Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2016:2062

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
29-03-2016
Datum publicatie
06-04-2016
Zaaknummer
AWB 15_4095
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2017:1067, Meerdere afhandelingswijzen
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Het bestreden besluit in verband met het toepassen van zeer spoedeisende bestuursdwang bestaande uit het plaatsen van stempels in het horecapand houdt niet stand. Het college heeft niet aangetoond dat sprake was van een gebrekkige constructie en van een gevaar voor de veiligheid, als bedoeld in artikel 1a van de Woningwet. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit wegens strijd met artikel 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Het primaire besluit wordt herroepen.

Het bestreden besluit tot het toepassen van zeer spoedeisende bestuursdwang bestaande uit de gedeeltelijke sluiting van het pand in verband met vrijgekomen asbest wordt vernietigd voor zover daarbij is bepaald dat de kosten van de bestuursdwang op haar worden verhaald. Niet kan worden ingezien dat de kosten redelijkerwijs ten laste van eiseres

behoren te komen. Primair besluit II wordt in die zin herroepen. Het bestreden besluit wordt voor het overige in stand gelaten.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 5:1
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JBO 2016/111 met annotatie van mr. drs. D. van der Meijden
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 15/4095 GEMWT

uitspraak van 29 maart 2016 van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam eiser] , te [plaats] , eiseres,

gemachtigde: mr. drs. H.A. Pasveer,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Goirle (college), verweerder,

gemachtigde mr. drs. T.N. Sanders.

Procesverloop

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 30 juni 2015 (bestreden besluit) van verweerder inzake de toepassing van (zeer) spoedeisende bestuursdwang tot het plaatsen van stempels en tot het sluiten van een pand, alsmede inzake de gedeeltelijke vrijgave van dat pand.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden in Breda op 8 januari 2016, gelijktijdig met de zaak met nummer 15/5130 GEMWT. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde en haar dochter. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

zijn gemachtigde en door drs. M. van der Meer.

Tevens was ter zitting als deskundige van de zijde van het college [naam deskundige] van Adviesbureau [naam adviesbureau2] aanwezig.

De rechtbank heeft de uitspraaktermijn verlengd.

Overwegingen

1. Op grond van de stukken en de behandeling ter zitting gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Eiseres is eigenaar van het pand aan de [adres] te [plaats] (het pand).

Op 28 november 2014 heeft het college spoedeisende bestuursdwang toegepast, bestaande uit het plaatsen van stempels in het pand. Bij besluit van 5 december 2014 (primair besluit I) heeft het college deze bestuursdwangtoepassing aan eiseres bekendgemaakt, waarbij het college heeft overwogen dat het pand een zodanige constructie bezat dat sprake was van een zeer risicovolle, gevaarlijke en met de Woningwet strijdige situatie. Tevens heeft het college eiseres aangezegd de kosten van de bestuursdwang op haar te verhalen.

Daarnaast heeft het college op 28 november 2014 spoedeisende bestuursdwang toegepast door een deel van het pand te sluiten. Bij besluit van 5 december 2014 (primair besluit II) heeft het college deze bestuursdwangtoepassing aan eiseres bekendgemaakt. Hierbij heeft het college meegedeeld dat tijdens het plaatsen van de stempels is geconstateerd dat asbesthoudend materiaal is vrijgekomen en dat vanwege het gevaar van asbestvezels voor de volksgezondheid is overgegaan tot sluiting van het bezoekersgedeelte van het restaurant. Tevens heeft het college eiseres aangezegd de kosten van de bestuursdwangtoepassing op haar te zullen verhalen.

Bij besluit van 24 december 2014 (primair besluit III) heeft het college besloten het voorste deel van het pand vrij te geven. Hierbij heeft het college bepaald dat de plastic foliewand niet mag worden verwijderd of gepasseerd.

Bij brief van 6 januari 2015 heeft eiseres gemaakt tegen primaire besluiten I en II, alsmede tegen primair besluit III, voor zover daarbij is bepaald dat het deel van de ruimte achter de plasticfolie niet mag worden betreden.

Bij brief van 15 juni 2015 heeft eiseres beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op bezwaar.

Bij het bestreden besluit heeft het college het bezwaar, in afwijking van het advies van de commissie voor bezwaarschriften, ongegrond verklaard.

2. Eiseres voert, zakelijk weergegeven, tegen het bestreden besluit aan dat geen sprake was van een gevaarlijke situatie die het plaatse van de stempels rechtvaardigde. Eiseres stelt voorts dat het college te lang heeft stilgezeten bij een situatie die bij het college al anderhalf jaar bekend was, zodat niet door middel van spoedeisende bestuursdwang kan worden opgetreden. Ook betoogt eiseres dat de last tot het plaatsen van de stempels ten onrechte is gebaseerd op artikel 1a van de Woningwet (Wonw). Eiseres stelt verder dat het college ervoor had moeten kiezen om de daadwerkelijke veroorzaker van de gevaarlijke situatie aan te schrijven, maar in ieder geval om eiseres geen kostenverhaal aan te zeggen. Voorts betoogt eiseres dat zij ten onrechte niet in de gelegenheid is gesteld om te reageren op het rapport van [naam adviesbureau2] dat ten grondslag is gelegd aan het bestreden besluit. Ten aanzien van de sluiting van het pand voert eiseres aan dat de last ten onrechte is gebaseerd op artikel 7:22 van het Bouwbesluit 2012, dat geen sprake was van een spoedeisende situatie, dat de situatie door het college zelf is veroorzaakt en dat om die reden de kosten niet op eiseres kunnen worden verhaald. Tot slot stelt eiseres dat het college niet had kunnen volstaan met slechts een gedeeltelijke vrijgave van het pand, maar dat ook het achterste deel van de begane grond moet kunnen worden betreden.

3. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op bezwaar. Hangende dit beroep heeft het college alsnog op het bezwaar beslist. Nu met het bestreden besluit niet tegemoet is gekomen aan wat eiseres met haar bezwaar wilde bereiken, wordt het beroep, gelet op artikel 6:20, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), geacht mede te zijn gericht tegen de beslissing op bezwaar.

4. Nu het college inmiddels inhoudelijk op het bezwaar van eiseres heeft beslist, dient de rechtbank ambtshalve te onderzoeken of eiseres nog procesbelang heeft bij een oordeel ten aanzien van de vraag of het college al dan niet tijdig op het bezwaar heeft beslist.

Op grond van artikel 6:20, vijfde lid, van de Awb kan het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit alsnog gegrond worden verklaard indien de indiener van het beroepschrift daarbij belang heeft. Eiseres heeft in dit verband gesteld dat het college ten gevolge van de het niet tijdig nemen van een beslissing op bezwaar dwangsommen heeft verbeurd. Gelet hierop heeft eiseres naar het oordeel van de rechtbank nog voldoende procesbelang bij een inhoudelijke beoordeling van het beroep tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op bezwaar.

5. Gelet op het voorgaande zal eerst het beroep worden beoordeeld voor zover dit is gericht tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op bezwaar.

5.1

In artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Awb is bepaald dat voor de toepassing van wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep met een besluit is gelijkgesteld het niet tijdig nemen van een besluit.

In artikel 7:10, eerste lid, van de Awb is als hoofdregel neergelegd dat het bestuursorgaan beslist binnen zes weken of - indien een commissie als bedoeld in artikel 7:13 van de Awb is ingesteld - binnen twaalf weken, gerekend vanaf de dag na die waarop de termijn voor het indienen van het bezwaarschrift is verstreken.
In het derde lid van dit artikel is bepaald dat het bestuursorgaan de beslissing voor ten hoogste zes weken kan verdagen.

In artikel 6:12, eerste lid, van de Awb is bepaald dat indien het beroep is gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit, het niet aan een termijn gebonden is.

In het tweede lid van dit artikel is bepaald dat het beroepschrift kan worden ingediend zodra:

a. het bestuursorgaan in gebreke is tijdig een besluit te nemen, én

b. twee weken zijn verstreken na de dag waarop belanghebbende het bestuursorgaan schriftelijk heeft medegedeeld dat het in gebreke is.

In artikel 4:17, eerste lid, van de Awb is bepaald dat indien een beschikking op aanvraag niet tijdig wordt gegeven, het bestuursorgaan aan de aanvrager een dwangsom verbeurt voor elke dag dat het in gebreke is, doch ten hoogste 42 dagen.

In het tweede lid van dit artikel is bepaald dat de dwangsom de eerste veertien dagen € 20,00 per dag bedraagt, de daaropvolgende veertien dagen € 30,00 per dag en de overige dagen € 40,00 per dag.

In het derde lid van dit artikel is bepaald dat de eerste dag waarover de dwangsom verschuldigd is, de dag is waarop twee weken zijn verstreken na de dag waarop de termijn voor het geven van de beschikking is verstreken en het bestuursorgaan van de aanvrager een schriftelijke ingebrekestelling heeft ontvangen.

In artikel 4:18 van de Awb is bepaald dat het bestuursorgaan de verschuldigdheid en de hoogte van de dwangsom bij beschikking vaststelt binnen twee weken na de laatste dag waarover de dwangsom verschuldigd was.

Uit artikel 7:14 van de Awb volgt dat de artikelen 4:17 en 4:18 van de Awb ook van toepassing zijn op besluiten op bezwaar.

Ingevolge artikel 8:55c van de Awb stelt de rechtbank, indien het beroep gegrond is, desgevraagd tevens de hoogte van de ingevolge afdeling 4.1.3 verbeurde dwangsom vast.

5.2

Tussen partijen is niet in geding, en de rechtbank stelt ook vast, dat het bezwaarschrift van eiseres tegen de primaire besluiten tijdig is ingediend. De rechtbank stelt vervolgens vast dat, nu de commissie voor bezwaarschriften is ingeschakeld, de termijn voor het nemen van een beslissing op bezwaar 12 weken betreft, gerekend vanaf de dag na die waarop de termijn voor het indienen van het bezwaarschrift is verstreken. De primaire besluiten I en II zijn op 11 december 2014 en primair besluit III is op 24 december 2014 verzonden, zodat de bezwaartermijn is geëindigd op respectievelijk 22 januari 2015 en 4 februari 2015. Dit betekent dat de beslistermijn voor het college eindigde op respectievelijk 16 april 2015 en 29 april 2015.

5.3

Vervolgens stelt de rechtbank vast dat binnen de termijn van 12 weken geen beslissing op het bezwaar is genomen. Evenmin heeft het college gebruik gemaakt van de mogelijkheid om de beslistermijn met zes weken te verdagen of om eiseres te vragen om instemming met nader uitstel vóórdat de beslistermijn is verstreken.

De brief van 17 april 2015 waarbij de beslistermijn door het college is verdaagd tot en met 29 mei 2015 dateert van ná het verstrijken van de beslistermijn voor het nemen van een beslissing op het bezwaar betrekking tot de primaire besluiten I en II. Op grond van vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS) komt aan een verdagingsbeslissing die na ommekomst van de beslistermijn is genomen geen betekenis toe (zie de uitspraak van de AbRS van 6 augustus 2010, ECLI:NL:RVS:2010:2640).

5.4

Nu de beslistermijn in verband met het bezwaar tegen primaire besluiten I en II is geëindigd op 16 april 2015 en de ingebrekestelling dateert van 22 mei 2015, is, anders dan het college heeft gesteld, geen sprake van een premature ingebrekestelling. Vervolgens heeft eiseres twee weken gewacht alvorens op 16 juni 2015 beroep in te stellen. Daarmee is het beroepschrift ontvankelijk. Het beroepschrift is tevens gegrond, omdat het college niet tijdig op de bezwaren met betrekking tot primair besluit I en II heeft beslist.

5.5

Gezien het feit dat het college geen besluit heeft genomen over de hoogte van de dwangsom, zal de rechtbank conform het verzoek van eiseres de hoogte van de dwangsom vaststellen. Het college heeft onbetwist gesteld dat de ingebrekestelling op 26 mei 2015 is ontvangen, zodat de eerste dag waarover een dwangsom is verschuldigd, ingevolge artikel 4:17, derde lid, van de Awb, 10 juni 2015 betreft. Vanaf 10 juni 2015 verbeurt het college een dwangsom voor elke dag dat niet is beslist op het bezwaarschrift. De rechtbank stelt vast dat tot aan het nemen van de beslissing op bezwaar op 30 juni 2015 20 dagen zijn verstreken. Dit leidt er naar het oordeel van de rechtbank toe dat het college, uitgaande van de wijze van berekenen zoals volgt uit artikel 4:17, tweede lid, van de Awb, in totaal € 460,- aan dwangsommen heeft verbeurd.

6. Vervolgens wordt het beroep beoordeeld voor zover dit is gericht tegen de beslissing op bezwaar. In dat kader liggen ter beantwoording door de rechtbank de vragen voor of het college bevoegd was tot het toepassen van (zeer) spoedeisende bestuursdwang bestaande uit het plaatsen van de stempels en bestaande uit de gedeeltelijke sluiting van het pand, en zo ja, of het college in redelijkheid van deze bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken. Tevens ligt de vraag voor of het college redelijkerwijs heeft kunnen overgaan tot de gedeeltelijke vrijgave van het pand.

7.1

Artikel 5:1, eerste lid, van de Awb verstaat onder overtreding: een gedraging die in strijd is met het bepaalde bij of krachtens enig wettelijk voorschrift.

Artikel 5:1, tweede lid, van de Awb verstaat onder overtreder: degene die de overtreding pleegt of medepleegt.

Op grond van artikel 5:21 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) wordt onder een last onder bestuursdwang verstaan: de herstelsanctie, inhoudende:

a. een last tot geheel of gedeeltelijk herstel van de overtreding, en

b. de bevoegdheid van het bestuursorgaan om de last door feitelijk handelen ten uitvoer te leggen, indien de last niet of niet tijdig wordt uitgevoerd.

Ingevolge artikel 5:25, eerste lid, van de Awb geschiedt de toepassing van bestuursdwang op kosten van de overtreder, tenzij deze kosten redelijkerwijze niet of niet geheel te zijnen laste behoren te komen.

Ingevolge het tweede lid vermeldt de last in hoeverre de kosten van bestuursdwang ten laste van de overtreder zullen worden gebracht.

Ingevolge artikel 5:31, eerste lid, van de Awb kan een bestuursorgaan dat bevoegd is om een last onder bestuursdwang op te leggen, in spoedeisende gevallen besluiten dat bestuursdwang zal worden toegepast zonder voorafgaande last.

Op grond van het tweede lid kan, indien de situatie zo spoedeisend is dat een besluit niet kan worden afgewacht, terstond bestuursdwang worden toegepast, maar wordt zo spoedig mogelijk nadien alsnog een besluit als bedoeld in het eerste lid bekendgemaakt.

7.2

Op grond van artikel 1a, eerste lid, van de Wonw draagt de eigenaar van een bouwwerk, open erf of terrein of degene die uit anderen hoofde bevoegd is tot het daaraan treffen van voorzieningen er zorg voor dat als gevolg van de staat van dat bouwwerk, open erf of terrein geen gevaar voor de gezondheid of veiligheid ontstaat dan wel voortduurt.

Op grond van artikel 1b, tweede lid, van de Wonw is het verboden een bestaand bouwwerk, open erf of terrein in een staat te brengen, te laten komen of te houden die niet voldoet aan de op de staat van dat bouwwerk, open erf of terrein van toepassing zijnde voorschriften, bedoeld in artikel 2, eerste lid, aanhef en onderdeel b, tweede lid, aanhef en onderdeel a, en vierde lid.

Op grond van artikel 2, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wonw worden bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden technische voorschriften gegeven omtrent:

b. de staat van een bestaand bouwwerk.

c. het in gebruik nemen of gebruiken van een bouwwerk.

7.3

Artikel 7.22 van het Bouwbesluit 2012 bepaalt dat het verboden is in, op of aan een bouwwerk of op een open erf of terrein voorwerpen of stoffen te plaatsen, te werpen of te hebben, handelingen te verrichten of na te laten of werktuigen te gebruiken, waardoor:

a. op voor de omgeving hinderlijke of schadelijke wijze rook, roet, walm of stof wordt verspreid;

b. overlast wordt of kan worden veroorzaakt voor de gebruikers van het bouwwerk, het open erf of terrein;

c. op voor de omgeving hinderlijke of schadelijke wijze stank, stof of vocht of irriterend materiaal wordt verspreid of overlast wordt veroorzaakt door geluid en trilling, elektrische trilling daaronder begrepen, of door schadelijk of hinderlijk gedierte, dan wel door verontreiniging van het bouwwerk, open erf of terrein, of

d. instortings-, omval- of ander gevaar wordt veroorzaakt.

Ten aanzien van de toepassing van (zeer) spoedeisende bestuursdwang bestaande uit het plaatsen van de stempels.

8. Eerst zal de rechtbank ingaan op de grond van eiseres dat zij niet in de gelegenheid is gesteld om te reageren op het na de hoorzitting door het college in de procedure gebrachte rapport van [naam adviesbureau2] .

De rechtbank overweegt dat in artikel 7:9 van de Awb is bepaald dat wanneer na het horen aan het bestuursorgaan feiten of omstandigheden bekend worden die voor de op het bezwaar te nemen beslissing van aanmerkelijk belang kunnen zijn, dit aan belanghebbenden wordt meegedeeld en zij in de gelegenheid worden gesteld daarover te worden gehoord. De rechtbank stelt vast dat het rapport van [naam adviesbureau2] is te merken als een omstandigheid die van aanmerkelijk belang is, nu het college de daarin vermelde bevindingen ten grondslag heeft gelegd aan zijn beslissing op bezwaar. Eiseres had dan in de gelegenheid moeten worden gesteld om op dit rapport te reageren. Nu dit niet is gebeurd, maar eiseres in beroep de gelegenheid heeft gehad om alsnog op dit rapport te reageren, heeft dit niet geleid tot enig nadeel voor eiseres. De rechtbank ziet dan ook aanleiding om de schending van artikel 7:9 van de Awb te passeren met toepassing van artikel 6:22 van de Awb.

9.1

Tussen partijen bestaat verdeeldheid over de vraag of het college bevoegd was om handhavend op te treden. Meer in het bijzonder houdt de vraag partijen verdeeld of er sprake was van een constructief onveilige situatie die (direct) ingrijpen rechtvaardigde.

9.2

De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Het pand dateert van 1931. In 1979 heeft er een verbouwing plaatsgevonden, waarbij het pand aan de achterzijde is uitgebreid en het linkerdeel van het buurpand op nummer [huisnummer1] bij het pand is gevoegd. Het rechterdeel van het pand op nummer [huisnummer1] is gevoegd bij nummer [huisnummer2] . Volgens de tekeningen zou bij de verbouwing een dragende binnenwand op de begane grondvloer zijn verwijderd. Uit de tekeningen uit 1999 volgt dat de entree is aangepast en dat de indeling aan de achterzijde van het pand is veranderd. Hierbij zouden nieuwe scheidingswanden zijn aangebracht en de bestaande dragende wanden zijn vervangen door een stalen balk. In 2009 is het pand op nummer [huisnummer1] - [huisnummer2] verbouwd, waarbij in de tweede verdiepingsvloer naast de scheiding met het pand een trapgat is gemaakt en de tot dan toe doorlopende balken van de eerste en de tweede verdiepingsvloer zijn doorgezaagd.

Na de verbouwing van het pand op nummer [huisnummer1] - [huisnummer2] is door eiseres en de huurders van het pand scheurvorming in het pand geconstateerd. In opdracht van de gemeente Goirle is vervolgens door [naam adviesbureau1] onderzoek ingesteld naar de opgetreden schade in het pand. Hiertoe heeft op 24 oktober 2013 een inspectie in het pand plaatsgevonden.

De resultaten van het onderzoek door [naam adviesbureau1] zijn neergelegd in het rapport van 4 november 2013. Hieruit volgt dat er een relatie bestaat tussen de scheurvorming in het pand en de verbouwingen in pand [huisnummer1] - [huisnummer2] . Het doorzagen van de houten vloer nabij de verschoven erfgrens heeft tot gevolg gehad dat diverse binnenwanden van het pand, die door de houten vloeren zijn ondersteund, zijn gaan scheuren als gevolg van een vergrote doorbuiging van de vloeren. Dit verklaart ook het klemmen van de deuren na deze verbouwing, zo meldt het rapport. [naam adviesbureau1] acht het tevens goed mogelijk dat er in het verleden al diverse scheuren zijn ontstaan ten gevolge van eerdere verbouwingen, omdat de belasting uit de tweede verdiepingsvloer op de dragende tussenwanden in 1979 of 1999 is gewijzigd. Inmiddels is er volgens [naam adviesbureau1] wel weer een evenwichtssituatie ontstaan. In hoeverre de capaciteit van de balken in de eerste verdiepingsvloer onder de dragende tussenwand op de eerste verdiepingsvloer voldoende is, kan [naam adviesbureau1] niet aangeven, omdat hiervoor destructief onderzoek nodig is boven het plafond van de begane grond. [naam adviesbureau1] beveelt een aanvullende controle aan met betrekking tot de raveelbalk die in 1979 of 1999 moet zijn aangebracht ter plaatse van een gesloopte binnenwand.

In oktober 2014 heeft een bouwkundige van de gemeente Goirle het [naam adviesbureau1] -rapport nader bestudeerd en eiseres verzocht om gegevens te verstrekken met betrekking tot de vergunning voor het verwijderen van de dragende wand in het pand. Vervolgens heeft de toezichthouder van de gemeente het pand, in het bijzijn van de huurders en een aannemer, op 28 november 2014 bezocht. Uit het controleverslag dat van dit bezoek is opgesteld, volgt dat de huurders hebben meegedeeld dat er regelmatig een stuk van de deuren in het pand wordt afgezaagd, dat er sprake is van scheurvorming en dat er grote bewegingen in de vloer zitten. Tevens volgt uit dit controleverslag dat de toezichthouder op de eerste verdiepingsvloer een doorbuiging van enkele centimeters heeft geconstateerd bij het betreden van de vloer door één van de huurders. Diezelfde dag is het college overgegaan tot het laten plaatsen van stempels onder de eerste verdiepingsvloer.

In opdracht van het college heeft Adviesbureau [naam adviesbureau2] het rapport van [naam adviesbureau1] en de beschikbare foto’s beoordeeld en naar aanleiding hiervan op 16 juni 2015 gerapporteerd. Volgens [naam adviesbureau2] was sprake van een potentieel gevaarlijke situatie en was direct ingrijpen noodzakelijk. [naam adviesbureau2] stelt dat het aanbrengen van stempels in situaties waarin twijfels bestaan over de constructieve veiligheid een gebruikelijke methode om de constructieve veiligheid (tijdelijk) te vergroten. Met de kennis die op 28 november 2014 bij de gemeente Goirle beschikbaar was, was in de onderhavige situatie het aanbrengen van stempels volgens [naam adviesbureau2] een goede maatregel voor het vergroten van de constructieve veiligheid.

9.3

Het college heeft aan de bestuursdwangtoepassing, bestaande uit het plaatsen van stempels tegen de eerste verdiepingsvloer, ten grondslag gelegd dat sprake was van een zeer risicovolle en met de Woningwet strijdige situatie. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat geen sprake was van een (voldoende) dragende constructie en dat er een serieus risico bestond dat het pand binnen afzienbare tijd zou instorten. Het college vindt steun voor zijn standpunt in het rapport van [naam adviesbureau2] .

9.4

De rechtbank stelt voorop dat het toepassen van bestuursdwang en het uitoefenen van daarmee samenhangende bevoegdheden voor de aangeschrevene een belastend karakter hebben. Daarom moet het bestuursorgaan deugdelijk onderzoeken of er sprake is van een overtreding. Een handhavingsbesluit dient volledig en adequaat gemotiveerd te worden.

9.5

Niet is in geding dat onduidelijkheid bestond en nog steeds bestaat over de wijze waarop de constructie van het pand wordt gedragen. Het onderzoek dat hiervoor nodig is, te weten een onderzoek naar de aanwezigheid van een dragende balk in de eerste verdiepingsvloer van het pand, heeft tot op heden immers niet plaatsgevonden.

Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat ook bij gebreke van deze kennis uit de op 28 november 2014 wel bekende informatie genoegzaam kon worden afgeleid dat sprake was van een constructief onveilige situatie, die (direct) optreden rechtvaardigde. In dit verband heeft het college gewezen op de opmerking van de huurders over het bijschaven van de deuren en op de constatering dat de vloer enkele centimeters doorboog. Ook acht het college van belang dat door [naam adviesbureau1] alleen onderzoek is gedaan naar de scheurvorming en niet naar de constructie van het pand.

De rechtbank kan het college volgen voor zover het bijschaven van de deuren en het doorbuigen van de vloer mogelijke indicaties zijn van dat er constructief iets mis kan zijn. Een mogelijke indicatie is op zichzelf echter onvoldoende om daarop de verstrekkende conclusie te baseren dat sprake is van een reëel instortingsgevaar en aldus van een gevaar voor de veiligheid. Dit geldt temeer nu het college het onderzoek dat hieromtrent zekerheid had kunnen bieden niet heeft uitgevoerd. Evenmin heeft het college gemotiveerd onder welke omstandigheden een constructief onveilige situatie mag worden verondersteld ingeval van het doorbuigen van vloeren en het klemmen van deuren. Daarbij komt dat het college andere mogelijke oorzaken dan een onveilige constructie niet heeft uitgesloten. In ieder geval heeft het college er geen blijk van gegeven dit nader te hebben onderzocht.

De rechtbank volgt het college dan ook niet voor zover in de voorliggende situatie reeds op grond van het doorbuigen van de vloer en de noodzaak tot het bijschaven van de deuren een constructief onveilige situatie en reëel instortingsgevaar kan worden aangenomen. Dit wordt niet anders indien deze omstandigheden in samenhang worden bezien met het [naam adviesbureau1] -rapport.

In tegendeel, [naam adviesbureau1] concludeert ook zonder onderzoek te hebben verricht naar de aanwezigheid van de raveelbalk in de eerste verdiepingsvloer dat er weer een evenwichtssituatie is ontstaan. Uit dit [naam adviesbureau1] -rapport volgt voorts genoegzaam dat naast de scheurvorming tevens de constructie van het pand is beoordeeld.

Ook overigens volgt uit de op 28 november 2014 beschikbare gegevens eerder het beeld dat sprake was van een evenwichtssituatie dan van instortingsgevaar. De rechtbank wijst er in dit verband op dat de bouwkundige situatie in het pand zelf sinds de verbouwingen in 1979 en 1999 niet is gewijzigd en dat pas eind 2009 na de verbouwing in het pand op nummer [huisnummer1] - [huisnummer2] sprake was van het klemmen van de deuren en het vervormen van de vloeren. Nu door eiseres en de huurders geen melding is gemaakt van een verslechtering van de situatie sindsdien en hiervoor ook overigens geen aanwijzingen bestaan, was in ieder geval reeds vijf jaren sprake van een min of meer gelijke situatie.

Dat het wellicht verstandig was om, zoals door [naam adviesbureau2] is opgemerkt, bij twijfel ten aanzien van de constructie zekerheidshalve stempels te plaatsen, kan de rechtbank inzien. Dit neemt echter niet weg dat voor een bevoegd handhavend optreden een wettelijke basis aanwezig moet zijn. Het college heeft niet aangetoond dat sprake was van een gebrekkige constructie en van een gevaar voor de veiligheid als bedoeld in artikel 1a van de Wonw. Dit betekent dat evenmin is gebleken van een overtreding. Het betoog slaagt.

9.6

Het voorgaande leidt de rechtbank tot de conclusie dat het bestreden besluit in zoverre onzorgvuldig is voorbereid en ondeugdelijk is gemotiveerd, hetgeen in strijd is met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Awb. Het beroep van eiseres is gegrond. Het bestreden besluit, voor zover dit betrekking heeft op de toepassing van spoedeisende bestuursdwang bestaande uit het plaatsen van de stempels, komt voor vernietiging in aanmerking.

Van de zijde van het college is opgemerkt dat nader onderzoek naar de constructie niet mogelijk is, omdat dat gedeelte van het pand ten gevolge van het vrijgekomen asbest en de sindsdien onveranderde situatie ter plaatse niet mag worden betreden. Gelet hierop ziet de rechtbank aanleiding om zelf in de zaak te voorzien en zij is van oordeel dat het college niet bevoegd was om tot handhavend optreden over te gaan. Primair besluit I dient te worden herroepen.

Gelet op het voorgaande komt de rechtbank aan de bespreking van de overige beroepsgronden voor zover gericht tegen deze bestuursdwangtoepassing niet meer toe.

Ten aanzien van de toepassing van (zeer) spoedeisende bestuursdwang bestaande uit het sluiten van het pand.

10.1

Aan de orde is vervolgens de vraag of het college bevoegd was tot het toepassen van (zeer) spoedeisende bestuursdwang bestaande uit het sluiten van het restaurantgedeelte van het pand.

10.2

De rechtbank gaat hierbij uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Tijdens de uitoefening van de bestuursdwang door het plaatsen van de stempels op 28 november 2014 is geconstateerd dat er vermoedelijk asbesthoudend materiaal is vrijgekomen. Vervolgens heeft de toezichthouder van de gemeente een monster van het materiaal ter analyse naar een laboratorium gebracht. Diezelfde dag heeft het laboratorium aan de toezichthouder bevestigd dat het om asbesthoudend materiaal ging. Daarna heeft het college het pand gedeeltelijk gesloten.

[naam adviesbureau3] heeft nader onderzoek verricht naar de mogelijke asbestbesmetting in het pand en op 5 december 2014 gerapporteerd. [naam adviesbureau3] heeft geconcludeerd dat in het restaurant sprake was van een actueel blootstellingsrisico aan asbest en dat er een asbestbesmetting aanwezig was zoals aangegeven op de bij het rapport behorende plattegrond. [naam adviesbureau3] heeft geadviseerd om het restaurant niet zonder persoonlijke beschermingsmiddelen te betreden en de aangegeven bronnen zo spoedig mogelijk te saneren. Tevens is in het rapport vermeld dat de aanwezige inboedel in het besmettingsgebied als asbestbesmet moet worden beschouwd.

10.3

Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat sprake was van een overtreding van artikel 1b, tweede lid, van de Wonw jo. Artikel 7.22 van het Bouwbesluit 2012, vanwege het risico op verspreiding van de asbestvezels.

Eiseres heeft betoogd dat artikel 7.22 van het Bouwbesluit 2012 ziet op de verspreiding in de omgeving van het pand en dat hiervan niet is gebleken.

Naar het oordeel van de rechtbank kan op grond van het [naam adviesbureau3] -rapport behalve een asbestbesmetting tevens een mogelijk gevaar voor verspreiding van de asbestvezels worden aangenomen. Gebleken is immers dat de vrijgekomen asbestvezels niet geconcentreerd waren op één plaats, maar dat deze door de ruimte waren verspreid en dat ook de inboedel was besmet. Nu in het pand ook een horecaonderneming was gevestigd, kan ook de kans op verspreiding naar buiten via de schoenen van de huurders en de bezoekers of anderszins reëel worden geacht. Het lag vervolgens op de weg van eiseres om aannemelijk te maken dit gevaar er niet was. Eiseres is daarin echter niet geslaagd, nu zij hiertoe geen objectieve gegevens heeft overgelegd.

De stelling van eiseres dat artikel 7.22 van het Bouwbesluit 2012 alleen ziet op verspreiding buiten het pand, heeft zij niet onderbouwd en deze stelling vindt ook overigens geen steun in het recht. Artikel 7.22 van het Bouwbesluit 2012 dient zo te worden uitgelegd dat het gaat om verspreiding ten opzichte van de bron van besmetting. In dit geval is de omgeving zowel binnen als buiten het pand gelegen. Het betoog faalt.

10.4

Eiseres heeft aangevoerd dat het college de bevoegdheid tot handhaving ten onrechte heeft gebaseerd op artikel 7:22 van het Bouwbesluit 2012, nu het Bouwbesluit 2012 een specifiek artikel bevat met betrekking tot de toelaatbare concentratie asbestvezels.

Eiseres doelen op artikel 7.19 van het Bouwbesluit 2012. Dit artikel bevat voorschriften ter voorkoming van uit het oogpunt van gezondheid onaanvaardbaar hoge concentraties van asbestvezels en formaldehyde in voor mensen toegankelijke ruimten van bouwwerken. De rechtbank stelt vast dat de in dit artikel genoemde grenswaarden niet zijn overschreden.

Uit de nota van toelichting bij artikel 7.22 van het Bouwbesluit 2012 volgt echter dat ook indien het gebruik van een bouwwerk op zich voldoet aan de voorschriften van het Bouwbesluit 2012 er toch een reden kan zijn voor een beroep op dit artikel. Tevens blijkt uit de nota van toelichting dat dit artikel van toepassing kan zijn indien asbesthoudende materialen of restanten hiervan zich in een zodanige staat bevinden dat het risico van verspreiding van asbestvezels te vrezen valt.

In tegenstelling tot artikel 7.19 van het Bouwbesluit 2012 ziet artikel 7.22 derhalve specifiek op het voorkomen van verspreidingsgevaar. Nu het college kennelijk de risico’s van verspreiding heeft willen beteugelen en de rechtbank dit risico reeds heeft aangenomen kan het betoog van eiseres niet leiden tot het door haar beoogde doel.

10.5

Gelet op het voorgaande heeft het college terecht aangenomen dat ten gevolge van het vrijgekomen asbest sprake is van een verspreidingsgevaar en een gevaar voor de gezondheid. Dit leidt tot het oordeel dat sprake is van een overtreding van artikel 1b, tweede lid, van de Wonw jo. artikel 7.22 Bouwbesluit 2012. Nu de norm zich richt tot eenieder, de asbestverontreiniging zich in dit pand bevindt en eiseres de eigenaresse is, heeft zij een bouwwerk in een staat waardoor er op voor de omgeving schadelijke wijze stof wordt verspreid. Dit betekent dat eiseres kan worden aangemerkt als overtreder.

10.6

Bij het bestreden besluit heeft het college tevens de schending van de zorgplicht van artikel 1a van de Wonw aan het handhavend optreden ten grondslag gelegd, nu uit het [naam adviesbureau3] -rapport tevens blijkt dat de grenswaarde voor chrysotiel in artikel 4.46, eerste lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit is overschreden en dit een gevaarlijke situatie oplevert.

Voor zover eiseres heeft gesteld dat het college niet bevoegd is om terzake van het Arbeidsomstandighedenbesluit op te treden, dan slaagt deze grond reeds niet vanwege het feit dat de bevoegdheid niet op het Arbeidsomstandighedenbesluit, maar op artikel 1a van de Wonw is gebaseerd. Nu de overschrijding van de grenswaarde voor chrysotiel niet is betwist en eiseres ook overigens in dit verband geen gronden heeft aangevoerd aangaande de overtreding van artikel 1a Wonw, moet het college tevens bevoegd worden geacht op die grond handhavend te hebben opgetreden. Nu de norm zich onder meer richt tot de eigenaar van het pand, heeft eiseres als eigenaresse een bouwwerk in een staat waardoor er een gevaar voor de gezondheid wordt veroorzaakt. Ook terzake van deze overtreding heeft het college eiseres terecht als overtreder aangemerkt.

10.7

Vervolgens dient te worden bezien of het college in redelijkheid van zijn bevoegdheid tot handhaving gebruik heeft kunnen maken.

Het is algemeen bekend dat ontoelaatbare gezondheidsrisico’s samenhangen met een asbestbesmetting. Teneinde op dat moment (verdere) verspreiding van asbestdeeltjes te voorkomen en zowel de huurders als bezoekers van de horecagelegenheid daaraan niet (langer) bloot te stellen was snel en adequaat handelen geboden. Dat het college zich genoodzaakt zag tot spoedeisend bestuurlijk optreden in de vorm van onmiddellijke sluiting van het pand en zonder voorafgaand besluit, kan naar het oordeel van de rechtbank gelet op de omstandigheden van het geval en bezien in relatie tot de met het besluit te dienen doel dan ook niet als disproportioneel worden aangemerkt. Niet gebleken is dat het college daarbij zijn bevoegdheid te buiten is gegaan, nu het slechts dat heeft gedaan wat nodig was om de overtreding ongedaan te maken. Dat dit ertoe heeft geleid dat het pand inmiddels al een jaar is gesloten, doet hier niet aan af. Vaststaat immers dat het pand nog niet is gesaneerd. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college dan ook in redelijkheid van zijn bevoegdheid tot handhaving gebruik kunnen maken.

10.8

Eiseres heeft aangevoerd dat de kosten van de bestuursdwangtoepassing redelijkerwijs niet voor haar rekening dienen te komen, nu het vrijgekomen asbest en de sluiting het directe gevolg zijn van de wijze waarop de stempels zijn geplaatst en haar hiervan geen verwijt kan worden gemaakt.

Het college heeft bij het bestreden besluit vermeld dat er geen redenen bestaan om van kostenverhaal af te zien. In het verweerschrift en ter zitting bij de rechtbank heeft het college zich op het standpunt gesteld dat de vraag of de kosten redelijkerwijs voor rekening van de overtreder kunnen komen zich niet leent voor beantwoording in de onderhavige procedure, maar pas aan de orde komt in een mogelijke procedure naar aanleiding van de nog te nemen kostenverhaalsbeschikking.

Het bestuursorgaan dient de overtreder te waarschuwen voor het gegeven dat kostenverhaal zal plaatsvinden door in de last te vermelden in hoeverre de kosten van bestuursdwang ten laste van de overtreder zullen worden gebracht. Uit de woorden “in hoeverre” vloeit voort dat het bestuursorgaan dient te vermelden dat de kosten geheel, dan wel gedeeltelijk of in het geheel niet voor rekening van de overtreder zullen komen. Indien de overtreder meent dat hem ten onrechte kostenverhaal is aangezegd, dan dient hij hiertegen rechtsmiddelen aan te wenden. Indien dit wordt nagelaten, dan staat het feit dat de kosten op hem zullen worden verhaald, niet meer ter discussie (MvT, Kamerstukken II 1993/94, 23 700, nr. 3, p. 157).

Nu eiseres in bezwaar heeft aangevoerd dat de kosten redelijkerwijs niet op haar mogen worden verhaald, kan het college niet worden gevolgd voor zover hij heeft verwezen naar de procedure in verband met een nog te nemen kostenverhaalsbeschikking. Daarmee heeft het college immers miskend dat de bepaling bij de last dat de kosten op eiseres worden verhaald, bij het in stand laten ervan formele rechtskracht krijgt. Dit betekent dat de vraag in hoeverre de kosten voor rekening van eiseres zullen komen reeds in de voorliggende procedure dient worden beantwoord.

In artikel 5:25 van de Awb is neergelegd dat bestuursdwang en kostenverhaal als regel samengaan. Voor het maken van een uitzondering op de hoofdregel kan onder meer aanleiding bestaan indien de aangeschrevene ten aanzien van de ontstane situatie geen verwijt valt te maken en bij het ongedaan maken van de met het recht strijdige situatie het algemeen belang in die mate is betrokken dat de kosten in redelijkheid niet of niet geheel voor rekening van de aangeschrevene behoren te komen. Ook andere bijzondere omstandigheden kunnen ertoe nopen de kosten voor het toepassen van bestuursdwang redelijkerwijs niet of niet geheel ten laste van de aangeschrevene te laten komen (zie ook AbRS 31 oktober 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BY1691).

De rechtbank is van oordeel dat het college onvoldoende heeft gemotiveerd waarom in dit geval de hoofdregel van toepassing is en waarom eiseres een verwijt kan worden gemaakt. Vaststaat dat de sluiting het gevolg is van het plaatsen van de stempels. Zoals de rechtbank eerder in deze uitspraak heeft geoordeeld, is van een reëel instortingsgevaar niet gebleken, wat betekent dat het plaatsen van de stempels reeds om die reden als onrechtmatig moet worden beschouwd. Nu hierdoor asbest is vrijgekomen, kan niet worden ingezien dat de kosten redelijkerwijs ten laste van eiseres behoren te komen. Echter, ook overigens acht de rechtbank het niet aannemelijk dat eiseres een verwijt kan worden gemaakt, nu het vrijkomen van het asbest het directe gevolg was van het handelen van het college en meer in het bijzonder van de wijze waarop de stempels zijn geplaatst. Het betoog slaagt.

10.9

Het bestreden besluit dient in zoverre te worden vernietigd wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Awb. De rechtbank ziet aanleiding om zelf in de zaak te voorzien en zal primair besluit II herroepen voor zover eiseres daarbij is aangezegd dat de kosten van de bestuursdwang op haar worden verhaald.

Ten aanzien van het vrijgeven van het voorste deel van het pand.

11. Tot slot dient de vraag te worden beantwoord of het college in redelijkheid heeft besloten tot het gedeeltelijk vrijgeven van het pand.

Op 17 december 2014 heeft [naam adviesbureau3] de “Rapportage eindcontrole na asbestverwijdering conform NEN 2990” opgesteld. Uit dit rapport en uit de navraag die het college naar aanleiding hiervan bij [naam adviesbureau3] heeft gedaan volgt dat een gedeelte van de ruimte op de begane grond van het pand is schoongemaakt, dat in de ruimte een foliewand is aangebracht en dat het kijkgat in het plafond bouwkundig is afgeschermd, waardoor dit geen gevaar oplevert. Vervolgens heeft het college op 24 december 2014 besloten om het voorste gedeelte van het pand vrij te geven.

Dat de acute gevaarzetting wegens vrijgekomen asbest voor het voorste, schone deel van het pand niet langer aanwezig is, is niet in geding. Gelet op het gevaar van verspreiding dat de rechtbank heeft aangenomen in de situatie vóór het schoonmaken en nu uit de voormelde rapportage volgt dat het achterste deel van de begane grond en de zich daarin bevindende inboedel nog steeds als besmet wordt beschouwd, kan niet anders dan worden geconcludeerd dat dit gevaar op die plaats niet is geweken. Eiseres heeft immers geen objectieve informatie overgelegd waaruit het tegendeel blijkt. Om die reden kan niet worden ingezien dat ook achterste deel zou moeten worden vrijgegeven, zoals eiseres heeft betoogd. Het betoog faalt.

12. Nu het beroep gegrond wordt verklaard, dient het griffierecht aan eiseres te worden vergoed.

De rechtbank zal het college veroordelen in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.984,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting in beroep, 1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift en 1 punt voor het verschijnen bij de hoorzitting, met een waarde per punt van € 496, en wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op bezwaar gegrond;

  • -

    stelt op grond van artikel 4:17 van de Awb de door het college verbeurde dwangsom vast op € 460,-;

  • -

    verklaart het beroep tegen de beslissing op bezwaar gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit voor zover dit ziet op de bestuursdwangtoepassing bestaande uit het plaatsen van de stempels;

  • -

    herroept primair besluit I;

  • -

    bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het bestreden besluit;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit voor zover daarbij is bepaald dat de kosten van de bestuursdwang in verband met de sluiting van het pand op eiseres worden verhaald;

  • -

    herroept primair besluit II voor zover eiseres daarbij is aangezegd dat de kosten van de bestuursdwang op haar worden verhaald;

  • -

    bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het bestreden besluit;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 167,- aan eiseres te vergoeden;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.984,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.G.F. Vliegenberg, rechter, in aanwezigheid van

J. Coomans, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 29 maart 2016.

griffier rechter

De griffier is buiten staat de uitspraak te ondertekenen.

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.