Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2016:1630

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
09-03-2016
Datum publicatie
21-03-2016
Zaaknummer
4415800 CV EXPL 15-6760
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Het door de werkgever aan de werknemer gegeven ontslag op staande voet kan naar het oordeel van de kantonrechter geen stand houden. De door de werknemer op zijn facebookaccount geplaatste foto met onderschrift kan weliswaar – mede gelet op de gebeurtenissen in de NOS-studio op 29 januari 2015 – als een ongepaste actie worden aangemerkt, maar van schending van de tussen partijen overeengekomen vaststellingsovereenkomst (met name artikel 5.4) en de geheimhoudingsverplichting uit de geldende cao (artikel 15:5) is naar het oordeel van de kantonrechter geen sprake.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2016/834
AR-Updates.nl 2016-0306
IR 2016/55, UDH:IR/13290 met annotatie van Onder redactie van mr. M. van der Linden – Smit en mr. C.C.M. Kroeks – de Raaij
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Kanton

Tilburg

zaaknummer 4415800 CV EXPL 15-6760

vonnis van 9 maart 2016

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats 1]

eiser,

gemachtigde: mr. [naam 1] ,

tegen

de besloten vennootschap

[gedaagde] ,

tevens [naam 2] ,

statutair gevestigd te [woonplaats 2] ,

gedaagde,

gemachtigde: mr. [naam 3] .

Partijen worden hierna door de kantonrechter [eiser] en [gedaagde] genoemd.

1 De verdere procedure

Het verdere verloop van de procedure blijkt uit de volgende stukken:

a. het vonnis van 21 oktober 2015 en de daarin genoemde processtukken;
b. de aantekeningen van de griffier met betrekking tot de zitting van 27 januari 2016;

c. de pleitaantekeningen van mr. [naam 1] ;

d. de pleitaantekeningen van mr. [naam 3] .

Hierna is de uitspraak van het vonnis op vandaag bepaald.

2 De feiten

Op grond van de niet of onvoldoende weersproken stellingen van partijen en de overgelegde producties gaat de kantonrechter uit van de volgende feiten:

a. [eiser] , geboren op 1 april 1970, is met ingang van 1 november 2008, voor onbepaalde tijd bij (de rechtsvoorganger van) [gedaagde] in dienst getreden. [eiser] was laatstelijk werkzaam in de functie van Senior Support Engineer. Zijn laatstverdiende salaris bedroeg € 3.500,00 bruto per maand, exclusief emolumenten.

b. Binnen [gedaagde] is een cao van toepassing, die geïncorporeerd is in de arbeidsovereen-komst met [eiser] . Artikel 15.5 van deze cao (geldend van 1 januari 2014 tot en met 30 juni 2015) luidt, voor zover hier van belang, als volgt: Geheimhouding

1. De werknemer zal zowel tijdens de duur van de arbeidsovereenkomst als na beëindiging daarvan op geen enkele wijze mededelingen aan derden doen aangaande enig tot zijn kennis gekomen gegeven omtrent de onderneming van de werkgever, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de werkgever.

2. Het is werknemer zowel tijdens de duur van de arbeidsovereenkomst als na beëindiging daarvan niet toegestaan om beeld- en of geluidmateriaal waarin de naam en/of gegevens van de onderneming van de werkgever voorkomen zonder voorafgaande schriftelijke toestemming openbaar te maken op welke wijze dan ook.

3. Het is werknemer zowel tijdens de duur van de arbeidsovereenkomst als na beëindiging daarvan niet toegestaan om zich in openbare, voor derden toegankelijke communicatiemiddelen en/of publicaties, zoals bijvoorbeeld het internet, onheus, kwetsend, negatief en/of schadelijk uit te laten over (de organisatie van) de onderneming van de werkgever dan wel een van haar werknemers en/of klanten (…)

4. Overtreding van het bepaalde in de voorgaande leden kan leiden tot disciplinaire maatregelen, welke al dan niet gevolgen kunnen hebben voor de voortzetting van het dienstverband (…)”.

c. Artikel 15.6 van de cao luidt, voor zover hier van belang, als volgt: Boetebeding

“(…) 1. Dit artikel is alleen van toepassing op de ex-werknemer, die na beëindiging van de arbeidsovereenkomst enig bepaalde in de leden 1, 2 en 3 van artikel 15:5 heeft overtreden.
2. Bij overtreding van enig bepaalde in de leden 1, 2 en 3 van artikel 15:5 zal de ex-werknemer (…) per overtreding een boete ten behoeve van ex-werkgever verbeuren ten bedrage van één bruto maandsalaris (…)”.

d. In 2012 heeft [gedaagde] de Broadcast Services Division van Technicolor overgenomen. Deze broadcast services bieden technische platformen en operationele diensten, waaronder technische ondersteuning op het gebied van beeld en geluid bij radio- en televisieprogram-ma’s. NOS en NPO op het Mediapark te Hilversum zijn enkele belangrijke klanten van [gedaagde] .

e. [gedaagde] verricht voor NOS en NPO werkzaamheden in de Master Control Room (hierna: MCR). In de MCR komen alle inkomende en uitgaande verbindingen samen. De MCR zorgt ervoor dat video met bijbehorende audio in het goede format wordt gegoten en op de gewenste plek van bestemming komt. Daarnaast levert [gedaagde] nog een aantal andere diensten op het Mediapark, zoals satelliet-, glasvezel- en straalverbindingen alsmede diensten op het gebied van vertalen en ondertitelen.

f. In november 2014 heeft [gedaagde] te kennen gegeven dat zij tot een beëindiging van het dienstverband met [eiser] wenste te komen. In dat verband hebben partijen op 7 november 2014 een vaststellingsovereenkomst gesloten, waarvan de inhoud, voor zover hier van belang, als volgt luidt:

“(…) 1.1 De arbeidsovereenkomst tussen Partijen zal met wederzijds goedvinden eindigen met ingang van 1 februari 2015 , hierna te noemen “Einddatum”.

1.2

Indien [eiser] een nieuw dienstverband aanvaardt dat aanvangt voor de Einddatum, zal het dienstverband tussen partijen eindigen met wederzijds goedvinden met ingang van de startdatum van het nieuwe dienstverband (…)

2. [gedaagde] zal binnen een maand na de Einddatum (en derhalve op uiterlijk 28 februari 2015) aan [eiser] een bedrag ineens voldoen ter hoogte van EUR 22.174,- (zijnde 6 maandsalarissen incl. vakantietoeslag á € 3.695,66) bruto (…)

3.1

Vanaf 15 december 2014 tot aan de Einddatum zal [eiser] zijn vrijgesteld van de verplichting werkzaamheden te verrichten (…)

4.2

[eiser] is verplicht vóór de Einddatum alle aan [gedaagde] toebehorende goederen die hij nog in zijn bezit heeft (…) in goede staat in te leveren (…)

5.4

Partijen zullen zich over en weer jegens derden niet negatief over elkaar uitlaten. Hieronder wordt nadrukkelijk doch niet uitsluitend verstaan het doen van negatieve uitlatingen op sociale media zoals doch niet beperkt tot Facebook en Twitter (…)

5.5

Indien [eiser] voor de beëindigingsdatum rechtsgeldig op staande voet wordt ontslagen, eindigt de arbeidsovereenkomst tussen Partijen per de datum van het gegeven ontslag op staande voet en kan [eiser] geen rechten aan deze overeenkomst ontlenen (…)”.

g. Op donderdag 29 januari 2015 is [naam 4] . het gebouw van de NOS op het Mediapark binnengedrongen. Hij heeft daarbij een portier bedreigd met een vuurwapen – dat overigens achteraf nep bleek te zijn – en heeft live zendtijd van het Achtuurjournaal geëist.

h. Op 30 januari 2015 is [gedaagde] door een collega van [eiser] gewezen op een zogenaamde ‘post’ die op die dag of omstreeks 18.52 uur door [eiser] is geplaatst op zijn facebookaccount. Deze post bevatte een door [eiser] gemaakte foto van de MCR met als onderschrift: “Zo lek is alles nu!!! Ik loop gewoon naar binnen hahahaha”.

i. In reactie hierop heeft [naam 5] , Head of Operations bij Ericcson, diezelfde avond telefonisch contact opgenomen met [eiser] en hem gesommeerd de betreffende post direct van facebook te verwijderen. Aan deze sommatie heeft [eiser] op of omstreeks 20.00 uur gehoor gegeven.

j. [naam 5] heeft daarnaast contact opgenomen met de NOS. Van dit overleg is een rapportage opgesteld, waarvan de inhoud, voor zover hier van belang, als volgt luidt:

“(…) In the beginning of the evening an (ex) employee enters NOS building where E/// MCR resides. At that location he takes a photo and places this photo on his facebook account with the description: (Quick translation) “This is how bad security is. I can easily enter the building hahahaha" One of our colleagues notifies this incident and contacts Head of Operations (HoO). At 19:19h HoO contacts Security Officer (SO), with request to block badge and contact security NOS for advice on further steps to be taken. 19:45 SO contact SO NOS and discusses situation. Conclusion: apart from blocking badge no further action necessary. If information is picked up by media, argument of “a vindictive employee” will be sufficient”.

k. Op 31 januari 2015 heeft [gedaagde] [eiser] op staande voet ontslagen. Dit is hem zowel telefonisch als bij brief van 31 januari 2015 meegedeeld.

l. De inhoud van de ontslagbrief luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

“(…) Middels deze brief bevestig ik hetgeen vandaag, 31 januari 2015, telefonisch is besproken tussen uzelf en ondergetekende. In het telefoongesprek heb ik (…) namens [gedaagde] aan u bevestigd dat het dienstverband met u per direct wordt beëindigd op basis van een dringende reden (…) De redenen hiervoor (…) komen op het volgende neer: Op vrijdagavond 30 januari 2015 ben ik door een collega gewezen op een zogenaamde “facebook post” die door u die dag was geplaatst. Deze facebook post bevatte een foto van de [gedaagde] MCR met een onderschrift van u erbij waarin u meldt: “Zo lek is alles nu !!! Ik loop gewoon naar binnen hahahaha” (…) In uw post verwijst u impliciet naar het incident bij de NOS op donderdagavond 29 januari 2015, waar zich een levensbedreigende situatie heeft voorgedaan voor het daar aanwezige personeel (…) Uw foto met opmerking geplaatst op een voor derden toegankelijk medium vinden wij absoluut onbegrijpelijk en ontoelaatbaar en is bovendien in strijd met alle bij [gedaagde] geldende regels, normen en waarden, alsmede met uw verplichtingen uit hoofde van het goed werknemerschap (…) Uit hoofde van de gemaakte afspraken in het kader van de beëindiging van uw dienstverband, was u met ingang van 15 december jl. vrijgesteld van werkzaamheden. U had dus geen enkele rechtsgeldige reden meer om u op de werkvloer te begeven. Met de plaatsing van dit bericht heeft u niet alleen uw verplichtingen uit hoofde van de vaststellingsovereenkomst geschonden (artikel 5.4), maar ook de geheimhoudingsverplichting uit de geldende CAO (artikel 15.5 van de [gedaagde] CAO) (…) Wij hebben u in het verleden diverse malen aangesproken op onwenselijk gedrag en communicatie. Dit is wederom een voorbeeld van onwenselijk gedrag (…) Na intern beraad en het inwinnen van juridisch advies, zijn wij tot de conclusie gekomen dat de hierboven beschreven gedragingen in samenhang en afzonderlijk beschouwd dermate ernstig en verwijtbaar zijn dat deze een beëindiging van het dienstverband met onmiddellijke ingang rechtvaardigen (“ontslag op staande voet”). Gezien uw handelwijze kan van ons in redelijkheid niet worden verwacht het dienstverband nog langer voort te zetten (…) Uit hoofde van artikel 5.5 van de tussen partijen gesloten vaststellingsovereenkomst, kunt u na een rechtsgeldig gegeven ontslag op staande voet geen rechten meer ontlenen aan de vaststellingsovereenkomst (…)”.

m. Bij brief van 9 februari 2015 heeft (de gemachtigde van) [eiser] een beroep gedaan op de vernietigbaarheid van het gegeven ontslag op staande voet vanwege het ontbreken van een dringende reden. Verder heeft [eiser] [gedaagde] verzocht dan wel gesommeerd uitvoering te geven aan de tussen partijen geldende vaststellingsovereenkomst.

n. [gedaagde] heeft het ontslag op staande voet niet ingetrokken en is evenmin overgegaan tot betaling van de beëindigingsvergoeding van € 22.174,00.

3 De vordering en het verweer

3.1

[eiser] vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde] te veroordelen tot betaling van € 22.174,00 bruto onder gelijktijdige afgifte van een correcte salarisspecificatie, vermeerderd met de wettelijke rente over voornoemd bedrag vanaf 1 maart 2015 tot aan de dag van de algehele voldoening, met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten.

3.2

[gedaagde] voert verweer en concludeert tot niet ontvankelijkheid dan wel tot afwijzing van de vordering, met veroordeling van [eiser] in de proceskosten.

3.3

Partijen hebben in dit verband de nodige stellingen naar voren gebracht, waarop hierna bij de beoordeling, indien nodig, nog nader wordt ingegaan.

4 De beoordeling

4.1

Tegen de achtergrond van de vaststaande feiten legt [eiser] aan zijn vordering ten grondslag dat er in de gegeven omstandigheden geen sprake is van een dringende reden voor ontslag op staande voet. Hij erkent weliswaar op zijn facebookaccount een foto te hebben geplaatst met daarbij een onderschrift, maar bij hem heeft geen enkele intentie bestaan om [gedaagde] in een kwaad daglicht te stellen. Op het moment van de plaatsing van de foto met onderschrift was hij niet eens op de hoogte van de situatie op het Mediapark de dag daarvoor, omdat hij een aantal dagen in het buitenland verbleven had. [eiser] merkt daarbij nog op dat de foto met onderschrift niet is geplaatst op een openbare facebookpagina en dus maar door een beperkt aantal mensen is gezien. Bovendien heeft hij de foto direct verwijderd nadat een collega hem op de hoogte had gesteld van de gebeurtenissen op het Mediapark. Verder voert [eiser] aan dat artikel 5.4. van de vaststellingsovereenkomst bepaalt dat partijen zich jegens derden niet negatief over elkaar mogen uitlaten en artikel 15:5 van de cao betreft volgens hem een geheimhoudingsbeding met vergelijkbare strekking. [eiser] voegt in dat verband daaraan toe dat hij op geen enkele wijze bedrijfsnamen heeft vermeld bij de foto en dat hij dus niet in strijd met de hiervoor genoemde bepalingen heeft gehandeld. Als [eiser] al enig verwijt zou kunnen worden gemaakt, dan is het ontslag gezien de omstandigheden van het geval een te zwaar middel. De gevolgen van het ontslag op staande voet staan in geen verhouding tot de verweten gedragingen.

4.2

[gedaagde] stelt zich op het standpunt dat er sprake is van een rechtsgeldig gegeven ontslag op staande voet. Daartoe voert [gedaagde] -kort samengevat- het volgende aan. De gebeurte-nissen in de NOS-studio op 29 januari 2015 hebben een grote impact gehad op de mensen die daar werkzaam zijn, dus ook op medewerkers van [gedaagde] . Dit moet ten tijde van het plaatsen van het bericht op facebook evident duidelijk zijn geweest voor [eiser] . [gedaagde] merkt daarbij op dat het bereik van facebook verder oneindig is, terwijl de impact van de berichten enorm is, vooral wanneer de inhoud daarvan gevoelig of spraakmakend is, zoals in het geval van het bericht van [eiser] . [eiser] verwijst immers naar de beveiliging van het Mediapark, de NOS-studio en de MCR als zijnde “lek”, terwijl kort daarvoor een “kapingssituatie” op het Mediapark heeft plaatsgevonden. Het plaatsen van een dergelijke foto met onderschrift op een voor derden toegankelijk medium door [eiser] was voor [gedaagde] in het licht van de omstandigheden onbegrijpelijk en ontoelaatbaar en bovendien in strijd met alle bij [gedaagde] geldende regels, normen en waarden, alsmede met de verplich-tingen uit hoofde van goed werknemerschap. Deze feiten leveren naar het oordeel van [gedaagde] een dringende reden op. Zij voegt daar nog aan toe dat bij de beslissing om tot ontslag over te gaan, ook een rol heeft gespeeld dat [eiser] in het verleden al diverse malen is aangesproken op onwenselijk gedrag en communicatie.

4.3

Het gaat in dit geschil om de vraag of [gedaagde] [eiser] op 31 januari 2015 terecht op staande voet heeft ontslagen. De kantonrechter stelt bij de beoordeling van die vraag het volgende voorop. Het ontslag op staande voet is een ultimum remedium, dat, gelet op de verstrekkende gevolgen, slechts gegeven mag worden als van de werkgever niet gevergd kan worden de arbeidsovereenkomst met de betreffende werknemer nog langer te laten voort-duren. Op grond van artikel 7:678 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) worden als dringende redenen in de zin van artikel 7:677 BW beschouwd zodanige daden, eigenschap-pen of gedragingen van de werknemer, die ten gevolg hebben dat van de werkgever rede-lijkerwijs niet verlangd kan worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Bij de beoordeling van de vraag of van zodanige dringende reden sprake is, moeten alle omstan-digheden van het geval, in onderling verband en samenhang, in aanmerking worden genomen. Daarbij behoren ook in de beschouwing te worden betrokken de persoonlijke omstandigheden van de werknemer, zoals zijn leeftijd en de gevolgen die een ontslag op staande voet voor hem zou hebben. Ook indien de gevolgen ingrijpend zijn kan een afweging van de persoonlijke omstandigheden tegen de aard en de ernst van de dringende reden tot de slotsom leiden dat een onmiddellijke beëindiging van de arbeidsovereenkomst gerecht-vaardigd is (zie Hoge Raad 12 februari 1999, NJ 1999, 643). De stelplicht en de bewijslast ten aanzien van het bestaan van een dringende reden liggen bij de werkgever (zie Hoge Raad 24 oktober 1986, NJ 1987, 126).

4.4

Voor de beoordeling van de vraag of het door [gedaagde] aan [eiser] gegeven ontslag op staande voet rechtsgeldig is, zijn de aan [eiser] opgegeven redenen zoals vermeld in de brief van 31 januari 2015 maatgevend en wordt het geschil afgebakend door de daarin genoemde verwijten. Zoals uit deze brief volgt en de daarop tijdens de comparitie door [gedaagde] gegeven toelichting, is de kern van het verwijt dat [eiser] wordt gemaakt dat hij met de plaatsing van het bericht op facebook de verplichtingen uit hoofde van vaststellingsovereenkomst (met name artikel 5.4) en de geheimhoudingsverplichting uit de geldende cao (artikel 15:5) van [gedaagde] heeft geschonden.

4.5

De kantonrechter is allereerst van oordeel dat [gedaagde] het door haar gestelde onaccep-tabele gedrag van [eiser] in het verleden op geen enkele wijze heeft aangetoond. Zij heeft ook niet nader toegelicht welke gedragingen [eiser] precies verweten zijn, laat staan dat zij met documentatie heeft aangetoond dat [eiser] in het verleden daarop is aangesproken dan wel daarvoor (officiële) waarschuwingen heeft ontvangen. Wanneer dan het incident van 30 januari 2015 wordt bezien, acht de kantonrechter -gelet op het voorval in de NOS-studio op 29 januari 2015, waarvan voor de kantonrechter overigens niet geloofwaardig is dat [eiser] daarvan niet op de hoogte was, zoals hij heeft gesteld- plaatsing van de foto met onderschrift door [eiser] op facebook weliswaar een ongepaste actie, maar dit handelen op zich levert bij lange na niet een dringende reden voor ontslag op. Zowel uit de foto zelf als uit het daarbij behorende onderschrift valt op geen enkele wijze de bedrijfsnaam [gedaagde] , laat staan klanten van [gedaagde] , af te leiden. Van negatieve uitlatingen jegens derden over [gedaagde] (dan wel een van haar werknemers en/of klanten van [gedaagde] ), zoals vermeld in de vaststellingsovereenkomst en de cao, is dan ook geen sprake. Ook is niet gebleken dat de plaatsing van het bericht door [eiser] op zijn facebookaccount schade heeft toegebracht aan [gedaagde] dan wel aan één van haar klanten. In dat verband stelt de kantonrechter vast dat de belangrijkste klant van [gedaagde] die bij deze zaak betrokken was, de NOS, blijkens de hierboven (rechtsoverweging 2 onder j.) vermelde rapportage geen verdere actie nood-zakelijk achtte. In de brief van 31 januari 2015 heeft [gedaagde] [eiser] ook nog het verwijt gemaakt dat hij geen enkele reden had om zich op de werkvloer te begeven nu hij met ingang van 15 december 2014 vrijgesteld was van werkzaamheden. Dit verwijt gaat naar het oordeel van de kantonrechter niet op. [eiser] heeft -met verwijzing naar artikel 4.2 van de vast-stellingsovereenkomst- onweersproken aangevoerd dat hij nog de laatste spullen van [gedaagde] wilde afgeven.

4.6

Omdat het ontslag op staande voet blijkens het bovenstaande geen stand kan houden, komt aan [gedaagde] ook geen beroep toe op het bepaalde in artikel 5.5 van de vaststellings-overeenkomst. Dit betekent dat [gedaagde] onverkort gehouden is om aan [eiser] de over-eengekomen beëindigingsvergoeding van € 22.174,00 bruto te voldoen. De gevorderde wettelijke rente over dat bedrag kan als niet weersproken eveneens worden toegewezen.

4.7

Ten overvloede merkt de kantonrechter nog het volgende op. Zelfs indien [eiser] met zijn handelen de bepalingen in de vaststellingsovereenkomst en de cao wèl zou hebben geschonden, zou zijn vordering in dit geval nog zijn toegewezen. In artikel 1.2 van de vaststellingovereenkomst is bepaald dat wanneer [eiser] een nieuw dienstverband aanvaardt, dat aanvangt voor de overeengekomen einddatum, het dienstverband tussen partijen met wederzijds goedvinden zal eindigen met ingang van de startdatum van het nieuwe dienst-verband. [eiser] heeft tijdens de comparitie onweersproken naar voren gebracht dat hij met ingang van 1 januari 2015 in dienst is getreden bij een nieuwe werkgever. Dit betekent dat het dienstverband met [gedaagde] reeds met ingang van 1 januari 2015 geacht wordt te zijn geëindigd (met wederzijds goedvinden). Nu het door [gedaagde] gewraakte handelen van [eiser] heeft plaatsgevonden op 30 januari 2015, dus na de beëindigingsdatum van zijn dienst-verband met [gedaagde] , zou [gedaagde] aldus geen beroep meer toekomen op het bepaalde in artikel 5.5 van de vaststellingsovereenkomst. In die bepaling is immers uitsluitend overeen-gekomen dat [eiser] geen rechten meer kan ontlenen aan de vaststellingsovereenkomst in geval van een rechtsgeldig gegeven ontslag op staande voet vóór de beëindigingsdatum.

4.8

Hetgeen partijen verder nog naar voren hebben gebracht behoeft geen verdere bespreking meer, nu dit in het licht van hetgeen in dit vonnis is vastgesteld en overwogen niet tot een andere beslissing kan leiden.

4.9

[gedaagde] dient als de in het ongelijk gestelde partij tevens te worden veroordeeld in de proceskosten van [eiser] . Die kosten worden tot deze uitspraak begroot op:

  • -

    Griffierecht € 466,00

  • -

    Dagvaardingskosten € 101,45

  • -

    Salaris gemachtigde € 800,00

  • -

    Totaal € 1.367,45

5 De beslissing

De kantonrechter:

veroordeelt [gedaagde] om onder gelijktijdige afgifte van een salarisspecificatie aan [eiser] te betalen een bedrag van € 22.174,00 bruto, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 1 maart 2015 tot aan de dag van de volledige betaling;

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van [eiser] , tot op heden begroot op € 1.367,45;

verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.L. Sierkstra en is in het openbaar uitgesproken op 9 maart 2016.