Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2016:1475

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
14-03-2016
Datum publicatie
15-03-2016
Zaaknummer
C/02/311041 / KG ZA 16-72
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

“Vordering strekkende tot een voorschot op de schadevergoeding leent zich niet voor behandeling in kort geding.”

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Handelsrecht

Breda

zaaknummer / rolnummer: C/02/311041 / KG ZA 16-72

Vonnis in kort geding van 14 maart 2016

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

TRAININGSCENTRUM OISTERWIJK BV,

gevestigd te Oisterwijk,

eiseres,

advocaat mr. M. Franke,

tegen

1. de stichting

STICHTING DE KLOONTJES,

statutair gevestigd en kantoorhoudende te Oisterwijk,

advocaat mr. M. Eijkelenboom,

2. de publiekrechtelijke rechtspersoon

GEMEENTE OISTERWIJK,

zetelend te Oisterwijk,

advocaat mr. B.J.P.G. Roozendaal,

gedaagden.

Eiseres zal hierna Trainingscentrum Oisterwijk worden genoemd. Gedaagden zullen hierna afzonderlijk de stichting en de gemeente worden genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 19 februari 2016, met producties genummerd 1 tot en met 20;

  • -

    de brief van 25 februari 2016 van Trainingscentrum Oisterwijk, met producties

genummerd 21 en 22;

- de brief van 25 februari 2016 van Trainingscentrum Oisterwijk, met producties genummerd 23 en 24;

- de brief van 26 februari 2016 van Trainingscentrum Oisterwijk, met productie 25;

- de conclusie van antwoord van de stichting, met producties genummerd 1 tot en met 12;

- de conclusie van antwoord van de gemeente, met producties genummerd 1 tot en met 7;

- de brief van 26 februari 2016 van de stichting, met producties genummerd 12 tot

en met 16;

- de brief van 26 februari 2016 van de gemeente, met bijlage;

  • -

    de mondelinge behandeling gehouden op 29 februari 2016;

  • -

    de pleitnota van Trainingscentrum Oisterwijk;

  • -

    de pleitnota van de stichting.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 Het geschil

2.1.

Trainingscentrum Oisterwijk vordert dat de voorzieningenrechter bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de stichting en de gemeente hoofdelijk veroordeelt tot vergoeding van een voorschot op de schade van € 100.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover, met hoofdelijke veroordeling van de stichting en de gemeente in de kosten van deze procedure.

2.2.

De stichting en de gemeente weerspreken de vordering.

2.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

3 De beoordeling

3.1.

Als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, alsmede op grond van de onbetwiste inhoud van de producties, staat tussen partijen het volgende vast:

a. Trainingscentrum Oisterwijk exploiteert een tennishal en een sport- en trainings- centrum met bijhorende voorzieningen aan de Sportlaan 6 te Oisterwijk.

b. Op 24 maart 2015 heeft de stichting bij de gemeente een vergunning aangevraagd voor de organisatie van het Intents Festival (hierna: het festival) op 5-6-7 juni 2015 op Sportpark d’n Donk, gelegen nabij de Sportlaan 10 te Oisterwijk. De stichting heeft voor die aanvraag onder meer een draaiboek, een risico-inventarisatie en een veiligheidsplan opgesteld. In het veiligheidsdraaiboek, dat onderdeel uitmaakt van het veiligheidsplan, is onder meer aandacht besteed aan de risico’s met betrekking tot extreme weersomstandigheden. Hiervoor is opgenomen dat een festivaltent als beschuttingsplaats zal worden gebruikt.

c. Bij beschikking van 19 mei 2015 heeft de gemeente de vergunning verleend aan de stichting. Uit die beschikking blijkt dat de gemeente de aanvraag heeft getoetst aan onder meer de Algemene Plaatselijke Verordening gemeente Oisterwijk 2014 en de nota evenementenregels 2015-2020. Er zijn geen bezwaarschriften ingediend tegen deze beschikking.

d. Op 5 juni 2015 is het festival- en campingterrein als gevolg van dreigend noodweer ontruimd en zijn de bezoekers geëvacueerd naar de tennishal van Trainingscentrum Oisterwijk. Tussen 17:45 uur en 18:30 uur zijn de eerste bezoekers aangekomen bij de tennishal. In totaal waren er circa 3.000 bezoekers.

e. Omstreeks 17:30 uur en 18:00 uur heeft er een veiligheidsoverleg plaatsgevonden, waarbij onder meer de politie ( [politie] ) en de gemeente ( [mevrouw x] ) aanwezig waren. De politie heeft verzocht om een noodverordening op te stellen. De burgemeester van de gemeente heeft rond 19:55 uur een noodverordening bekend gemaakt, die rond 21:30 uur weer is ingetrokken.

f. In de notulen van de evaluatie van het festival is onder meer het volgende vermeld: “a. Noodweer vrijdagavond, Door het naderende noodweer was het veiligheidsoverleg vervroegd naar 17:30 uur. Hier waren van de politie [man x] (…) en [man y] bij aanwezig. (…) [voorl. man y] Kort daarna kwam bericht vanuit tentenbouwer dat hij veiligheid niet kon garanderen van de tenten en dat er in Noord Frankrijk al een evacuatie had plaatsgevonden.

b. Opschaling: Tijdens voornoemd veiligheidsoverleg kwam de SportArena in beeld als evacuatielocatie. (…). Nog tijdens het veiligheidsoverleg is opgeschaald naar GRIP 1 op dat moment kwam het initiatief bij de hulpdiensten en gemeente. [voorl. man y] [man z] als algemeen commandant politie heeft GRIP 1 afgekondigd en hij heeft daarbij besloten dat de evacuatie naar de SportArena plaatsvindt.”.

g. Na de evacuatie van de festivalbezoekers naar de tennishal van Trainingscentrum Oisterwijk bleek de tennisvloer onherstelbaar beschadigd wegens brandplekken en waterschade.

h. Trainingscentrum Oisterwijk heeft haar schade begroot op een totaalbedrag van

€ 305.772,00, waarbij zij rekening heeft gehouden met de kosten voor herstel van de tennisvloer alsmede het geleden verlies en de gederfde winst. In opdracht van Trainingscentrum Oisterwijk heeft Interieur Projecten Dirks een offerte opgesteld, waarin de herstelkosten van de tennisvloer zijn begroot op € 80.339,45. Het geleden verlies en de gederfde winst heeft Trainingscentrum Oisterwijk berekend over de periode vanaf 5 juni 2015 tot en met eind 2017, welke periode door haar is afgeleid uit de looptijd van de contracten met haar tennisleden.

i. Op 14 oktober 2015 heeft de verzekeraar van de stichting, Crawford & Company BV, een rapport opgesteld, waarin zij de schade van Trainingscentrum Oisterwijk heeft begroot op een totaalbedrag van € 35.594,00. Hierbij is onder meer rekening gehouden met een geschatte dagwaarde van de tennisvloer van € 25.535,00 en een brutowinstderving van € 2.688,00 in verband met een hersteltermijn van de vloer van acht weken. In dit kader is door de verzekeraar van de stichting een voorschot onder algemene titel overgemaakt van € 25.000,00.

j. Reeds op 13 maart 2015 heeft Trainingscentrum Oisterwijk een brief verstuurd aan haar tennisleden met onder meer de volgende inhoud:

“De populariteit van tennis is in Nederland de afgelopen jaren afgenomen. (…). Zo ook bij SportArena Oisterwijk. (…) wij trachten tevens een oplossing te vinden voor de neerwaartse spiraal waarin het indoortennis zich begeeft. (…) Dit heeft ons doen besluiten om nieuwe verdienmodellen te onderzoeken wat betreft het indoortennisgedeelte van ons bedrijf.

Het onderzoeken van nieuwe activiteiten impliceert tegelijkertijd een mogelijk wezenlijke verandering voor u. (…).

De keuze voor een nieuwe activiteit op de indoortennisbanen is nog niet gevallen. Wij verwachten de definitieve beslissing te kunnen maken voor eind juni van dit jaar. De aard van deze activiteit willen we nog niet publiekelijk maken, echter de consequentie zal zijn dat er geen indoortennis meer mogelijk is. (…) We zitten hierdoor in een lastig parket: komt er groen licht voor de nieuwe activiteit, dan zal het indoortennis dienen te stoppen; heeft de nieuwe activiteit geen doorgang, dan zal het indoortennis blijven bestaan. (…).

We hopen dat u uw contract met ons weer verlengd en vragen u om, zoals gebruikelijk, het contract te ondertekenen vóór half april indien u in het nieuwe seizoen weer bij ons te gast wilt zijn (…). Tegelijkertijd vertellen we u dat de mogelijkheid bestaat dat er geen indoortennis meer kan plaatsvinden vanaf september. (…).”.

k. Op 26 februari 2016 heeft de gemeente een verklaring overgelegd van politieagent [man x] met onder meer de volgende inhoud:

“De verantwoordelijkheid voor het festival ligt bij de organisatie, niet bij de politie. (…) Er is bekeken of opvang mogelijk was in de festivaltenten. Het bleek dat de veiligheid van de festivalgangers niet kon worden gegarandeerd indien het windkracht 8 of hoger was. Om die reden heeft de festivalorganisatie besloten om tot evacuatie over te gaan. Ik heb toen wel besloten om GRIP 1 af te kondigen. (…) Ik heb niet besloten om tot evacuatie over te gaan, dat was de beslissing van de organisatie zelf. (…) Het is ook de festivalorganisatie geweest die heeft besloten te evacueren naar de SportArena. Dat is dus niet mijn besluit geweest. Ik ken die locatie helemaal niet. (…)”.

l. Trainingscentrum Oisterwijk heeft uiteindelijk dit kort geding aanhangig gemaakt teneinde een voorschot op de schade die zij stelt te hebben geleden vergoed te krijgen.

3.2.

Trainingscentrum Oisterwijk legt aan haar vordering ten grondslag dat de stichting en de gemeente hoofdelijk aansprakelijk zijn ex artikel 6:162 BW voor de door haar geleden en nog te lijden schade als gevolg van onrechtmatig handelen van zowel de stichting als de gemeente jegens haar wegens schending van de zorgvuldigheidsnorm en inbreuk op haar eigendomsrecht.

3.3.

De stichting en de gemeente voeren verweer en betwisten - kort gezegd - dat zij op grond van artikel 6:162 BW aansprakelijk zijn, omdat volgens hun niet is voldaan aan alle daarvoor gestelde vereisten. De stichting en de gemeente betwisten onder meer het door Trainingscentrum Oisterwijk gestelde onrechtmatig handelen en de door haar gestelde (omvang van de) schade. Op dit verweer en op hetgeen partijen verder ter onderbouwing van hun standpunten hebben aangevoerd zal hierna, voor zover van belang, nader worden ingegaan.

3.4.

Bij de beoordeling van de vordering stelt de voorzieningenrechter voorop dat met betrekking tot een voorziening in kort geding, bestaande uit een veroordeling tot betaling van een geldsom, zoals in casu, terughoudendheid op zijn plaats is. De voorzieningenrechter zal daarbij niet alleen hebben te onderzoeken of het bestaan van een vordering van eiser op gedaagde voldoende aannemelijk is, maar ook of daarnaast sprake is van feiten en omstandigheden die met zich brengen dat uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening is vereist, terwijl de voorzieningenrechter in de afweging van de belangen van partijen mede zal hebben te betrekken de vraag naar, kort gezegd, het risico van onmogelijkheid van terug-

betaling, welke risico kan bijdragen tot weigering van de voorziening.

Aansprakelijkheid stichting

3.5.

Vast staat dat in het veiligheidsdraaiboek van de stichting staat opgenomen dat een festivaltent zal worden gebruikt als beschuttingsplaats indien sprake is van extreme weersomstandigheden. De stichting stelt tevens onweersproken dat daarnaast evacuatiepunten in het open terrein waren aangewezen waarbij volgens de stichting indien deze worden gebruikt aan de festivalbezoekers gratis poncho’s worden uitgedeeld. Dat dit gebruikelijk is bij evenementen, zoals door de stichting ter zitting is gesteld, is door Trainingscentrum Oisterwijk niet betwist. Gelet hierop heeft Trainingscentrum Oisterwijk haar stelling, dat de stichting een zorgvuldigheidsnorm heeft geschonden doordat zij zou hebben nagelaten om in de vergunningsaanvraag en het veiligheidsplan een noodlocatie te vermelden, dan ook in het kader van dit kort geding onvoldoende onderbouwd.

3.6.

De stelling van Trainingscentrum Oisterwijk, dat de stichting heeft nagelaten haar tijdig op de hoogte te stellen van de aanwijzing van haar tennishal als noodlocatie waardoor zij niet in staat was om de door haar gestelde schade te beperken, is door de stichting betwist. Volgens haar heeft zij Trainingscentrum Oisterwijk meteen op de hoogte gesteld op het moment dat het haar duidelijk was dat de festival- bezoekers zouden worden ondergebracht in de tennishal. Partijen twisten daarnaast over de tijd gelegen tussen het verzoek van de stichting aan Trainingscentrum Oisterwijk om de festivalbezoekers in de tennishal onder te mogen brengen, althans het moment dat de mededeling is gedaan door de stichting dat de festivalbezoekers in de tennishal zouden worden ondergebracht en het moment waarop de eerste festivalbezoekers in de tennishal zijn gearriveerd. Partijen zijn het daarbij niet eens over het tijdstip waarop de eerste festivalbezoekers aangekomen zijn, welke discussie tussen partijen van belang is in het kader van het beroep van de stichting op eigen schuld van Trainingscentrum Oisterwijk, althans het niet voldoen door Trainingscentrum Oisterwijk aan haar schadebeperkingsplicht, omdat er volgens de stichting voldoende tijd was om het in de tennishal aanwezige evenemententapijt uit te rollen ter bescherming van de vloer. Of dit verweer van de stichting doel treft kan in het kader van dit kort geding niet worden vastgesteld.

3.7.

Trainingscentrum Oisterwijk stelt verder dat de stichting onzorgvuldig jegens haar heeft gehandeld, omdat zij aan haar heeft medegedeeld dat de tennishal als noodlocatie was gevorderd op basis van een noodverordening, terwijl daarvan geen sprake was. Dat zij op basis van onjuiste beweringen de toegang tot de tennishal heeft verschaft, wordt door de stichting betwist. Voor wat betreft de vraag wie heeft besloten tot evacuatie naar de tennishal wijzen de stichting en de gemeente naar elkaar. De stichting stelt zich op het standpunt dat de politie het initiatief heeft genomen tot de evacuatie naar de tennishal en verwijst in dat kader naar de notulen van de evaluatie van 21 juli 2015. De gemeente betwist echter de inhoud van die notulen en stelt onder verwijzing naar de door haar overgelegde verklaring van de politie dat de stichting heeft besloten tot de evacuatie naar de tennishal zonder dat werd gehandeld op basis van de noodverordening. Ook ten aanzien van dit geschilpunt tussen partijen is het voor de voorzieningenrechter op basis van de thans voorliggende bewijsmiddelen niet mogelijk om vast te stellen wie het gelijk aan haar zijde heeft.

3.8.

Trainingscentrum Oisterwijk heeft haar stelling, dat de stichting en de gemeente onzorgvuldig hebben gehandeld doordat zij, ondanks toezeggingen, niet zijn overgegaan tot vergoeding van de schade, onvoldoende feitelijk onderbouwd, althans in het kader van dit kort geding onvoldoende aannemelijk gemaakt. Dat er toezeggingen in de door Trainingscentrum Oisterwijk gestelde zin zijn gedaan wordt immers door de stichting en de gemeente betwist en volgt niet uit de door partijen overgelegde correspondentie.

Inbreuk eigendomsrecht

3.9.

Verder staat vast dat niet de stichting en de gemeente, maar de festivalbezoekers de tennisvloer hebben vernield zodat de stichting en de gemeente niet reeds op grond van deze vernieling een inbreuk op het eigendomsrecht van Trainingscentrum Oisterwijk kan worden verweten. Er zijn geen of onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld op grond waarvan kan worden geconcludeerd dat het handelen van de festivalbezoekers toegerekend dient te worden aan de stichting en de gemeente. Gelet hierop, heeft Trainingscentrum Oisterwijk in het kader van dit kort geding onvoldoende onderbouwd dat de stichting en de gemeente een inbreuk hebben gemaakt op haar eigendomsrecht.

Aansprakelijkheid gemeente

3.10.

Trainingscentrum Oisterwijk heeft daarnaast haar stelling, dat de gemeente een zorgvuldigheidsnorm heeft geschonden, omdat de gemeente bij de beoordeling van de vergunningsaanvraag het vermelden van een noodlocatie in het veiligheidsplan had moeten verplichten voordat zij besloot tot het verlenen van de vergunning, niet voldoende aannemelijk kunnen maken. Dat hiervoor een verplichting bestaat wordt door de gemeente betwist. Trainingscentrum Oisterwijk heeft onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld op grond waarvan het opnemen van een noodlocatie in de vergunning een verplichting vormde. Thans kan dan ook niet worden geconcludeerd dat met het niet opnemen van een noodlocatie in de vergunning de gemeente onrechtmatig handelde jegens Trainingscentrum Oisterwijk. Indien sprake zou zijn van een onrechtmatige vergunning, zoals wordt beweerd door Trainingscentrum Oisterwijk, geldt voorts dat de vergunning formele rechtskracht heeft gekregen. Tegen de op de juiste wijze bekendgemaakte vergunning is immers door Trainingscentrum Oisterwijk geen rechtsmiddel aangewend. Voor wat betreft de inhoud en de wijze van totstandkoming van de vergunning dient dan te worden uitgegaan van de rechtmatigheid van die beschikking. De op dit punt door Trainingscentrum Oisterwijk aangehaalde jurisprudentie (ECLI:NL:RBOVE:2015:4792) maakt dit niet anders nu Trainingscentrum Oisterwijk anders dan de benadeelden in de in deze zaak berechte casuspositie als belanghebbende is te beschouwen en ook overigens de omstandigheden wezenlijk anders zijn.

3.11.

Vast staat verder dat in de door de gemeente bekend gemaakte noodverordening de tennishal niet is aangewezen als noodlocatie. Op het moment van de bekendmaking van de noodverordening was de evacuatie ook al gaande. Dat de politie in het kader van de evacuatie heeft gehandeld onder het gezag van de burgemeester, zoals door Trainingscentrum Oisterwijk is gesteld, is door de gemeente betwist. Voor zover de politie de opdracht tot de evacuatie naar de tennishal al zou hebben gegeven, zoals door de stichting is gesteld, maar door de gemeente is betwist, is daarmee nog niet vast komen te staan dat zulks onder het gezag van de burgmeester zou zijn geweest. In het kader van dit kort geding kan dit ook niet worden vastgesteld.

3.12.

Voor wat betreft het verwijt dat de gemeente heeft nagelaten in te grijpen, is niet duidelijk wat de gemeente op dit punt wordt verweten. Op grond van artikel 172 van de Gemeentewet is de burgemeester belast met de handhaving van de openbare orde. Ter handhaving hiervan kan de burgemeester bevelen geven en de politie daartoe opdrachten geven. Trainingscentrum Oisterwijk heeft echter onvoldoende gemotiveerd gesteld dat de openbare orde in gevaar was. Hiervan is ook niet gebleken. Dat de gemeente op dit punt een zorgvuldigheidsnorm heeft geschonden is dan ook onvoldoende aannemelijk gemaakt.

schade

3.13.

Trainingscentrum Oisterwijk heeft haar schade begroot op een totaalbedrag van € 305.772,00, bestaande uit de herstelkosten van de tennisvloer en uit het geleden verlies en de gederfde winst over de periode vanaf 5 juni 2015 tot en met eind 2017. De verzekeraar van de stichting heeft aan Trainingscentrum Oisterwijk een bedrag van € 25.000,00 uitgekeerd onder algemene titel.

3.14.

Trainingscentrum Oisterwijk heeft gesteld dat de herstelkosten van de tennisvloer € 80.339,45 bedragen, waarbij is uitgegaan van volledige vervanging van de tennisvloer. In de door de stichting als productie 9 overgelegde verklaring, wordt aangegeven dat de tennisvloer 28,5 jaar oud is, omdat die vloer na de bouw van de tennishal in 1986 nimmer zou zijn vervangen. Dat de tennisvloer nimmer zou zijn vervangen, is door Trainingscentrum Oisterwijk betwist. Volgens Trainingscentrum Oisterwijk is het gedeelte tussen de lijnen gerenoveerd in 2004, 2005 en 2012, in welk verband zij verwijst naar de door haar als productie 26 overgelegde factuur. Uit deze factuur kan echter alleen worden afgeleid dat er in 2012 sprake is geweest van renovatiewerkzaamheden. Hoe oud welk gedeelte van de tennisvloer exact is valt thans dan ook niet vast te stellen. Trainingscentrum Oisterwijk heeft de onderneming ook in 2007 overgenomen en voor wat betreft de gestelde renovatiewerkzaamheden in 2004 en 2005 zijn geen stukken overgelegd. Wel is hiermee duidelijk geworden dat de tennisvloer aan slijtage onderhevig is en in delen kan worden vervangen.

3.15.

Partijen twisten over de wijze van schadeberekening en over de vraag of bij de berekening van de schade rekening moet worden gehouden met aftrek wegens “nieuw voor oud”. Indien sprake is van zaaksbeschadiging geldt als uitgangspunt dat de eigenaar van de beschadigde zaak door die beschadiging een nadeel in zijn vermogen lijdt dat gelijk is aan de waardevermindering die de zaak heeft onder- gaan. Bij zaaksbeschadiging wordt de schade veelal abstract berekend en wel, indien herstel van de desbetreffende zaak mogelijk en verantwoord is, door de waardevermindering die de zaak heeft ondergaan te stellen op de naar objectieve maatstaven berekende herstelkosten. Of rekening gehouden moet worden met het voordeel nieuw voor oud is afhankelijk van alle omstandigheden van het geval. Indien sprake is van regelmatige vervanging van de (delen) van de vloer zou voordeelsverrekening meer in de rede liggen. In dat geval is thans echter niet in te schatten of de schade aan de vloer meer bedraagt dan het reeds onder algemene titel betaalde voorschot van € 25.000,00. Dit omdat er onvoldoende gegevens voorhanden zijn over de ouderdom van de tennisvloer en ook onduidelijk is gebleven welke gedeeltes van de tennisvloer zijn vernieuwd en tegen welke kosten dat zou hebben plaatsgevonden.

3.16.

Ook voor wat betreft de door Trainingscentrum Oisterwijk gestelde schade op grond van het geleden verlies en de gederfde winst bestaan nog veel onduidelijkheden. Trainingscentrum Oisterwijk heeft deze schade berekend over de periode vanaf 5 juni 2015 tot en met eind 2007, welke periode zij heeft afgeleid uit de looptijd van de contracten met haar leden. In dit kader speelt onder meer een rol dat onduidelijk is wat het effect is geweest van de door Trainingscentrum Oisterwijk aan haar leden verstuurde brief van 13 maart 2015 met betrekking tot de oprichting van Monkey Town, waaruit ook blijkt dat er al verminderde belangstelling was voor indoortennis. Het is als gevolg van deze brief de vraag in welke mate de overstap van haar leden naar een andere tennishal het gevolg is van de beschadiging van de tennisvloer. Onduidelijk is voorts in hoeverre in de schadeberekening rekening is gehouden met de omzet van andere activiteiten die nog wel hebben plaatsgevonden. De door Trainingscentrum Oisterwijk gepresenteerde schadeberekening is door de stichting en de gemeente gemotiveerd betwist en de daarbij opgeroepen vraagpunten laten zich in kort geding gelet op de wijze waarop Trainingscentrum Oisterwijk haar schade heeft onderbouwd nog niet beantwoorden. Het betreffen dan vragen ten aanzien van de omvang van de schade, in hoeverre deze schade voortvloeit uit de beschadiging van de vloer of deze zijn oorzaak vindt in andere omstandigheden zoals de plannen met betrekking tot Monkey Town. Op het punt van schadebeperking is van belang in hoeverre het uitblijven van vervanging van de vloer aan Trainingscentrum Oisterwijk is te verwijten, waarbij weer van belang is in hoeverre sprake was van adequate bevoorschotting gelet op de schade aan de vloer. In het kader van dit kort geding is gelet op de over en weer ingenomen stellingen en de onderbouwing tot op heden van de schade door Trainingscentrum Oisterwijk niet vast te stellen of de omvang van de schade gelijk is of meer bedraagt dan het bedrag van het gevorderde voorschot.

3.17.

Gelet op het voorgaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat de vordering, met inachtneming van het onder 3.6 geformuleerde toetsingskader, dient te worden afgewezen. Zowel de aansprakelijkheid van de stichting respectievelijk de gemeente jegens Trainingscentrum Oisterwijk als de omvang van de schade is gebaseerd op stellingen van Trainingscentrum Oisterwijk die door de stichting en de gemeente gemotiveerd zijn betwist. Voor het vaststellen van de door Trainingscentrum Oisterwijk gestelde en door de stichting en de gemeente betwiste feiten is nadere bewijsvoering nodig, waarvoor in kort geding geen plaats is. Een bodemprocedure tussen partijen zal ter zake uitsluitsel dienen te geven. Vooralsnog is niet voorspelbaar hoe deze procedure zal aflopen, zodat het niet verantwoord is om daarop bij wijze van voorlopige voorziening vooruit te lopen, temeer niet nu sprake is van een aanzienlijk restitutierisico. De omstandigheid dat Trainingscentrum Oisterwijk in een financieel nijpende situatie verkeert, is onvoldoende reden om tot een andere conclusie te komen.

3.18.

Trainingscentrum Oisterwijk zal als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van deze procedure worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van de stichting worden begroot op:

- griffierecht € 1.929,00

- salaris advocaat 816,00

Totaal € 2.745,00

De kosten aan de zijde van de gemeente worden begroot op:

- griffierecht € 1.929,00

- salaris advocaat 816,00

Totaal € 2.745,00

3.19.

De gevorderde nakosten zullen worden toegewezen, nu deze vordering niet door Traingingscentrum Oisterwijk is betwist. Ook de gevorderde wettelijke rente over de proceskosten en de nakosten zullen als onbetwist worden toegewezen.

4 De beslissing

De voorzieningenrechter

4.1.

wijst de vordering af;

4.2.

veroordeelt Trainingscentrum Oisterwijk in de kosten van dit geding voor zover aan de zijde van de stichting gevallen tot op heden begroot op € 2.745,00, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf veertien dagen na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling;

4.3.

veroordeelt Trainingscentrum Oisterwijk in de kosten van dit geding voor zover aan de zijde van de gemeente gevallen tot op heden begroot op € 2.745,00, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf veertien dagen na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling;

4.4.

veroordeelt Trainingscentrum Oisterwijks in de na dit vonnis ontstane kosten aan de zijde van de stichting en de gemeente, begroot ten aanzien van de stichting en de gemeente ieder afzonderlijk op € 131,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf veertien dagen na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden en Trainingscentrum Oisterwijk niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf de vijftiende dag na voormelde aanschrijving tot de dag van volledige betaling;

4.5.

verklaart deze proceskostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. Van den Heuvel en in het openbaar uitgesproken op 14 maart 2016.1

1 type: mjcoll: