Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2016:1300

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
04-03-2016
Datum publicatie
10-03-2016
Zaaknummer
AWB 15_360 & AWB 15_202
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

WW, artikel 24, tweede lid. Objectieve en subjectieve dringende reden voor ontslag. Werknemer is verwijtbaar werkloos geworden. Van verminderde verwijtbaarheid is niet gebleken, zodat het UWV ten onrechte een uitkering heeft toegekend. Bezwaar werknemer is alsnog ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht

zaaknummers: BRE 15/360 WW en BRE 15/202 WW

uitspraak van 4 maart 2016 van de meervoudige kamer in de zaken tussen

[naam eiser] , te [woonplaats eiser] , eiser in de zaak met zaaknummer BRE 15/360 WW,

gemachtigde: mr. B.I. van Dijk-van Vugt,

het dagelijks bestuur van Orionis Walcheren (Orionis), te Vlissingen, eiser in de zaak met zaaknummer BRE 15/202 WW,

gemachtigde: mr. S. van Loenhout,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV; kantoor Breda), verweerder in beide zaken.

Als derde partijen hebben aan het geding deelgenomen:

Orionis in de zaak met zaaknummer BRE 15/360 WW;

[naam eiser] in de zaak met zaaknummer BRE 15/202 WW.

Procesverloop

[naam eiser] heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 15 december 2014 (bestreden besluit) van het UWV inzake zijn rechten op een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW).

Orionis heeft eveneens beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

Het onderzoek ter zitting heeft in beide zaken plaatsgevonden in Breda op 18 januari 2016. Deze zaken zijn gelijktijdig behandeld met de zaak met zaaknummer BRE 14/5880 [naam eiser] is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Orionis heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. S. van Loenhout, [naam vertegenwoordiger belanghebbende1] en [naam vertegenwoordiger belanghebbende2] . Het UWV heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam vertegenwoordiger verweerder] .

Na de zitting heeft de rechtbank de uitspraaktermijn verlengd.

Overwegingen

1. Op grond van de stukken en de behandeling ter zitting gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden.

[naam eiser] was als personeelsconsulent in dienst bij arbeidsintegratiebedrijf [bedrijfsnaam werkgever] . Bij besluit van 1 maart 2005 heeft de algemeen directeur van dit bedrijf, op grond van de toenmalige Arbeidsvoorwaardenregeling van de gemeente Middelburg, aan [naam eiser] toestemming verleend voor het oprichten van een eigen onderneming, die ten doel heeft om diensten te verlenen op het gebied van onder andere budgethulp, budgetbeheer en schuldhulp. Aan deze toestemming is een aantal voorwaarden verbonden.

[bedrijfsnaam werkgever] , de sociale dienst Walcheren en de kredietbank Walcheren zijn in 2012 opgegaan in de organisatie Orionis Walcheren. Als gevolg van deze fusie is [naam eiser] met ingang van 1 januari 2012 benoemd als ambtenaar in vaste dienst van Orionis. Hij heeft sindsdien de nevenwerkzaamheden in zijn eigen onderneming voortgezet.

Bij besluit van 11 februari 2013 heeft Orionis de aan [naam eiser] verleende toestemming voor het verrichten van nevenwerkzaamheden wegens veranderde omstandigheden ingetrokken, in zoverre dat hij geen (concurrerende) nevenwerkzaamheden binnen hetzelfde verzorgingsgebied als Orionis mag verrichten, waarbij [naam eiser] een overgangstermijn van twee maanden is verleend waarin hij zijn nevenwerkzaamheden moet beëindigen.

Bij beslissing op bezwaar van 17 mei 2013 heeft Orionis het bezwaar van [naam eiser] hiertegen ongegrond verklaard, het bezwaar tegen de overgangstermijn gegrond verklaard en de overgangstermijn bepaald op acht maanden. Het is [naam eiser] slechts toegestaan binnen het verzorgingsgebied van Orionis werkzaamheden uit hoofde van curatorschap en niet-WSNP-bewindvoering te verrichten, voor zover deze werkzaamheden niet worden uitgevoerd ten behoeve van medewerkers en klanten van Orionis. [naam eiser] is er door Orionis op gewezen dat hij zich schuldig maakt aan plichtsverzuim als hij nalaat zijn nevenwerkzaamheden binnen de overgangstermijn te beëindigen.

Bij besluit van 19 september 2013 heeft Orionis [naam eiser] met onmiddellijke ingang geschorst. Deze schorsing is hangende het door [naam eiser] daartegen ingediende bezwaar op 1 november 2013 omgezet in een periode van een maand bijzonder verlof teneinde [naam eiser] in de gelegenheid te stellen zijn nevenwerkzaamheden definitief te beëindigen. Daarbij is [naam eiser] bij weigering van de beëindiging het voornemen tot ontslag wegens plichtsverzuim in het vooruitzicht gesteld.

Bij uitspraak van deze rechtbank van 13 februari 2014 heeft de rechtbank het beroep van [naam eiser] tegen het besluit van 17 mei 2013 ongegrond verklaard (ECLI:NL:RBZWB:2014: 890). [naam eiser] heeft geen rechtsmiddelen ingesteld tegen deze uitspraak, zodat deze in rechte vaststaat.

Bij besluit van 28 februari 2014 heeft Orionis [naam eiser] met onmiddellijke ingang primair disciplinair ontslag verleend wegens ernstig plichtsverzuim. Subsidiair heeft Orionis [naam eiser] ontslag verleend wegens ongeschiktheid.

Bij besluit van 22 augustus 2014 heeft Orionis de bezwaren van [naam eiser] tegen dit besluit ongegrond verklaard. [naam eiser] heeft tegen dit besluit beroep ingesteld bij deze rechtbank (zaaknummer BRE 15/5880 AW).

Op 1 maart 2014 heeft [naam eiser] bij het UWV een aanvraag ingediend voor een WW-uitkering. Bij besluit van 12 maart 2014 (primair besluit) heeft het UWV geweigerd [naam eiser] een WW-uitkering toe te kennen omdat hij verwijtbaar werkloos is geworden. [naam eiser] heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.

Bij het bestreden besluit zijn de bezwaren van [naam eiser] gegrond verklaard. Het UWV heeft besloten [naam eiser] met ingang van 28 februari 2014 een WW-uitkering toe te kennen en daarbij de uitkering te weigeren over een periode van 26 weken over de helft van het aantal uren per week waarop het recht op uitkering tot uitbetaling komt.

Bij besluit van 8 januari 2015 heeft het UWV [naam eiser] met ingang van 3 maart 2014 een WW-uitkering toegekend, berekend naar een gemiddeld aantal arbeidsuren van 18 en een dagloon van € 98,86.

Orionis heeft tegen dit besluit een bezwaarschrift ingediend bij het UWV. Het UWV heeft het bezwaarschrift met toepassing van artikel 6:15, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) aan de rechtbank doorgezonden.

2.1.

Het UWV stelt zich op het standpunt dat aan het ontslag van [naam eiser] een dringende reden ten grondslag ligt, zowel in objectieve als in subjectieve zin. Het UWV heeft [naam eiser] een WW-uitkering toegekend op de grond dat [naam eiser] verminderd verwijtbaar is. Daarbij heeft het UWV overwogen dat ook Orionis een verwijt kan worden gemaakt omdat deze [naam eiser] onvoldoende heeft ondersteund bij de beëindiging van zijn nevenwerkzaamheden. Voorts heeft het UWV overwogen dat [naam eiser] deze werkzaamheden niet zomaar kon beëindigen wegens de kwetsbaarheid van zijn cliënten. Het UWV heeft dit als een verzachtende omstandigheid aangemerkt. Verder heeft het UWV meegewogen dat Orionis niet heeft gesteld dat de werkzaamheden van [naam eiser] daadwerkelijk schade hebben toegebracht.

Ter zitting is namens het UWV toegelicht dat het door “met de hand over het hart te strijken” [naam eiser] niet te kort heeft gedaan.

2.2.

[naam eiser] voert, samengevat, aan dat hij niet verwijtbaar werkloos is geworden omdat het disciplinair ontslag hem onterecht is gegeven. In dat kader verwijst hij naar de beroepsgronden in de ontslagprocedure. [naam eiser] stelt dat hij de gerechtvaardigde verwachting mocht hebben dat hij zijn eigen bedrijf na de fusie zou kunnen blijven continueren. [naam eiser] stelt voorts dat het gestelde plichtsverzuim hem niet is toe te rekenen nu het niet mogelijk bleek zijn klanten elders onder te brengen. Bovendien staat het gegeven ontslag volgens [naam eiser] niet in verhouding tot de hem verweten gedraging, nu hij door de beëindiging van zijn bedrijf een aanzienlijk deel van zijn inkomen zou verliezen. [naam eiser] stelt voorts dat Orionis niet heeft mee willen werken aan een oplossing en geen rekening heeft gehouden met zijn persoonlijke belangen. Ook is volgens [naam eiser] sprake van ongelijkheid nu andere medewerkers wel vergelijkbare nevenactiviteiten mogen verrichten. Tenslotte is volgens [naam eiser] sprake van strijd met het motiveringsbeginsel omdat Orionis zijn standpunt baseert op veelal niet dan wel onvoldoende onderbouwde argumenten.

2.3.

Orionis stelt zich op het standpunt dat het bestreden besluit niet voldoet aan de eisen die de Awb stelt op grond van het gebrek aan motivering, belangenafweging en zorgvuldige voorbereiding. Orionis stelt dat het plichtsverzuim [naam eiser] volledig te verwijten valt. Ter zitting heeft Orionis zijn standpunt toegelicht en gesteld dat het UWV [naam eiser] ten onrechte een WW-uitkering heeft toegekend nu sprake is van toerekenbaar ernstig plichtsverzuim. Orionis stelt dat geen sprake is van omstandigheden die ertoe leiden dat de gedraging van [naam eiser] als verminderd verwijtbaar moet worden gekwalificeerd. Dat UWV “met de hand over het hart heeft gestreken” kan volgens Orionis in elk geval niet leiden tot deze conclusie.

3. Op grond van artikel 24, eerste lid, aanhef en onder a, van de WW voorkomt de werknemer dat hij verwijtbaar werkloos wordt.

Op grond van het tweede lid, aanhef en onder a, van dit artikel is de werknemer verwijtbaar werkloos geworden indien aan de werkloosheid een dringende reden ten grondslag ligt in de zin van artikel 678 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek (BW) en de werknemer terzake een verwijt kan worden gemaakt.

Op grond van artikel 27, eerste lid, van de WW, voor zover van belang, weigert het UWV de uitkering blijvend over het aantal uren waarover het recht op uitkering niet zou zijn ontstaan of zou zijn geëindigd, ter zake van het niet nakomen door de werknemer van een verplichting als bedoeld in artikel 24, eerste lid, onderdeel a, tenzij het niet nakomen van de verplichting de werknemer niet in overwegende mate kan worden verweten. In dat geval weigert het UWV de uitkering niet over de volledige duur van de uitkering, doch ten hoogste over een periode van 26 weken over de helft van het aantal uren waarover het recht op uitkering zou zijn geëindigd of niet zou zijn ontstaan.

Op grond van artikel 79, eerste lid, van de WW, voor zover van belang, verhaalt het UWV op de overheidswerkgever tot wie de dienstbetrekking bestond uit hoofde waarvan de overheidswerknemer de in onderdeel a bedoelde uitkering ontvangt de op grond van hoofdstuk II te betalen uitkering aan die overheidswerknemer.

Op grond van artikel 7:678, eerste lid, van het BW worden voor de werkgever als dringende redenen in de zin van lid 1 van artikel 677 beschouwd zodanige daden, eigenschappen of gedragingen van de werknemer, die ten gevolge hebben dat van de werkgever redelijkerwijze niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren.

Op grond van het tweede lid van artikel 7:678 van het BW, voor zover hier van belang, zullen dringende redenen onder andere aanwezig geacht kunnen worden wanneer de werknemer (onder k) op andere wijze grovelijk de plichten veronachtzaamt welke de arbeidsovereenkomst hem oplegt.

4.1.

Ter beoordeling staat de vraag of het bestreden besluit, waarbij – na bezwaar – aan [naam eiser] met ingang van 3 maart 2014 een WW-uitkering is toegekend, in rechte stand houdt.

4.2.

Voor de beoordeling van het geschil gaat de rechtbank er van uit dat het besluit van 8 januari 2015 onderdeel uitmaakt van het bestreden besluit. Het UWV heeft het door Orionis ingediende bezwaarschrift tegen dat besluit dan ook terecht aangemerkt als een beroepschrift en op grond van artikel 6:15, tweede lid, van de Awb naar de rechtbank doorgezonden. De rechtbank stelt vast dat niet in geschil is dat de eerste werkloosheidsdag van [naam eiser] op de voet van artikel 16a van de WW 3 maart 2014 is.

4.3.

In zijn uitspraken van 18 februari 2009 heeft de Centrale Raad van Beroep

(CRvB) geoordeeld dat het, met het oog op de rechtszekerheid, in de rede ligt om aan artikel 7:678 van het BW in het kader van de WW geen andere toepassing te geven dan

tot uitdrukking komt in de jurisprudentie van de Hoge Raad (zie bijvoorbeeld ECLI:NL:CRVB:2009:BH2387). Daarnaast wordt overwogen dat, indien zich een omstandigheid voordoet die als dringende reden zou kunnen worden aangemerkt, nog niet vaststaat dat deze voor de betreffende werkgever in de specifieke situatie en in de specifieke werkrelatie een dringende reden voor ontslag op staande voet oplevert. Dat zal steeds per individueel geval dienen te worden beoordeeld. Elementen die volgens de CRvB hierbij meegewogen kunnen worden zijn de aard van de dienstbetrekking, de duur daarvan en de wijze waarop de werknemer die dienstbetrekking heeft vervuld, alsmede de persoonlijke omstandigheden van de werknemer, waaronder zijn leeftijd en de gevolgen die een ontslag op staande voet voor hem heeft.

Indien vervolgens tot het aannemen van een dringende reden wordt geconcludeerd zal tot slot in het kader van artikel 24, tweede lid, aanhef en onder a, van de WW moeten worden getoetst of de werknemer van de dringende reden een verwijt kan worden gemaakt.

Zolang op het (hoger) beroep inzake het gegeven disciplinair ontslag niet is beslist, staat arbeidsrechtelijk niet vast of de gedragingen van [naam eiser] een dringende reden tot ontslag opleveren. Het UWV moet bij de beoordeling van de vraag of [naam eiser] verwijtbaar werkloos is geworden, zelfstandig onderzoeken of zijn gedragingen een dringende reden tot ontslag opleveren.

De rechtbank stelt voorop dat voor het aannemen van verwijtbare werkloosheid in het geval van een ambtelijke arbeidsverhouding niet nodig is dat de werkgever strafontslag heeft verleend. Ook als een werkgever tot het verlenen van eervol ontslag heeft besloten, kan aan de ontstane werkloosheid een dringende reden ten grondslag liggen (zie de uitspraak van de CRvB van 24 april 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BZ8359).

4.4.

Bij uitspraak van heden heeft de rechtbank onder zaaknummer BRE 14/5880 AW het beroep van [naam eiser] tegen zijn ontslag ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daarbij overwogen dat [naam eiser] zijn strijdige nevenwerkzaamheden, ondanks het hem opgelegde verbod, heeft voortgezet en dat deze gedraging is aan te merken als ernstig plichtsverzuim. Voorts heeft de rechtbank overwogen dat het plichtsverzuim [naam eiser] is toe te rekenen, zodat Orionis bevoegd was hem een disciplinaire straf op te leggen. De opgelegde straf van ontslag is naar het oordeel van de rechtbank niet onevenredig.

5.1.

Met betrekking tot het beroep van Orionis (zaaknummer BRE 15/202 WW) overweegt de rechtbank het volgende.

Orionis heeft aan het ontslag ten grondslag gelegd dat [naam eiser] zich schuldig heeft gemaakt aan ernstig plichtsverzuim nu hij heeft nagelaten zijn nevenwerkzaamheden binnen de daartoe gestelde termijn te beëindigen.

Het UWV heeft zich naar het oordeel van de rechtbank terecht op het standpunt gesteld dat sprake is van een objectieve dringende reden voor ontslag. [naam eiser] mocht, gelet op de voornoemde uitspraak van deze rechtbank van 13 februari 2014, niet de gerechtvaardigde verwachting hebben dat hij zijn bedrijf zou kunnen blijven continueren. [naam eiser] is door Orionis gewaarschuwd dat ontslag zou volgen indien hij zijn werkzaamheden niet zou beëindigen. Van Orionis kon redelijkerwijs niet worden gevergd de arbeidsrelatie met [naam eiser] te laten voortduren. De rechtbank is voorts van oordeel dat uit de gang van zaken voldoende blijkt dat het gedrag van [naam eiser] voor Orionis een dringende reden vormde om tot ontslag over te gaan. De rechtbank is van oordeel dat Orionis voortvarend genoeg te werk is gegaan.

Uit het voorgaande volgt dat aan het ontslag van [naam eiser] , zowel objectief als subjectief, een dringende reden ten grondslag ligt.

De rechtbank begrijpt het betoog van Orionis aldus dat het UWV de gedraging van [naam eiser] ten onrechte als verminderd verwijtbaar heeft aangemerkt en hem ten onrechte een WW-uitkering heeft toegekend, die op grond van artikel 79 van de WW door het UWV op Orionis moet worden verhaald.

Dit betoog van Orionis slaagt. De rechtbank is van oordeel dat voor het aannemen van verminderde verwijtbaarheid geen aanleiding is, nu [naam eiser] niet is overgegaan tot beëindiging van de werkzaamheden die leidden tot een belangenverstrengeling en waarvan Orionis terecht heeft gevorderd dat hij die moest beëindigen, hetgeen is bevestigd in de voornoemde uitspraak van deze rechtbank van 13 februari 2014. Het plichtsverzuim is [naam eiser] dan ook toe te rekenen, temeer nu hij door Orionis is gewaarschuwd dat hij zich schuldig maakt aan plichtsverzuim als hij nalaat zijn nevenwerkzaamheden binnen de overgangstermijn te beëindigen. Dat de cliënten van [naam eiser] kwetsbaar zijn doet hier niet aan af. [naam eiser] is een ruime overgangstermijn gegund om de strijdige werkzaamheden te beëindigen. Hij heeft dan ook voldoende gelegenheid gehad om zijn cliënten elders onder te brengen.

De rechtbank ziet in het langdurig dienstverband van [naam eiser] vanwege de aard en de ernst van het plichtsverzuim geen aanleiding anders te beslissen. Voorts ziet de rechtbank geen aanknopingspunten voor de conclusie dat ook Orionis een verwijt treft nu er voor Orionis geen enkele aanleiding was [naam eiser] te ondersteunen bij de afbouw van zijn werkzaamheden. Bovendien blijkt ook niet dat [naam eiser] (tijdig) contact met Orionis heeft opgenomen om in overleg te treden of heeft verzocht om een langere overgangstermijn dan wel meer uren bij Orionis te mogen werken. Ten slotte is de rechtbank met Orionis van oordeel dat een beslissing op grond van coulance geen criterium mag zijn voor het aannemen van verminderde verwijtbaarheid omdat dit onvoldoende objectief is.

Derhalve is sprake van verwijtbare werkloosheid in de zin van artikel 24, tweede lid, aanhef en onder a, van de WW.

Hieruit volgt dat het beroep van Orionis slaagt en dat het UWV [naam eiser] de WW-uitkering blijvend geheel had moeten weigeren. Voor verhaal op Orionis op grond van artikel 79 van de WW is dan geen plaats.

Het beroep van Orionis zal gegrond worden verklaard. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd. De rechtbank, doende wat het UWV had moeten doen, zal het bezwaar van [naam eiser] alsnog ongegrond verklaren.

5.2.

Met betrekking tot het beroep van [naam eiser] (zaaknummer BRE 15/360 WW) overweegt de rechtbank het volgende.

Dit beroep heeft betrekking op de weigering tot uitbetaling door het UWV van 50% van de uitkering van [naam eiser] over een periode van 26 weken.

De rechtbank is van oordeel dat [naam eiser] door het UWV niet te kort is gedaan, nu gelet op hetgeen is overwogen onder rechtsoverweging 5.1 een volledige weigering van WW-uitkering in de rede had gelegen. Reeds op grond hiervan dient het beroep van [naam eiser] ongegrond te worden verklaard. De door hem aangevoerde gronden hoeven daarom geen bespreking meer.

6. Nu het beroep van Orionis gegrond wordt verklaard, dient het griffierecht aan Orionis te worden vergoed.

7. De rechtbank zal het UWV veroordelen in de door Orionis gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 992,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 496, en wegingsfactor 1).

8. Nu het beroep van [naam eiser] ongegrond wordt verklaard, bestaat voor een proceskostenveroordeling geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep van Orionis gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    verklaart het bezwaar van [naam eiser] tegen het primaire besluit ongegrond;

  • -

    draagt het UWV op het betaalde griffierecht van € 331,- aan Orionis te vergoeden;

  • -

    veroordeelt het UWV in de proceskosten van Orionis tot een bedrag van € 992,-;

  • -

    verklaart het beroep van [naam eiser] ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W. Toekoen, voorzitter, en mr. R.P. Broeders en

mr. F.P.J. Schoonen, leden, in aanwezigheid van T.B. Both, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 4 maart 2016.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.