Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2016:1589

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
21-03-2016
Datum publicatie
25-03-2016
Zaaknummer
4733006_E10032016
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Instellen beschermingsbewind tegen de wil van betrokkene/rechthebbende op verzoek van instelling, als bedoeld in artikel 1:432,lid 2 BW, zijnde een instelling die verzorging of begeleiding biedt.

Vergewissen door kantonrechter of rechthebbende -als gevolg van zijn lichamelijke of geestelijke toestand- tijdelijk of duurzaam niet instaat is om zijn vermogensrechtelijke belangen waar te nemen (artikel 1:431 lid 1 BW.

Vergewissen door kantonrechter of de voorgestelde bewindvoerder bereid en geschikt is (artikel 1:435, lid 1 BW).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FJR 2016/65.28
PFR-Updates.nl 2016-0085
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Kanton

Bergen op Zoom

zaaknummer: 4733006 OV VERZ 16-121

beschikking d.d. 10 maart 2016 op een verzoek tot instelling van een meerderjarigenbewind

van

Stichting GGZ Westelijk Noord-Brabant, gevestigd te 4661 AA Halsteren, Hoofdlaan 8.

1 Het procesverloop

1.1

De procesgang blijkt uit de volgende stukken:

a. het op 8 januari 2016 door de griffie van de rechtbank ontvangen verzoekschrift (met bijlagen);

b. het proces-verbaal van de griffier met betrekking tot het verhandelde op de terechtzitting van donderdag 3 maart 2016.

1.2

De inhoud van deze stukken geldt hier als ingelast.

2 De beoordeling

2.1

Het verzoek strekt tot de instelling van een bewind over de goederen van [rechthebbende] , hierna te noemen rechthebbende, geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] , wonende te [woonplaats] , [adres] , onder gelijktijdige benoeming van [bewindvoerder 1] , adres houdend te [postadres] , tot bewindvoerder. Het verzoek wordt ingediend door [medewerkster 1] namens de zorginstelling Geestelijke GezondsheidsZorg Westelijk Noord-Brabant (GGZWNB).

Uit de gevoegde schriftelijke machtiging d.d. 30 december 2015 blijkt dat [medewerkster 2] door voornoemde zorginstelling gemachtigd is tot het indienen van een verzoek tot instellen van beschermingsbewind.

2.2

Op grond van artikel 1:432, lid 2 BW kan een instelling waar rechthebbende wordt verzorgd of die aan rechthebbende begeleiding biedt om instelling van beschermingsbewind verzoeken wanneer de in het eerste lid van dit artikel bedoelde personen en bloedverwanten

niet tot indiening van een verzoek zijn overgegaan. Uit het verzoekschrift blijkt dat de directe familieleden, te weten: twee broers en een zus, het verzoekschrift niet hebben willen indienen omdat zij de (familie)verhouding met rechthebbende niet door een dergelijk verzoek onder druk wensten te zetten. Uit de bij het verzoekschrift gevoegde schriftelijke akkoord- verklaringen blijkt echter wel dat zij akkoord gaan met de instelling van het onderhavige beschermingsbewind en de benoeming van de voorgestelde bewindvoerder.

Op het moment van het indienen van het onderhavige verzoek verbleef rechthebbende in de zorginstelling. Tijdens de mondelinge behandeling d.d. 3 maart 2016 blijkt dat rechthebbende nog steeds wordt begeleid vanuit de zorginstelling. Gelet op bovenstaande concludeert de kantonrechter dat verzoekster ontvankelijk is in haar verzoek.

2.3

Tijdens de behandeling ter zitting blijkt verder dat rechthebbende niet instemt met instelling van een beschermingsbewind over zijn huidige en toekomstige goederen. Hij is van mening dat hij nog goed in staat is om zelf zijn vermogenrechtelijke belangen te behartigen.

2.4

Tijdens de mondelinge behandeling waren afgezien van rechthebbende aanwezig mevrouw [begeleider] , zijnde de persoonlijk begeleider van rechthebbende vanuit GGZWNB, voormelde [medewerkster 1] en mw. [bewindvoerder 2] , zijnde de voorgestelde bewindvoerder.

2.5

Rechthebbende verklaart desgevraagd dat hij inmiddels weer zelfstandig in zijn eigen (koop)woning woont en dat hij financieel alles weer zelfstandig regelt. Volgens hem krijgt hij hierbij hulp van zijn boekhouder. Hij erkent dat hij ongeveer 4 maanden opgenomen is geweest in Vrederust (zijnde een zorglocatie van verzoekster). In januari 2016 is hij ontslagen uit deze zorginstelling. Hij geeft voorts aan in 2014 een TIA te hebben gehad. Hieraan heeft hij volgens hem geen (blijvende) gevolgen overgehouden.

2.6

Ter zitting heeft de kantonrechter aan rechthebbende de inhoud van de bij het verzoekschrift gevoegde medische verklaring d.d. 30 december 2015 voorgehouden.

Hierin verklaart [psychiater] , psychiater i.o. , werkzaam bij GGZWNB, dat rechthebbende wegens zijn huidige psychische beperkingen niet in staat is om zijn financiële belangen te behartigen.

2.7

In het verzoekschrift wordt ter onderbouwing aangevoerd dat rechthebbende “het overzicht van zijn financiën/administratie kwijt is, in paniek raakt en het niet meer overziet”.

Ter zitting wordt vanuit de vertegenwoordigers van GGZWNB deze mening over rechthebbende gehandhaafd. Een eventuele boekhouder van rechthebbende is bij hen onbekend. Zij wijzen ook op signalen welke vanuit de familie kwamen.

2.8

De kantonrechter heeft voorts rechthebbende ter zitting voorgehouden dat zijn broers en zus -gelet op hun schriftelijke akkoordverklaringen- kennelijk instemmen met de instelling van een beschermingsbewind ten behoeve van rechthebbende. Hierop handhaaft rechthebbende zijn standpunt dat hij het absoluut niet eens is met het onderhavige verzoek.

2.9

Het ligt uiteindelijk op de weg van de kantonrechter om zich ervan te vergewissen of rechthebbende -als gevolg van een lichamelijke of geestelijke toestand- tijdelijk of duurzaam niet in staat is om zijn vermogensrechtelijke belangen behoorlijk waar te nemen (artikel 1:431, lid 1 BW).

2.10

Uit de stukken en de behandeling ter terechtzitting is voldoende aannemelijk geworden dat de rechthebbende als gevolg van zijn geestelijke toestand tijdelijk of duurzaam niet in staat is zelf ten volle zijn vermogensrechtelijke belangen behoorlijk waar te nemen, reden waarom de kantonrechter het verzoek zal inwilligen. De kantonrechter baseert zich bij zijn oordeel vooral op voormelde medische verklaring van [psychiater] .

De kantonrechter ziet geen dan wel onvoldoende aanleiding om een nader medisch onderzoek te laten instellen naar de geestelijke toestand van rechthebbende.

2.11

Ter zitting is de kantonrechter gebleken dat rechthebbende nog in staat is om zelf aan de bewindvoerder toestemming te geven voor het doen van beschikkingshandelingen.

De rechthebbende wordt tevens in staat geacht de rekening en verantwoording ter goedkeuring te ondertekenen.

2.12

Tegen de voorgestelde bewindvoerder zijn geen bezwaren gerezen. De kantonrechter heeft zich vergewist van de bereidheid van de bewindvoerder alsmede van de geschiktheid van de bewindvoerder (artikel 1:435, lid 1 BW).

2.13

De kantonrechter zal de beloning van de te benoemen bewindvoerder voor de aanvangswerkzaamheden vaststellen op een bedrag van € 519,40 (excl. BTW).

2.14

De kantonrechter zal -gelet op artikel 1:447, lid 1 BW- de jaarbeloning van de te benoemen bewindvoerder, inclusief onkostenvergoeding en exclusief omzetbelasting voor zover van toepassing, vaststellen in overeenstemming met artikel 3 lid 2 sub a van de Regeling beloning curatoren, bewindvoerders en mentoren (basistarief).

3 De beslissing

De kantonrechter:

stelt een bewind in over alle goederen die toebehoren of zullen toebehoren aan:

[rechthebbende] voornoemd;

benoemt tot bewindvoerder: [bewindvoerder 1] voornoemd;

stelt de beloning van de bewindvoerder voor de aanvangswerkzaamheden vast op een bedrag van € 519,40 (excl. BTW);

stelt de jaarbeloning van de bewindvoerder vast overeenkomstig artikel 3 lid 2 sub a van de Regeling beloning curatoren, bewindvoerders en mentoren.

Deze beschikking is gegeven door mr. W.E.M. Verjans, kantonrechter, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 10 maart 2016.

Tegen deze beschikking kan hoger beroep worden ingesteld:

door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van deze beschikking is verstrekt of verzonden: binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;

door andere belanghebbenden: binnen drie maanden na de betekening van de beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden.

Het beroepschrift moet door tussenkomst van een advocaat worden ingediend bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch.