Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2016:2149

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
08-04-2016
Datum publicatie
15-04-2019
Zaaknummer
AWB - 14 _ 6084
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank heeft deze uitspraak niet geselecteerd om gepubliceerd te worden. Op verzoek in deze uitspraak alsnog gepubliceerd. Derhalve is er geen samenvatting beschikbaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2019/1087
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Belastingrecht, enkelvoudige kamer

Locatie: Breda

Zaaknummer BRE 14/6084

uitspraak van 8 april 2016

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[belanghebbende] , wonende te [plaats] ,

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

de inspecteur.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De inspecteur heeft aan belanghebbende over het jaar 2010 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen opgelegd (hierna: IB/PVV), berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 51.999, waarbij € 544 heffingsrente is vastgesteld ( [aanslagnummer] .H.06).

1.2.

De inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar van 31 juli 2014 de aanslag gehandhaafd.

1.3.

Belanghebbende heeft daartegen bij brief van 30 september 2014, ontvangen bij de rechtbank op 8 oktober 2014, beroep ingesteld. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 45.

1.4.

De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.5.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 december 2015 te Breda. Aldaar zijn verschenen en gehoord, belanghebbende, en namens de inspecteur, [naam] en [naam] . De inspecteur heeft ter zitting een pleitnota overgelegd aan de rechtbank en aan belanghebbende. Belanghebbende heeft ter zitting een nader stuk overgelegd aan de rechtbank en aan de inspecteur. Voor het verhandelde ter zitting verwijst de rechtbank naar het proces-verbaal van de zitting dat op 23 december 2015 aan partijen is toegezonden.

1.6.

De rechtbank heeft het onderzoek geschorst en de inspecteur in de gelegenheid gesteld een nadere schriftelijke reactie in te dienen. De rechtbank heeft op 4 februari 2016 een nader stuk ontvangen van de inspecteur. Op 18 februari 2016 heeft de rechtbank een nader stuk van belanghebbende ontvangen. Partijen hebben vervolgens desgevraagd aangegeven dat een nader onderzoek ter zitting achterwege kan blijven. De rechtbank heeft bij brief van 5 april 2016 het onderzoek gesloten en een schriftelijke uitspraak aangekondigd.

2 Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast:

2.1.

Belanghebbende is in 2009 gescheiden. Hij woonde in 2010 in een woning in [plaats] , waarvan hij met zijn ex-echtgenote ieder voor de helft eigenaar was. De ex-echtgenote van belanghebbende is volgens de Gemeentelijke basisadministratie sinds 30 juni 2009 niet meer woonachtig in deze woning.

2.2.

Bij vonnis van 7 januari 2011 is onder meer vastgesteld dat tot het moment van de levering van de woning de aan de woning verbonden lasten, waaronder hypotheeklasten en de overige eigenaarslasten, voor rekening van belanghebbende komen en dat de ex-echtgenote van belanghebbende om die reden afziet van een gebruiksvergoeding.

2.3.

Belanghebbende heeft aangifte inkomstenbelasting gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 35.587. Naar aanleiding van de ingediende aangifte heeft de inspecteur belanghebbende om informatie gevraagd over de in de aangifte opgenomen aftrekposten met betrekking tot durfkapitaal en betaalde alimentatie.

2.4.

Met dagtekening 28 november 2013 is aan belanghebbende een definitieve aanslag opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 51.999. Daarin heeft de inspecteur de hypotheekrenteaftrek verminderd met € 5.489, het bedrag aan aftrekbare betaalde alimentatie verminderd met € 923 en de kwijtschelding durfkapitaal van € 10.000 gecorrigeerd.

3 Geschil

3.1.

In de beroepsfase hebben partijen overeenstemming bereikt over de fiscale gevolgen van de afwaardering van de vordering van belanghebbende op [A BV] Van die vordering kan € 50.000 in het onderhavige jaar ten laste van het belastbaar inkomen uit werk en woning worden gebracht. Tevens zijn partijen het erover eens dat ten aanzien van de hypotheekrenteaftrek de wet juist is toegepast. In geschil is uitsluitend nog het antwoord op de vraag of de door belanghebbende betaalde hypotheekrente niettemin volledig in aftrek kan worden gebracht omdat een andere uitkomst een onredelijke uitkomst ten aanzien van belanghebbende oplevert.

3.2.

Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken en ter zitting.

3.3.

Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en, naar de rechtbank begrijpt, vermindering van de aanslag tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van nihil en de vaststelling van een verrekenbaar verlies van € 3.490 (€ 1.999 minus € 5.489). De inspecteur concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vermindering van de aanslag tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 1.999.

4 Beoordeling van het geschil

Ambtshalve

4.1.

Partijen zijn het erover eens dat de uitspraak op bezwaar aanvankelijk met een onjuiste adressering is verzonden en belanghebbende de uitspraak derhalve eerst op 29 augustus 2014 heeft ontvangen. Zij achten het beroep derhalve tijdig en ontvankelijk. De rechtbank acht dit standpunt juist en volgt partijen daarin.

Het geschil

4.2.

Belanghebbende acht het onredelijk dat hij wel alle kosten van de eigen woning voor zijn rekening moet nemen maar dat de betaalde hypotheekrente slechts voor de helft aftrekbaar is. Belanghebbende wenst daarom de aftrek van het gehele bedrag aan betaalde hypotheekrente.

4.3.

De rechtbank constateert dat belanghebbende een aftrek aan hypotheekrente wenst die in strijd met de wet is maar volgens hem op grond van de redelijkheid moet worden verleend. De rechtbank verwerpt dit standpunt. De rechtbank is niet bevoegd op grond van redelijkheid en billijkheid een juiste wetstoepassing achterwege te laten. In artikel 11 van de Wet van 1829, Stb. 28, houdende algemeene bepalingen der wetgeving van het Koningrijk, is immers voorgeschreven dat de rechter volgens de wet moet rechtspreken en dat hij in geen geval de innerlijke waarde of billijkheid der wet mag beoordelen.

4.4.

Nu de in geschil zijnde vraag op de door de inspecteur voorgestane wijze moet worden beantwoord is niet in geschil dat de aanslag moet worden verminderd tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 1.999. Gelet hierop dient het beroep gegrond te worden verklaard.

5 Proceskosten

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling, omdat niet is gesteld of aannemelijk is geworden dat belanghebbende kosten heeft gemaakt die op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor vergoeding in aanmerking komen.

6 Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraak op bezwaar;

  • -

    vermindert de aanslag tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk een woning van € 1.999;

  • -

    gelast dat de inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 45 aan deze vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan op 8 april 2016 door mr. C.A.F.M. Stassen, rechter, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. L. Arts, griffier.

De griffier, De rechter,

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Aan deze uitspraak hoeft eerst uitvoering te worden gegeven als de uitspraak onherroepelijk is geworden. De uitspraak is onherroepelijk als niet binnen zes weken na verzending van de uitspraak een rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtsmiddel is beslist (artikel 27h, derde lid en artikel 28, zevende lid AWR).

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.

Voor burgers is het mogelijk hoger beroep digitaal in te stellen. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van de formulieren op Rechtspraak.nl / Digitaal loket bestuursrecht.