Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2016:1390

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
09-03-2016
Datum publicatie
12-04-2016
Zaaknummer
BRE - 14 _ 5755 en 14 _ 5756
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2017:4580, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Recht op afdrachtvermindering indien niet de gehele opleiding wordt gevolgd? Vast staat dat de onderwijseenheid die de desbetreffende werknemers van belanghebbende hebben gevolgd, niet een volledige in het CROHO-register opgenomen opleiding is. In geschil is onder meer of de werknemers een initiële opleiding als bedoeld in artikel 14, eerste lid, aanhef en letter d, van de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen (Wva) aan een hogeschool in de zin van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (WHW) hebben gevolgd. Naar het oordeel van de rechtbank duidt het woord “initiële opleiding”, gelet op de definitie in Van Dale en de relevante bepalingen in de WHW op een volledige opleiding. De wetsgeschiedenis wijst niet in een andere richting en duidt er eerder op dat de wetgever wel aan een volledige opleiding heeft gedacht. De door belanghebbende geclaimde afdrachtvermindering onderwijs is terecht door de inspecteur gecorrigeerd. Daarnaast kan belanghebbende naar het oordeel van de rechtbank geen vertrouwen ontlenen aan het Handboek Loonheffingen 2008. De beroepen zijn daarom ongegrond. Het verzoek om immateriële schadevergoeding wordt door de rechtbank toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2016/868
V-N 2016/28.2.4
FutD 2016-0994
NTFR 2016/1393 met annotatie van mr. J. de Haan
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Belastingrecht, meervoudige kamer

Locatie: Breda

Zaaknummers BRE 14/5755 en 14/5756

uitspraak van 9 maart 2016

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[belanghebbende] , gevestigd te [plaats X],

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

de inspecteur.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De inspecteur heeft aan belanghebbende over de tijdvakken 1 januari 2008 tot en met 31 december 2008 (aanslagnummer [aanslagnummer].A.01.850.0) en 1 januari 2009 tot en met 31 december 2009 (aanslagnummer [aanslagnummer].A.01.950.0) naheffingsaanslagen Loonheffingen opgelegd van respectievelijk € 42.721 en € 43.316, alsmede bij beschikkingen heffingsrente vastgesteld van respectievelijk € 3.613 en € 2.185.

1.2.

De inspecteur heeft bij uitspraken op bezwaar, beide met dagtekening 25 augustus 2014, de naheffingsaanslagen gehandhaafd.

1.3.

Belanghebbende heeft daartegen bij brieven van 11 september 2014, ontvangen bij de rechtbank op 17 september 2014, beroepen ingesteld. Ter zake van deze beroepen heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van tweemaal € 328, totaal € 656.

1.4.

De inspecteur heeft twee verweerschriften ingediend.

1.5.

Belanghebbende heeft, na daartoe door de rechtbank in de gelegenheid te zijn gesteld, schriftelijk gerepliceerd, waarna de inspecteur schriftelijk heeft gedupliceerd.

1.6.

Belanghebbende heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan de inspecteur.

1.7.

Belanghebbende heeft voor de zitting een pleitnota toegezonden aan de rechtbank en (door tussenkomst van de griffier) aan de inspecteur.

1.8.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 januari 2016 te Breda. Ter zitting zijn tegelijkertijd behandeld de zaken die bij de rechtbank geregistreerd zijn onder de zaaknummers 14/5755 en 14/5756. Aldaar zijn verschenen en gehoord, namens belanghebbende, [A], adviseur personeel, organisatie & opleidingen (PO&O) en [B], hoofd afdeling PO&O, vergezeld van de gemachtigde van belanghebbende, [gemachtigde] en [C], verbonden aan [kantoornaam gemachtigde] te Utrecht, en namens de inspecteur, [verweerder].

1.9.

De inspecteur heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan de rechtbank en aan belanghebbende. Belanghebbende heeft verklaard geen bezwaar te hebben tegen overlegging van de bij deze pleitnota behorende bijlage.

Van het verder ter zitting verhandelde is een proces-verbaal opgemaakt, waarvan een afschrift tegelijk met die van deze uitspraak aan partijen is verzonden.

2 Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast:

2.1.

In een voorbeeld “opleidingsovereenkomst”, die als bijlage bij de pleitnota van de inspecteur is gevoegd, is, voor zover hier van belang, het volgende vermeld:

Opleidingsovereenkomst

(…)

Start per in juni 2008 met een PC cursus in het kader van de Wet Vermindering Afdracht.

De vergoeding van uw studiekosten bedraagt 100%.

(…)

Gehele terugbetaling indien:

U zich niet onderwerpt aan geldende tentamens c.q. examens.

U de studie voortijdig beëindigt zonder dat dit heeft geleid tot het behalen van het certificaat.”

2.2.

In 2008-2009 zijn 38 werknemers van belanghebbende (hierna: de werknemers) bij Stichting Hoger Onderwijs Novi te Oosterhout ingeschreven voor de bacheloropleiding HBO Bedrijfskunde, die in het Centraal register opleidingen hoger onderwijs (hierna: CROHO‑register) is opgenomen onder nummer 24HR34035. Het opleidingsprogramma dat de werknemers hebben gevolgd, was onderwijseenheid 1 (OE 1) “geautomatiseerde informatievoorziening” met een studieomvang van 15 European Credit Transfer System (ECTS). OE 1 is een van de vier onderwijseenheden van de propedeutische fase, elk met een studieomvang van 15 ECTS, en bestaat uit de toetseenheden inleiding Informatietechnologie, toegepaste Informatietechnologie en praktijkinstructie geautomatiseerde informatievoorziening. Na het opleidingsprogramma met een voldoende te hebben behaald door het uitvoeren van opdrachten en/of het afleggen van de bijbehorende tentamens, ontvangt de desbetreffende werknemer een certificaat.

2.3.

Belanghebbende heeft over de jaren 2008 en 2009 aangiften Loonheffingen ingediend. De in die jaren geclaimde afdrachtvermindering onderwijs (hierna: afdrachtvermindering) bedraagt respectievelijk € 42.721 en € 43.316. Met dagtekening 13 december 2011 zijn de onderhavige naheffingsaanslagen Loonheffingen opgelegd. Hiertegen heeft belanghebbende bezwaren gemaakt.

2.4.

Op 24 maart 2014, tijdens de bezwaarfase, is een onderzoek ingesteld naar de aanvaardbaarheid van de aangiften Loonheffingen over de periode van 1 augustus 2008 tot en met 31 mei 2009. Het onderzoek heeft zich alleen gericht op de juistheid van de op grond van de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen (hierna: de Wva) geclaimde afdrachtvermindering. Het onderzoek werd ingesteld naar aanleiding van de ingediende bezwaren en in overleg met belanghebbende. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport met dagtekening 31 maart 2014.

2.5.

In de uitspraken op bezwaren, beide met dagtekening 25 augustus 2014, zijn de bezwaren van belanghebbende afgewezen.

3 Geschil

3.1.

In geschil is het antwoord op de volgende vragen:

  • -

    Is de door belanghebbende geclaimde afdrachtvermindering terecht door de inspecteur gecorrigeerd? Deze vraag spitst zich toe op de vragen of sprake is van een initiële opleiding in de zin van artikel 14, eerste lid, onderdeel d, van de Wva en of is voldaan aan de voorwaarde dat de beroepsuitoefening in verband met het onderwijs in een duale opleiding is geweest.

  • -

    Als op grond van de wet terecht is gecorrigeerd; kan belanghebbende een geslaagd beroep doen op het vertrouwensbeginsel?

  • -

    Zijn de beschikkingen heffingsrente terecht en op juiste bedragen vastgesteld?

  • -

    Tot welk bedrag heeft belanghebbende recht op een vergoeding voor de immateriële schade?

  • -

    Heeft belanghebbende recht op een integrale proceskostenvergoeding?

3.2.

Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken en het ter zitting verhandelde.

3.3.

Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van de beroepen, vernietiging van de uitspraken op bezwaar en vernietiging van de naheffingsaanslagen en de beschikkingen heffingsrente. De inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van de beroepen en tot vergoeding van de door belanghebbende geleden immateriële schade.

4 Beoordeling van het geschil

Wettelijk kader

4.1.1.

Artikel 3 van de Wva luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

“1. De inhoudingsplichtige kan de over een tijdvak af te dragen loonbelasting, dan wel af te dragen loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen verminderen, doch niet verder dan tot nihil, met:

(…)

c. de afdrachtvermindering onderwijs;

(…)

3. De afdrachtvermindering onderwijs en de afdrachtvermindering zeevaart komen in mindering op de af te dragen loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen.”

4.1.2.

Artikel 14, eerste lid, van de Wva luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

“De afdrachtvermindering onderwijs is van toepassing met betrekking tot:

(..)

d. de werknemer die in het kader van zijn initiële opleiding aan een hogeschool in de zin van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek op de grondslag van een onderwijsarbeidsovereenkomst, gesloten tussen de hogeschool, de werkgever en hemzelf, op zijn opleiding aansluitende arbeid verricht in een bij ministeriële regeling aangewezen bedrijfssector en tevens niet is ingeschreven als student voor het volgen van in voltijdse vorm verzorgd onderwijs;

(…).”

4.1.3.

Artikel 1.1 van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (hierna: de WHW) luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

“In deze wet wordt verstaan onder:

(…)

e. initieel onderwijs: hoger onderwijs als bedoeld in artikel 7.3a;

(…)

m. opleiding: een bacheloropleiding of een masteropleiding als bedoeld in artikel 7.3;

n. duale opleiding: een opleiding als bedoeld in artikel 7.7, tweede lid,;

(…)”

4.1.4.

Artikel 7.3 van de WHW luidt als volgt:

“1.Het initiële onderwijs wordt door de instelling aangeboden in de vorm van opleidingen.

2. 2. Een opleiding is een samenhangend geheel van onderwijseenheden, gericht op de verwezenlijking van welomschreven doelstellingen op het gebied van kennis, inzicht en vaardigheden waarover degene die de opleiding voltooit, dient te beschikken. Een onderwijseenheid kan betrekking hebben op de praktische voorbereiding op de beroepsuitoefening en op de beroepsuitoefening in verband met het onderwijs in een duale opleiding, voorzover deze activiteiten onder begeleiding van het instellingsbestuur plaatsvinden.

3. 3. Aan elke opleiding is een examen verbonden. Aan elke onderwijseenheid is een tentamen verbonden.

4. Elke opleiding wordt op de voet van titel 3 van hoofdstuk 6 geregistreerd in het Centraal register opleidingen hoger onderwijs.”

4.1.5.

Artikel 7.3a. van de WHW luidt als volgt:

“1. (…)

2. Binnen het hoger beroepsonderwijs worden onderscheiden:

a. bacheloropleidingen, en

b. masteropleidingen die door Onze minister als zodanig zijn aangemerkt.

3. Een besluit als bedoeld in het tweede lid, onder b, wordt uitsluitend genomen, indien in een opleiding niet of in onvoldoende mate is voorzien en de instandhouding van die opleiding wordt gevorderd door:

a. het belang van het instandhouden van een doelmatig onderwijsaanbod, en

b. een aantoonbare maatschappelijke behoefte.”

4.1.6.

Artikel 7.7. van de WHW luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

“1. Opleidingen aan universiteiten en hogescholen kunnen voltijds, deeltijds of duaal zijn ingericht en worden alsdan aangeduid als voltijdse, deeltijdse onderscheidenlijk duale opleidingen.

2. Een duale opleiding is zodanig ingericht dat het volgen van onderwijs gedurende een of meer perioden wordt afgewisseld met beroepsuitoefening in verband met dat onderwijs. (…)

5. De beroepsuitoefening binnen een duale opleiding vindt plaats op basis van een overeenkomst, gesloten door de instelling, de student en het desbetreffend bedrijf of de desbetreffende organisatie. De overeenkomst regelt de rechten en verplichtingen van partijen en omvat met inachtneming van het dienaangaande bij of krachtens deze wet bepaalde ten minste bepalingen over:

a. de duur van de overeenkomst en de tijdsduur van de periode of perioden van de beroepsuitoefening,

b. de begeleiding van de student,

c. dat deel van de kwaliteiten, bedoeld in artikel 7.13, tweede lid, onder c, dat de student tijdens de periode of de perioden van beroepsuitoefening dient te realiseren, en de beoordeling daarvan, en

d. de gevallen waarin en de wijze waarop de overeenkomst voortijdig kan worden ontbonden.”

Initiële opleiding

4.2.1.

Ter zitting is vast komen te staan dat tussen partijen enkel in geschil is of de werknemers een initiële opleiding als bedoeld in artikel 14, eerste lid, aanhef en letter d, van de Wva aan een hogeschool in de zin van de WHW hebben gevolgd en of is voldaan aan de voorwaarde van de beroepsuitoefening in verband met het onderwijs in een duale opleiding. Niet in geschil is dat aan de overige voorwaarden is voldaan.

4.2.2.

Belanghebbende stelt dat zij de afdrachtvermindering terecht heeft toegepast met betrekking tot de opleiding die de werknemers hebben gevolgd. Volgens belanghebbende eist noch de Wva, noch de WHW dat de volledige opleiding aan een hogeschool wordt gevolgd en/of de inspanning van de werknemers daarop gericht moet zijn. Verder heeft belanghebbende gesteld dat de werknemers een onderwijseenheid hebben gevolgd van de opleiding “HBO‑bedrijfskunde” die in het CROHO-register was geregistreerd. Ter zitting heeft belanghebbende verklaard dat de reden dat de werknemers niet alle vier de onderwijseenheden in de propedeutische fase hebben gevolgd, is dat belanghebbende met bezuinigingen geconfronteerd werd.

De inspecteur heeft daartegenover gesteld dat geen sprake is van een initiële opleiding; primair omdat de afdrachtvermindering niet mag worden toegepast bij het volgen van slechts één onderwijseenheid en subsidiair omdat onvoldoende is voldaan aan de voorwaarde dat de beroepsuitoefening in verband met het onderwijs in een duale opleiding is verricht.

4.2.3.

Van Dale (Groot Woordenboek der Nederlandse Taal) definieert “initieel” als “aanvankelijk” nader verduidelijkt met:

“•economie initiële kosten

directe en indirecte kosten verbonden aan het begin van een nieuw project= aanloopkosten

•medisch initiële schreeuw

de veelal doordringende, huiveringwekkende schreeuw die een epilepticus uitstoot bij een aanval van epilepsie

•in NL initieel onderwijs

het normale, vierjarige hoger onderwijs, ter onderscheiding van nascholing en/of post-hbo-onderwijs”.

4.2.4.

Het begrip “initieel onderwijs” wordt in artikel 1.1, sub e, van de WHW gedefinieerd als “hoger onderwijs als bedoeld in artikel 7.3a”. In artikel 7.3, eerste lid, van de WHW is neergelegd dat het initiële onderwijs door de instelling wordt aangeboden in de vorm van opleidingen en in het tweede lid van het laatstgenoemde artikel wordt opleiding gedefinieerd als het samenhangend geheel van onderwijseenheden, gericht op de verwezenlijking van welomschreven doelstellingen op het gebied van kennis, inzicht en vaardigheden waarover degene die de opleiding voltooit, dient te beschikken. Een onderwijseenheid kan betrekking hebben op de praktische voorbereiding op de beroepsuitoefening en op de beroepsuitoefening in verband met het onderwijs in een duale opleiding, voor zover deze activiteiten onder begeleiding van het instellingsbestuur plaatsvinden. Uit ABRvS 18 april 2007, ECLI:NL:RVS:2007:BA3216 volgt dat het volgen van één of meer onderdelen uit een in het CROHO geregistreerde opleiding niet betekent dat daarmee sprake is van initieel onderwijs.

4.2.5.

De combinatie “initiële opleidingen” komt viermaal voor in de WHW, namelijk in artikel 1.3, eerste en derde lid, artikel 1.9, tweede lid en artikel 1.12, eerste lid, maar wordt daarin niet gedefinieerd. Wel wordt het begrip “opleiding” in onderdeel m van artikel 1.1 van de WHW gedefinieerd als een bacheloropleiding of een masteropleiding als bedoeld in artikel 7.3.

4.2.6.

De rechtbank is gelet op het vorenoverwogene van oordeel dat het woord “initiële” in artikel 14, eerste lid, aanhef en letter d, van de Wva meebrengt dat de onderhavige afdrachtvermindering enkel kan worden toegepast bij het volgen van de volledige opleiding. Uit de wetsgeschiedenis (Kamerstukken II 1996/97, 25 052, nr. 3, p. 6-7 en p. 27 en Kamerstukken II 1996/97, 25 052, nr. 7, p. 23‑25) volgt ook niet dat het woord ‘initiële opleiding’ anders moet worden opgevat dan als volledige opleiding. Uit de wetsgeschiedenis valt juist eerder af te leiden dat de wetgever heeft gedacht aan een volledige opleiding. Zo wordt er gesproken over ‘HBO-student’ alsmede ‘HBO-opleiding’ en ‘HBO-studie’. Naar algemeen spraakgebruik valt onder ‘HBO-student’ niet iemand die slechts een aantal onderwijseenheden van een HBO-opleiding volgt en valt onder ‘HBO-opleiding’/

‘HBO-studie’ niet een opleiding/studie bestaande uit slechts een aantal onderwijseenheden van een HBO-opleiding.

4.2.7.

Nu niet in geschil is dat de onderwijseenheid die de desbetreffende werknemers hebben gevolgd niet een volledige in het CROHO-register opgenomen opleiding is, is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van een “initiële opleiding”. De omstandigheid dat het volgens belanghebbende de intentie was dat de werknemers alle vier de onderwijseenheden zouden volgen, maar wegens bedrijfseconomische omstandigheden niet meer mochten, doet daaraan niet af.

4.2.8.

De verwijzing van belanghebbende naar het arrest van de Hoge Raad van 15 januari 2016, nr. 15/00350, ECLI:NL:HR:2016:38, kan niet tot een ander oordeel leiden.

In deze zaak ging het om de vraag of belanghebbende terecht aanspraak maakt op toepassing van de afdrachtvermindering die is voorzien in artikel 14, eerste lid, aanhef en letter a, van de Wva. De tekst van de hier in geding zijnde bepaling luidt echter anders.

4.2.9.

Nu op grond van het voorgaande niet is voldaan aan één van de voorwaarden van

artikel 14, eerste lid, aanhef en letter d, van de Wva, is de door belanghebbende geclaimde afdrachtvermindering terecht door de inspecteur gecorrigeerd en behoeft de tweede vraag geen behandeling meer.

Vertrouwensbeginsel

4.3.1.

Nu het eerste geschilpunt in het voordeel van de inspecteur is beslist, komt aan de orde of belanghebbende een geslaagd beroep kan doen op het vertrouwensbeginsel. Belanghebbende betoogt dat in het Handboek Loonheffingen 2008 (hierna: het Handboek) enkel procedurele en administratieve verplichtingen staan waaraan een inhoudingsplichtige moet voldoen om de afdrachtvermindering te kunnen claimen. Volgens belanghebbende kan hij de afdrachtvermindering toepassen, nu hij aan die verplichtingen heeft voldaan. Het is volgens belanghebbende vervolgens aan de Belastingdienst om te controleren of belanghebbende aan die verplichtingen heeft voldaan. Volgens belanghebbende is er dan geen plaats meer voor een inhoudelijke toets.

4.3.2.

Naar het oordeel van de rechtbank kan belanghebbende geen vertrouwen ontlenen

aan de tekst uit het Handboek. De toetsing van het recht op de afdrachtvermindering gaat niet zover dat de materiële toets overgeslagen moet worden en dat daarmee is voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van de afdrachtvermindering. Dat valt uit het Handboek ook niet op te maken. Verder is ter zitting namens belanghebbende erkend dat in het Handboek louter procedurele en administratieve voorschriften zijn neergelegd en dat daarin niet is neergelegd dat voor de toepassing van de afdrachtvermindering (ook) een deelopleiding mag worden gevolgd. Het beroep van belanghebbende op het vertrouwensbeginsel faalt.

Beschikkingen heffingsrente

4.4.

De heffingsrente is berekend met inachtneming van het bepaalde in artikel 30f van de AWR. Belanghebbende heeft geen zelfstandige gronden tegen de in rekening gebrachte heffingsrente aangevoerd. Nu aan de rechtbank ook overigens niet is gebleken dat de bepalingen met betrekking tot de heffingsrente onjuist zijn toegepast, zijn de beroepen voor zover die betrekking hebben op de beschikkingen heffingsrente ongegrond.

Immateriëleschadevergoeding

4.5.1.

Belanghebbende heeft verzocht om vergoeding van immateriële schade als gevolg van de lange behandelingsduur van het bezwaar. De inspecteur heeft erkend dat ruimte bestaat voor een immateriëleschadevergoeding als gevolg van de lange behandelingsduur van het bezwaar en heeft verklaard dat er geen omstandigheden zijn die de overschrijding van de redelijke termijn rechtvaardigen.

4.5.2.

Uitgaande daarvan geldt het volgende. Gezien de samenhang tussen de onderhavige naheffingsaanslagen, gaat de rechtbank ervan uit dat de lange behandelingsduur éénmaal heeft geleid tot spanning en frustratie bij belanghebbende waarvoor een vergoeding op zijn plaats is. De rechtbank ziet hierin aanleiding voor alle zaken tezamen eenmaal schadevergoeding toe te kennen.

4.5.3.

Voor de berekening van de schadevergoeding wordt eenmaal het tarief van € 500 per halfjaar gehanteerd waarbij ter bepaling van de mate van overschrijding van de redelijke termijn wordt gerekend vanaf de ontvangst van het ingediende bezwaarschrift. De bezwaarschriften zijn door de inspecteur ontvangen op 19 januari 2012. De uitspraken op bezwaar dateren van 25 augustus 2014. De beroepschriften zijn ontvangen op 17 september 2014 en de rechtbank doet uitspraak in beide zaken, heden, 9 maart 2016. Tussen de ontvangst van het bezwaarschrift door de inspecteur (19 januari 2012) en de dagtekening van de uitspraak van de rechtbank (9 maart 2016) zijn ongeveer 4 jaar en een maand of ruim 49 maanden verstreken.

4.5.4.

De redelijke termijn die staat voor de behandeling van bezwaar en beroep is 24 maanden, waarvan 6 maanden voor bezwaar en 18 maanden voor beroep. De rechtbank ziet in de onderhavige gevallen, mede gelet op de in 4.5.1 genoemde verklaring van de inspecteur, geen reden om die termijn te verlengen. De overschrijding van de redelijke termijn bedraagt dan: 49 minus 24 maanden is 25 maanden. Belanghebbende heeft dus recht op een vergoeding van afgerond 5 maal € 500 of € 2.500.

4.5.5.

De overschrijding van 25 maanden wordt volledig toegerekend aan de inspecteur nu de behandeling van de beroepen niet langer heeft geduurd dan 18 maanden. De inspecteur wordt daarom veroordeeld tot vergoeding van € 2.500.

Conclusie

4.6.

Gelet op al hetgeen hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat de onderhavige naheffingsaanslagen juist zijn berekend en dat de beroepen ongegrond verklaard moeten worden. Belanghebbende heeft wel recht op een immateriëleschadevergoeding van in totaal € 2.500.

5 Proceskosten

5.1.

Reeds omdat de beroepen ongegrond zijn verklaard, ziet de rechtbank geen aanleiding om te oordelen dat belanghebbende in aanmerking komt voor een integrale proceskostenvergoeding.

Wel ziet de rechtbank aanleiding, nu de rechtbank belanghebbende een immateriëleschadevergoeding toekent, het griffierecht op de voet van artikel 8:74, tweede lid, van de Awb door de inspecteur aan belanghebbende te laten vergoeden. Ook ziet de rechtbank daarin aanleiding de inspecteur op de voet van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten van belanghebbende in beroep, aangezien belanghebbende zich in beroep heeft laten bijstaan door een professionele gemachtigde (vgl. Hoge Raad 20 maart 2015, nr. 14/01332, ECLI:NL:HR:2015:660).

5.2.

Niet in geschil is dat de gemachtigde van belanghebbende al bij het indienen van het beroepschrift een rol heeft gespeeld. De door de inspecteur te vergoeden proceskosten voor de beroepsfase zijn daarom op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht (het Besluit) vastgesteld op € 620 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 0,5 punt voor het indienen van de conclusie van repliek en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 496 en met een wegingsfactor van 0,5 voor het gewicht van de zaak). Het gewicht van de zaak is gesteld op 0,5 (licht), omdat het beroep ongegrond is en enkel op verzoek een vergoeding voor immateriële schade is toegekend (vgl. het in 5.1 genoemde arrest). De zaken zijn als samenhangende zaken in de zin van artikel 3 van het Besluit aangemerkt. Overige kosten die op grond van het Besluit voor vergoeding in aanmerking komen, zijn niet gesteld.

6 Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart de beroepen ongegrond;

  • -

    veroordeelt de inspecteur tot vergoeding van de door belanghebbende geleden immateriële schade, vastgesteld op € 2.500;

  • -

    veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van € 620;

  • -

    gelast dat de inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 656 (tweemaal € 328) aan hem vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan op 9 maart 2016 door mr. M.R.T. Pauwels, voorzitter, mr. C.A.F.M. Stassen en mr. M. Harthoorn, rechters, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. M.D.E. Copra‑Carolie, griffier.

De griffier, De voorzitter,

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Aan deze uitspraak hoeft eerst uitvoering te worden gegeven als de uitspraak onherroepelijk is geworden. De uitspraak is onherroepelijk als niet binnen zes weken na verzending van de uitspraak een rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtsmiddel is beslist (artikel 27h, derde lid en artikel 28, zevende lid AWR).

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.

Voor burgers is het mogelijk hoger beroep digitaal in te stellen. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van de formulieren op Rechtspraak.nl / Digitaal loket bestuursrecht.