Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2016:2283

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
11-04-2016
Datum publicatie
14-04-2016
Zaaknummer
02/312656/HA RK 16-43
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

Wraking

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Wrakingskamer

Locatie: Breda

Procedurenummer: 02/312656/HA RK 16-43

Beslissing van 11 april 2016 inzake het wrakingsverzoek ex artikel 36 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid “RECREATIEPARK FORT ORANJE B.V.”,

gevestigd te Rijsbergen,

verder te noemen verzoekster,

gemachtigde mr. Pols.

1 Procesverloop

Het verloop van de procedure blijkt onder meer uit:

  • -

    de processtukken zoals opgenomen in het procesdossier van de hierna te noemen zaak, waar onder het proces-verbaal van de op 7 maart 2016 gehouden zitting in kort geding ten overstaan van de kantonrechter mr. Zander. In dit proces-verbaal is opgenomen het namens verzoekster op die zitting tegen de kantonrechter gedaan mondeling wrakingsverzoek;

  • -

    de brief van de gemachtigde van verzoekster van 29 maart 2016;

  • -

    de brief van mr. Hoogland, gemachtigde van [naam eiser] , eiser in de hierna te noemen procedure, van 31 maart 2016, en

  • -

    de mondelinge behandeling van het verzoek door de wrakingskamer op 4 april 2016, waarbij zijn verschenen mr. Pols, mr. Zander en mr. Hoogland, allen voornoemd.

2 Het verzoek

2.1.

Het verzoek strekt tot wraking van mr. Zander, hierna te noemen de kantonrechter, belast met de behandeling van de kort gedingprocedure van [naam eiser] als eiser tegen verzoekster als gedaagde (procedurenummer 4815553 VV-EXPL 16-20).

2.2.

De kantonrechter berust niet in het verzoek tot zijn wraking.

3 De feiten en de gronden voor wraking

3.1.

[naam eiser] vordert bij dagvaarding bij wege van voorlopige voorziening de afgifte door verzoekster van een door hem gekochte woonwagen, zich bevindende op het recreatieterrein van verzoekster, zulks op verbeurte van een dwangsom.

3.2.

Op 7 maart 2016 heeft de behandeling van het kort geding plaatsgevonden. Tijdens die behandeling heeft verzoekster de kantonrechter gewraakt.

3.3.

Verzoekster beroept zich in de procedure primair op een retentierecht, welk recht zij baseert op een volgens haar bestaande vordering op de voormalige eigenaar van de woonwagen, [naam x] , ter zake van een vanaf 2013 onbetaald gebleven aanzienlijk deel van de huurpenningen en de kosten voor het door deze van verzoekster gehuurde perceel. [naam eiser] betwist dit retentierecht.

3.4.

Blijkens het van de zitting opgemaakte proces-verbaal heeft de kantonrechter ter zitting opgemerkt dat in de door verzoekster met betrekking tot haar vordering overgelegde stukken (facturen en dergelijke) ook andere namen voorkomen en heeft vervolgens gevraagd of er een vordering is van verzoekster op [naam x] .

3.5.

Volgens het proces-verbaal heeft hierop de gemachtigde van verzoekster het volgende verklaard: “Mr. Pols merkt op dat de andere naam de vorige eigenaar is. Verder stelt mr. Pols dat we het in dit kort geding niet moeten hebben over de vraag of Fort Oranje een vordering op [naam x] heeft. De schuldenaar ( [naam x] ) is er immers niet bij. Het behandelen van die vraag in dit kort geding zou duiden op vooringenomenheid en dan zou ik een wrakingsverzoek moeten indienen”.

3.6.

Het proces-verbaal vermeldt verder dat de kantonrechter vervolgens heeft gevraagd wat dan de grond zou zijn van het wrakingsverzoek, waarop mr. Pols heeft geantwoord: “U wilt het bestaan van de vordering bespreken, terwijl de schuldenaar er niet is”. De gemachtigde van verzoekster bevestigt vervolgens dat hij een wrakingsverzoek indient.

3.7.

Bij zijn brief van 29 maart 2016 heeft de gemachtigde van verzoekster aangevoerd dat sprake is van een onjuiste weergave in het proces-verbaal van wat ter zitting is verklaard. In zijn brief geeft de gemachtigde zijn eigen relaas over het verloop van de zitting en heeft hij de kantonrechter verzocht om tot verbetering van het proces-verbaal over te gaan

3.7.

Bij gelegenheid van de behandeling van het wrakingsverzoek heeft de gemachtigde van verzoekster nog aangevoerd, dat de achterliggende reden van het wrakingsverzoek moet worden gevonden in de omstandigheid dat door het door verzoekster ervaren negatieve verloop van een aantal eerdere procedures bij de rechtbank Zeeland-West-Brabant, haar vertrouwen in de rechtbank ernstig is geschaad. Ook nu ervaart verzoekster dat deze procedure in een bepaalde richting wordt geduwd.

4 Het standpunt van de kantonrechter

4.1.

De kantonrechter voert aan dat de inhoud van het proces-verbaal een zakelijk weergave betreft van wat ter zitting is voorgevallen. De daarin opgenomen grond voor zijn wraking betreft een letterlijke weergave van wat door de gemachtigde van verzoekster daartoe is aangevoerd. Volgens de kantonrechter staat het hem niet vrij om, zolang op het wrakingverzoek niet is beslist, op het verzoek van de gemachtigde tot verbetering van het proces-verbaal in te gaan, zo daarvoor overigens al aanleiding bestaat. Om deze reden heeft hij het verzoek tot verbetering tot nu toe onbeantwoord gelaten.

4.2

Nu verzoekster aan haar retentierecht een vordering op de voormalige eigenaresse van de woonwagen, [naam x] , ten grondslag heeft gelegd, behoort die vordering volgens de kantonrechter door hem in het kader van een voorlopig oordeel van de bij kort geding gevorderde afgifte van die woonwagen te worden getoetst. Niet valt in te zien dat hij met het in dat kader bespreken van de vordering buiten de aanwezigheid van [naam x] blijk heeft gegeven jegens verzoekster vooringenomen te zijn. Het wrakingsverzoek behoort dan ook in zijn opvatting te worden afgewezen.

5 Het standpunt van [naam eiser]

De gemachtigde van [naam eiser] verwijst naar zijn brief van 31 maart 2016, waarin hij de juistheid van de inhoud van het proces-verbaal van de zitting van 7 maart 2016 bevestigt. Wat betreft het wrakingsverzoek heeft deze gemachtigde geen opmerkingen.

6 De beoordeling en de gronden daarvoor

6.1.

Ingevolge artikel 36 Rv kan op verzoek van een partij elk van de rechters die een zaak behandelen worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.

6.2.

Daarbij moet voorop worden gesteld, dat bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter als uitgangspunt dient, dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling wordt vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich een uitzonderlijke omstandigheid voordoet die een zwaarwegende aanwijzing oplevert dat een rechter ten aanzien van een partij een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij die partij daarvoor bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is.

6.3.

In het onderhavige geval is voor die beoordeling niet relevant de beantwoording van de vraag of het proces-verbaal van de zitting van de kantonrechter op de punten als in de brief van de gemachtigde van verzoekster is aangegeven, onjuistheden bevat. Overigens wijkt het proces-verbaal in essentie daar niet van af; de in die brief genoemde punten betreffen louter aanvullingen van niet cruciale aard. Ook al zou moeten worden uitgegaan van een weergave als in die brief genoemd, dan nog blijft de kern van het wrakingsverzoek het standpunt van verzoekster, dat met de bespreking door de kantonrechter van de vordering waarop verzoekster haar retentierecht baseert buiten aanwezigheid van de schuldenaar, blijk is gegeven van vooringenomenheid.

6.4.

Verzoekster kan echter hierin niet worden gevolgd. Met de kantonrechter moet worden vastgesteld dat het bespreken van die vordering ter zitting in kort geding in het kader van een voorlopige toetsing van het door verzoekster als verweer aangevoerde retentierecht geheel in de rede lag, ook al vond dit plaats buiten aanwezigheid van de schuldenaar [naam x] . Zou het standpunt van verzoekster moeten worden gevolgd, dan zou dit betekenen dat de kantonrechter het bestaan van die vordering en daarmee het retentierecht voetstoots dient aan te nemen, dan wel in ieder geval [naam x] als getuige dient te horen, hetgeen in een kort gedingprocedure niet gebruikelijk is.

Niet valt dan ook in te zien dat de kantonrechter met het ter sprake brengen van die vordering zonder dat daarbij de schuldenaar aanwezig was, jegens verzoekster van vooringenomenheid blijk heeft gegeven.

6.5.

Het door verzoekster nog aangevoerde, overigens niet nader onderbouwde argument dat door haar eerdere proceservaringen haar vertrouwen in de rechtbank Zeeland-West-Brabant ernstig is geschaad, is niet specifiek toegespitst op de kantonrechter, maar heeft betrekking op andere rechters, zo niet op alle rechters van de rechtbank.

Volgens vaste jurisprudentie kan daarin geen gerechtvaardigde wrakingsgrond worden gevonden.

6.6.

Dit betekent dat het wrakingsverzoek behoort te worden afgewezen.

7 De beslissing

De rechtbank

wijst het verzoek tot wraking af;

bepaalt dat de behandeling van de zaak met procedurenummer 4815553 VV-EXPL 16-20 zal worden voortgezet in de stand waarin deze zich bevond ten tijde van de schorsing wegens de indiening van dit verzoek.

Deze beslissing is gegeven op 11 april 2016 door mrs. Poerink, Voorthuizen en Hopmans, in tegenwoordigheid van de griffier De Jong en in het openbaar uitgesproken.

--