Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2016:1439

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
04-03-2016
Datum publicatie
12-04-2016
Zaaknummer
AWB - 15 _ 2626
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Dwangsom; wanneer is de beschikking gegeven?. De inspecteur stelt dat voor het verbeuren van een dwangsom moet worden gekeken naar de dagtekening van de brief waarin aan belanghebbende kenbaar is gemaakt hoe op het bezwaar zal worden beslist en niet naar de dagtekening van de ‘formele’ uitspraak op bezwaar. De rechtbank verwerpt dit betoog; voor toepassing van de dwangsomregeling moet worden aangesloten bij het geven van de beschikking en dat is de ‘formele’ uitspraak op bezwaar. Belanghebbende heeft recht op een dwangsom.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2016/853
V-N 2016/28.17.17
FutD 2016-0997
NTFR 2016/1546 met annotatie van Mr. P.A. Caljé
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Belastingrecht, enkelvoudige kamer

Locatie: Breda

Zaaknummers BRE 15/2626 en 15/2770

uitspraak van 4 maart 2016

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en artikel 27d van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) in het geding tussen

[belanghebbende] , wonende te [woonplaats],

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

de inspecteur.

De bestreden beschikkingen

De uitspraak van de inspecteur van 30 april 2015 op het bezwaar van belanghebbende tegen de aan hem voor het jaar 2011 opgelegde aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 26.218 (aanslagnummer [aanslagnummer].H.16.01) (hierna: de aanslag);

De beschikking van 21 april 2015 waarbij geen dwangsom is toegekend.

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 februari 2016 te Tilburg. Aldaar zijn verschenen en gehoord, belanghebbende, en namens de inspecteur, [verweerder].

1 Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond voor zover het ziet op de dwangsom;

  • -

    stelt vast dat de inspecteur een dwangsom heeft verbeurd van in totaal € 180;

  • -

    verklaart het beroep voor het overige ongegrond;

  • -

    veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van € 8,68;

  • -

    gelast dat de inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 45 (zaaknummer 15/2626) aan hem vergoedt;

  • -

    gelast dat de griffier aan belanghebbende het teveel betaalde griffierecht van € 45 in zaaknummer 15/2770 terugstort.

2 Gronden

2.1.

Belanghebbende is het onderhavige jaar gehuwd. Hij heeft twee dochters [A] (hierna: [A]), geboren op [datum] 1987, en [B] (hierna: [B]), geboren op [datum] 1989.

2.2.

Belanghebbende heeft de aangifte IB/PVV 2011 ingediend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 20.618. In de aangifte heeft belanghebbende de volgende aftrekposten opgevoerd: (i) reisaftrek openbaar vervoer van € 397, (ii) kosten levensonderhoud kinderen jonger dan 30 jaar van € 5.600 en (iii) aftrek specifieke zorgkosten van € 2.374.

2.3.

Bij brief van 26 augustus 2014 heeft de inspecteur zijn voornemen om van de ingediende aangifte IB/PVV af te gaan wijken aan belanghebbende kenbaar gemaakt. Volgens de inspecteur heeft belanghebbende geen recht op aftrek voor de uitgaven van levensonderhoud van zijn twee kinderen.

2.4.

Bij het opleggen van de aanslag IB/PVV heeft de inspecteur het belastbare inkomen uit werk en woning met € 5.600 verhoogd tot € 26.218. Daartegen heeft belanghebbende tijdig bezwaar gemaakt. De Belastingdienst heeft bij brief van 4 november 2014 de ontvangst van het bezwaarschrift bevestigd (hierna: de brief van 4 november 2014). Tevens staat daarin vermeld dat ernaar wordt gestreefd om binnen zes weken na ontvangst van het bezwaarschrift te beslissen.

2.5.

Belanghebbende heeft op 7 april 2015 via het formulier ‘Dwangsom bij het niet tijdig beslissen’ van de Belastingdienst de inspecteur in gebreke gesteld voor het te laat doen van uitspraak op bezwaar. De inspecteur heeft op dezelfde dag voormeld formulier ontvangen.

Bij brief van 14 april 2015 met aanhef ‘motivering van de uitspraak op het bezwaarschrift’ heeft de inspecteur zijn beoordeling van het bezwaar gegeven. Er wordt alsnog aftrek uitgaven voor levensonderhoud kind van € 700 in aanmerking genomen maar daartegenover wordt – met een beroep op interne compensatie – de reisaftrek openbaar vervoer van € 397 alsnog gecorrigeerd. Aan het eind van de brief wordt vermeld dat de uitspraak op bezwaar afzonderlijk wordt toegezonden vanuit het computercentrum van Apeldoorn.

De inspecteur heeft bij brief van 21 april 2015 beslist belanghebbende geen dwangsom toe te kennen.

2.6.

De inspecteur heeft bij biljet met 30 april 2015 bij uitspraak op bezwaar het belastbare inkomen uit werk en woning met € 303 verminderd tot € 25.915.

2.7.

In geschil is het antwoord op de volgende vragen:

  1. Heeft de inspecteur de wettelijke dwangsom verbeurd wegens het niet tijdig doen van uitspraak op bezwaar?

  2. Welke (andere) gevolgen dienen te worden verbonden aan het niet-tijdig beslissen mede in het licht van de brief van 4 november 2014?

  3. Heeft belanghebbende recht op een reisaftrek van € 397?

  4. Heeft belanghebbende recht op aftrek van de uitgaven voor het levensonderhoud van zijn twee kinderen?

  5. Heeft belanghebbende recht op meer aftrek van uitgaven voor specifieke zorgkosten van € 200?

Dwangsom

2.8.

Ingevolge het eerste lid van artikel 4:17 van de Awb verbeurt het bestuursorgaan een dwangsom aan de aanvrager indien een beschikking op aanvraag niet tijdig wordt gegeven. Ingevolge het derde lid is de eerste dag waarover de dwangsom is verschuldigd, de dag waarop twee weken zijn verstreken na de dag waarop de termijn voor het geven van de beschikking is verstreken en het bestuursorgaan van de aanvrager een schriftelijke ingebrekestelling heeft ontvangen. Ingevolge artikel 7:10, eerste lid, van de Awb, beslist, voor zover hier van belang, de inspecteur binnen zes weken gerekend vanaf de dag na die waarop de termijn voor het indienen van het bezwaarschrift is verstreken.

2.9.

De rechtbank overweegt als volgt. Vast staat dat de inspecteur de ingebrekestelling op 7 april 2015 heeft ontvangen en dat de dagtekening van de (formele) uitspraak op bezwaar 30 april 2015 is. Niet gesteld is dat de uitspraak op bezwaar eerder dan op 30 april 2015 is verzonden. De rechtbank is van oordeel dat de onder 2.8 vermelde termijn van twee weken op 21 april 2015 is verstreken. Nu de inspecteur op 30 april 2015 uitspraak heeft gedaan, verbeurt de inspecteur een dwangsom van € 180 (9 dagen maal € 20 per dag).

2.10.

Het betoog van de inspecteur dat voor de beoordeling van het verbeuren van een dwangsom moet worden aangesloten bij de brief van 14 april 2015, faalt. Weliswaar is in voormelde brief aan belanghebbende kenbaar gemaakt hoe op het bezwaar zal worden beslist, maar dat moment is niet leidend voor de toepassing van de dwangsomregeling. Het gaat immers om het moment waarop de beschikking ‘wordt gegeven’. De inspecteur heeft ter zitting verklaard dat niet in geschil is dat het in 2.6 vermelde biljet formeel de uitspraak op bezwaar betreft.

Het betoog van de inspecteur dat het technisch niet mogelijk is dat binnen twee weken na de inhoudelijke beslissing het computercentrum van Apeldoorn de uitspraak op bezwaar produceert, kan hem niet baten reeds omdat voor belastingzaken niet is voorzien in een afwijking van de Awb. Daarbij verdient overigens opmerking dat het de inspecteur vrij staat om bij een brief uitspraak op bezwaar te doen en hij in zoverre niet afhankelijk is van de duur van het Apeldoorn-traject.

2.11.

De stelling van belanghebbende dat de inspecteur een dwangsom van € 1.260 verbeurt, is onjuist. Voor de berekening van de hoogte van de dwangsom rekent belanghebbende kennelijk vanaf het einde van de beslistermijn voor het doen van uitspraak op bezwaar. Echter, voor de verschuldigdheid van de dwangsom gaat de termijn pas lopen nadat twee weken zijn verstreken vanaf datum ontvangst van de ingebrekestelling door de inspecteur. Niet in geschil is dat de inspecteur eerst op 7 april 2015 in gebreke is gesteld. Dat belanghebbende niet wist van de mogelijkheid van ingebrekestelling, kan niet meebrengen dat van de wet wordt afgeweken.

Brief van 4 november 2014

2.12.

Belanghebbende heeft gesteld dat, gelet op de brief van 4 november 2014 (zie 2.4), de inspecteur te laat uitspraak op bezwaar heeft gedaan. Derhalve dient volgens belanghebbende de ingediende aangifte te worden gevolgd. De rechtbank acht dit standpunt onjuist. Een te laat gedane uitspraak op bezwaar leidt immers niet tot een vernietiging van die uitspraak. Zij kan evenmin leiden tot andere gevolgen waarop belanghebbende zich beroept (afgezien van de hiervoor behandelde dwangsom). Daarvoor is geen steun te vinden in de wet.

Gelet op het voorgaande faalt ook het beroep van belanghebbende op schending van diverse beginselen van behoorlijk bestuur. Het beroep is namelijk, naar de rechtbank begrijpt, in de kern terug te voeren op de stelling dat de inspecteur niet gehandeld heeft volgens zijn brief van 4 november 2014 en te laat heeft beslist.

Reisaftrek

2.13.

Op grond van artikel 3.87 van de Wet Inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB 2001) bestaat er recht op reisaftrek indien er tussen de woning en de plaats van de werkzaamheden is gereisd met het openbaar vervoer.

2.14.

Vast staat dat belanghebbende in 2011 met eigen vervoer en derhalve niet met het openbaar vervoer vanaf zijn woonplaats naar zijn werkplaats (een rozenkwekerij) heeft gereisd. Belanghebbende voldoet dus niet aan de in de Wet IB 2001 gestelde voorwaarde voor de reisaftrek. Als gevolg daarvan komt hij niet in aanmerking voor toepassing van de reisaftrek. Dat verplaatsing per openbaar vervoer, aldus belanghebbende, onmogelijk was in verband met zijn werktijden en dat indien wel met het openbaar vervoer kon worden gereisd de reistijd veel langer is dan de reistijd met eigen vervoer, kan dit oordeel niet anders maken. Voor zover belanghebbende in wezen betoogt dat ingeval het onmogelijk is om met het openbaar vervoer te reizen, de wet erin zou moeten voorzien toch de aftrek te kunnen toepassen, kan hem dat niet baten. Het is de rechter namelijk op grond van artikel 11 van de Wet algemene bepalingen niet toegestaan de innerlijke waarde of billijkheid van de wet te beoordelen.

Aftrek uitgaven levensonderhoud van kinderen

2.15.

Belanghebbende heeft niet betwist dat [A] in 2011 eigen inkomsten heeft genoten van € 15.964 en over een vermogen beschikte van € 16.270. Belanghebbende heeft eveneens niet betwist dat [B] tot en met augustus 2011 recht had op studiefinanciering.

De inspecteur heeft ter zitting verklaard dat voor de beoordeling van de in het geschil zijnde vraag niet van belang is of belanghebbende daadwerkelijk uitgaven ten behoeve van [A] heeft gedaan. Verder stelt de inspecteur dat belanghebbende zich niet gedrongen heeft kunnen voelen om voormelde uitgaven te doen.

2.16.

Uit artikel 6.1, tweede lid, aanhef en onderdeel c, in verbinding met het derde lid, van de Wet IB 2001, volgt dat een eis voor aftrek van uitgaven voor levensonderhoud van kinderen is dat de belastingplichtige zich redelijkerwijs gedrongen heeft kunnen voelen tot het doen van die uitgaven. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 29 mei 2015, nr. 14/03927, ECLI:NL:HR:2015:1358 overwogen:

“Voor het antwoord op de vraag of de ouder zich redelijkerwijs gedrongen heeft kunnen voelen tot het doen van uitgaven voor het levensonderhoud van het kind, dient acht te worden geslagen op de omstandigheden waarin het kind feitelijk verkeerde. Daarbij is bepalend wat nodig is voor de onmiddellijke verlichting van de betalingsmoeilijkheden van het kind (…). De omstandigheid dat het kind beschikt over een banktegoed dat hem in staat stelt zelf in zijn levensonderhoud te voorzien staat derhalve in beginsel in de weg aan aftrek wegens uitgaven voor levensonderhoud van dat kind.

Bij afwezigheid van de zojuist bedoelde betalingsmoeilijkheden komen uitgaven voor levensonderhoud van een kind slechts voor aftrek in aanmerking voor zover bijzondere omstandigheden voor het kind aantasting van zijn banktegoed dermate bezwaarlijk doen zijn dat de ouder zich redelijkerwijs gedrongen heeft kunnen voelen deze aantasting te voorkomen door de uitgaven voor zijn rekening te nemen en te laten (…).”

2.17.

De rechtbank is van oordeel dat - gelet op het voormelde arrest van de Hoge Raad en de vaststaande omstandigheden - niet voldaan is aan de eis dat belanghebbende zich redelijkerwijs gedrongen heeft kunnen voelen om de uitgaven voor [A] te doen. Nu [A] in 2011 eigen inkomsten en eigen vermogen had, moet aangenomen worden dat zij zelf in staat was om in haar levensonderhoud te voorzien. Belanghebbende heeft niet gesteld dat dit niet het geval is. Bijzondere omstandigheden die voor [A] aantasting van haar vermogen bezwaarlijk doen zijn, zijn niet gesteld. De door belanghebbende aangevoerde omstandigheid dat hij bij het doen van aangifte geen zicht had op het inkomen en vermogen van zijn dochter, kan aan het voorgaande niet afdoen. Die omstandigheid neemt immers niet weg dat aan voormelde eis moet worden voldaan.

2.18.

Ter zake de aftrek van uitgaven levensonderhoud ten behoeve van [B] overweegt de rechtbank als volgt. Belanghebbende heeft geen recht op enige aftrek voor zover een kind recht heeft op studiefinanciering (artikel 6.14, lid 1, onderdeel c Wet IB 2001). Nu belanghebbende niet heeft weersproken dat zijn dochter [B] in 2011 tot en met de maand augustus nog studiefinanciering ontving, komt belanghebbende ten behoeve van [B] niet in aanmerking voor aftrek van uitgaven levensonderhoud voor het eerste tot en met het derde kwartaal in 2011 (vgl. artikel 36, lid 4, van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001). De inspecteur heeft terecht slechts voor het vierde kwartaal de (forfaitaire) aftrek van € 700 geaccepteerd.

Meer uitgaven voor specifieke zorgkosten

2.19.

De inspecteur heeft de door belanghebbende in de aangifte opgevoerde uitgaven voor specifieke zorgkosten geaccepteerd. Belanghebbende heeft voor het jaar 2013 een mantelzorgcompliment van € 200 ontvangen omdat hij mantelzorger is voor zijn echtgenote. Belanghebbende wil, naar de rechtbank begrijpt, voor het jaar 2011 een dergelijk bedrag als uitgaven voor specifieke zorgkosten in aftrek brengen, omdat hij voor 2011 geen mantelzorgcompliment heeft ontvangen. De rechtbank overweegt als volgt. Het enkele feit dat belanghebbende voor 2011 geen mantelzorgcompliment heeft ontvangen, betekent niet dat belanghebbende recht heeft op een aftrekpost voor een gelijk bedrag voor de inkomstenbelasting. De rechtbank merkt daarbij ten overvloede nog op dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat hogere uitgaven zijn gedaan dan de reeds geaccepteerde uitgaven voor specifieke zorgkosten.

Conclusie

2.20.

Gelet op hetgeen onder 2.9 is overwogen, is het beroep ten aanzien van de dwangsom gegrond verklaard. Gelet op hetgeen overigens is overwogen, is het beroep voor het overige ongegrond verklaard.

Griffierecht

2.21.

Ter zake van de beroepen (zaaknrs. 15/2626 en 15/2770) heeft de griffier van belanghebbende twee maal griffierecht geheven van € 45, dus in totaal € 90. Nu het beroep tegen de uitspraak op bezwaar van rechtswege mede betrekking heeft op de beslissing van 21 april 2015 inzake de dwangsom, had de rechtbank slechts één keer griffierecht in rekening behoren te brengen.

De rechtbank heeft dan ook bepaald dat de griffier eenmaal griffierecht aan belanghebbende restitueert en wel in de zaak met procedurenummer 15/2770. Het resterende griffierecht krijgt belanghebbende vergoed van de inspecteur, omdat het beroep (deels) gegrond is.

Proceskostenvergoeding

2.22.

Nu het beroep ten aanzien van de dwangsom gegrond is verklaard, vindt de rechtbank aanleiding de inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Voor de door belanghebbende genoemde proceskosten, te weten reiskosten, wordt de inspecteur met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht (het Besluit) veroordeeld deze te vergoeden. De reiskosten zijn op grond van artikel 2, eerste lid, onderdeel c van het Besluit becijferd op € 8,68 (openbaar vervoer, tweede klasse, retour).

Deze uitspraak is gedaan op 4 maart 2016 door mr. M.R.T. Pauwels, rechter, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. B.W. van Eeken-Liu, griffier.

De griffier, De rechter,

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Aan deze uitspraak hoeft eerst uitvoering te worden gegeven als de uitspraak onherroepelijk is geworden. De uitspraak is onherroepelijk als niet binnen zes weken na verzending van de uitspraak een rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtsmiddel is beslist (artikel 27h, derde lid en artikel 28, zevende lid AWR).

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583,

5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.

Voor burgers is het mogelijk hoger beroep digitaal in te stellen. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van de formulieren op Rechtspraak.nl / Digitaal loket bestuursrecht.