Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2016:1576

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
21-03-2016
Datum publicatie
21-03-2016
Zaaknummer
02/665470-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte wordt beschuldigd van jarenlange mishandeling van zijn echtgenote en twee kinderen.

Het verweer dat de verklaringen niet voor het bewijs mogen worden gebruikt omdat deze onder zodanige emoties en psychische nood zijn afgelegd, dat ze onbetrouwbaar zijn, wordt verworpen.

Het onderscheid tussen een verklaring afgelegd als aangever en als getuige is in dit geval niet te maken en ook niet van belang.

De diverse afgelegde verklaringen vinden voldoende steun in andere bewijsmiddelen.

De rechtbank acht vier concrete mishandelingen bewezen en veroordeelt verdachte daarvoor tot een taakstraf en een voorwaardelijke gevangenisstraf met als voorwaarde voortzetting van de behandeling bij de GGZ.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats: Breda

Parketnummer: 02/665470-14

Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 21 maart 2016

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [geboortedag] 1961 te [geboorteplaats]

wonende te [woonplaats] , [adres]

raadsman mr. J.A.M. Schoenmakers, advocaat te Tilburg

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 7 maart 2016, waarbij de officier van justitie, mr. Van Spierenburg, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

Verdachte staat terecht, terzake dat:

1.

hij op een of meer tijdstip(pen) in de periode van 21 april 2002 tot en met 21

april 2014 te Rijen, gemeente Gilze en Rijen, en/of elders in Nederland en/of

Duitsland, althans in het buitenland, (telkens) opzettelijk mishandelend zijn

echtgenote, althans een persoon, te weten [slachtoffer 1] ,

- in/tegen haar gezicht heeft geslagen en/of gestompt en/of

- op/tegen haar lichaam en/of arm(en) heeft geslagen en/of gestompt,

waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

2.

hij op een of meer tijdstip(pen) in de periode van 21 april 2002 tot en met 21

april 2014 te Rijen, gemeente Gilze en Rijen, en/of elders in Nederland,

(telkens) opzettelijk mishandelend zijn kind/dochter, althans een persoon, te

weten [slachtoffer 2] ,

- in/tegen haar gezicht en/of (achter)hoofd heeft geslagen en/of gestompt en/of

- op/tegen haar lichaam heeft geslagen en/of gestompt en/of geschopt,

waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

3.

hij op een of meer tijdstip(pen) in de periode van 21 april 2002 tot en met 21

april 2014 te Rijen, gemeente Gilze en Rijen, en/of elders in Nederland,

(telkens) opzettelijk mishandelend zijn kind, althans een persoon, te weten

[slachtoffer 3] ,

- in/tegen zijn gezicht heeft geslagen en/of gestompt en/of

- op/tegen zijn lichaam en/of arm(en) heeft geslagen en/of gestompt,

waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden.

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zijn (toenmalige) echtgenote en zijn kinderen gedurende een langere periode heeft mishandeld, zoals onder
1, 2 en 3 ten laste is gelegd, en baseert zich daarbij op de aangiften van [slachtoffer 1] ,
[slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] , de verklaringen van verdachte zelf en de medische informatie betreffende de slachtoffers.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring van de ten laste gelegde feiten kan komen. Volgens de raadsman kunnen de verklaringen van verdachte niet als bewijs worden gebruikt, omdat deze onder zodanige emoties en psychische nood zijn afgelegd, dat deze niet betrouwbaar zijn. De aangiften van [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] dienen eveneens te worden uitgesloten van het bewijs, vanwege tekortkomingen bij de verhoren en omdat de verdediging niet de gelegenheid heeft gehad om deze verklaringen op hun betrouwbaarheid te toetsen, terwijl daarvoor bovendien geen compensatie is geboden. Omdat onvoldoende wettig en overtuigend bewijs resteert, verzoekt de raadsman verdachte vrij te spreken.

Indien de rechtbank de verklaringen van verdachte en de aangevers wel bruikbaar acht voor het bewijs, stelt de raadsman zich op het standpunt dat er onvoldoende (overige) bewijsmiddelen zijn die de aangiften ondersteunen. Verdachte dient op grond hiervan te worden vrijgesproken van de aan hem ten laste gelegde feiten.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

Ten aanzien van de verweren

Het verweer dat de verklaringen van verdachte niet voor het bewijs mogen worden gebruikt vanwege de door de verdediging geschetste omstandigheden waaronder verdachte zijn verklaringen bij de politie heeft afgelegd, wordt verworpen. De rechtbank laat in het midden of hetgeen als reactie van verdachte in de verhoren wordt beschreven en door de verdediging bij pleidooi is weergegeven, objectief als feit kan worden aangenomen of dat het een presentatie van verdachte van zichzelf is. Bij gebreke van enige onderbouwing door medische stukken betrekking hebbend op de periode van de verhoren, kan de rechtbank niet anders dan op basis van het geen uit het dossier naar voren komt, beoordelen of wat verdachte ten aanzien van zijn emoties en zijn vraag om hulp naar voren brengt, zodanig is dat dit van invloed is geweest op zijn verklaringen. Gelet op met name diverse details die verdachte heeft genoemd en de visie die hij heeft gegeven over zijn eigen handelen, is de rechtbank van oordeel dat de gestelde psychische gesteldheid niet van invloed is geweest op hetgeen hij heeft verklaard. De rechtbank ziet daarom geen reden om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van zijn verklaringen en zal deze verklaringen dan ook bij de beoordeling van het bewijs betrekken.

Het verweer van de raadsman met betrekking tot de omstandigheden waaronder de ex-echtgenote en de kinderen van verdachte verklaringen hebben afgelegd, wordt eveneens verworpen. Het onderscheid tussen de positie als aangever en die als getuige, dat door de verdediging is gemaakt, is, in het licht van hetgeen voornoemde drie personen over diverse gebeurtenissen hebben verklaard, de samenhang tussen die gebeurtenissen en hun onderlinge betrokkenheid daarbij, niet te maken, terwijl bovendien artikel 161 van het Wetboek van Strafvordering een ieder het recht geeft aangifte te doen van een strafbaar feit. Een verplichting om een persoon te wijzen op een eventueel verschoningsrecht, bestaat niet. Dat geldt eveneens voor het wijzen op de gevolgen van het doen van aangifte.

Tenslotte wordt ook het verweer verworpen dat is gevoerd ten aanzien van het ontbreken van compensatie wegens het niet kunnen ondervragen van de aangevers door hun beroep op het verschoningsrecht. Gelet op de verklaringen van verdachte, die op diverse onderdelen een bevestiging inhouden van hetgeen door aangevers is verklaard, bezien in samenhang met de onderling op vele punten overeenstemmende verklaringen van aangevers, kan niet worden gesteld dat aan de door de Hoge Raad of het Europees Hof gestelde eisen die noodzaken tot compensatie, is voldaan. Immers, er is daardoor geen sprake van bewijsmateriaal dat “sole or decisive” zou zijn voor een eventuele bewezenverklaring.

Ten aanzien van het bewijs

De tenlastelegging behelst een periode van 12 jaar. Door de rechtbank is tijdens de behandeling van de tenlastelegging aangegeven dat er vier incidenten zijn waarover door twee of drie van de aangevers concreet wordt verklaard en waarover verdachte ook concreet is gehoord. De rechtbank heeft daarbij verder aangegeven dat er in de aangiftes melding wordt gemaakt van diverse andere incidenten die echter in tijd of plaats en/of frequentie niet nauwkeurig zijn te plaatsen. Nadat de officier van justitie zich in eerste instantie had beperkt tot een bespreking van die vier incidenten, heeft hij bij repliek gerekwireerd tot bewezenverklaring van de gehele periode en aangegeven dat er bewijs is voor meer incidenten dan de vier die besproken zijn en dat ook onderbouwd.

De rechtbank is van oordeel dat voor andere dan de vier besproken incidenten zich in het dossier onvoldoende wettig en overtuigend bewijs bevindt om tot een bewezenverklaring te komen. Hetgeen aangevers daarover verklaren is te weinig concreet ten aanzien van datum en plaats, terwijl aangevers daarover ook soms verschillend verklaren en in de verklaringen grote verschillen voorkomen over de frequentie waarin deze incidenten zich hebben voorgedaan.

Feit 1

Van de vier hiervoor bedoelde incidenten, zijn er drie die betrekking hebben op [slachtoffer 1] , de (inmiddels) ex-echtgenote van verdachte.

Dat [slachtoffer 1] letsel heeft opgelopen door toedoen van verdachte bij het incident op 21 april 2014, acht de rechtbank niet wettig en overtuigend bewezen. Haar verklaring daarover is gebaseerd op de door haar getrokken conclusie dat haar letsel wel door verdacht toegebracht moet zijn, maar dat vindt geen steun in andere bewijsmiddelen, terwijl het letsel ook kan zijn ontstaan in de door haar beschreven worsteling met haar dochter om een mes af te pakken.

[slachtoffer 1] 1, verklaart dat zij op enig moment in maart 2014 in de achtertuin van hun woning te Rijen, gemeente Gilze en Rijen, liep om een sigaret op te steken. Verdachte liep achter haar aan en zij kregen een woordenwisseling. Verdachte sloeg haar met de achterkant van zijn hand vol in het gezicht. Daardoor had zij een dikke wang2. Haar dochter [slachtoffer 2] kan zich dit incident herinneren. Zij hoorde van haar moeder dat verdachte haar een klap in haar gezicht had gegeven. Zij zag toen dat het gedeelte onder het linkeroog van haar moeder wat dikker was en een beetje rood gekleurd3. Verdachte verklaart, wanneer hem wordt voorgehouden wat [slachtoffer 1] heeft verklaard over dit incident, dat dit voorval inderdaad is geweest4.
Met deze bewijsmiddelen staat naar het oordeel van de rechtbank vast dat verdachte in maart 2014 [slachtoffer 1] in haar gezicht heeft geslagen waardoor zij letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden.

[slachtoffer 1] verklaart verder dat verdachte reed op de terugweg van de vakantiebestemming en dat zij moest kaartlezen. Op een bepaald moment kon zij niet snel genoeg de bestemming op de kaart vinden. Uit het niets kreeg zij toen van verdachte een harde klap in haar gezicht. Door deze klap was haar lip helemaal dik, had zij een tand door haar lip en bloedde het ook. Het gebeurde toen de kinderen nog op de basisschool zaten, dus waarschijnlijk tussen 2005 en 2008.5 Haar dochter [slachtoffer 2]6 en haar zoon [slachtoffer 3]7 bevestigen dat verdachte hun moeder sloeg als het niet goed ging tijdens het kaartlezen. Zij89 zeggen beiden dat verdachte een keer een tand door de lip van moeder heeft geslagen en volgens [slachtoffer 3] bloedde haar mond toen. [slachtoffer 2]10 verklaart dat het is gebeurd in 2007 of 2008. [slachtoffer 3]11 verklaart dat het is gebeurd in Duitsland. Verdachte12 zegt dat het is gebeurd zoals [slachtoffer 1] heeft verklaard.
Met deze bewijsmiddelen staat naar het oordeel van de rechtbank vast dat verdachte in de periode 2005 tot 2008 [slachtoffer 1] in haar gezicht heeft geslagen waardoor zij letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden.

Op grond van vorenstaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte [slachtoffer 1] in de periode 1 januari 2005 tot 1 april 2014 op tijdstippen heeft mishandeld.

Feit 2

[slachtoffer 2] , dochter van verdachte, heeft aangifte gedaan van mishandeling door haar vader. Zij verklaart dat deze mishandeling heeft plaatsgevonden op 21 april 2014 nabij de keuken van hun woning in Rijen (gemeente Gilze en Rijen). De aanleiding was een woordenwisseling over een muizenkooi waarvan verdachte had verklaard dat hij die had weggegooid. Nadat [slachtoffer 2] ter hoogte van de vaatwasser verdachte een tikje op zijn schouder gaf, stormde verdachte richting de trapkast waardoor [slachtoffer 2] achteruit moest. Toen sloeg verdachte [slachtoffer 2] met zijn hand, op haar rechter wang, wat pijn deed omdat hij haar kaak raakte.13
De moeder van [slachtoffer 2] , [slachtoffer 1] , verklaart dat [slachtoffer 2] een halfslachtige tik boven op de rug van verdachte gaf. Verdachte werd toen kwaad en kwam omhoog, maakte zich groot en liep met wijd gespreide armen op [slachtoffer 2] af. Verdachte stond op dat moment op de doorloop tussen keuken en woonkamer en duwde, met zijn buik naar voren, [slachtoffer 2] naar achter. Op enig moment sloeg verdachte daarbij [slachtoffer 2] met zijn vlakke hand in het gezicht op haar wang14.
Op de geneeskundige verklaring d.d. 23 april 2014 staat onder meer vermeld dat [slachtoffer 2] klaagt over de rechterzijde van haar kaak15.
Verdachte bevestigt dat hij hevig geëmotioneerd was en dat hij [slachtoffer 2] heeft geduwd, maar hij ontkent dat hij heeft geslagen. Ondanks deze ontkenning, acht de rechtbank op grond van het bovenstaande wettig en overtuigend bewezen dat [slachtoffer 2] op 21 april 2014 door verdachte tegen haar gezicht is geslagen, waardoor zij letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden.

Feit 3

De zoon van verdachte, [slachtoffer 3] , verklaart dat hij op 12 december 2012 thuis in zijn woning in Rijen, gemeente Gilze en Rijen, was en een drinkflesje met water wilde gaan vullen. [slachtoffer 3] wilde naar zijn slaapkamer, maar verdachte stond in de doorgang en liet [slachtoffer 3] er niet langs. Verdachte duwde hem achteruit en schreeuwde woedend tegen hem. [slachtoffer 3] probeerde zich toch langs verdachte te wringen door hem met zijn rechterhand, waarin hij het flesje water had, opzij te duwen. Verdachte haalde toen uit met zijn rechtervuist en stompte [slachtoffer 3] vol op zijn linkerjukbeen en de linkerzijkant van zijn bril. Dat deed pijn en veroorzaakte een kras over de brug van zijn neus en de zijkant naast zijn linker oogkas.16

[slachtoffer 1] , verklaart dat zij ’s avonds op 12 december 2012 boven was, maar beneden een hoop geschreeuw, au-geroep en een huilende [slachtoffer 3] hoorde. Toen zij beneden kwam, zag ze dat [slachtoffer 3] op de grond lag en dat hij een dik gezicht had.17 Ook dochter [slachtoffer 2] verklaart dat zij geschreeuw heeft gehoord. 18.

De huisarts heeft op 12 december 2012 bij [slachtoffer 3] een snee bij zijn neus en een bloedneus vastgesteld19.

Verdachte verklaart dat hij op 12 december 2012 door [slachtoffer 3] in zijn nek werd geslagen, waarna hij met zijn rechterhand een soort stootslag naar voren met de vlakke hand heeft gemaakt. Hij raakte [slachtoffer 3] hierbij op zijn neus. Zijn neus was beschadigd en zijn bril was kapot.20

Hoewel verdachte heeft ontkend [slachtoffer 3] opzettelijk te hebben mishandeld, kan het ten laste gelegde feit naar het oordeel van de rechtbank wel wettig en overtuigend worden bewezen. Door met vlakke hand een stootslag in de richting van het gezicht van [slachtoffer 3] te maken, heeft verdachte immers willens en wetens de kans aanvaard dat hij letsel en pijn bij [slachtoffer 3] zou veroorzaken. Onder deze omstandigheden is naar het oordeel van de rechtbank minstens sprake van voorwaardelijk opzet.

Op grond van het vorenstaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte [slachtoffer 3] op 12 december 2012 heeft mishandeld.

4.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1.

hij op een of meer tijdstip(pen) in de periode van 21 april 2002 tot en met 21

april 2014 1 januari 2005 tot 1 april 2014

te Rijen, gemeente Gilze en Rijen, en/of elders in Nederland en/of

Duitsland, althans in het buitenland, (telkens) opzettelijk mishandelend zijn

echtgenote, althans een persoon, te weten [slachtoffer 1] ,

- in/tegen haar gezicht heeft geslagen en/of gestompt en/of

- op/tegen haar lichaam en/of arm(en) heeft geslagen en/of gestompt,

waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

2.

hij op een of meer tijdstip(pen) in de periode van 21 april 2002 tot en met 21

april 2014 te Rijen, gemeente Gilze en Rijen, en/of elders in Nederland,

(telkens) opzettelijk mishandelend zijn kind/dochter, althans een persoon, te

weten [slachtoffer 2] ,

- in/tegen haar gezicht en/of (achter)hoofd heeft geslagen en/of gestompt en/of

- op/tegen haar lichaam heeft geslagen en/of gestompt en/of geschopt,

waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

3.

hij op een of meer tijdstip(pen) in de periode van 21 april 2002 tot en met 21

april 2014 12 december 2012 te Rijen, gemeente Gilze en Rijen, en/of elders in Nederland,

(telkens) opzettelijk mishandelend zijn kind, althans een persoon, te weten

[slachtoffer 3] ,

- in/tegen zijn gezicht heeft geslagen en/of gestompt en/of

- op/tegen zijn lichaam en/of arm(en) heeft geslagen en/of gestompt,

waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten of omissies voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert aan verdachte een taakstraf van 100 uur, subsidiair 50 dagen hechtenis op te leggen, alsmede een gevangenisstraf van twee maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, waaraan de bijzondere voorwaarden van verplicht reclasseringscontact en de verplichting om zich te laten behandelen voor zijn psychische problemen, worden verbonden.

6.2

Het standpunt van de verdediging

Indien de rechtbank tot een bewezenverklaring komt, verzoekt de raadsman bij het bepalen van de strafmaat rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Verdachte kampt al jaren met psychische problemen, waarvoor hij nog steeds onder behandeling staat, hij is verwikkeld in een echtscheidings- en ontslagprocedure en hij heeft al geruime tijd nauwelijks tot geen contact meer met zijn kinderen. In dit verband wijst de raadsman tevens op de brief van [slachtoffer 1] , waarin zij aangeeft dat wat haar en de kinderen betreft, niet tot strafvervolging hoeft te worden overgegaan. De raadsman is van mening dat volstaan kan worden met toepassing van artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht, dan wel dat oplegging van uitsluitend een voorwaardelijke straf voldoende recht doet aan de ernst van de feiten en de persoon van verdachte. Oplegging van een werkstraf daarnaast, zoals door de officier van justitie is gevorderd, voegt zijns inziens niets toe.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Verdachte heeft zijn toenmalige echtgenote en zijn twee kinderen mishandeld door hen in het gezicht te slaan. In een periode van enkele jaren hebben zich meerdere incidenten voorgedaan, waarbij telkens sprake was van geweld door verdachte tegen zijn gezinsleden. Om zichzelf te kunnen beschermen als hun vader gewelddadig zou worden, hadden de kinderen zelfs een mes bij hun bed liggen, hetgeen duidelijk maakt wat de impact van het handelen van verdachte was.

De rechtbank tilt zwaar aan huiselijk geweld. Door zijn handelen heeft verdachte pijn en angstgevoelens teweeggebracht bij zijn toenmalige partner en zijn kinderen. Dat zijn kinderen niet alleen fysieke, maar ook psychische schade hebben opgelopen als gevolg van de dreigende sfeer in huis, blijkt uit het feit dat [slachtoffer 2] depressief is geraakt en [slachtoffer 3] pas veel later inzag dat het niet normaal was dat een man zijn vrouw sloeg als zij niet naar hem luisterde. De rechtbank neemt het verdachte zeer kwalijk dat hij door zijn handelen psychische schade aan zijn gezinsleden heeft toegebracht.

Gelet op de ernst van de feiten, is de rechtbank van oordeel dat verdachte gestraft dient te worden, zodat niet volstaan kan worden met toepassing van artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht, zoals de raadsman primair heeft bepleit. Wel zal de rechtbank, meer dan de officier van justitie, rekening houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte, de gevolgen die de feiten voor hem hebben gehad, alsmede met zijn blanco strafblad.

Met betrekking tot de persoonlijke omstandigheden van verdachte heeft de rechtbank onder meer gelet op het reclasseringsadvies d.d. 31 oktober 2014, waarin de reclassering heeft opgemerkt dat verdachte al langer in een labiele geestestoestand verkeert. Hij kampt met sociaal-emotionele problemen die in zijn jeugd zijn ontstaan, omdat hij is opgegroeid in een ongunstig en agressief opvoedklimaat. Daarnaast heeft hij in zijn werk als politiefunctionaris nare ervaringen, tegenslagen en conflicten gehad. Verdachte wordt snel boos en hij reageert dan in een reflex. De (ex-)vrouw en de kinderen van verdachte hebben vijandigheid bij hem ervaren, terwijl verdachte de ernst van de beschuldigingen afzwakt en de schuld voor het geweld buiten zichzelf legt. De reclassering acht hulp op diverse gebieden geïndiceerd. Als een positieve wending met betrekking tot zijn emotionele toestand uitblijft, wordt het recidiverisico als gemiddeld tot hoog ingeschat, omdat hij zich dan uit machteloosheid en wanhoop agressief zou kunnen gedragen.

Verdachte heeft zich voor zijn psychische problemen inmiddels onder behandeling van GGz Breburg gesteld. Volgens de GZ-psycholoog is sprake van een chronische posttraumatische stress-stoornis, die in overwegende mate is veroorzaakt door de incidenten die verdachte tijdens zijn werk bij de politie heeft meegemaakt. Er is een behandelplan opgesteld met als beoogde einddatum 22 augustus 2016. Om recidive te voorkomen en verdachte de kans te geven zijn leven een positieve wending te geven, acht de rechtbank het van groot belang dat verdachte zijn behandeling zal voortzetten. Om deze behandeling in een verplicht kader mogelijk te maken, zal de rechtbank een deels voorwaardelijke straf opleggen. Tevens wordt hiermee beoogd verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen.

Alles afwegend is de rechtbank van oordeel dat oplegging van een taakstraf van 60 uur, subsidiair 30 dagen hechtenis, alsmede een gevangenisstraf van twee maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, passend en geboden is. Aan de voorwaardelijke gevangenisstraf zal de rechtbank de bijzondere voorwaarde verbinden dat verdachte zijn behandeling bij GGz Breburg zal voortzetten zolang zijn behandelaars dat noodzakelijk achten.

7 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 9, 10, 14a, 14b, 14c, 14d, 22c, 22d, 27, 57, 300 en 304 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

8 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1: mishandeling, begaan tegen zijn echtgenoot, meermalen gepleegd;

feit 2: mishandeling, begaan tegen zijn kind over wie hij het gezag uitoefent;

feit 3: mishandeling, begaan tegen zijn kind over wie hij het gezag uitoefent;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 60 uren;

- beveelt dat indien verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 30 dagen;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de taakstraf naar rato van twee uur per dag;

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van twee maanden;

- bepaalt dat deze gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, omdat verdachte voor het einde van de proeftijd van twee jaren na te melden voorwaarden niet heeft nageleefd;

- stelt als algemene voorwaarden:

* dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet zal schuldig maken aan een strafbaar feit;

* dat verdachte ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit, medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage zal aanbieden;

* dat verdachte medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, de medewerking van huisbezoeken daaronder begrepen;

- stelt als bijzondere voorwaarde:

* dat verdachte zich gedurende de proeftijd de reeds gestarte behandeling (zoals neergelegd in het behandelplan) bij GGz Breburg zal voortzetten, zolang zijn behandelaars dat noodzakelijk achten;

- geeft de reclassering opdracht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden.

Dit vonnis is gewezen door mr. Kooijman, voorzitter, mr. Peters en mr. Veldhuizen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Graumans, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 21 maart 2016.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt -tenzij anders vermeld- bedoeld het eindproces-verbaal met dossiernummer 2014 - 14 van politie eenheid Zeeland-West-Brabant, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren en doorgenummerd van 1 tot en met 104. Het proces-verbaal van aanvulling aangifte van [slachtoffer 1] , p. 13.

2 Het proces-verbaal van aanvulling aangifte van [slachtoffer 1] , p. 15.

3 Het proces-verbaal van aanvulling aangifte van [slachtoffer 2] , p. 32.

4 Het proces-verbaal van verhoor van verdachte, p. 91.

5 Het proces-verbaal van aanvulling aangifte van [slachtoffer 1] , p. 15.

6 Het proces-verbaal van aanvulling aangifte van [slachtoffer 2] , p. 29.

7 Het proces-verbaal van verhoor van getuige [slachtoffer 3] , p. 64.

8 Het proces-verbaal van aanvulling aangifte van [slachtoffer 2] , p. 32.

9 Het proces-verbaal van verhoor van getuige [slachtoffer 3] , p. 64.

10 Het proces-verbaal van aanvulling aangifte van [slachtoffer 2] , p. 32.

11 Het proces-verbaal van verhoor van getuige [slachtoffer 3] , p. 64.

12 Het proces-verbaal van verhoor van verdachte, p. 91.

13 Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 2] , p. 23.

14 Het proces-verbaal van aanvulling aangifte van [slachtoffer 1] , p. 14.

15 Het geschrift, te weten de geneeskundige verklaring betreffende [slachtoffer 2] , p. 36.

16 Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 3] , p. 38.

17 Het proces-verbaal van aanvulling aangifte van [slachtoffer 1] , p. 16.

18 Het proces-verbaal van aanvulling aangifte van [slachtoffer 2] , p. 30.

19 Het geschrift, te weten de geneeskundige verklaring betreffende [slachtoffer 3] , p. 43.

20 Het proces-verbaal van verhoor van verdachte, p. 97.