Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2016:2042

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
06-04-2016
Datum publicatie
06-04-2016
Zaaknummer
4524509 CV EXPL 15-7934
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Inhoudsindicatie

Inhoudsindicatie: onrechtmatige daad, verduistering goederen uit huurwoning

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Kanton

Tilburg

zaak/rolnr.: 4524509 CV EXPL 15-7934

vonnis van 6 april 2016

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats 1] ,

eiser,

gemachtigde: mr. [naam 1] ,

tegen

[gedaagden 1] ,

gevestigd en kantoorhoudende te [woonplaats 2]

en haar vennoten

[gedaagden 2]

en

[gedaagden 3] ,

beiden wonende te [woonplaats 3] ,

gedaagden,

gemachtigde: mr. [plaats] .

1 De verdere procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

a. het tussenvonnis van 30 december 2015 en de daarin vermelde stukken;

b. de aantekeningen van de griffier van de comparitie van partijen van 3 maart 2016.

Hierna is de uitspraak van het vonnis bepaald op vandaag.

2 Het geschil en de beoordeling daarvan

2.1

Eiser vordert bij vonnis, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

  1. voor recht te verklaren dat [gedaagden 1] jegens hem onrechtmatig heeft gehandeld door zonder zijn toestemming diverse spullen van hem mee te nemen en zich die spullen toe te eigenen;

  2. [gedaagden 1] te veroordelen tot betaling aan hem van € 2.594,93, te vermeerderen met de wettelijke rente over de periode 12 oktober 2010 tot en met

28 september 2015 ad € 417,56 en te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf

29 september 2015 over € 2.594,93 tot aan de datum van algehele voldoening;

[gedaagden 1] te veroordelen in de kosten van deze procedure, inclusief nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente indien deze kosten niet binnen 14 dagen na dagtekening van het te wijzen vonnis zullen zijn voldaan.

2.2

Aan deze vordering legt eiser samengevat het volgende ten grondslag.

Omstreeks september 2010 heeft eiser van woningbouwvereniging [naam 2] een huurwoning toegewezen gekregen. Omdat deze woning moest worden verbouwd, heeft [naam 2] aan hem tijdelijk een andere woning ter beschikking gesteld. Per 1 oktober 2010 heeft hij zijn spullen in die woning geplaatst en is hij in die woning gaan wonen. Toen hij op 12 oktober 2010 thuis kwam, zag hij in de woning een huishoudtrapje en schoonmaakspullen die niet van hem waren. Tevens zag hij direct dat zijn tasje en laptop weg waren, alsmede parfum en kleding. Daarop is hij beltegoed gaan halen om de politie te kunnen bellen. Toen hij weer thuis was zag hij dat ook zijn televisie was verdwenen. Diezelfde avond heeft hij bij de politie aangifte gedaan. Tevens heeft hij [naam 2] gebeld, die vervolgens de sloten heeft vervangen.

De volgende dag kwam een medewerker van [gedaagden 1] (hierna: [gedaagden 1] ) bij hem aan de deur, zei dat hij de woning kwam schoonmaken en bevestigde dat hij het huishoudtrapje en de schoonmaakspullen in de woning had gezet. Enkele dagen nadien kwam iemand van [gedaagden 1] om zijn televisie terug te brengen.

Eiser stelt dat bij hem diverse, in de dagvaarding nader omschreven goederen zijn weggenomen. Van een aantal daarvan heeft hij de aankoopbonnen. De waarde van die spullen bedraagt in totaal € 2.153,93. Het door zijn verzekeraar ingeschakelde [naam 3] heeft zijn schade begroot op € 2.500,-.

Eiser heeft vergeefs geprobeerd om zijn schade van zijn inboedelverzekeraar vergoed te krijgen. Vervolgens heeft hij [naam 2] aangesproken. Die erkende geen aansprakelijkheid en verwees naar [gedaagden 1] , dat voor [naam 2] de schoonmaakwerkzaamheden in de woning van eiser had uitgevoerd. Nadat hij, eiser, [gedaagden 1] bij brief van 15 juli 2015 aansprakelijk had gesteld, bevestigde gedaagde [gedaagden 2] telefonisch dat hij in opdracht van [naam 2] in de woning is geweest en spullen heeft meegenomen, in de veronderstelling dat die van de vorige bewoner waren en afgevoerd moesten worden. [gedaagden 1] heeft echter, aldus eiser, zonder toestemming zijn eigendommen meegenomen, hetgeen ten opzichte van hem onrechtmatig is. Ongeacht de opdracht die [gedaagden 1] van [naam 2] heeft gehad, heeft zij inbreuk gemaakt op zijn eigendomsrecht. [gedaagden 1] moet daarom de door hem geleden schade vergoeden, aldus eiser.

2.3

Gedaagden voeren verweer en concluderen tot niet-ontvankelijkheid van eiser, dan wel tot afwijzing van zijn vorderingen, met veroordeling van eiser in de kosten van de procedure, nakosten daarin begrepen, te vermeerderen met de wettelijke rente over deze kosten vanaf de dag van vonniswijzing tot de dag van de algehele voldoening.

2.4

Ten aanzien van hetgeen partijen ter onderbouwing van hun respectievelijke standpunten in schriftelijke conclusies alsook ter zitting hebben aangevoerd en voor zover dit voor de beoordeling van het onderhavige geschil van belang is, overweegt de kantonrechter als volgt.

2.5

[gedaagden 1] stelt onweersproken dat zij indertijd van [naam 2] opdracht heeft gekregen om in de door eiser bewoonde woning schoonmaakwerkzaamheden te verrichten. Tevens had [gedaagden 1] opdracht om twee ramen en de televisie van de vorige bewoner uit die woning te verwijderen. Daartoe was zij in het bezit van een huissleutel, waarmee een medewerker van haar op 12 oktober 2010 de woning heeft betreden teneinde de werkzaamheden uit te voeren. Een aantal andere spullen en zakken die in de woonkamer lagen heeft deze medewerker, na telefonisch overleg met gedaagde [gedaagden 2] , niet verwijderd. Verder stelt [gedaagden 1] dat haar medewerker die middag een oude beeldbuistelevisie en de twee ramen op haar kantoor heeft afgegeven. [gedaagden 1] betwist dat de door eiser opgegeven goederen zich in de woning bevonden en dat zij die goederen heeft meegenomen. [gedaagden 2] heeft nog geprobeerd de televisie aan eiser terug te geven, maar die weigerde deze in ontvangst te nemen.

2.6

De kantonrechter stelt voorop dat eiser, die stelt dat [gedaagden 1] ten opzichte van hem onrechtmatig heeft gehandeld doordat zij zonder zijn toestemming goederen heeft meegenomen die aan hem in eigendom toebehoren, waardoor hij schade heeft geleden, dit gestelde onrechtmatige handelen zal dienen te bewijzen.

2.7

Ter onderbouwing van zijn vordering heeft eiser diverse stukken in het geding gebracht. Onder meer heeft hij zijn door de politie opgenomen aangifte overgelegd, inclusief een lijst met goederen die eiser als ontvreemd heeft opgegeven. Dit betreft echter een eenzijdige opgave van eiser waarvan de juistheid niet geverifieerd kan worden, ook niet aan de hand van de eveneens overgelegde kassabonnen met betrekking tot die goederen. Uit die kassabonnen blijkt immers slechts van anonieme contante betalingen en blijkt niet dat deze goederen door eiser zijn aangekocht.

Verder heeft eiser een expertiserapport overgelegd van [naam 3] , dat namens zijn inboedelverzekeraar onderzoek heeft gedaan. Blijkens dit rapport is met eiser “een schadevaststellingsovereenkomst gerealiseerd ad e. 2.500,00 op basis van transactie, teneinde de schade te beperken en gelet op de aantoonbaarheid.” In het rapport is niet vastgesteld dat de door eiser opgegeven goederen zijn ontvreemd c.q. dat hij de gestelde schade daadwerkelijk heeft geleden.

Ten slotte heeft eiser twee schriftelijke verklaringen van bekenden van hem in het geding gebracht. In een daarvan wordt beschreven dat eiser vóór november 2010 in het bezit was van een playstation, maar uit die verklaring kan niet worden herleid dat die playstation op

12 oktober 2010 in de woning aanwezig was, laat staan dat daaruit kan worden opgemaakt dat deze wederrechtelijk (door een medewerker van [gedaagden 1] ) is weggenomen. De opsteller van de andere verklaring schreef dat hij op 15 november 2009 aan eiser onder meer een Phillips televisie, alsmede een tv-meubel en een houten eettafel met 4 bijbehorende stoelen heeft “gegeven”. Uit deze verklaring volgt niet dat die televisie op 12 oktober 2010 in de woning aanwezig was, noch dat deze een waarde van € 1.200,- vertegenwoordigde, zoals eiser bij de politie opgaf. Daarnaast heeft eiser ter zitting verklaard dat [gedaagden 1] zijn televisie wel heeft willen retourneren, maar dat daarin een ster zat. [gedaagden 1] heeft verklaard dat de televisie krassen vertoonde maar dat dat al zo was toen de televisie uit de woning werd meegenomen; desondanks heeft eiser de televisie niet willen accepteren. Niet alleen is aldus de lijst met ontvreemde goederen die eiser later aan zijn aangifte bij de politie heeft toegevoegd en die thans ter onderbouwing van zijn vordering dient, op dit punt onjuist, ook is schade aan die televisie als gevolg van het handelen van [gedaagden 1] eerder niet gesteld en ook thans in het geheel niet gebleken. Uit het rapport van [naam 3] , waarin een beschrijving wordt gegeven van de (uiterst sobere) inrichting van de woning van eiser en waarin alleen melding wordt gemaakt van de aanwezigheid van een televisie, volgt dit evenmin.

2.8

Andere bewijsmiddelen dan de hierboven genoemde heeft hij niet, aldus eiser ter zitting. Gezien hetgeen daaromtrent is overwogen en gelet op de gemotiveerde betwisting van eisers stellingen door gedaagden, kan hetgeen eiser aan zijn vordering ten grondslag heeft gelegd niet leiden tot het oordeel dat [gedaagden 1] tegenover eiser onrechtmatig heeft gehandeld en daardoor schadeplichtig is geworden. Zijn vorderingen zullen dan ook worden afgewezen.

2.9

Hetgeen partijen verder nog naar voren hebben gebracht behoeft geen bespreking meer, omdat dit in het licht van hetgeen hierboven is vastgesteld en overwogen, niet tot een andere beslissing kan leiden.

2.10

Als de in het ongelijk gestelde partij zal eiser worden veroordeeld in de kosten van deze procedure. Aan de zijde van gedaagden bedragen deze kosten € 350- (2 punten à € 175,- per punt) voor het salaris van de gemachtigde. Dit bedrag zal worden vermeerderd met de wettelijke rente zoals gevorderd.

2.11

De door gedaagden gevorderde nakosten zullen niet worden toegewezen. Waar door hen niet is gesteld of onderbouwd dat na deze procedure kosten worden gemaakt, beschikt de kantonrechter over onvoldoende gegevens om eventuele nakosten reeds nu (voorwaardelijk) te begroten.

3 De beslissing

De kantonrechter:

wijst de vorderingen af;

veroordeelt eiser in de proceskosten, aan de zijde van gedaagden begroot op € 350,- voor salaris gemachtigde, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf heden tot aan de dag van de algehele voldoening.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.L. Braaksma en is in het openbaar uitgesproken op 6 april 2016, in aanwezigheid van de griffier.