalige gemachtigde verstuurd. De uitnodiging voor de zitting is derhalve tijdig aan de toenmalige gemachtigde gestuurd. Het feit dat de gemachtigde kort voor de zitting zijn werkzaamheden voor belanghebbende heeft beëindigd, is een omstandigheid die voor risico van belanghebbende blijft en wordt derhalve niet aangemerkt als een uitzonderlijke omstandigheid. Bovendien is belanghebbende ter zitting verschenen en heeft hij de mogelijkheid gehad om op de geschilpunten in te gaan en heeft hij dat ook gedaan. De rechtbank acht belanghebbende dan ook niet geschaad in zijn procesbelangen. Overigens is de gemachtigde ter zitting wel opgetreden namens twee medeaansprakelijkgestelden van belanghebbende en heeft de rechtbank al hetgeen daar is gesteld ook in aanmerking genomen bij de beoordeling van de zaak van belanghebbende.

Ontvankelijkheid

2.6.1.

De termijn voor het indienen van een beroepschrift bedraagt zes weken (artikel 6:7

van de Awb). Deze termijn vangt aan op de dag na die van dagtekening van een aanslagbiljet of van het afschrift van een voor bezwaar vatbare beschikking, tenzij de dag van dagtekening is gelegen vóór de dag van de bekendmaking (artikel 22j van de AWR).

2.6.2.

Bekendmaking van een besluit kan ingevolge artikel 3:41 van de Awb onder meer geschieden door toezending. Indien de bekendmaking van het besluit geschiedt door toezending, kan in de regel ervan worden uitgegaan dat met de terpostbezorging van het besluit de bekendmaking heeft plaatsgevonden. In een zodanig geval vangt ingevolge artikel 22j van de AWR de termijn voor het instellen van beroep aan op de dag na die van dagtekening van het besluit, tenzij de dag van dagtekening is gelegen vóór de dag van terpostbezorging. Deze regel lijdt echter uitzondering indien de zending de belanghebbende niet heeft bereikt en zulks het gevolg is van een fout van de ontvanger. In een zodanig geval kan niet worden gezegd dat bekendmaking van het besluit op voorgeschreven wijze heeft plaatsgevonden (Hoge Raad 5 maart 2004, nr. 39 245, ECLI:NL:HR:2004:AO5063). Indien het besluit niet op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt, vangt de beroepstermijn pas aan op de dag van de ontvangst van het besluit of een afschrift daarvan door de belanghebbende of zijn vertegenwoordiger (Hoge Raad 15 maart 2000, nr. 34 999, ECLI:NL:HR:2000:AA5141).

2.7.1.

De uitspraak op bezwaar is gedagtekend 4 maart 2015 en deze is verstuurd aan de toenmalige gemachtigde van belanghebbende naar het adres [adres 1] te Amsterdam. Nadat de ontvanger de uitspraak op bezwaar per kerende post retour heeft ontvangen, is deze uitspraak met dagtekening 17 maart 2015 verstuurd ter attentie van de toenmalige gemachtigde van belanghebbende naar het adres [adres 2] te Amsterdam. Op 18 maart 2015 heeft de toenmalige gemachtigde de uitspraak op bezwaar ontvangen. Het pro forma beroepschrift met dagtekening 17 april 2015 is op 21 april 2015 door de rechtbank ontvangen.

2.7.2.

Door belanghebbende is gesteld dat de uitspraak op bezwaar door de ontvanger is verstuurd naar het verkeerde adres van de toenmalige gemachtigde. Ter zitting is door de toenmalige gemachtigde verklaard dat hij tijdens het hoorgesprek een kaartje aan de ontvanger heeft overhandigd met daarop het nieuwe adres van zijn kantoor. De ontvanger heeft dat bevestigd maar heeft de uitspraak op bezwaar geadresseerd aan het adres dat stond op het bezwaarschrift. Tot de gedingstukken behoren brieven van de ontvanger, met dagtekening vóór de uitspraak op bezwaar, welke wel zijn gestuurd naar het nieuwe adres van de toenmalige gemachtigde.

2.8.

Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit de stukken van het geding en uit het verklaarde ter zitting dat de uitspraak op bezwaar met dagtekening 4 maart 2015 als gevolg van een fout van de ontvanger is verstuurd naar een verkeerd adres. De uitspraak op bezwaar is dan niet eerder rechtsgeldig bekendgemaakt dan op 18 maart 2015, zijnde de dag waarop de toenmalige gemachtigde van belanghebbende van de uitspraak kennis heeft kunnen nemen. De beroepstermijn is dan aangevangen op 18 maart 2015. Deze termijn eindigde op 29 april 2015. Het beroepschrift met dagtekening 17 april 2015, dat op 21 april 2015 door de rechtbank is ontvangen, is derhalve tijdig. De rechtbank is van oordeel dat het beroep ontvankelijk is.

De naheffingsaanslag 2011

2.9.

Aansprakelijkstelling op grond van artikel 36 van de IW 1990 is alleen mogelijk voor belastingschulden van [Stichting] , voor zover [Stichting] aan de vennootschapsbelasting (hierna: vpb) is onderworpen. Belanghebbende stelt dat [Stichting] was vrijgesteld van vpb op grond van het bepaalde in artikel 6 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (hierna: Wet Vpb 1969) en dat dit de aansprakelijkstelling belemmert. Naar het oordeel van de rechtbank moet de vraag of [Stichting] onderworpen was aan vpb worden beoordeeld naar het tijdstip waarop de belastingschuld waarvoor de bestuurder aansprakelijk is gesteld materieel is ontstaan. De rechtbank zal dat dus toetsen aan de wettekst van 2011.

2.10.

Volgens artikel 1 van de Wet Vpb 1969 wordt vpb geheven van lichamen zoals vermeld in de artikelen 2 en 3 van die wet. In artikel 2, eerste lid, onderdeel e, van de Wet Vpb 1969 is bepaald dat stichtingen vennootschapsbelastingplichtig zijn, indien en voor zover zij een onderneming drijven. In artikel 4 van de Wet Vpb 1969 is bepaald wat onder een onderneming drijven mede wordt verstaan. Bij onderdeel a is opgenomen:

“een uiterlijk daarmee overeenkomende werkzaamheid waardoor in concurrentie wordt getreden met ondernemingen, gedreven door natuurlijke personen, dan wel door lichamen, vermeld in artikel 2, eerste lid, onderdelen a, b, c en d.”

2.11.

Uit de stukken van het geding blijkt dat de activiteiten van [Stichting] bestonden uit het ontwikkelen en de verkoop van met name ledverlichting, eco-lampen, eco-lamp-servicekits, duurzame rolluiken en dubbel glas. Deze activiteiten worden ook uitgevoerd door ondernemingen gedreven door natuurlijke personen, dan wel door lichamen, vermeld in artikel 2, eerste lid, onderdelen a, b, c en d van de Wet Vpb 1969. [Stichting] trad dus door haar activiteiten in concurrentie met dergelijke ondernemers.

2.12.

Belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt dat werd voldaan aan de eis van artikel 1 van het Besluit van 20 augustus 1971, houdende vrijstelling van vennootschapsbelasting voor lichamen bij welke de behartiging van een algemeen maatschappelijk belang op de voorgrond staat (tekst 2011, verder: het Besluit). Het Besluit, dat is gebaseerd op artikel 6 van de Wet Vpb 1969, bepaalt onder meer dat voor vrijstelling is vereist dat eventueel behaalde winst uitsluitend kan worden aangewend ten bate van een ingevolge het Besluit vrijgesteld lichaam of een algemeen belang. Belanghebbende heeft niet gesteld en ook is de rechtbank niet gebleken dat aan deze voorwaarde is voldaan. Dat betekent dat [Stichting] in 2011 in beginsel onderworpen was aan vpb zodat voor de naheffingsaanslag over dat tijdvak aansprakelijkstelling op grond van artikel 36 van de IW 1990 mogelijk is.

2.13.

Vaststaat dat het bedrag van de naheffingsaanslag over het tijdvak 2011 niet is aangegeven en betaald. [Stichting] had, op grond van het bepaalde in artikel 36, tweede lid, van de IW 1990 onverwijld nadat was gebleken dat zij niet in staat was het bedrag te betalen, de betalingsonmacht moeten melden. Belanghebbende heeft gesteld dat er geen sprake is geweest van betalingsonmacht zodat een melding dat sprake is van betalingsonmacht niet noodzakelijk was. Ter zitting heeft de heer [A] echter verklaard dat [Stichting] in 2011 niet aan haar huurverplichtingen kon voldoen. Belanghebbende heeft dat niet weersproken. De rechtbank is van oordeel dat daarmee aannemelijk is dat in 2011 sprake was van betalingsonmacht van [Stichting] zodat de betalingsonmacht toen gemeld had moeten worden. Namens [Stichting] is pas betalingsonmacht gemeld op 8 augustus 2013.

2.14.

Er is sprake van een situatie waarin de nageheven belasting meer beloopt dan die welke overeenkomstig de aangifte had moeten worden voldaan. Artikel 7, tweede lid, van het Uitvoeringsbesluit Invorderingswet 1990 bepaalt voor die situatie dat de melding van betalingsonmacht kan worden gedaan uiterlijk twee weken na de vervaldatum van de aanslag, mits het niet aan opzet of grove schuld van [Stichting] is te wijten dat die belasting niet was aangegeven en voldaan.

2.15.

Eerst moet dan beoordeeld worden of het aan opzet of grove schuld van [Stichting] is te wijten dat de verschuldigde belasting meer beloopt dan die welke overeenkomstig de aangifte is dan wel had moeten worden voldaan. De rechtbank beantwoordt die vraag bevestigend. Uit het controlerapport blijkt dat de naheffing betrekking heeft op niet in de aangiften en administratie verwerkte facturen. Ter zitting is verklaard dat een persoon die bij [Stichting] was betrokken maar niet tot het formele bestuur behoorde, de administratie bijhield en dat de formele bestuursleden ervan uitgingen dat dat goed ging. Er is geen controle uitgeoefend op de juistheid van de administratie. De accountant heeft de fouten blijkbaar pas in 2013 gecorrigeerd. De rechtbank acht aannemelijk dat het niet in 2011 opnemen van de facturen in de administratie en het als gevolg daarvan doen van onjuiste aangiften omzetbelasting over 2011 aan de grove schuld van degene die de administratie bijhield is te wijten. Die grove schuld moet worden toegerekend aan [Stichting] . De uitzondering van artikel 7, tweede lid, van het Uitvoeringsbesluit Invorderingswet 1990 is dan niet van toepassing.

2.16.

Derhalve geldt de hoofdregel dat de betalingsonmacht had moeten worden gemeld binnen twee weken na het ontstaan daarvan, dus uiterlijk 14 februari 2012. De betalingsonmacht is dan niet tijdig gemeld zodat het uitgangspunt geldt dat belanghebbende als bestuurder van [Stichting] niet wordt toegelaten tot het weerleggen van het vermoeden dat de niet-betaling aan hem is te wijten, tenzij hij aannemelijk maakt dat het niet aan hem te wijten is dat niet aan de meldingsplicht is voldaan (artikel 36, vierde lid, van de IW 1990). Het niet uitoefenen van controle op degene die de administratie deed (zie 2.15), is weliswaar onvoldoende voor het oordeel dat het niet tijdig melden aan belanghebbende als bestuurder te wijten is, maar dat geldt alleen indien de bestuurder degene die de administratie deed voor voldoende deskundig mocht houden en hij aan diens zorgvuldige taakvervulling niet hoefde te twijfelen (Hoge Raad 25 maart 2016, nr. 15/02764, ECLI:NL:HR:2016:480). De bewijslast daarvoor rust op belanghebbende. Over de derde die de administratie deed is noch in de stukken, noch ter zitting iets gezegd. De rechtbank is van oordeel dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat niet aan hem te wijten is dat [Stichting] niet aan haar meldingsplicht heeft voldaan.

2.17.

Belanghebbende heeft gesteld dat hij ten tijde van het opleggen van de naheffingsaanslag geen bestuurder meer was van [Stichting] zodat hij wel degelijk tot weerlegging van het vermoeden dat het niet tijdig betalen niet aan hem te wijten is, moet worden toegelaten (artikel 36, zesde lid, van de IW 1990). Artikel 36, zesde lid, van de IW 1990 houdt in dat een bestuurder die geen bestuurder meer is op het moment dat voldaan moest worden aan de meldingsplicht, zonder meer wordt toegelaten tot het weerleggen van het vermoeden van artikel 36, vierde lid, van de IW 1990 (Hoge Raad 4 februari 2011, nr. 10/01660, ECLI:NL:HR:2011:BP2998). Belanghebbende is van [datum] 2010 tot [datum] 2012 bestuurder van [Stichting] geweest. Dit betekent dat hij geen bestuurder was ten tijde van het ontstaan van de formele belastingschuld met betrekking tot de naheffingsaanslag 2011. Echter, de belasting over het tijdvak 2011 diende uiterlijk 31 januari 2012 op aangifte te worden voldaan (artikel 19, eerste lid, van de AWR) en, zoals in 2.16 is overwogen, had de betalingsonmacht uiterlijk twee weken daarna moeten worden gemeld, dus uiterlijk 14 februari 2012. Belanghebbende was zowel ten tijde van het ontstaan van de materiële belastingschuld als op de datum waarop de betalingsonmacht moest worden gemeld bestuurder van [Stichting] , zodat de regeling van artikel 36, zesde lid, van de IW 1990 voor hem niet geldt. Hij wordt dus niet toegelaten tot het weerleggen van het vermoeden dat de niet-betaling aan hem is te wijten.

2.18.

Het vorenoverwogene leidt tot de conclusie dat belanghebbende terecht aansprakelijk is gesteld voor de naheffingsaanslag omzetbelasting over 2011. Dat geldt dan ook voor de heffingsrente voor zover het belopen daarvan aan belanghebbende is te wijten. Naar het oordeel van de rechtbank had belanghebbende als medebestuurder er zorg voor moeten dragen dat de administratie werd gecontroleerd. Nu belanghebbende geen enkele controle heeft uitgeoefend op de administratie en er ook niet voor heeft gezorgd dat een ander bestuurslid dat deed, is het naar het oordeel van de rechtbank mede aan belanghebbende te wijten dat de belastingschuld niet in 2011 of 2012 is voldaan maar pas veel later is vastgesteld in de naheffingsaanslag en dat daarbij heffingsrente verschuldigd is geworden.

De naheffingsaanslag 2013

2.19.

De rechtbank zal in het midden laten of [Stichting] op grond van het bepaalde in artikel 6 van de Wet Vpb 1969 (tekst 2013) in 2013 was vrijgesteld van vpb, omdat de aansprakelijkheid reeds moet vervallen op grond van het hierna overwogene.

2.20.

De naheffingsaanslag over het tijdvak 1 januari 2013 tot en met 30 juni 2013 is opgelegd omdat en voor zover [Stichting] niet binnen twee jaar na 5 mei 2011 het op de factuur van die datum verschuldigde bedrag had betaald. Artikel 29, tweede lid, van de Wet OB 1968 bepaalt dat, bij niet betaling van een vergoeding, de daarover afgetrokken voorbelasting verschuldigd wordt op het tijdstip waarop redelijkerwijs moet worden aangenomen dat het bedrag niet zal worden betaald. De uiterste termijn daarvoor wordt gesteld op twee jaren na de opeisbaarheid van de vergoeding, voor zover deze nog niet is voldaan.

2.21.

De inspecteur heeft de naheffingsaanslag gebaseerd op het verstrijken van die twee jaren. Blijkens de factuur van 5 mei 2011 gold echter een betalingstermijn van 90 dagen. De vordering is dan opeisbaar geworden op 5 mei 2011 plus 90 dagen, derhalve op 3 augustus 2011. De uiterste termijn waarop redelijkerwijs moet worden aangenomen dat het bedrag niet meer zal worden betaald is dan 3 augustus 2013, derhalve later dan 30 juni 2013. Dit betekent dat de naheffingsaanslag is opgelegd over een onjuist tijdvak en moet worden vernietigd (Hoge Raad 22 mei 1991, nr. 26 960, BNB 1991/209).

2.22.

De ontvanger heeft een creditfactuur overgelegd van [D BV] aan [Stichting] gedateerd 24 juni 2011 met daarop dezelfde bedragen als vermeld op de factuur van 5 mei 2011. Door belanghebbende is de ontvangst van deze creditfactuur betwist. Voor zover de ontvanger met het overleggen van die creditfactuur aannemelijk wil maken dat door de aanwezigheid van deze creditfactuur [Stichting] op 24 juni 2011 al wist dat de factuur van 5 mei 2011 niet meer betaald zou (hoeven te) worden, kan daaraan niet de gevolgtrekking worden verbonden dat belanghebbende terecht aansprakelijk is gesteld voor de naheffingsaanslag over het tijdvak 1 januari 2013 tot en met 30 juni 2013. De naheffingsaanslag had in dat geval moeten worden opgelegd over het desbetreffende tijdvak in 2011 en dat is niet gebeurd.

2.23.

Gelet op het vorenstaande moet het bedrag waarvoor belanghebbende aansprakelijk is gesteld worden verminderd tot € 13.641 plus € 642 (zie voor deze bedragen 2.1) is € 14.283.

2.24.

De rechtbank vindt aanleiding de ontvanger te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld voor de reis- en verblijfskosten van belanghebbende op een bedrag van € 21,40 en voor de verletkosten op € 34,62 (zijnde 3 uren voor het bijwonen van de zitting en reistijd, rekening houdend met een netto salaris van € 2.000 per maand). Er vindt geen kostenveroordeling voor de bezwaarfase plaats, nu niet aannemelijk is geworden dat belanghebbende om vergoeding van deze kosten heeft verzocht voordat, zoals is vereist op grond van artikel 7:15, derde lid, van de Awb, uitspraak op bezwaar is gedaan.

Deze uitspraak is gedaan op 5 april 2016 door mr. M.W.C. Soltysik, voorzitter,

mr. A.F.M.Q. Beukers-van Dooren en mr. W.A.P. van Roij, rechters, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. W.C.C. Koreman-de Bok, griffier.

De griffier, De voorzitter,

Wegens verhindering van de voorzitter is het proces-verbaal van de uitspraak ondertekend door mr. A.F.M.Q. Beukers-van Dooren, rechter.

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Aan deze uitspraak hoeft eerst uitvoering te worden gegeven als de uitspraak onherroepelijk is geworden. De uitspraak is onherroepelijk als niet binnen zes weken na verzending van de uitspraak een rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtsmiddel is beslist (artikel 27h, derde lid en artikel 28, zevende lid AWR).

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583,

5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.

Voor burgers is het mogelijk hoger beroep digitaal in te stellen. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van de formulieren op Rechtspraak.nl / Digitaal loket bestuursrecht.