Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2016:1643

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
18-03-2016
Datum publicatie
25-03-2016
Zaaknummer
AWB 15_4538
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Omgevingsvergunning voor het bouwen van een woon(zorg)voorziening voor verslaafden. College stelt dat geen sprake is van onevenredige aantasting van de gebruiksmogelijkheden van het perceel van eiseres.

Rechtbank oordeelt dat de woon(zorg)voorziening moet worden aangemerkt als een gevoelig gebouw in de zin van het Activiteitenbesluit. Nu op de voorgevel van het gebouw de grenswaarden uit het Activiteitenbesluit voor het door eiseres veroorzaakte langtijdgemiddelde beoordelingsniveau worden overschreden, valt naar het oordeel van de rechtbank niet in te zien dat geen aanleiding bestaat om aan te nemen dat sprake is van een onevenredige aantasting van de gebruiksmogelijkheden van het perceel van eiseres.

De rechtbank vernietigt de beslissing op bezwaar en treft ambtshalve een voorlopige voorziening inhoudende de schorsing van het primaire besluit.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 15/4538 WABOA

uitspraak van 18 maart 2016 van de meervoudige kamer in de zaak tussen

[naam bedrijf1] , te [naam plaats1] , eiseres,

gemachtigde: mr. S. Oord,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Roosendaal, verweerder.

Als derde partij heeft aan het geding deelgenomen:

de stichting [naam stichting1], te [naam plaats2] , vergunninghoudster.

Procesverloop

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 30 april 2015 (bestreden besluit) van het college inzake de aan [naam stichting1] verleende omgevingsvergunning voor het bouwen van een bouwwerk voor de opvang van drugsverslaafden op het terrein gelegen op de hoek [naam straat1] – [naam straat2] te [naam plaats1] .

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden in Breda op 19 februari 2016.

Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Daarnaast is [naam directeur] verschenen, directeur van eiseres. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.C.P.J.M. Vergouwen en [naam vertegenwoordiger1] Zij hebben zich laten vergezellen door [naam vertegenwoordiger2] van [naam bedrijf2] en [naam bedrijf3] . [naam stichting1] heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam vertegenwoordiger3] .

Overwegingen

1. Op grond van de stukken en de behandeling ter zitting gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Bij besluit van 11 december 2012 (primair besluit) heeft het college aan [naam stichting1] na een daartoe strekkende aanvraag een omgevingsvergunning verleend voor het bouwen van een bouwwerk op het terrein gelegen op de hoek [naam straat1] – [naam straat2] te [naam plaats1] . Het bouwplan bestaat volgens de aanvraag en de daarbij behorende bouwtekeningen uit een gebouw van twee bouwlagen waarin [naam bedrijf4] , een instelling voor verslavingszorg, een woonzorgvoorziening voor chronisch drugsverslaafden zal realiseren.

Eiseres exploiteert op het aangrenzende perceel aan de [naam straat3] een bedrijf dat zich bezighoudt met verkoop en reparatie van onder meer landbouwmachines.

Onder meer eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit. Nadat het college haar bezwaar bij besluit van 28 maart 2013 ongegrond heeft verklaard, heeft eiseres daartegen beroep ingesteld bij deze rechtbank. Dit beroep is bekend onder zaaknummer BRE 13/2785 WABOA.

Bij uitspraak van 31 juli 2014 heeft de rechtbank het beroep van eiseres gegrond verklaard omdat het college ten onrechte niet heeft onderzocht of op grond van artikel 10, derde lid, van de planvoorschriften één of meer nadere eisen aan de situering van het gebouw hadden moeten worden gesteld teneinde onevenredige aantasting van de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden en bouwwerken te voorkomen. De rechtbank heeft het besluit van 28 maart 2013 vernietigd voor zover het bezwaar van eiseres daarin ongegrond is verklaard en heeft het college opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van de uitspraak.

Het college heeft naar aanleiding van de uitspraak van de rechtbank akoestisch onderzoek laten verrichten door [naam bedrijf2] en [naam bedrijf3] . [naam bedrijf2] heeft de bevindingen neergelegd in een rapport van 29 september 2014. Daarnaast heeft Milieu-adviesbureau [naam bedrijf5] onderzoek gedaan naar de ruimtelijke milieuaspecten. De resultaten daarvan zijn neergelegd in een rapport van 2 oktober 2014.

Eiseres heeft bij brief van 13 oktober 2014 op de beide rapporten gereageerd. Eiseres heeft haar bezwaar daarnaast toegelicht tijdens een hoorzitting van de commissie voor de bezwaarschriften van 9 februari 2015.

Bij het bestreden besluit heeft het college het besluit tot vergunningverlening gehandhaafd nadat [naam bedrijf4] een wijziging in het bouwplan heeft aangebracht, inhoudende dat de naar het perceel van eiseres gekeerde gevel van het gebouw als dove gevel wordt uitgevoerd. Volgens het college bestaat er geen aanleiding gebruik te maken van de bevoegdheid nadere eisen te stellen aan de situering van het gebouw, nu maatregelen zijn getroffen om de bedrijfsactiviteiten van eiseres te waarborgen en eiseres voor het overige niet in haar bedrijfsvoering wordt beperkt.

2. Eiseres heeft in beroep, zakelijk weergegeven, aangevoerd dat het college het gebouw ten onrechte niet als een gevoelig gebouw in de zin van het Activiteitenbesluit heeft aangemerkt. Daarnaast treden ook op andere gevels dan de als dove gevel uit te voeren gevel overschrijdingen van de grenswaarden uit het Activiteitenbesluit op.

Eiseres heeft haar beroepsgronden met betrekking tot geur, gevaar en lucht ter zitting ingetrokken, evenals de beroepsgrond dat vanwege het feit dat geen sprake is van een wijziging van ondergeschikte aard, een nieuwe bekendmaking van het bouwplan had moeten volgen.

3.1

Ingevolge artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) is het verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het bouwen van een bouwwerk.

Op grond van artikel 2.10, eerste lid, van de Wabo moet een omgevingsvergunning worden geweigerd als het bouwplan niet voldoet aan - kort gezegd - het bouwbesluit (a), de bouwverordening (b), het bestemmingsplan (c) of de redelijke eisen van welstand (d).

3.2

Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "West 2" rust op het perceel de bestemming "Maatschappelijke Doeleinden (M)".

Ingevolge artikel 10, eerste lid, aanhef en onder 2 van de planvoorschriften, zijn de op de plankaart als zodanig aangegeven gronden bestemd voor religieuze voorzieningen en woon(zorg)voorzieningen.

Ingevolge het derde lid, onder b, zijn burgemeester en wethouders bevoegd nadere eisen te stellen aan de situering en de afmetingen van gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, indien dit noodzakelijk is ter voorkoming van een onevenredige aantasting van de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden en bouwwerken.

4. Ter beoordeling ligt voor het besluit tot vergunningverlening op basis van een wijziging in het bouwplan, waarbij de naar het perceel van eiseres gekeerde gevel van het gebouw als dove gevel als bedoeld in artikel 1b, vierde lid, van de Wet geluidhinder wordt uitgevoerd. Het college heeft bij de vergunningverlening geen gebruik gemaakt van de in artikel 10, derde lid, van de planvoorschriften neergelegde bevoegdheid nadere eisen te stellen aan de situering en afmetingen van het gebouw. Volgens het college is geen sprake van een onevenredige aantasting van de gebruiksmogelijkheden van het perceel van eiseres.

Het college heeft aan het standpunt dat geen sprake is van een onevenredige aantasting van de gebruiksmogelijkheden van het perceel ten grondslag gelegd dat het gebouw gelet op het voorgenomen gebruik als woon(zorg)voorziening niet als gevoelig gebouw in de zin van het Activiteitenbesluit milieubeheer (Activiteitenbesluit) kan worden aangemerkt, zodat de grenswaarden van het Activiteitenbesluit daarvoor niet gelden. Daar komt bij dat de naar het perceel van eiseres gekeerde gevel van het gebouw als dove gevel wordt uitgevoerd. Ook daarom gelden op die zijde van het gebouw de grenswaarden van het Activiteitenbesluit niet.

Het bedrijf van eiseres is een niet-vergunningplichtige inrichting waarop het Activiteitenbesluit van toepassing is.

Artikel 2.17, eerste lid, aanhef en onder a, van het Activiteitenbesluit bepaalt dat het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau veroorzaakt door de in de inrichting aanwezige installaties en toestellen, alsmede door de in de inrichting verrichte werkzaamheden en activiteiten en laad- en losactiviteiten ten behoeve van en in de onmiddellijke nabijheid van de inrichting, op de gevel van gevoelige gebouwen niet meer mag bedragen dan 50, 45 en 40 dB(A) voor onderscheidenlijk de dag-, avond- en nachtperiode.

Uit het door [naam bedrijf2] verrichte akoestische onderzoek blijkt dat het door eiseres veroorzaakte langtijdgemiddelde beoordelingsniveau op de naar het perceel van eiseres gekeerde gevel van het gebouw de waarde van 50, 45 en 40 dB(A) voor onderscheidenlijk de dag-, avond- en nachtperiode ruimschoots overschrijdt. Het college heeft zich naar het oordeel van de rechtbank echter terecht op het standpunt gesteld dat de grenswaarden uit het Activiteitenbesluit voor die gevel niet gelden, wanneer die gevel als dove gevel wordt uitgevoerd. Immers, voor het begrip “gevel” verwijst het Activiteitenbesluit in artikel 1.1 naar de regeling in de Wet geluidhinder en in die wet is in artikel 1b onder 4 bepaald dat dove gevels niet als gevels in de zin van de Wet geluidhinder worden beschouwd.

Uit het door [naam bedrijf2] verrichte onderzoek blijkt daarnaast ook dat het door eiseres veroorzaakte langtijdgemiddelde beoordelingsniveau op een andere gevel dan de als doof uit te voeren gevel de grenswaarden uit het Activiteitenbesluit overschrijdt. Het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau op het aan de voorgevel van het gebouw gelegen toetspunt “Voor G7_B” bedraagt 46 dB(A) in de avond, en op toetspunt “Voor G7_A” en “Voor G7_B”

41 dB(A), respectievelijk 43 dB(A) in de nacht.

Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat ook daarin geen aanleiding bestaat om aan te nemen dat sprake is van een onevenredige aantasting van de gebruiksmogelijkheden van het perceel van eiseres. Het gebouw kan gelet op het voorgenomen gebruik als woon(zorg)voorziening niet als gevoelig gebouw in de zin van het Activiteitenbesluit worden aangemerkt, zodat de grenswaarden van het Activiteitenbesluit niet gelden voor het gebouw.

Voor zover het college heeft gesteld dat het gebouw per definitie niet als gevoelig gebouw kan worden aangemerkt, omdat het gebruik van het gebouw voor uitsluitend wonen op grond van de ter plaatse rustende bestemming “Maatschappelijke Doeleinden” niet is toegestaan, volgt de rechtbank het college daarin niet. Zoals eerder aangegeven bepaalt artikel 1.1 van het Activiteitenbesluit dat in dit besluit en de daarop berustende bepalingen onder gevoelige gebouwen wordt verstaan woningen en gebouwen die op grond van artikel 1 van de Wet geluidhinder worden aangemerkt als andere geluidsgevoelige gebouwen. Ook andere gebouwen dan woningen kunnen dus een gevoelig gebouw in de zin van het Activiteitenbesluit vormen.

Het college heeft daarnaast gesteld dat een woon(zorg)voorziening naar zijn aard niet als gevoelig gebouw kan worden aangemerkt. Ter onderbouwing daarvan heeft het college gewezen op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS) van 13 december 2006 (ECLI:NL:RVS:2006:AZ4313), waarin de Afdeling heeft geoordeeld dat een dag- en nachtopvang geen geluidgevoelige bestemming is in de zin van de Wet geluidhinder.

Voormelde uitspraak zag op het gebruik van een pand als dag- en nachtopvang voor verslaafden. Daartoe zouden in het gebouw 35 plaatsen voor nachtopvang van verslaafden worden gerealiseerd en een groter aantal plaatsen voor dagopvang. Bij de beantwoording van de vraag of sprake is van een geluidgevoelige bestemming heeft de AbRS van belang geacht dat gebruikers van het pand daar niet permanent zullen verblijven en dat er geen sprake is van een zorginstelling.

In reactie daarop heeft eiseres gewezen op een brief van de gemeente Roosendaal, [naam stichting1] en [naam bedrijf4] van 9 april 2013. In die brief is vermeld dat het gebouw is ontworpen als een gebouw met 24 onzelfstandige wooneenheden met een aantal gemeenschappelijke voorzieningen. Het pand is uitsluitend bedoeld voor chronisch drugsverslaafden die langdurige behandeling en begeleiding nodig hebben en als gevolg daarvan ook langdurig (jarenlang) in het pand zullen verblijven. Per cliënt zal dat verschillen. Sommigen zullen na enige tijd kunnen uitstromen naar andere vormen van begeleid wonen, sommigen zullen een terugval hebben en (tijdelijk) opgenomen worden in andere behandelvoorzieningen van [naam bedrijf6] of [naam bedrijf4] , sommigen zullen er de rest van hun leven wonen. De cliënten hebben allen een indicatie voor AWBZ-zorg, aldus de brief van 9 april 2013.

Gesteld, noch gebleken is dat inmiddels een ander gebruik van het gebouw is beoogd, zodat de rechtbank er vanuit gaat dat het gebouw zal worden gebruikt op de manier zoals in de brief van 9 april 2013 is omschreven.

In het Besluit geluidhinder worden gebouwen, niet zijnde woningen, aangewezen die vanwege de bestemming daarvan bijzondere bescherming tegen geluid behoeven. Het Besluit is laatstelijk gewijzigd in verband met de invoering van geluidsproductieplafonds. In de nota van toelichting bij het invoeringsbesluit (Stb. 2012, 164, p. 17) is opgemerkt dat is bezien welke objecten bijzondere bescherming tegen geluid behoeven, gelet op het doel om bescherming te bieden aan objecten bestemd voor langdurig verblijf van mensen of voor verblijf van kwetsbare groepen.

Gelet op het feit dat het gebouw is bedoeld voor het langdurige, soms zelfs levenslang verblijf van chronisch drugsverslaafden, terwijl deze bewoners, gelet op het feit dat zij ter plaatse zullen worden behandeld en begeleid, als een kwetsbare groep moet worden aangemerkt, is de rechtbank van oordeel dat het gebouw een gevoelig gebouw in de zin van het Activiteitenbesluit vormt. Anders dan het college heeft gesteld, gelden voor het gebouw wel degelijk de grenswaarden uit het Activiteitenbesluit.

Vast staat dat op de voorgevel van het gebouw de grenswaarden uit het Activiteitenbesluit voor het door eiseres veroorzaakte langtijdgemiddelde beoordelingsniveau worden overschreden. Naar het oordeel van de rechtbank valt zonder nadere toelichting dan ook niet in te zien dat geen aanleiding bestaat om aan te nemen dat sprake is van een onevenredige aantasting van de gebruiksmogelijkheden van het perceel van eiseres.

5. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het beroep gegrond is. Het bestreden besluit zal worden vernietigd.

De rechtbank ziet geen aanleiding de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten of zelf in de zaak te voorzien. Ook ziet de rechtbank geen aanleiding om een bestuurlijke lus toe te passen, omdat dat naar het zich laat aanzien geen doelmatige en efficiënte afdoeningswijze zou inhouden. Het college zal daarom een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak.

6. De rechtbank zal daarnaast gebruik maken van de in artikel 8:72, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht neergelegde bevoegdheid een voorlopige voorziening te treffen en zal bepalen dat het primaire besluit wordt geschorst tot twee weken na de bekendmaking van het nieuw te nemen besluit op bezwaar.

De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat in de bij het primaire besluit verleende omgevingsvergunning niet is voorzien in uitvoering van de naar het perceel van eiseres gekeerde gevel als dove gevel, zodat in die versie van het bouwplan de grenswaarden voor het door eiseres veroorzaakte langtijdgemiddelde beoordelingsniveau niet alleen op de voorgevel, maar ook op de naar het perceel van eiseres gekeerde gevel van het gebouw wordt overschreden.

7. Nu het beroep gegrond wordt verklaard, dient het griffierecht aan eiseres te worden vergoed.

De rechtbank zal het college veroordelen in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 992,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 496, en wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    draagt het college op een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;

  • -

    schorst het besluit van 11 december 2012 tot het verlenen van een omgevingsvergunning aan [naam stichting1] tot twee weken na de bekendmaking van het nieuwe besluit op bezwaar;

  • -

    draagt het college op het betaalde griffierecht van € 331,- aan eiseres te vergoeden;

  • -

    veroordeelt het college in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 992,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.A.F. van Ginneken, voorzitter, en mr. T. Peters en mr. J.F.I. Sinack, leden, in aanwezigheid van mr. W.J.C. Goorden, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 18 maart 2016.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.