Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2016:1733

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
24-03-2016
Datum publicatie
24-03-2016
Zaaknummer
02-800313-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

tbs met dwangverpleging voor schutter café Chagall Roosendaal

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats: Middelburg

parketnummers: 02/800313-15 en 02/665123-15

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 24 maart 2016

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1976 te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ),

voorheen wonende te [adres] ,

thans gedetineerd in de penitentiaire inrichting Dordrecht, Kerkeplaat 25, 3313 LC Dordrecht,

raadsman mr. G.J. Woodrow, advocaat te Tilburg.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 10 maart 2016, waarbij de officier van justitie mr. G.V. van der Hofstede en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

Ter zitting zijn overeenkomstig artikel 285 van het Wetboek van Strafvordering de zaken onder voormelde parketnummers gevoegd.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging in de zaak met parketnummer 02/665123-15 is ter zitting van 24 september 2015 gewijzigd overeenkomstig artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering. De rechtbank heeft de feiten die in de inleidende dagvaardingen zijn opgenomen, van een doorlopende nummering voorzien. Zij zal die nummering in dit vonnis aanhouden.

Aan verdachte is, met inachtneming van de wijziging, ten laste gelegd dat

parketnummer 02/800313-15

1.

hij op of omstreeks 03 mei 2015 te Roosendaal ter uitvoering van het door

verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade,

althans opzettelijk, [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of

[slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] en/of overige bezoekers van café Chagall

van het leven te beroven, met dat opzet en na kalm beraad en/of rustig overleg

en/of na een daartoe tevoren genomen wilsbesluit, althans met dat opzet

meermalen met een vuurwapen in dat café heeft geschoten in welk cafe die

[slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] en/of die overige

bezoeker(s) zich bevonden en/of met een vuurwapen heeft geschoten in de

richting van die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4]

en/of die overige bezoeker(s) van dat café, terwijl de uitvoering van dat

voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair, althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling

mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 03 mei 2015 te Roosendaal ter uitvoering van het door

verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2]

en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] en/of overige bezoekers

van café Chagall opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen met dat

opzet meermalen met een vuurwapen in dat café heeft geschoten in welk cafe die

[slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] en/of die overige

bezoeker(s) zich bevonden en/of met een vuurwapen heeft geschoten in de

richting van die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4]

en/of die overige bezoeker(s), terwijl de uitvoering van dat voorgenomen

misdrijf niet is voltooid;

tweede subsidiair, althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een

veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 03 mei 2015 te Roosendaal [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2]

en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] en/of overige

bezoekers van café Chagall heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven

gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk

dreigend een vuurwapen gericht op en/of getoond aan die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2]

en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] en/of overige bezoekers van café Chagall

en/of (vervolgens) de trekker van dat vuurwapen overgehaald;

2.

hij op of omstreeks 03 mei 2015 te Roosendaal een wapen van categorie III, te

weten een pistool (merk Walther, type PP, kaliber 7.65 mm), voorhanden heeft

gehad;

parketnummer 02/665123-15

3.

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2015

tot en met 26 januari 2015 te Steenbergen

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt,

in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand aan [adres] )

ongeveer 301 hennepplanten, althans een groot aantal hennepplanten en/of delen

daarvan, in elk

geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep,

zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II,

dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet;

subsidiair, althans, indien het vorenstaande onder 3 niet tot een veroordeling

mocht of zou kunnen leiden:

een of meer onbekend gebleven personen op een of meer tijdstippen in of

omstreeks de periode van

1 januari 2015 tot en met 26 januari 2015 te Steenbergen met elkaar, althans

één van hen, opzettelijk

heeft/hebben geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt,

in elk geval opzettelijk aanwezig heeft/hebben gehad (in een pand aan

de [adres] ) ongeveer 301 hennepplanten, althans een groot aantal

hennepplanten en/of delen daarvan,

in elk geval (telkens) een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een

materiaal bevattende hennep,

zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II,

tot en/of bij het plegen van welk misdrijf/misdrijven verdachte op een of

meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2015 tot en met 26

januari 2015 te Steenbergen, in elk geval in

Nederland, meermalen, althans eenmaal (telkens) opzettelijk gelegenheid en/of

middelen en/of inlichtingen heeft verschaft en/of opzettelijk behulpzaam is

geweest, door aan die onbekend gebleven persoon/personen voornoemd pand voor

de teelt/het kweken van hennepplanten ter beschikking te stellen;

4.

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2015

tot en met 26 januari 2015 te Steenbergen tezamen en in vereniging met een

ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke

toe-eigening in/uit een elektriciteitsnetwerk (meterkast) heeft weggenomen

een hoeveelheid elektriciteit, in elk geval enig goed, geheel of ten dele

toebehorende aan Enexis B.V., in elk geval aan een ander of anderen dan aan

verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s)

zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of

de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht

door middel van braak, verbreking en/of inklimming;

subsidiair, althans, indien het vorenstaande onder 4 niet tot een veroordeling

mocht of zou kunnen leiden:

een of meer (onbekend gebleven) perso(o)n(en) op een of meer tijdstippen in of

omstreeks de periode van 1 januari 2015 tot en met 26 januari 2015 te Steenbergen tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met

het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een elektriciteitsnetwerk

(meterkast) heeft/hebben weggenomen een hoeveelheid elektriciteit, in elk

geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan die (onbekend gebleven)

perso(o)n(en), in elk geval aan een ander of anderen dan aan die (onbekend

gebleven) perso(o)n(en) en/of zijn/haar/hun mededader(s) en/of aan verdachte,

waarbij die (onbekend gebleven) perso(o)n(en) en/of zijn/haar/hun mededader(s)

zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of

de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn/haar/hun bereik heeft/hebben

gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming,

tot en/of bij het plegen van welk misdrijf verdachte op een of meer

tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2015 tot en met 26

januari 2015 te Steenbergen en/of elders in Nederland opzettelijk

gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft en/of opzettelijk

behulpzaam is geweest door die (onbekend gebleven) perso(o)n(en) toegang te

verlenen tot en/of toe te staan gebruik te maken van zijn, verdachtes,

meterkast.

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht de aan verdachte onder 1 primair impliciet subsidiair ten laste gelegde poging tot doodslag wettig en overtuigend bewezen. Op basis van de verklaringen van getuigen en de camerabeelden staat vast dat verdachte in een café waar mensen aanwezig waren op een ongecontroleerde wijze zijn vuurwapen heeft geleegd. Gelet op het technisch onderzoek en de camerabeelden was er een reële kans aanwezig dat er personen zouden worden gedood. Immers, een aantal personen stond achter de bar en er zijn kogelinslagen aangetroffen op en rond de bar. Hoewel verdachte het doet voorkomen alsof hij bewust zou hebben geschoten op een ongevaarlijke plaats, blijkt hier niet van. De getuigen hebben verklaard dat hij in paniek kwam binnenlopen en begon te schieten, hetgeen ook op de camerabeelden is te zien. De onder 1 primair impliciet primair ten laste gelegde poging tot moord acht de officier van justitie niet bewezen, omdat niet is gebleken van een vooropgezet plan. Verdachte dient daar dan ook van te worden vrijgesproken.

Gelet op de bekennende verklaring van verdachte en het aantreffen van het wapen en het rapport daarover acht de officier van justitie het onder 2 ten laste gelegde feit eveneens bewezen.

De officier van justitie acht ook het onder 3 primair en 4 primair ten laste gelegde, gelet op de verklaring van verdachte, wettig en overtuigend bewezen, in die zin dat verdachte deze feiten tezamen en in vereniging heeft gepleegd met ‘ [naam] ’.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte van het hem onder 1 primair en het onder 1 subsidiair ten laste gelegde moet worden vrijgesproken. Verdachte heeft weliswaar twee keer geschoten met een vuurwapen in een café waar mensen aanwezig waren, maar hij heeft dat gedaan in neerwaartse richting, hetgeen ook blijkt uit pagina 84 van het proces-verbaal. Daarmee wordt de stelling van de officier van justitie dat verdachte in het wilde weg heeft geschoten, ontkracht. Gelet op de camerabeelden stonden de in het café aanwezige personen tijdens het schieten op een dusdanige plek achter de bar dat zij onmogelijk geraakt zouden kunnen worden. Van een aanmerkelijke kans op de dood dan wel zwaar lichamelijk letsel kan dan ook niet worden gesproken. Verdachte heeft waarschuwingsschoten gelost om zijn belagers af te schrikken, maar heeft nooit de bedoeling gehad de in het café aanwezige personen te raken. Hij heeft dan ook niet welbewust de kans aanvaard dat hij iemand zou raken. Van kalm beraad en planmatig handelen is al helemaal geen sprake.

Uiterst subsidiair heeft hij zich op het standpunt gesteld, dat mocht de rechtbank van oordeel zijn dat er wel een aanmerkelijke kans is geweest, er rekening mee moet worden gehouden dat verdachte naar beneden heeft geschoten en dat er dus geen kans is geweest op dodelijk letsel.

Met betrekking tot de onder 1 tweede subsidiair ten laste gelegde bedreiging en het onder 2 ten laste gelegde heeft hij zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

De raadsman is van mening dat het onder 3 primair ten laste gelegde niet wettig en overtuigend kan worden bewezen. Hij heeft daarbij gewezen op de verklaring van verdachte bij de politie, waarin hij niets specifieks kan zeggen over de hennepkwekerij. Daaruit maakt de raadsman op dat de hennepkwekerij buiten hem om is gegaan. Het handelen van verdachte kan ten hoogste worden gekwalificeerd als medeplichtigheid. Ten aanzien van het onder 4 ten laste gelegde heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat het maar de vraag is of verdachte hier voldoende wetenschap van heeft gehad om zelfs maar te spreken van medeplichtigheid.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

Feit 1 en 2

Feiten en omstandigheden

De volgende feiten en omstandigheden kunnen op grond van de gebruikte bewijsmiddelen als vaststaand worden aangemerkt. Deze feiten hebben ter terechtzitting niet ter discussie gestaan en kunnen zonder nadere motivering dienen als vertrekpunt voor de beoordeling van de bewijsvraag.

Verdachte kwam op 3 mei 2015 omstreeks 10.41 uur café Chagall aan de Markt te Roosendaal via de ingang aan de voorzijde binnen gelopen1. Op dat moment was [slachtoffer 2] aan het werk achter de bar en zat [slachtoffer 1] aan het ronde gedeelte van de bar2. Verdachte rende het café verder in en riep ‘politie’, terwijl hij een vuurwapen in zijn hand vast had. Hij liep de trap op, hield het wapen tussen de spijlen van de trapleuning en schoot in de richting van de voordeur. Hij liep verder de trap op en vervolgens klonk er nog een harde knal. De in het café aanwezige personen renden achter de bar langs weg in de richting van de achterzijde van het café om vervolgens via de keuken het pand te verlaten.3 Op de bovenverdieping heeft verdachte ook nog drie keer geschoten.

Vanaf de ingang gezien bevindt zich aan de linkerkant van het café de bar en is halverwege het café een verhoogd gedeelte, dat te bereiken is via twee treden. Daar eindigt de bar en is een doorgang om vanuit het klantgedeelte achter de bar te komen. Links bij de treden is een trap naar de eerste verdieping.4 In de rand van de bar is bij de doorgang een schotbeschadiging aangetroffen. Tussen de doorgang naar de bar en de treden naar het achtergedeelte stond een statafel. In het blad van deze tafel werd eveneens een schotbeschadiging aangetroffen. Gezien de vorm van de beschadigingen waren deze veroorzaakt door projectielen die in neerwaartse richting waren afgevuurd.5

Bewijsoverweging

De rechtbank is van oordeel dat op geen enkel moment sprake is geweest van kalm beraad en rustig overleg, waardoor niet kan worden gesproken van voorbedachte raad. Derhalve is niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 primair impliciet primair ten laste gelegde (poging tot moord) heeft begaan. Hij zal daar dan ook van worden vrijgesproken.

Het draait in deze zaak om de vraag of sprake is geweest van een aanmerkelijke kans op de dood van de in het café aanwezige personen en of deze kans willens en wetens door verdachte is aanvaard. Als deze vraag ontkennend wordt beantwoord, moet de rechtbank vervolgens beoordelen of de handelingen van verdachte in plaats van een poging tot doodslag een poging tot het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel dan wel een bedreiging opleveren, zoals onder 1 subsidiair respectievelijk 1 tweede subsidiair is ten laste gelegd.

De rechtbank stelt voorop dat voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg aanwezig is indien verdachte zich bewust was van de aanmerkelijke kans dat het onderhavige gevolg zou intreden en dat hij die kans willens en wetens heeft aanvaard. Daarvoor is niet alleen vereist dat verdachte wetenschap heeft van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden, maar ook dat hij die kans ten tijde van de gedraging bewust heeft aanvaard of op de koop toe heeft genomen. Of in een concreet geval moet worden aangenomen dat sprake is van voorwaardelijk opzet zal, indien de verklaringen van verdachte geen inzicht geven omtrent hetgeen ten tijde van de gedraging in hem is omgegaan, afhangen van de feitelijke omstandigheden van het geval. Daarbij zijn de aard van de gedragingen en de omstandigheden waaronder deze zijn verricht van belang. Bepaalde gedragingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zo zeer gericht op een bepaald gevolg dat het, behoudens contra-indicaties, niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg heeft aanvaard (Hoge Raad 5 december 2006, ECLI:NL:HR:2006:AZ1668).

Het voorgaande leidt er toe dat voor het aannemen van voorwaardelijk opzet op het onder 1 primair impliciet subsidiair ten laste gelegde, sprake moet zijn van een aanmerkelijke kans op de dood van de in het café aanwezige personen en de bewuste aanvaarding of het op de koop toe nemen van die kans door verdachte. Vast staat dat verdachte vijf keer met een vuurwapen heeft geschoten terwijl hij zich in het café bevond, waarvan twee keer beneden. Op dat moment bevonden zich op de benedenverdieping meerdere personen, te weten [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] . Zij bevonden zich achter of aan de bar. Daarnaast gaat de rechtbank er, gelet op de verklaringen van verdachte en van [slachtoffer 3] , vanuit dat ook [slachtoffer 3] zich achter de bar bevond op het moment dat verdachte het café in rende en vervolgens schoot.6 Verder waren er op dat moment geen personen in het café aanwezig. Verdachte is via de voordeur het café binnengekomen en is de aanwezige personen in het café gepasseerd. Hij heeft hen zelfs nog, zoals hij zelf ook heeft verklaard, aangesproken.7 Hij wist aldus dat er meerdere personen in het café aanwezig waren. Verdachte heeft vervolgens, terwijl hij op de trap naar de eerste verdieping stond, in de richting van de ingang geschoten alwaar zich ook de bar bevond. In de rand van de bar is bij de doorgang een schotbeschadiging aangetroffen.

Verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij niemand wilde doden. Hij werd die ochtend al gedurende geruime tijd achtervolgd door een groep personen. Hij heeft tijdens de achtervolging door de stad zijn vuurwapen opgehaald en is uiteindelijk in paniek het café in gerend. Hij wilde met het lossen van een aantal schoten enkel zijn achtervolgers waarschuwen/afschrikken, zodat hij tijd kreeg om wat te drinken en zich op te frissen. Hij heeft verklaard dat hij niet op de mensen in het café heeft gericht, omdat hij niemand wilde raken, maar op een houten balk in de vloer. Hij heeft echter tevens verklaard dat hij nog nooit eerder had geschoten. Het tweede schot vloog zelfs ineens uit zijn vuurwapen. Bovendien heeft hij verklaard dat hij moe was en dat hij die nacht cocaïne had gebruikt.8

De rechtbank is van oordeel dat weliswaar uit de verklaring van verdachte blijkt dat hij geen boos opzet had een of meer van de in het café aanwezige personen te doden, maar dat uit de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder zijn handelingen plaatsvonden wel blijkt dat verdachte voorwaardelijk opzet daartoe had. Immers, door als ongeoefend schutter, in paniek en onder invloed van verdovende middelen, van halverwege een trap in een café met een vuurwapen neerwaarts te schieten in de richting van de ingang alwaar zich ook de bar bevond, terwijl hij wist dat daar personen aanwezig waren, heeft verdachte naar het oordeel van de rechtbank de aanmerkelijke kans op de dood van de aanwezige [slachtoffer 2] , [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3] aanvaard. Hoewel verdachte heeft verklaard dat hij gericht op de vloer heeft geschoten, blijkt uit het sporenonderzoek dat één kogel op de benedenverdieping niet in de vloer, maar in de rand van de bar terecht is gekomen. De rechtbank acht het onder 1 primair impliciet subsidiair ten laste gelegde dan ook wettig en overtuigend bewezen.

Aangezien verdachte ten aanzien van feit 2 een bekennende verklaring heeft afgelegd en ter zake daarvan geen vrijspraak is bepleit, zal worden volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen als bedoeld in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering en acht de rechtbank dat feit wettig en overtuigend bewezen, gelet op:

- de bekennende verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting9;

- het proces-verbaal sporenonderzoek voor zover dit inhoudt het aantreffen van het vuurwapen10;

- het proces-verbaal inhoudende wapenonderzoek11.

Feit 3 en Feit 4

Naar aanleiding van een melding dat van de woning [adres] te Steenbergen twee ruiten waren ingegooid, heeft de politie op 26 januari 2015 een onderzoek ingesteld. Op de bank in de woonkamer lag een man, verdachte, te slapen. De verbalisanten zagen dat er verschillende luchtbuizen door het huis heen lagen alsook dat er een zwarte tent in de woonkamer stond en een kast met verschillende elektriciteitsdraden erop.12 Vervolgens werd in de woning binnengetreden. In de woning stonden op de beneden- en bovenverdieping vier zogenaamde kweektenten met daarin in totaal 301 hennepplanten.13 De monsters van de aangetroffen hennepplanten zijn positief op hennep getest.14

Namens Enexis B.V. is aangifte gedaan van diefstal van elektriciteit. De fraude-inspecteur constateerde dat er sprake was van een illegale aansluiting op de aansluitkast, waarbij de hoofdbeveiliging ten behoeve van de elektrische installatie verzwaard was.15

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij huurder was van de woning [adres] te Steenbergen en dat hij alleen in deze woning verbleef. De hennepkwekerij is een paar weken voor zijn aanhouding op zijn initiatief opgezet, om zo de rekeningen te kunnen betalen. Ene [naam] heeft hem daarbij geholpen. Deze [naam] heeft ook de elektriciteit aangelegd. Verdachte heeft hierover verklaard dat het hem niet zoveel kon schelen hoe het gebeurde, als het maar veilig gebeurde. De opbrengst van de kwekerij zouden zij samen verdelen.16 Naast de voornaam van degene met wie hij de hennepkwekerij zou hebben opgezet, heeft verdachte verklaard dat hij [naam] kent uit Breda. Verder heeft hij geen gegevens kunnen geven. Derhalve heeft de politie geen onderzoek kunnen doen naar deze persoon. Gelet op de genoemde omstandigheden in onderlinge samenhang bezien, is de rechtbank van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat ‘ [naam] ’ - voor zover hij al bestaat - betrokken is geweest bij de hennepkwekerij aan de [adres] te Steenbergen. Daarvoor is de verklaring van verdachte onvoldoende concreet.

Wel is komen vast te staan dat verdachte in de ten laste gelegde periode huurder was van voornoemde woning waar de hennepkwekerij is aangetroffen en dat hij daar ook verbleef. Dit brengt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen dat verdachte het onder 3 primair en 4 primair ten laste gelegde heeft begaan, te weten dat hij in zijn woning te Steenbergen hennep heeft geteeld en daar voorts op illegale wijze stroom heeft afgenomen.

4.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1.

hij op of omstreeks 03 mei 2015 te Roosendaal ter uitvoering van het door

verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade,

althans opzettelijk, [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of

[slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] en/of overige bezoekers van café Chagall

van het leven te beroven, met dat opzet en na kalm beraad en/of rustig overleg

en/of na een daartoe tevoren genomen wilsbesluit, althans met dat opzet

meermalen met een vuurwapen in dat café heeft geschoten in welk café die

[slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] en/of die overige

bezoeker(s) zich bevonden en/of met een vuurwapen heeft geschoten in de

richting van die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4]

en/of die overige bezoeker(s) van dat café, terwijl de uitvoering van dat

voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

hij op of omstreeks 03 mei 2015 te Roosendaal een wapen van categorie III, te

weten een pistool (merk Walther, type PP, kaliber 7.65 mm), voorhanden heeft

gehad;

3.

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2015

tot en met 26 januari 2015 te Steenbergen

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt,

in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand aan [adres] )

ongeveer 301 hennepplanten, althans een groot aantal hennepplanten en/of delen

daarvan, in elk

geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep,

zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II,

dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet;

4.

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2015

tot en met 26 januari 2015 te Steenbergen tezamen en in vereniging met een

ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke

toe-eigening in/uit een elektriciteitsnetwerk (meterkast) heeft weggenomen

een hoeveelheid elektriciteit, in elk geval enig goed, geheel of ten dele

toebehorende aan Enexis B.V., in elk geval aan een ander of anderen dan aan

verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s)

zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of

de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht

door middel van braak, verbreking en/of inklimming.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

Psychiater J.R. Nijdam en psychologen E.M. van Engers en I.F.J. Bronnenberg hebben verdachte onderzocht en op 16 december 2015 respectievelijk 15 december 2015 hierover gerapporteerd. Zij hebben vastgesteld dat bij verdachte sprake is van een paranoïde waanstoornis en een antisociale persoonlijkheidsstoornis. Ten tijde van het onder 1 ten laste gelegde was verdachte paranoïd psychotisch en waren ook de kenmerken van de persoonlijkheidsstoornis aanwezig en werden zijn gedragskeuzes en gedragingen hierdoor beïnvloed. De deskundigen adviseren verdachte met betrekking tot het onder 1 ten laste gelegde als ontoerekeningsvatbaar te beschouwen. Dit is anders voor wat betreft de overige ten laste gelegde feiten. Verdachte kan volgens de deskundigen verantwoordelijk worden gehouden voor alle keuzen die hij met betrekking tot die feiten heeft gemaakt en moet derhalve volgens de psychiater als volledig toerekeningsvatbaar worden beschouwd, terwijl de psychologen hem ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde verminderd toerekeningsvatbaar achten.

De officier van justitie is van mening dat verdachte volledig ontoerekeningsvatbaar moet worden beschouwd ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde en heeft gevorderd verdachte ten aanzien van dat feit te ontslaan van alle rechtsvervolging.

De verdediging heeft zich aangesloten bij het standpunt van de officier van justitie.

De rechtbank kan zich vinden in de conclusie van de deskundigen ten aanzien van de volledige ontoerekeningsvatbaarheid van verdachte met betrekking tot het onder 1 ten laste gelegde en zal deze conclusie overnemen. Het onder 1 primair impliciet subsidiair bewezenverklaarde kan verdachte derhalve wegens een ziekelijke stoornis en gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens zoals hierboven omschreven, niet worden toegerekend. Verdachte dient dan ook ten aanzien van dat feit te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

Verdachte is voor de overige feiten strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De op te leggen straf/maatregel

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft de conclusies van de deskundigen voor wat betreft de toerekenbaarheid van de feiten 1, 3 en 4 overgenomen en de conclusie van de psychologen voor wat betreft feit 2. Hij acht verdachte niet strafbaar voor het door hem bewezen geachte onder 1 primair impliciet subsidiair ten laste gelegde feit, verminderd toerekeningsvatbaar voor het onder 2 ten laste gelegde en volledig toerekeningsvatbaar voor het onder 3 primair en 4 primair ten laste gelegde. Hij heeft zich, verwijzend naar de rapportages van de deskundigen, op het standpunt gesteld dat, nu het recidiverisico hoog wordt ingeschat en verdachte geen enkel ziekte-inzicht heeft en niet wil meewerken aan een behandeling, de maatregel van plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis voor maximaal één jaar niet toereikend is. Hij heeft gevorderd aan verdachte ten aanzien van het onder 1 bewezenverklaarde de maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging op te leggen en ten aanzien van de feiten 2, 3 en 4 een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden met aftrek van voorarrest.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft aangevoerd dat verdachte bereid is zijn medewerking te verlenen aan een ambulante behandeling. Subsidiair heeft hij zich op het standpunt gesteld dat, mocht de rechtbank dit niet van toepassing dan wel onvoldoende vinden, op basis van het advies van de deskundigen aan verdachte de maatregel van plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis voor de duur van één jaar dient te worden opgelegd, nu dit volgens de deskundigen voldoende basis biedt om het recidiverisico te hanteren. Weliswaar heeft verdachte op dit moment (nog) geen ziekte-inzicht, maar dat kan gaandeweg de behandeling wel komen. De maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging is een onevenredig zwaar middel, nu verdachte niet eerder is behandeld. De deskundigen stippen in hun rapporten wel de maatregel van terbeschikkingstelling aan, maar adviseren dit niet. Bovendien hoort verdachte niet thuis in het strafrecht, maar in de geestelijke gezondheidszorg.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Verdachte heeft, terwijl hij in paniek en onder invloed verkeerde van cocaïne, meermalen met een vuurwapen geschoten in een café waar zich op dat moment meerdere personen bevonden en heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag op meerdere personen. Hij heeft het leven van de in het café aanwezige personen op ernstige en onaanvaardbare wijze in gevaar gebracht. Dat geen van de aanwezigen is gedood of zelfs maar gewond is geraakt, is een gelukkige omstandigheid die geenszins aan het handelen van verdachte is te danken.

De deskundigen hebben geconcludeerd dat ten tijde van het onder 1 ten laste gelegde, naast voornoemde stoornis ook het misbruik van cocaïne een rol heeft gespeeld. Verdachte is overtuigd van de realiteit van de bedreigingen door een groep mannen en toont geen ziektebesef of -inzicht. De psychologen Van Engers en Bronnenberg geven aan dat sprake is van een hoog risico op recidive van een geweldsdelict. Psychiater Nijdam heeft het over een als hoog in te schatten recidiefrisico. De deskundigen achten het van het grootste belang dat verdachte een behandeling krijgt voor met name de waanstoornis, waarbij ook aandacht is voor het re-integratietraject, om het recidiverisico te verkleinen. Zij adviseren verdachte te plaatsen in een psychiatrische kliniek, te weten een forensisch psychiatrische afdeling of kliniek, conform artikel 37 van het Wetboek van Strafrecht. Het opleggen van de maatregel van terbeschikkingstelling wordt niet noodzakelijk geacht, omdat de setting van een forensisch psychiatrische kliniek voldoende wordt geacht om het recidiverisico te kunnen hanteren.

Het Leger des Heils heeft in haar reclasseringsadvies van 29 januari 2016 eveneens geconcludeerd dat het recidiverisico hoog wordt ingeschat, gelet op de bij verdachte vastgestelde waanstoornis en antisociale persoonlijkheidsstoornis, zijn gebrek aan ziekte-inzicht en gezien zijn patroon van jarenlang disfunctioneren in de maatschappij. Zij heeft, conform de adviezen van de deskundigen, geadviseerd ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde de maatregel van plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis op te leggen. Daarbij is opgemerkt dat het nadeel van plaatsing op basis van artikel 37 is dat deze maatregel maar één jaar duurt, waardoor het na één jaar ontbreekt aan een verplicht juridisch kader en aan de mogelijkheid van (verplicht) toezicht. Aangezien verdachte zich niet kan vinden in de diagnose en hij behandeling en of toezicht zodoende niet nodig vindt, acht de reclassering de kans hoog dat verdachte na afloop van deze maatregel zich onttrekt aan hulpverlening in een vrijwillig kader. Indien de rechtbank de plaatsing op basis van artikel 37 zodoende als ontoereikend beschouwd (het risico op toekomstig gewelddadig gedrag is hoog en de kans op onttrekking aan hulpverlening in een vrijwillig kader is ook hoog), kan worden overwogen om een TBS-maatregel op te leggen. Een TBS met voorwaarden is niet haalbaar wegens gebrek aan motivatie en ziektebesef, aldus de reclassering.

Op grond van de conclusies van de gedragsdeskundigen is de rechtbank van oordeel dat zonder behandeling de kans dat verdachte zich opnieuw aan een geweldsdelict zal schuldig maken hoog is en dat hij dus gevaarlijk is voor anderen dan wel voor de algemene veiligheid van personen. De deskundigen adviseren plaatsing van verdachte in een psychiatrisch ziekenhuis, maar merken daarbij wel op dat aan deze maatregel als nadeel kleeft dat de behandelduur tot een jaar beperkt is. Na dat jaar ontbreekt het aan een verplicht juridisch kader en de verwachting is dat verdachte, gelet op zijn standpunt, zich dan zal onttrekken aan hulpverlening in een vrijwillig kader.

De rechtbank is van oordeel dat gezien de ernst van feit 1, het hoge recidiverisico dat door de deskundigen is vastgesteld, de omstandigheid dat verdachte geen ziektebesef en/of inzicht heeft en het gevaar dat verdachte voor anderen oplevert, het opleggen van de maatregel tot terbeschikkingstelling met dwangverpleging noodzakelijk is. Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat voldaan wordt aan de eisen die de wet daaraan stelt, te weten:

  • -

    bij verdachte bestond ten tijde van het plegen van het feit een ziekelijke stoornis en gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens;

  • -

    op het gepleegde misdrijf is een gevangenisstraf van vier jaren of meer gesteld;

  • -

    de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen eist die maatregel.

De rechtbank overweegt voorts dat de maatregel van terbeschikkingstelling zal worden opgelegd terzake van een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. De totale duur van de maatregel kan daarom een periode van vier jaar te boven gaan.

Een plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis op basis van artikel 37 van het Wetboek van Strafrecht volstaat naar het oordeel van de rechtbank niet gelet op de ernst van de stoornis, het hoge recidiverisico en de beperkte duur van de behandeling van één jaar.

Voor een terbeschikkingstelling met voorwaarden ziet de rechtbank eveneens geen ruimte, omdat verdachte geen ziektebesef en/of inzicht heeft en het hem ontbreekt aan elke vorm van behandelbereidheid waardoor verdachte zich niet zal conformeren aan een behandeling in een vrijwillig kader, hetgeen ook tijdens de behandeling ter zitting is gebleken. De veiligheid van de maatschappij kan daardoor onvoldoende worden gegarandeerd

Ten aanzien van de bewezenverklaarde feiten 2, 3 en 4 overweegt de rechtbank het volgende.

Verdachte heeft een verboden vuurwapen voorhanden gehad. Het voorhanden hebben van dergelijke wapens levert, zoals blijkt uit het voorgaande, een onaanvaardbaar groot risico op dat deze ook daadwerkelijk worden gebruikt.

Verder heeft verdachte een hennepkwekerij in zijn woning gehad en ten behoeve van die kwekerij illegaal stroom afgenomen. Met de inkomsten die hij met de verkoop van de hennep verkreeg wilde hij zijn rekeningen betalen.

De rechtbank acht ook deze bewezenverklaarde feiten ernstig. Softdrugs bevatten stoffen die verslavend werken en die bij langdurig gebruik de gezondheid kunnen aantasten. Voorts leveren kwekerijen, waarbij op illegale wijze elektriciteit wordt onttrokken aan het net en de elektrische installatie ondeskundig is aangelegd, brandgevaar op voor de omgeving. Verdachte heeft zich kennelijk van deze negatieve effecten geen rekenschap gegeven en heeft slechts gehandeld uit financieel gewin.

De rechtbank houdt rekening met het feit dat verdachte blijkens het uittreksel uit het justitiële documentatieregister van 4 februari 2016 eerder is veroordeeld voor Opiumwetdelicten, zij het lang geleden.

Daarnaast slaat de rechtbank acht op het rapport van psychologen Van Engers en Bronnenberg. De rechtbank acht de conclusie van Van Engers en Bronnenberg dat verdachte ten aanzien van het wapenbezit verminderd toerekeningsvatbaar is overtuigend en maakt deze conclusie tot de hare. Daarmee zal rekening worden gehouden bij de strafoplegging. Voorts zal de rechtbank rekening houden met de conclusie van psychiater Nijdam en de reclassering om de feiten 2, 3 en 4 strafrechtelijk af te doen.

Alles afwegende zal de rechtbank voor de onder 2, 3 en 4 bewezenverklaarde feiten verdachte een gevangenisstraf voor de duur van vier maanden opleggen met aftrek van voorarrest.

7 Het beslag

De hierna in de beslissing genoemde in beslag genomen voorwerpen zijn vatbaar voor onttrekking aan het verkeer, omdat gebleken is dat het feit is begaan met behulp van deze voorwerpen. Verder zijn deze voorwerpen van zodanige aard dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet en/of het algemeen belang.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 9, 10, 27, 36b, 36c, 37a, 37b, 38e, 45, 57, 287, 310 en 311 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 26, 55, 56 en 60 van de Wet wapens en munitie en de artikelen 3, 11, 13 en 14 van de Opiumwet, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van het onder 1 primair impliciet primair ten laste gelegde feit;

Bewezenverklaring

- verklaart het onder 1 primair impliciet subsidiair, 2, 3 primair en 4 primair ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1 primair impliciet subsidiair: Poging tot doodslag, meermalen gepleegd;

feit 2: Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie,
terwijl het feit is begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III;

feit 3 primair: Opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder B, van de

Opiumwet gegeven verbod;

feit 4 primair: Diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik
heeft gebracht door middel van verbreking;

- verklaart verdachte ter zake van het onder 1 primair impliciet subsidiair bewezenverklaarde niet strafbaar en ontslaat hem op dat onderdeel van alle rechtsvervolging;

- verklaart verdachte strafbaar voor het overige bewezen verklaarde;

- veroordeelt verdachte voor het onder 2, 3 en 4 bewezenverklaarde tot een gevangenisstraf van vier maanden;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

Maatregel

- gelast voor het onder 1 primair impliciet subsidiair bewezenverklaarde de terbeschikkingstelling van verdachte, met verpleging van overheidswege;

Beslag

- verklaart onttrokken aan het verkeer de in beslag genomen voorwerpen, te weten een pistool (Walther PP) en huls.

Dit vonnis is gewezen door mr. I.M. Josten, voorzitter, mr. R.A. Borm en mr. M.H.M. Collombon, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A.P.M. Philipsen, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 24 maart 2016.

Mr. Borm is buiten staat dit vonnis te ondertekenen

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar eindproces-verbaal I, wordt -tenzij anders vermeld- bedoeld het eindproces-verbaal met dossiernummer PL2000-2015112622 van de politie eenheid Zeeland-West-Brabant, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren en doorgenummerd van 1 tot en met 128. Wanneer hierna wordt verwezen naar eindproces-verbaal II, wordt -tenzij anders vermeld- bedoeld het eindproces-verbaal met dossiernummer PL2000-2015022282 van de politie eenheid Zeeland-West-Brabant, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren en doorgenummerd van 1 tot en met 158. Het proces-verbaal van bevindingen, pagina 53 en 54 van voornoemd eindproces-verbaal I.

2 Het proces-verbaal van bevindingen, pagina 53 en 54 van voornoemd eindproces-verbaal I, het proces-verbaal verhoor [slachtoffer 2] , pagina 17 van voornoemd eindproces-verbaal I en het proces-verbaal verhoor [slachtoffer 1] , pagina 21, laatste alinea en 22, tweede alinea van voornoemd eindproces-verbaal I.

3 Het proces-verbaal van bevindingen, pagina 53 en 54 van voornoemd eindproces-verbaal I, het proces-verbaal verhoor [slachtoffer 2] , pagina 17 van voornoemd eindproces-verbaal I en het proces-verbaal verhoor [slachtoffer 1] , pagina 22 van voornoemd eindproces-verbaal I.

4 Het proces-verbaal sporenonderzoek, pagina 75, eerste en tweede alinea van voornoemd eindproces-verbaal I.

5 Het proces-verbaal sporenonderzoek, pagina 75, zesde alinea van voornoemd eindproces-verbaal I.

6 Het proces-verbaal verhoor verdachte, pagina 110 van voornoemd eindproces-verbaal I en het proces-verbaal verhoor getuige [slachtoffer 3] , pagina 19, tweede alinea, van voornoemd eindproces-verbaal I.

7 De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 10 maart 2016.

8 De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 10 maart 2016.

9 De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 10 maart 2016.

10 Het proces-verbaal sporenonderzoek, pagina 75, zevende alinea van voornoemd eindproces-verbaal I.

11 Het proces-verbaal van 2 juni 2015, als bijlage gevoegd bij voornoemd eindproces-verbaal I.

12 Het proces-verbaal van bevindingen, pagina 17 van voornoemd eindproces-verbaal II.

13 Het proces-verbaal aantreffen hennepkwekerij, pagina 6 van voornoemd eindproces-verbaal II.

14 Het proces-verbaal aantreffen hennepkwekerij, pagina 8, tweede alinea van voornoemd eindproces-verbaal II.

15 Het proces-verbaal aangifte door [gemachtigde] namens Enexis B.V., pagina 55 van voornoemd eindproces-verbaal II.

16 De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 10 maart 2016.