Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2016:1914

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
09-03-2016
Datum publicatie
31-03-2016
Zaaknummer
C/02/16/97 R
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

overweging minnelijk traject

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Insolventierecht

Breda

toepassing schuldsanering

insolventienummer: C/02/16/97 R

uitspraakdatum: 9 maart 2016

in de zaak van:

[verzoekster] ,

wonende te [adres]

,

verzoekster.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het verzoekschrift op de griffie ontvangen op 11 december 2015;

- de brief van de heer [man x] met één bijlage;

- de aantekeningen van de griffier van de zitting van 3 februari 2016;

- de brief van 9 februari 2016 van de heer [man x] met bijlagen;

- de brief van 10 februari 2016 van de heer [man x] met bijlagen;

- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling op 3 februari 2016.

2 Het verzoek

2.1.

Dit strekt tot toepassing van de schuldsaneringsregeling.

3 De beoordeling

3.1.

Allereerst stelt de rechtbank vast dat zij, gelet op het bepaalde in artikel 3 lid 1 van de Verordening 1346/2000 van de Raad van de Europese Unie bevoegd is deze hoofdprocedure te openen nu het centrum van de voornaamste belangen van verzoekster in Nederland ligt.

3.2.

Op 11 december 2015 heeft verzoekster een aanvraag ingediend om te worden toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling. Bij dit verzoek is zij bijgestaan door Intova, een in Almere gevestigde organisatie die zich toelegt op schuldhulpverlening.

3.3.

Aan het verzoek heeft verzoekster ten grondslag gelegd dat zij vanaf 1 juni 1971 tot 31 augustus 2015 een onderneming heeft gedreven onder de naam “ [naam onderneming] ”, waarvan tot 1 januari 1998 samen met haar moeder en daarna als eenmanszaak. In verband met gezondheidsproblemen en haar verwachting dat zij de onderneming als gevolg daarvan niet langer zou kunnen voortzetten heeft verzoekster zich voor hulp gewend tot de gemeente van haar woonplaats, de gemeente [plaatsnaam] . Bij brief van 26 januari 2015 heeft de gemeente [plaatsnaam] aan de hiervoor genoemde Intova de opdracht gegeven om voor rekening van de gemeente verzoekster te begeleiden en hulp te bieden bij de afwikkeling en liquidatie van haar onderneming. Per 31 augustus 2015 heeft verzoekster haar onderneming beëindigd.

3.4.

Uit de door haar beëindigde onderneming is voor verzoekster een schuldenlast overgebleven van - per de datum van de indiening van het verzoekschrift - totaal

€ 163.867,67. Hiernaast had en heeft verzoekster nog twee door hypotheek op de haar in eigendom toebehorende woning gedekte schulden tot een totaalbedrag van € 168.000.

3.5.

Op de gronden zoals in (een bijlage bij) het verzoekschrift nader zijn toegelicht is door Intova als de daartoe voor verzoekster optredende schuldbemiddelaar aan de schuldeisers met niet door hypotheek gedekte vorderingen het aanbod gedaan tot betaling tegen finale kwijting van 67% tot 73% van hun vordering waarbij het uiteindelijke percentage afhankelijk werd gesteld van de uiteindelijke verkoopopbrengst van de woning, dit nadat de hypothecaire schuldeisers daaruit volledig waren voldaan.

3.6.

Omdat het aanbod aan de schuldeisers niet had geleid tot een regeling is door verzoekster besloten toelating te vragen tot de wettelijke schuldsaneringsregeling.

3.7.

Bij haar toelatingsverzoek is van de zijde van verzoekster een op 8 december 2015 gedateerde verklaring overgelegd van mr. B. Bijlsma, een door Intova voor dat doel ingeschakelde advocaat te Almere, waarin deze aangeeft dat het voor verzoekster uitgevoerde minnelijke traject als mislukt moet worden aangemerkt omdat twee schuldeisers het hen gedane aanbod hebben geweigerd.

3.8.

Omdat het minnelijke traject niet was uitgevoerd door mr. Bijlsma zelf, is verzoekster ter zitting van 3 februari 2016 in de gelegenheid gesteld om aan te tonen dat Intova kan worden aangemerkt als de in artikel 288 lid 2 sub b Fw genoemde “persoon of instelling als bedoeld in artikel 48 lid 1 van de Wet op het Consumentenkrediet (hierna te noemen: WCk)”, zulks onder verwijzing naar wat daarover is opgemerkt en is geoordeeld door de Hoge Raad in diens uitspraak van 6 januari 2012 (ECLI:NL:HR:2012:BU6758), alsmede om aan te tonen dat mr. Bijlsma in het geval van verzoekster kan worden aangemerkt als bevoegd tot het afgeven van de in artikel 285 lid 1 sub f Fw bedoelde verklaring.

3.9.

Ter zitting van 3 februari 2016 is Intova verschenen in de persoon van de heer [man x] . Bij brieven van 9 en 10 februari 2016 is hetgeen ter zitting was betoogd met overlegging van stukken nader toegelicht en onderbouwd.

3.10.

Uit het door Intova gestelde kan worden opgemaakt dat de heer [man x] onder de naam Intova sinds een ruim aantal jaren zijn beroep maakt van het verlenen van hulp aan personen die in het kader van een door hen gevoerde onderneming in financiële problemen gekomen zijn. Dit, in veel gevallen in opdracht van gemeenten waarbinnen deze personen woonachtig zijn omdat aan natuurlijke personen met een onderneming die hulp via die gemeenten niet kan of niet pleegt te worden geboden door de voor die gemeenten werkende gemeentelijke kredietbanken. In het geval van verzoekster is die hulp haar door Intova geboden in opdracht en voor rekening van de gemeente [plaatsnaam] .

3.11.

De heer [man x] is, met een aanvankelijk aspirant-lidmaatschap, sinds eind 2013 met de door hem gevoerde onderneming lid van de NVVK. Daarbinnen maakt hij sinds mei 2014 deel uit van de werkgroep SHVO (Schuldhulp voor Ondernemers). Voorts is hij in het bezit van het hem door de KIWA op 20 september 2012 afgegeven NEN 8048-2 Certificaat van Vakbekwaamheid Schuldhulpverlener, en heeft hij met een hem op 21 juni 2012 verstrekt diploma de leergang Bewindvoerder WSNP bij OSR Juridische Opleidingen in Utrecht gevolgd en doorlopen. De heer [man x] heeft zich, zoals hij desgevraagd heeft verklaard, om hem moverende redenen (nog) niet laten registreren als bewindvoerder WSNP noch is hij als zodanig werkzaam.

3.12.

Door Intova is verwezen naar diverse uitspraken van diverse rechtbanken in Nederland in zaken die de toepassing van de wet op de schuldsaneringsregeling betroffen. In deze zaken had Intova ten behoeve van de belanghebbende als schuldhulpverlener het minnelijke traject uitgevoerd en was door mr. Bijlsma, voor zover vereist, de verklaring ex artikel 285 lid 1 sub f Fw afgegeven. Enkele van die zaken betroffen de toelating tot de schuldsaneringsregeling en de meeste betroffen de toepassing van artikel 287a Fw, op een door Intova voor de betrokken schuldenaar aangeboden akkoord. In geen van deze zaken was de betrokken schuldenaar/verzoeker in diens verzoek of vordering niet-ontvankelijk verklaard omdat het door Intova uitgevoerde minnelijke traject zou zijn uitgevoerd door een - in de zin van artikel 288 lid 2 sub b Fw juncto artikel 48 lid 1 WCk - niet bevoegde schuldhulpverlener.

3.13.

Volgens Intova dient zij als bevoegde schuldhulpverlener in de zin van artikel 288 lid 2 sub b Fw te worden aangemerkt, omdat zij deze hulp voor en in opdracht van de gemeente [plaatsnaam] aan verzoekster heeft verleend. Volgens Intova is op de door haar aan verzoekster verleende schuldhulp de Wet op het Consumentenkrediet niet van toepassing nu deze wet immers niet ziet op aan ondernemers te verstrekken schuldhulp. Volgens Intova is de strekking van het bepaalde in artikel 288 lid 2 sub b Fw en de verwijzing daarin naar artikel 48 lid 1 WCk geen andere dan dat schuldbemiddeling aan natuurlijke personen plaats dient te vinden door bonafide en vakbekwame personen en instellingen, en voldoet Intova c.q. de heer [man x] , meer in het bijzonder bij schuldhulp aan (ex-) ondernemers, aan alle daarvoor geldende en relevante eisen en criteria.

3.14.

Omtrent de door de rechtbank opgeworpen vragen over het al dan niet bevoegdelijk voor verzoekster uitgevoerde minnelijke traject en de door mr. Bijlsma bij het verzoek daarover afgegeven verklaring wordt als volgt overwogen.

3.15.

Anders dan van de zijde van verzoekster is betoogd kan, voor het zich hier voordoende geval, mr. Bijlsma niet worden aangemerkt als zelf en rechtstreeks bevoegd tot het verstrekken van de in artikel 285 lid 1 sub f Fw bedoelde verklaring. Weliswaar heeft, zoals ook van de zijde van verzoekster is betoogd, de Hoge Raad in zijn arrest van 5 november 2010 (ECL:NL:HR:2010:BN8056) bepaald dat ook een door een advocaat afgegeven verklaring kan voldoen aan wat artikel 285 lid 1 onder f Fw daarover stelt, doch uit dit arrest volgt niet, althans niet zonder meer dat een advocaat ook, in afwijking van het in de wet bepaalde, tot het afgeven van die verklaring als bevoegd kan worden aangemerkt indien deze niet zelf als schuldhulpverlener de buitengerechtelijke schuldregeling heeft uitgevoerd. Integendeel, uit de uitspraak van de Hoge Raad van 13 maart 2015 (ECL:NL:HR:2015:589) en meer in het bijzonder uit het overwogene onder rechtsoverweging 3.4.3 laatste zin, lijkt te volgen dat slechts indien de buitengerechtelijke schuldregeling is gedaan door een persoon of instelling als bedoeld in artikel 48 lid 1 aanhef en onder c WCk, dan de verklaring door die persoon of instelling kan worden gegeven.

3.16.

Behalve dat uit de door de gemeente [plaatsnaam] aan Intova verstrekte opdracht al niet volgt dat deze (ook) is verstrekt aan de advocaat mr. Bijlsma, kan in deze opdracht naar het oordeel van de rechtbank ook niet een door B&W van die gemeente verstrekt mandaat worden gelezen, in die zin dat aan Intova of aan mr. Bijlsma de last en volmacht is gegeven om namens dit College de in artikel 285 lid 1 sub f Fw bedoelde taken uit te voeren.

3.17.

Het vorenstaande betekent dat verzoekster in haar verzoek niet-ontvankelijk zou dienen te worden verklaard. Dit, tenzij Intova rechtens zou kunnen worden aangemerkt als de voor het ten behoeve van verzoekster uitgevoerde minnelijke traject bevoegde schuldbemiddelaar, en Intova - naar analogie van het oordeel van de Hoge Raad in zijn arrest van 5 november 2010 - om die reden geacht kan worden bevoegd te zijn tot het afleggen van de verklaring ex artikel 285 lid 1 sub f Fw. Naar het oordeel van de rechtbank is dit het geval. De rechtbank overweegt daartoe het volgende.

3.18.1.

Hoewel in de praktijk blijkbaar nog steeds wel anders wordt verondersteld (zoals bijvoorbeeld kan worden opgemaakt uit de Conclusie van het OM bij HR 26 april 2013 (ECLI:NL:PHR:2013:BZ9955 onder 2.3) maakt de wet voor de toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling geen onderscheid tussen (ex-)ondernemers en niet-ondernemers.

Ook een (ex-)ondernemer kan om toelating verzoeken.

3.18.2.

Dit onderscheid wordt wel gemaakt in de Wet op het Consumentenkrediet, in die zin dat ingevolge het voorheen geldende artikel 4 WCk het in die wet bepaalde niet gold voor - kort gezegd - krediettransacties die voortvloeien uit of verband houden met de uitoefening van een beroep of bedrijf. Ook na de wetswijziging per 1 januari 2012 is, ingevolge het in artikel 2 van de WCk bepaalde, de reikwijdte van die wet beperkt gebleven tot consumenten-kredietovereenkomsten als bedoeld in titel 2A van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, waarmee zijn bedoeld overeenkomsten die niet zijn aangegaan in het kader van de uitoefening van een beroep of bedrijf.

3.18.3.

Artikel 288 lid 2 sub b Fw bepaalt sinds 1 januari 2008 dat een verzoek tot toelating wordt afgewezen indien de poging tot een buitengerechtelijke schuldregeling niet is uitgevoerd door een schuldbemiddelaar als bedoeld in artikel 48 lid 1 van de WCk. Het hier bepaalde berust op een amendement uit 2006 op een toen voorliggende wetswijziging dat blijkens de toelichting (Kamerstuk Tweede Kamer 2006-2007, 29942, no 20) tot doel had de schuldenaar te verplichten “eerst een minnelijk traject te volgen bij een daarvoor aangewezen instantie (...) alvorens men start aan het wettelijke traject.”

3.18.4.

Het in artikel 48 lid 1 WCk bepaalde vormt een uitzondering op het in artikel 47 lid 1 WCk gegeven verbod op schuldbemiddeling. Van dit verbod zijn uitgezonderd (artikel 48 lid 1 sub b) de “gemeentelijke kredietbanken, gemeenten en door gemeenten gehouden instellingen”, voorts (sub c) enige met name genoemde categorieën van personen en instellingen en tot slot (sub d) de nader bij AMvB aan te wijzen personen of instellingen.
Een algemene maatregel van bestuur als hier bedoeld is per de datum van heden niet van kracht.

3.18.5.

Teneneinde uitvoering te geven aan het bepaalde in artikel 48 lid 1 sub d is door de Minister van Economische Zaken op 17 juni 2014 een concept gepubliceerd van een “Vrijstellingsbesluit Schuldbemiddelaars” waarmee beoogd wordt de kring van personen en instellingen ten aanzien van wie het verbod van schuldbemiddeling als bedoeld in artikel 47 lid 1 WCk niet van toepassing is, uit te breiden met personen en instellingen die voldoen aan in dat (Concept-)Besluit genoemde eisen.

3.18.6.

Omdat de WCk in beginsel niet ziet op schulden uit onderneming, valt ook schuldbemiddeling aan ondernemers in beginsel niet onder het in artikel 47 lid 1 WCk gegeven verbod en valt ook Intova voor de door haar aan verzoekster geboden schuldbemiddeling reeds om die reden buiten dit verbod. Op grond van hetgeen Intova daarover in het geding heeft gebracht mag ook worden aangenomen dat zij aan de in dat (concept-)Besluit genoemde eisen volledig voldoet c.q. bij de invoering van dat besluit zal voldoen. Op grond van het feit dat Intova heeft gehandeld in opdracht en voor rekening van de gemeente [plaatsnaam] mag worden aangenomen dat Intova kan worden aangemerkt als bonafide schuldbemiddelaar.

3.18.7.

Bij het hiervoor genoemde Concept-Vrijstellingsbesluit is als ingangsdatum die van 1 januari 2015 voorzien. Tot dusver is nog geen besluit van kracht geworden. Niet alleen is onduidelijk of en zo ja wanneer dit of een ander besluit van kracht zal worden, maar ook is onduidelijk waarom dit (concept-) besluit of een ander besluit nog niet is ingevoerd.

3.18.8.

Indien en zolang Intova in het onderhavige geval niet als een voor het uitvoeren van een poging tot een regeling met de schuldeisers ex artikel 288 lid 2 sub b Fw bevoegde schuldhulpverlener aangemerkt zou mogen worden, zou verzoekster, om toegelaten te mogen worden tot de wettelijke schuldsaneringsregeling, verplicht zijn om alsnog, na de specifiek voor haar als ondernemer geboden schuldhulp, een nieuw minnelijk traject te starten met één van de artikel 48 lid 1 sub b of sub c WCk genoemde personen of instellingen. Datgeen wat van de zijde van verzoekster daarover bij haar verzoekschrift is overgelegd wettigt niet de conclusie dat in dat geval een ander resultaat van het minnelijke traject is te verwachten dan wat daarover door de advocaat mr. Bijlsma in diens verklaring bij het verzoek is verklaard.

3.18.9.

Ook zou verzoekster in dat geval middels een eigen aangifte de rechtbank kunnen verzoeken om haar in staat van faillissement te verklaren waarna zich voor haar de mogelijkheid aandient om ex artikel 15b Fw omzetting te vragen naar toepassing van de schuldsaneringsregeling. Met inachtneming van wat door de Hoge Raad is overwogen in diens arrest van 13 maart 2015 (ECLI:NL:HR:2015:589) behoeft in dat geval het minnelijke traject zelfs in het geheel niet meer te worden gevolgd maar kan worden volstaan met een verklaring van de curator dat “door hem is onderzocht of de gefailleerde aan zijn gezamenlijke schuldeisers een akkoord in de zin van artikel 138 Fw kan aanbieden en dat er geen reële mogelijkheden zijn om tot een buitengerechtelijke schuldregeling te komen”.

3.18.10.

Daar waar de Hoge Raad in hetzelfde arrest aangaf dat de strekking van het bepaalde in artikel 15b lid 1 Fw juist is het aantal faillissementen van natuurlijke personen zoveel mogelijk terug te dringen ten gunste van de schuldsaneringsregeling, valt niet in te zien welk rechtens te respecteren belang in het hier aan de orde zijnde geval ermee is gediend dat verzoekster voor het door haar te bereiken doel eerst haar eigen faillissement zou moeten aanvragen dan wel een andere schuldbemiddelaar zou moeten vragen het voor haar reeds gevoerde minnelijke traject te laten volgen door een nieuwe poging.

3.19.

Naar het oordeel brengt het vorenstaande en brengt een redelijke toepassing van de wet in het onderhavige geval met zich mee dat Intova voor het door haar voor verzoekster uitgevoerde minnelijke traject moet worden aangemerkt als daartoe in de zin van het bepaalde in artikel 288 lid 2 sub b Fw bevoegde schuldbemiddelaar.

3.20.

Hierbij betrekt de rechtbank, behalve het vorenstaande, voorts nog dat:

  1. Intova heeft gehandeld in opdracht en voor rekening van de gemeente [plaatsnaam] in het kader van de specifiek door de gemeente aan (ex-) ondernemers/ inwoners van haar gemeente geboden schuldhulp en Intova in zoverre zou kunnen worden gelijkgesteld aan een “door de gemeente gehouden instelling” als bedoeld in artikel 48 lid 1 sub b WCk;

  2. anders dan in het geval van het arrest van het Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch van 9 juli 2015 (ECLI:NL:GHSHE:2015:2609) het minnelijke aanbod aan de schuldeisers door Intova niet was gedaan in het kader van een beoogde doorstart van de onderneming maar ter voorbereiding van het WSNP-traject;

  3. uit de bijlagen van het verzoekschrift blijkt dat het door Intova uitgevoerde minnelijke traject deugdelijk en zorgvuldig is uitgevoerd.

3.21.

Nu de rechtbank van oordeel is dat Intova in het onderhavige geval dient te worden aangemerkt als - in de zin van het bepaalde in artikel 288 lid 2 sub b Fw - bevoegde schuldhulpverlener zou zij, naar analogie van het standpunt van de Hoge Raad in zijn arrest van 5 november 2010 (ECLI:NL:HR:2010:BN8056), ook zelf bevoegdelijk de in artikel 285 lid 1 sub f Fw bedoelde verklaring hebben kunnen opmaken. Nu deze is opgemaakt door mr. Bijlsma, in zijn hoedanigheid van advocaat handelend in opdracht van Intova, kan die verklaring naar het oordeel van de rechtbank worden toegerekend aan Intova en worden aangemerkt als bevoegdelijk te zijn gegeven.

3.22.

Nu verzoekster in haar verzoek ontvankelijk is en de rechtbank overigens niet is gebleken van feiten of omstandigheden die aan toewijzing van het verzoek in de weg staan, zal dit worden toegewezen.

4 De beslissing

De rechtbank:

spreekt de toepassing van de schuldsaneringsregeling uit ten aanzien van:

[verzoekster] ,

geboren op [datum] te [plaatsnaam] ,

wonende te [adres] ;

benoemt tot rechter-commissaris mr. Luijks,

en tot bewindvoerder Verhulst,

Postbus 105,

5140 AC Waalwijk;

geeft last aan de bewindvoerder tot het openen van aan de schuldenares gerichte brieven en telegrammen gedurende een termijn van dertien maanden;

kent, bij toereikend actief, gedurende de looptijd van de schuldsaneringsregeling aan de bewindvoerder een maandelijks voorschot op het salaris toe van ten hoogste het looptijdafhankelijke deel als bedoeld in artikel 2 van het Besluit vergoeding bewindvoerder schuldsanering, vermeerderd met een zesendertigste van het looptijdonafhankelijke deel als bedoeld in artikel 2 van het Besluit vergoeding bewindvoerder schuldsanering.

Dit vonnis is gewezen door mr. Post, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 9 maart 2016 in tegenwoordigheid van de griffier.