Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2016:2263

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
12-04-2016
Datum publicatie
19-04-2016
Zaaknummer
AWB 15_3748
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Disciplinair ontslag. Eiser is betrokken geraakt bij een vechtpartij. De werkgever heeft hierover processen-verbaal van de politie gekregen. Er is geen sprake van onrechtmatig verkregen bewijs. Vier van de vijf verweten gedragingen zijn voldoende vast komen te staan. Er is sprake van toerekenbaar ernstig plichtsverzuim. De opgelegde straf van ontslag is niet onevenredig aan de aard en de ernst van het gepleegde plichtsverzuim.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 15/3748 AW

uitspraak van 12 april 2016 van de meervoudige kamer in de zaak tussen

[naam eiser] , te [plaats1] , eiser,

gemachtigde: mr. J.F. Dominicus,

en

het dagelijks bestuur van de Veiligheidsregio Zeeland, verweerder,

gemachtigde: mr. A. de Visser.

Procesverloop

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 20 april 2015 (bestreden besluit) van het dagelijks bestuur inzake het opleggen van de disciplinaire straf van ongevraagd ontslag.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden in Middelburg op 2 maart 2016. Deze zaak is gelijktijdig behandeld met de zaak van eisers broer [naam broer] ( [zaaknummer] . Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Het dagelijks bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, [naam vertegenwoordiger1] en [naam vertegenwoordiger2] .

Overwegingen

1. Op grond van de stukken en de behandeling ter zitting gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Eiser was sinds 1998 werkzaam bij (de rechtsvoorganger van) de Veiligheidsregio Zeeland als brandweervrijwilliger. Daarnaast was hij sinds 1 februari 2000 in dienst van (de rechtsvoorganger van) de Veiligheidsregio Zeeland, laatstelijk in de functie van Medewerker operationele voorbereiding.

Hij is in de nacht van 19 op 20 april 2014 (samen met zijn broer) betrokken geraakt bij een vechtpartij in het centrum van [plaats1] , waarna hij door de politie is aangehouden. De waarnemend districtschef van de politie heeft hiervan melding gedaan bij de Veiligheidsregio. Daarnaast heeft de officier van justitie de Veiligheidsregio in het bezit gesteld van enkele processen-verbaal uit het politiedossier. Naar aanleiding van deze meldingen heeft er op 30 april 2014 een gesprek plaatsgevonden tussen eiser en (onder meer) zijn leidinggevende. Het dagelijks bestuur heeft vervolgens besloten om een nader onderzoek in te stellen.

Bij brief van 28 mei 2014 heeft het dagelijks bestuur aan eiser meegedeeld dat het van plan is om eiser de disciplinaire straf van ontslag op te leggen. Eiser heeft gebruik gemaakt van de mogelijkheid om zijn zienswijze op dit voornemen in te dienen.

Bij besluit van 23 oktober 2014 (primair besluit) heeft het dagelijks bestuur aan eiser de disciplinaire straf van ongevraagd ontslag opgelegd, met onmiddellijke ingang.

Bij het bestreden besluit heeft het dagelijks bestuur de bezwaren van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard, onder verwijzing naar het advies van de commissie bezwaarschriften [plaats2] .

2. Het dagelijks bestuur stelt zich in het bestreden besluit, samengevat, op het volgende standpunt. Eiser kan niet worden gevolgd in zijn stelling dat de processen-verbaal moeten worden aangemerkt als onrechtmatig verkregen bewijs. Het dagelijks bestuur heeft in deze stukken aanleiding kunnen zien tot het instellen van een nader onderzoek. Eiser heeft zich schuldig gemaakt aan (zeer) ernstig plichtsverzuim. Het dagelijks bestuur legt hieraan vijf gedragingen ten grondslag: (1) Eiser heeft zich niet onttrokken aan een vechtpartij. (2) Hij heeft niet of onvoldoende de-escalerend opgetreden. (3) Hij heeft niet of onvoldoende meegewerkt toen de politie arriveerde. (4) Hij heeft schade toegebracht aan dienstvoertuigen. (5) Hij heeft na de gebeurtenissen niet ten spoedigste uit eigen beweging melding gemaakt van het incident bij zijn werkgever. De gedragingen kunnen aan eiser worden toegerekend. De opgelegde disciplinaire straf van ongevraagd ontslag is niet onevenredig aan het gepleegde plichtsverzuim, aldus het dagelijks bestuur.

3. Eiser voert in beroep, samengevat, het volgende aan. Er is niet gemotiveerd waarom de Veiligheidsregio beschikte over de processen-verbaal van de politie. Eiser gaat er daarom van uit dat er sprake is van onrechtmatig verkregen bewijs. Eiser is niet in de gelegenheid gesteld om het incident te melden. Het dagelijks bestuur heeft onzorgvuldig gehandeld door de procedureregels niet te volgen. Het dagelijks bestuur heeft onvoldoende onderzoek gedaan naar de feiten en is ten onrechte afgegaan op de inhoud van de processen-verbaal. Geen van de gedragingen die eiser worden verweten, staat vast. Er is geen sprake van (ernstig) plichtsverzuim. Er is sprake van een onzorgvuldige belangenafweging. Er is niet gemotiveerd waarom er niet voor een lichtere straf is gekozen.

4. Op grond van artikel 8:13 van de CAR-UWO kan aan de ambtenaar als disciplinaire straf ongevraagd ontslag worden verleend.

Artikel 16:1:1 van de CAR-UWO luidt als volgt:

1. De ambtenaar die de hem opgelegde verplichtingen niet nakomt of zich overigens aan plichtsverzuim schuldig maakt dan wel bij herhaling aanleiding geeft tot toepassing te zijnen aanzien van maatregelen van inhouding, beslag of korting, als bedoeld in de tweede titel van de Ambtenarenwet, kan deswege disciplinair worden gestraft.

2. Plichtsverzuim omvat zowel het overtreden van enig voorschrift als het doen of nalaten van iets dat een goed ambtenaar in gelijke omstandigheden behoort na te laten of te doen.

Artikel 19:38 van de CAR-UWO luidt als volgt:

1. De vrijwilliger die zich aan plichtsverzuim schuldig maakt, kan disciplinair worden gestraft.

2. Plichtsverzuim omvat zowel het overtreden van een voorschrift als het overigens doen of nalaten van iets dat een goed vrijwilliger in gelijke omstandigheden behoort na te laten of te doen.

Op grond van artikel 19:39, eerste lid, aanhef en onder d, van de CAR-UWO kan de disciplinaire straf van ongevraagd ontslag worden opgelegd.

Gebruik processen-verbaal

5. Eiser heeft aangevoerd dat er ten aanzien van de processen-verbaal sprake is van onrechtmatig verkregen bewijs. Eiser heeft daarbij verwezen naar een uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 13 juni 2013 (ECLI:NL:RBROT:2013:CA3079).

6. In het ambtenarentuchtrecht geldt dat het gebruik van bewijsmiddelen slechts dan niet is toegestaan indien deze zijn verkregen op een wijze die zozeer indruist tegen hetgeen van een behoorlijk handelende overheid mag worden verwacht dat dit gebruik onder alle omstandigheden ontoelaatbaar moet worden geacht.

De rechtbank is van oordeel dat aan deze maatstaf in dit geval niet is voldaan. De Veiligheidsregio is door de waarnemend districtchef van de politie geïnformeerd over het incident en de rol van eiser in dit incident. Het initiatief van dit contact ligt dus bij de politie. Vervolgens heeft de officier van justitie de Veiligheidsregio in het bezit gesteld van enkele processen-verbaal uit het politiedossier. Uit het dossier komt niet duidelijk naar voren of dit op verzoek van de Veiligheidsregio is gebeurd. De rechtbank acht dit ook niet relevant. De rechtbank ziet namelijk niet in dat het onrechtmatig of onbehoorlijk zou zijn dat het dagelijks bestuur in de melding van de politie aanleiding heeft gezien om een nader onderzoek in te stellen. Zie in dit verband ook de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 25 oktober 2012 (ECLI:NL:CRVB:2012:BY1275). Het beroep van eiser kan op dit punt dan ook niet slagen.

Ten overvloede overweegt de rechtbank dat de door eiser aangehaalde uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 13 juni 2013 in hoger beroep geen stand heeft gehouden (zie de uitspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven van 9 juli 2015, ECLI:NL:CBB:2015:193).

Procedurefouten

7. Eiser heeft gesteld dat er procedurefouten zijn gemaakt rondom het verantwoordingsgesprek van 30 april 2014. Zo is eiser van mening dat het verantwoordingsgesprek ten onrechte niet is aangekondigd, is het plichtsverzuim niet nader omschreven en is het verslag niet tijdig opgemaakt.

8. Het dagelijks bestuur heeft zich in het verweerschrift op het standpunt gesteld dat het gesprek van 30 april 2014 geen verantwoordingsgesprek is in de zin van artikel 16:1:3 van de CAR-UWO.

9. Artikel 16:1:3, eerste lid, van de CAR-UWO luidt als volgt:

De verantwoording door de ambtenaar geschiedt, indien deze niet schriftelijk plaatsvindt, ten overstaan van het college of ten overstaan van een door het college aangewezen vertegenwoordiger. De verantwoording vindt niet eerder dan 6 maal 24 uur en niet later dan 12 maal 24 uur plaats. Op verzoek van de ambtenaar kan van deze termijn worden afgeweken.

De toelichting op dit artikel luidt als volgt:

Voordat een ambtenaar een straf wordt opgelegd, wordt het voornemen tot strafoplegging de ambtenaar schriftelijk meegedeeld. Betrokkene dient allereerst te worden gehoord om zijn zienswijze kenbaar te kunnen maken. Het gaat hier immers om een besluit waar de ambtenaar niet om gevraagd heeft en waar hij naar verwachting bezwaar tegen zal hebben, waarbij de beschikking zal steunen op gegevens of feiten die de ambtenaar betreffen en die hij niet zelf heeft verstrekt. Artikel 16:1:3 kan begrepen worden als een uitwerking van de hoorprocedure ingevolge de Awb (artikel 4:8).

Dit horen kan pas plaatsvinden na een afkoelingsperiode van zes dagen en kan niet later gebeuren dan na twaalf dagen na ontvangst van de schriftelijke mededeling waarin het voornemen tot het opleggen van een disciplinaire straf wordt aangekondigd.

10. De rechtbank stelt vast dat in het dossier meerdere malen wordt gesproken van een ‘verantwoordingsgesprek’ van 30 april 2014. Naar het oordeel van de rechtbank kan dit gesprek echter niet worden aangemerkt als een verantwoordingsgesprek in de zin van artikel 16:1:3 van de CAR-UWO. Uit de toelichting bij dit artikel blijkt immers dat het bij een verantwoordingsgesprek gaat om een zienswijzegesprek naar aanleiding van een voornemen tot strafoplegging. Hiervan was op 30 april 2014 echter nog geen sprake. Het beroep van eiser kan op dit punt dan ook niet slagen.

Nu er geen sprake is van een verantwoordingsgesprek in de zin van artikel 16:1:3 van de CAR-UWO behoeven de overige onder rechtsoverweging 8 genoemde gronden geen bespreking meer.

Onvoldoende onderzoek

11. Eiser heeft aangevoerd dat het dagelijks bestuur onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar de feiten. Volgens eiser is het dagelijks bestuur alleen afgegaan op de inhoud van de processen-verbaal, terwijl eiser in gesprekken met het dagelijks bestuur anders heeft verklaard en de processen-verbaal pas (zeer) lange tijd na het incident zijn opgemaakt. Het dagelijks bestuur heeft ten onrechte geen eigen onderzoek gedaan door bijvoorbeeld de andere betrokkenen te horen, aldus eiser.

12. De rechtbank stelt vast dat het dagelijks bestuur op verzoek van eiser het volledige politiedossier heeft opgevraagd. Hierin zitten verklaringen van politieagenten, eiser en zijn broer, vrienden, andere betrokkenen, en getuigen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het dagelijks bestuur zich op basis van al die verklaringen een goed beeld kunnen vormen van wat er in de bewuste nacht heeft plaatsgevonden. Daarnaast heeft eiser zelf ook nog verklaringen ingebracht. Die verklaringen zijn aan het dossier toegevoegd en zijn derhalve betrokken bij de besluitvorming.

Daarnaast stelt de rechtbank vast dat het merendeel van de processen-verbaal kort na het incident is opgemaakt. Eiser heeft echter op 20 mei 2014 aangifte gedaan van eenvoudige mishandeling tegen politieagenten die bij zijn aanhouding waren betrokken. Naar aanleiding van die aangifte zijn in juli 2014 nog enkele politieagenten gehoord. De enkele omstandigheid dat die processen-verbaal pas enkele maanden na het incident zijn opgemaakt, maakt niet dat reeds daarom kan worden getwijfeld aan de inhoud daarvan. De rechtbank acht daarbij van belang dat de inhoud van die later opgemaakte processen-verbaal ook overeenkomt met dan wel aansluit op de eerdere processen-verbaal die kort na het incident zijn opgemaakt. De rechtbank is bovendien niet gebleken dat het dagelijks bestuur alleen van die later opgemaakte processen-verbaal is uitgegaan.

Naar het oordeel van de rechtbank is van een onzorgvuldig onderzoek dan ook niet gebleken, waardoor het beroep van eiser ook op dit punt niet kan slagen.

Plichtsverzuim

13. De rechtbank stelt vast dat het dagelijks bestuur eiser disciplinair heeft ontslagen omdat hij zich schuldig zou hebben gemaakt aan zeer ernstig plichtsverzuim. De rechtbank dient te beoordelen of de aan eiser verweten gedragingen voldoende vast zijn komen te staan.

14. De rechtbank overweegt dat uit het dossier naar voren komt dat eiser, met zijn broer en een groep vrienden, op 19 april 2014 ’s avonds de stad is ingegaan. Eisers broer heeft vervolgens in een eetgelegenheid een voor hem onbekende man aangesproken op zijn gedrag. Daarna is eisers broer naar buiten gelopen en heeft buiten de eetgelegenheid staan praten met eiser en hun vriendengroep. Eisers broer heeft vervolgens van die onbekende man een elleboogstoot gekregen. Dit is niet tussen partijen in geding.

(1) Het zich niet onttrekken aan een vechtpartij en (2) het niet of onvoldoende de-escalerend optreden

15. Eiser heeft over het vervolg – nadat zijn broer de elleboogstoot heeft gekregen – onder meer het volgende verklaard:

“Die 1e jongen liep door. De tweede jongen wou er ook langs. Ik zag dat mijn broer met zijn bovenlichaam naar achter bewoog. […] Dan gaat het los, ik zag dat die eerste jongen zich omdraaide. Ik denk dat hij 3 tot 4 stappen bij ons vandaan stond. Ik denk dat we allebei op elkaar afgingen. Ik probeerde een ruzie te voorkomen, het ging zo snel. Ik pakte die eerste man bij zijn jas. Ik zei tegen hem, je wilt toch niet echt problemen, wees nou verstandig. Ik had hem vast en keek achterom naar mijn broer en toen ik met mijn gezicht terugdraaide kreeg ik een slag in mijn gezicht van die jongen. […] Als ik geslagen wordt dan mag ik mezelf verdedigen en dan krijgt hij ook klapjes en die heeft hij ook gehad. […] Ik heb de klappen niet geteld, ik heb hem met mijn vuist geslagen, ik sloeg op alles wat in de buurt kwam. […] Ik voelde al het bloed over mijn gezicht en ik was pislink. Mijn broer en ik zagen elkaar. Hij vroeg mij, wie heeft dit gedaan. Ik zei, die kale daar. Ik zag mijn broer naar die kale toe gaan. Ik heb me los gewurmd van mijn vrienden die me vasthielden en toen ben ik achter die kale aan gerend. Ik zag dat die kale man samen met mijn broer op de [naam adres1] stonden. […] Ik ben er naartoe gelopen en toen is die kale de [naam adres1] ingerend […]. Die kale wou kennelijk wegrennen. Ik zei niet wegrennen want dan kom ik nog achter je aan.” (politiedossier, pagina 92)

De verklaring van eiser wordt op dit punt (onder meer) ondersteund door [naam persoon1 1] (politiedossier, pagina 40) en zijn broer (politiedossier, pagina 105/106).

16. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het dagelijks bestuur zich op basis van eisers verklaringen op het standpunt kunnen stellen dat eiser de verweten gedragingen 1 en 2 heeft gepleegd.

(3) Het niet of onvoldoende meewerken toen de politie arriveerde

17. Op enig moment is de politie ten tonele verschenen. Over wat er daarna is voorgevallen, heeft eiser onder meer als volgt verklaard:

“Er begon een biker aan me te trekken. […] De agent zei tegen mij, je gaat mee naar het bureau en ik zei dat is prima maar die (kale) gaat ook mee. […] Ik werd door de biker op de grond gedrukt. Ik zei nog dat ik gewoon meeging. Ik had het stront benauwd. Hij zat met zijn knie in mijn rug. Ik zei, ik ga met jullie mee maar hij vond het blijkbaar stoerder om me zo vast te houden.” (politiedossier, pagina 92/93)

In zijn schriftelijke zienswijze van 30 mei 2014 heeft eiser onder meer het volgende verklaard:

“Het verzet waarop u doelt blijkt enkel en alleen uit een eenzijdig verhaal opgemaakt door agent [naam verbalisant1] . […] Het verzet bestond slechts uit een armbeweging welke ik maakte omdat men begon te trekken aan mij. […] Het verzet waarover wordt gesproken kwam voort uit het feit dat ik door mijn verwondingen geen adem halen kon, daarom ook had ik gevraagd of men mij even met rust wilde laten. […] Ik heb heel duidelijk vanaf het moment dat er door een agent werd geroepen ‘aanhouden die hap’ met beide armen naar achter gestrekt geroepen ‘prima in welke auto moet ik’. Ook heb ik diverse malen aangegeven aan aanwezige politiebeambte dat ik rustig mee zou gaan met hun, zeker met hun geen strijd wilden leveren […].

Eiser stelt zich derhalve op het standpunt dat hij heeft meegewerkt nadat de politie was gearriveerd. Eisers stelling komt echter niet overeen met de verklaringen van verbalisant [naam verbalisant2] (politiedossier, pagina 11) en verbalisant [naam verbalisant1] (politiedossier, pagina 16/17). Zo heeft verbalisant [naam verbalisant2] onder meer het volgende verklaard:

“Vervolgens voegde ik, verbalisant [naam verbalisant2] , mij bij verbalisant [naam verbalisant3] en pakte ik [eiser] vast teneinde zijn gevecht met [naam persoon1 ] te staken. [Eiser] werd meerdere malen gesommeerd zich rustig te houden. Ik, verbalisant [naam verbalisant2] , zag en hoorde dat [eiser] steeds bozer werd en telkens trachtte zich te bewegen in de richting van [naam persoon1 ] . Hierop werd [eiser] medegedeeld dat hij was aangehouden ter zake het plegen van openlijke geweldpleging. Ik, verbalisant [naam verbalisant2] , pakte [eiser] hierop vast bij zijn arm. Ik zag dat collega [naam verbalisant1] zich bij mij voegde. Ik zag dat collega [naam verbalisant1] , [eiser] vastpakte rondom zijn nek en hem op die manier naar de grond trachtte te brengen teneinde hem onder controle te krijgen. Ik hoorde dat collega [naam verbalisant1] meerdere malen tegen [eiser] zei dat hij zijn verzet diende te staken en medewerking diende te verlenen. Ik voelde dat [eiser] het verzet niet staakte en telkens zijn spieren spanden. Ik voelde dat hij zich in een andere richting wilde bewegen dan dat wij hem wilde brengen.”

Deze verklaring wordt (deels) bevestigd door verbalisant [naam verbalisant1] :

“Ik merkte en voelde dat [eiser] niet mee ging, maar een andere kant op bewoog als waar ik hem naartoe wilde brengen. Ik riep naar [eiser] dat hij zich moest kalmeren en mee moest werken, maar ik voelde dat [eiser] zich steeds meer begon te verzetten. Ik zag vervolgens dat [eiser] mij en mijn collega aanviel doordat hij ons trachtte vast te pakken. Tevens zag ik dat hij zijn vuisten balde en aanstalten maakte om te gaan slaan. Hierop heb ik bij [eiser] een nekklem aangebracht met als doel hem naar de grond te werken en hem zijn verzet te doen staken. Ik voelde dat [eiser] zichzelf nog steeds verzette en ik riep naar hem dat hij rustig moest worden. Ik hoorde dat [eiser] bleef schreeuwen dat hij niet mee wilde werken.”

18. Gelet op de verklaringen van verbalisanten [naam verbalisant2] en [naam verbalisant1] acht de rechtbank het voldoende aannemelijk dat eiser de verweten gedraging 3 heeft gepleegd. Ten eerste zijn deze verklaringen op ambtseed/ambtsbelofte opgemaakt, waardoor aan de inhoud van die verklaringen op voorhand een bijzondere waarde kan worden toegekend. Ten tweede komen de verklaringen op grote lijnen en in details met elkaar overeen, zodat voor de rechtbank geen aanleiding bestaat om aan de inhoud van de verklaringen te twijfelen. Dat eiser niet meewerkte bij zijn aanhouding, wordt bovendien ondersteund door de verklaring van [naam verbalisant4] (politiedossier, pagina 63). Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat het dagelijks bestuur zich ook op het standpunt heeft kunnen stellen dat eiser de verweten gedraging 3 heeft gepleegd.

(4) Het toebrengen van schade aan dienstvoertuigen

19. Tussen partijen is niet in geding dat eiser schade heeft toegebracht aan (in ieder geval) één dienstvoertuig. Ter zitting heeft het dagelijks bestuur verklaard dat het gaat om de gedraging op zich en niet om het aantal voertuigen waar eiser schade aan heeft toegebracht.

Nu eiser heeft erkend dat hij schade heeft toegebracht aan één dienstvoertuig, heeft het dagelijks bestuur zich op het standpunt kunnen stellen dat eiser de verweten gedraging 4 heeft gepleegd.

(5) Het niet ten spoedigste melden van het incident

20. Tussen partijen is niet in geding dat eiser in de periode tussen 20 april 2014 (datum incident) en 30 april 2014 (datum eerste werkdag daarna) het incident niet heeft gemeld bij zijn werkgever. Eiser heeft verklaard dat hij in verband met vakantie in het buitenland en op aanraden van zijn gemachtigde in de strafzaak, in combinatie met het feit dat het incident in de privétijd heeft plaatsgevonden, had besloten om zijn werkgever na zijn vakantie op de hoogte te stellen. Op de eerste werkdag heeft echter direct een gesprek plaatsgevonden met (onder meer) zijn leidinggevende, zodat eiser niet meer in de gelegenheid was om het incident zelf bij zijn werkgever te melden.

Naar het oordeel van de rechtbank kan eiser onder deze omstandigheden niet het verwijt worden gemaakt dat hij niet eerder melding heeft gemaakt van het incident. In zoverre slaagt het beroep van eiser.

Conclusie

21. Naar het oordeel van de rechtbank leveren de aan eiser verweten gedragingen 1 tot en met 4 zeer ernstig plichtsverzuim op.

Toerekenbaarheid

22. Bij de beantwoording van de vraag naar de toerekenbaarheid is niet alleen van belang of eiser ten tijde van zijn gedraging in staat was om de ontoelaatbaarheid daarvan in te zien (de "gewetensfunctie"), maar ook of eiser in staat was overeenkomstig dit inzicht te handelen en derhalve de gedraging achterwege te laten.

23. Eiser is van mening dat het plichtsverzuim hem niet (ten volle) kan worden toegerekend en heeft daartoe het volgende aangevoerd. Eiser werd aangevallen en heeft zich vervolgens verweerd bij de vechtpartij. Dit is volgens eiser een logische reflex op het moment dat je aangevallen wordt, omdat er op dat moment geen tijd is om na te denken over de meest handige reactie.

24. De rechtbank is niet gebleken dat het plichtsverzuim eiser niet ten volle kan worden toegerekend. Weliswaar heeft eiser het eerste lichamelijke contact niet geïnitieerd (de elleboogstoot tegen eisers broer), maar hij is in ieder geval vlak na de elleboogstoot op de andere partij afgegaan in plaats van dat hij zich uit de situatie heeft teruggetrokken. Juist dit moment heeft ervoor gezorgd dat een en ander ontaardde in een vechtpartij. Van het zich verweren bij een vechtpartij was op dat moment geen sprake.

Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat het zich verzetten bij zijn aanhouding en het vernielen van een dienstvoertuig ook aan eiser kan worden toegerekend.

25. Nu het plichtsverzuim aan eiser kan worden toegerekend, was het dagelijks bestuur bevoegd om aan eiser een disciplinaire straf op te leggen.

Evenredigheid disciplinaire straf

26. De rechtbank staat vervolgens voor de vraag of de opgelegde straf van ontslag onevenredig is aan de aard en de ernst van het gepleegde plichtsverzuim.

27. Eiser heeft in dit kader aangevoerd dat er door de politie buitensporig geweld is gebruikt, heeft gewezen op zijn lange en onberispelijke staat van dienst en heeft daarnaast dezelfde gronden aangevoerd als die hiervoor onder rechtsoverweging 23 zijn vermeld.

28. De rechtbank stelt vast dat er intern onderzoek is gedaan naar het politieoptreden die dag. De conclusie van het interne onderzoek is dat er sprake is geweest van rechtmatige geweldsaanwending door de politie. De rechtbank ziet geen aanleiding om die conclusie niet te volgen. Het beroep van eiser kan op dit punt dan ook niet slagen.

De rechtbank is van oordeel dat eiser een actieve rol heeft gehad bij (in ieder geval) het ontstaan van de vechtpartij. Dat de vechtpartij niet in de uitoefening van de functie gebeurde, is niet beslissend, aangezien van een ambtenaar mag worden verwacht dat hij ook buiten diensttijd geen nodeloos en wettelijk ongeoorloofd geweld pleegt. De omstandigheid dat eiser zich vervolgens heeft verzet bij zijn aanhouding en schade heeft toegebracht aan een dienstvoertuig, is eiser extra zwaar aan te rekenen. Juist van eiser, die zelf een hulpverlenende functie uitoefent, mag worden verwacht dat hij zich conformeert aan de aanwijzingen van in functie zijnde politieagenten en hen niet hindert bij de uitoefening van hun werkzaamheden. Door zich op de hiervoor geschetste wijze te gedragen, heeft eiser het in dit opzicht in hem te stellen vertrouwen ernstig beschaamd. De omstandigheid dat eiser tot dusverre goed heeft gefunctioneerd, maakt het incident niet minder ernstig.

Gelet op de aard en de ernst van het plichtsverzuim acht de rechtbank derhalve de opgelegde straf van onvoorwaardelijk strafontslag niet onevenredig aan dit verzuim.

29. Eiser heeft aangevoerd dat het dagelijks bestuur ten onrechte stelt dat eiser in de strafrechtelijke procedure niet akkoord is gegaan met een door het Openbaar Ministerie gedaan transactievoorstel. Volgens eiser is een dergelijk transactievoorstel nooit gedaan.

Wat daar ook van zij: de strafrechtelijke procedure staat los van onderhavige bestuursrechtelijke procedure. De rechtbank zal dan ook geen gevolgen verbinden aan de mogelijk onjuiste stellingname van het dagelijks bestuur op dit punt.

30. Voor zover eiser ter zitting nog een beroep heeft gedaan op het gelijkheidsbeginsel, overweegt de rechtbank dat er geen sprake is van gelijke gevallen. Het beroep van eiser kan op dit punt dan ook niet slagen.

Eindconclusie

31. Het beroep zal ongegrond worden verklaard.

32. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.S.M. van Bergen, voorzitter, en mr. R.P. Broeders en mr. W. Toekoen, leden, in aanwezigheid van E.C. Petrusma, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 12 april 2016.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.