Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2016:1296

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
03-03-2016
Datum publicatie
14-03-2016
Zaaknummer
AWB 15_1395
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Stichting Waarborgfonds Eigen Woningen geen bestuursorgaan. Rechtbank passeert overgangsregeling AbRS en verklaart zich onbevoegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 15/1395 WET

uitspraak van 3 maart 2016 van de meervoudige kamer in de zaak tussen

[naam eiser] , te [woonplaats eiser] , eiser,

en

de Stichting Waarborgfonds Eigen Woningen (het Waarborgfonds), verweerder.

Procesverloop

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 12 januari 2015 (bestreden besluit) van het Waarborgfonds inzake de weigering om kwijtschelding te verlenen voor het verlies dat is ontstaan na de verkoop van zijn appartement.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden in Breda op 11 augustus 2015 door de enkelvoudige kamer, waarbij eiser is verschenen. Namens het Waarborgfonds is

mr. J.G. Biesheuvel verschenen.

De rechtbank heeft het onderzoek heropend en de zaak verwezen naar de meervoudige kamer. Op 21 januari 2016 is de zaak ter zitting van de meervoudige kamer behandeld. Eiser is verschenen. Namens het Waarborgfonds is mr. J.G. Biesheuvel verschenen.

Overwegingen

1. Op grond van de stukken en de behandeling ter zitting gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden.

In 2011 heeft eiser een appartement aan de [adres] gekocht. Om die woning te kunnen financieren heeft eiser een hypothecaire geldlening afgesloten. Ter zekerheid voor nakoming van de hieruit voortvloeiende betalingsverplichtingen heeft het Waarborgfonds een Nationale Hypotheek Garantie (NHG) verstrekt. Het Waarborgfonds heeft zich hiermee borg gesteld voor de terugbetaling van de geldlening. In de geldleningsovereenkomst is in het kader van deze borgstelling een bepaling opgenomen.

Nadat de partner van eiser werkloos is geworden, is op 11 maart 2014 tot onderhandse verkoop van het appartement overgegaan voor een bedrag van € 146.002,31. De opbrengst van de verkoop van de woning was onvoldoende om de hypotheek volledig terug te betalen aan de geldverstrekker, de Rabohypotheekbank N.V. en de Coöperatieve Rabobank Altena U.A. Als gevolg hiervan resteert volgens de geldverstrekker een schuld van € 40.482,01. De geldverstrekker heeft voor dit bedrag een declaratie bij het Waarborgfonds ingediend. Het Waarborgfonds heeft dit bedrag niet aan de geldverstrekker voldaan, omdat het Waarborgfonds na herberekening van mening is dat geen sprake is van een verlies.

Bij brief van 5 september 2014 (primair besluit), heeft het Waarborgfonds eiser meegedeeld dat eiser niet in aanmerking komt voor kwijtschelding van het ontstane verlies na verkoop van zijn woning. Volgens het Waarborgfonds is niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van relatiebeëindiging, arbeidsongeschiktheid en/of niet verwijtbare werkloosheid, waardoor de lening niet meer kon worden betaald. Om die reden voldoet eiser volgens het Waarborgfonds niet aan het criterium te goeder trouw.

Bij brief van 14 oktober 2014 heeft eiser tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt.

Bij het bestreden besluit heeft het Waarborgfonds het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard. Hierbij heeft het Waarborgfonds overwogen dat het Waarborgfonds het ontstane verlies na de verkoop van de woning niet aan eisers geldverstrekker heeft uitbetaald, zodat het Waarborgfonds geen vordering op eiser heeft. Volgens het Waarborgfonds wordt het oordeel van het Waarborgfonds in dat geval door de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet als een besluit gezien.

2. Eiser voert tegen het bestreden besluit, zakelijk weergegeven, aan dat hij voldoet aan de voorwaarden om in aanmerking te komen voor de kwijtscheldingsregeling op grond van de NHG. Eiser stelt dat hij in ieder geval de maximale inspanning heeft geleverd om te voorkomen dat de woning moest worden verkocht, ook toen zijn partner haar baan verloor en het salaris van eiser door een reorganisatie werd teruggebracht tot het basissalaris zonder de mogelijkheid van overwerken. Toen de verkoop onafwendbaar was, bleek dat de woning minder waard was dan hem bij de aankoop ervan was voorgehouden en was hij genoodzaakt de woning met verlies te verkopen. Eiser is van mening dat hij er alles aan heeft gedaan om aan de verplichtingen te voldoen en stelt buiten zijn schuld in deze situatie terecht te zijn gekomen.

3. Op grond van artikel 1:1, eerste lid, van de Awb wordt onder bestuursorgaan verstaan:

  1. een orgaan van een rechtspersoon die krachtens publiekrecht is ingesteld, of

  2. een ander persoon of college, met enig openbaar gezag bekleed.

Op grond van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb wordt onder besluit verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.

Op grond van artikel 8:1 van de Awb kan een belanghebbende tegen een besluit beroep instellen bij de bestuursrechter.

4. De rechtbank ziet zich allereerst ambtshalve voor de vraag gesteld of zij bevoegd is kennis te nemen van het beroep van eiser.

Voor beantwoording van die vraag is bepalend of het Waarborgfonds kan worden aangemerkt als een bestuursorgaan in de zin van artikel 1:1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Awb en of de weigering van het Waarborgfonds kwijtschelding te verlenen als besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb kan worden aangemerkt.

5. De rechtbank stelt vast dat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS) bij uitspraak van 17 december 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:4602) – anders dan voorheen – heeft geoordeeld dat het Waarborgfonds niet als bestuursorgaan kan worden aangemerkt, als bedoeld in artikel 1:1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Awb. De rechtbank ziet geen aanleiding hierover anders te denken.

Als gevolg hiervan zijn de beslissingen van het Waarborgfonds geen besluiten als bedoeld in artikel 1:3 van de Awb en kan hiertegen geen bezwaar worden gemaakt dan wel beroep worden ingesteld.

6. Het Waarborgfonds heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat het bestreden besluit wel degelijk een besluit vormt als bedoeld in artikel 1:3 van de Awb, omdat de AbRS bij voornoemde uitspraak heeft overwogen dat alle tot 1 maart 2015 genomen beslissingen omtrent het al dan niet kwijtschelden van schulden als gevolg van aan geldgevers uitbetaalde verliesdeclaraties worden aangemerkt als besluiten in de zin van artikel 1:3 van de Awb. Tegen het bestreden besluit zou dan ook beroep moeten kunnen worden ingesteld bij de bestuursrechter.

De rechtbank constateert dat de AbRS in voornoemde uitspraak inderdaad een overgangsregeling heeft geformuleerd van deze strekking. De AbRS heeft kennelijk aanleiding gezien om een overgangsregeling te treffen om de vele partijen die een relatie hebben met het Waarborgfonds de gelegenheid te geven zich op de gewijzigde rechtspraak in te stellen, om het Waarborgfonds de gelegenheid te geven haar praktijk aan te passen aan de gewijzigde rechtspraak en ter voorkoming van ongewenste gevolgen voor lopende zaken.

7. De overgangsregeling zoals deze in de uitspraak van de AbRS is geformuleerd, kent geen basis in bestaande wet- en regelgeving, maar moet worden aangemerkt als zogenaamd ‘rechtersrecht’ of ‘rechterlijk overgangsrecht’.

In navolging van de uitspraak van deze rechtbank van 1 oktober 2015 (ECLI:NL:RBZWB:2015:6687) erkent de rechtbank de waarde van dergelijk rechtersrecht (zonder dergelijk recht zou het bijvoorbeeld kunnen voorkomen dat partijen geheel buiten hun schuld rechtsbescherming moeten missen, of dat in de rechtspraktijk belangrijke onduidelijkheden blijven bestaan omtrent de toepassing van materieel recht). Echter, het past de rechterlijke macht voorzichtigheid te betrachten in kwesties die het domein van de wetgever raken.

In het onderhavige geval betreft de door de AbRS geformuleerde overgangsregeling de invulling van het besluitbegrip en bijgevolg de bevoegdheid van de bestuursrechter. Deze elementen worden in ons rechtssysteem van dusdanig belang geacht, dat zij van ‘openbare orde’ worden beschouwd.

De rechtbank stelt vast dat zonder het door de AbRS geformuleerde rechtersrecht geenszins sprake is van een vacuüm op het gebied van rechtsbescherming. Geschillen over het al dan niet kwijtschelden door het Waarborgfonds van schulden als gevolg van al dan niet aan geldgevers uitbetaalde verliesdeclaraties kunnen – wanneer beslissingen daarover niet als besluiten kwalificeren – aan de civiele rechter, als restrechter, worden voorgelegd.

De rechtbank kan uit de uitspraak van de AbRS niet afleiden welke noodzaak in casu bestaat om – buitenwettelijk – beslissingen gelijk te stellen met besluiten, de bestaande bevoegdheid van de civiele rechter te doorkruisen en de bevoegdheid in voornoemde geschillen gedurende een overgangstermijn bij de bestuursrechter neer te leggen. De door de AbRS geformuleerde omstandigheden – dat vele partijen een relatie hebben met het Waarborgfonds en die zich op de gewijzigde rechtspraak moeten kunnen instellen, dat het Waarborgfonds de gelegenheid moet hebben zijn praktijk aan te passen en dat ongewenste gevolgen voor lopende zaken moeten worden voorkomen – overtuigen de rechtbank niet van deze noodzaak, gelet op de geboden rechtsbescherming bij de civiele rechter. Daarbij komt dat de AbRS in andere – ook recente – gevallen waarin komt vast te staan dat een instantie niet (langer) als bestuursorgaan kan worden aangemerkt geen aanleiding ziet tot het treffen van een overgangsregeling, terwijl niet valt in te zien dat de door de AbRS genoemde omstandigheden zich niet ook in deze gevallen voordoen. Verwezen wordt naar twee uitspraken van de AbRS van 17 december 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:3379 en ECLI:NL:RVS:2014:3394) en een uitspraak van de AbRS van 13 mei 2015 (ECLI:NLRVS:2015:1548).

Voor zover de noodzaak tot het treffen van een overgangsregeling moet worden gezocht in het (grote) aantal geschillen dat het Waarborgfonds heeft te behandelen en aldus in de werklast die de gewijzigde opvatting in de rechtspraak voor het Waarborgfonds meebrengt, rechtvaardigt een en ander naar de overtuiging van de rechtbank niet dat buitenwettelijk overgangsrecht wordt geformuleerd dat ingrijpt op leerstukken van openbare orde, zoals de bestaande bevoegdheid van de civiele rechter.

Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank in het geformuleerde rechtersrecht geen basis om het bestreden besluit tóch als een besluit aan te merken waartegen beroep open staat. De rechtbank zal zich onbevoegd verklaren, nu de civiele rechter bevoegd is van het geschil kennis te nemen.

Dit betekent dat voor eiser de gang naar de civiele rechter openstaat indien hij alsnog een inhoudelijk oordeel wenst over de vraag of hij voor kwijtschelding van de restschuld in aanmerking komt.

8. De rechtbank ziet aanleiding het Waarborgfonds op te dragen het door eiser betaalde griffierecht voor de behandeling van het beroep te vergoeden, nu in de rechtsmiddelenclausule van het bestreden besluit is vermeld dat eiser beroep kan instellen bij de sector bestuursrecht van de rechtbank. De rechtbank verwijst in dit kader naar voornoemde uitspraak van de AbRS van 17 december 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:3394), waaruit volgt dat deze opdracht ook aan andere partijen dan bestuursorganen kan worden gegeven.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart zich onbevoegd;

- draagt het Waarborgfonds op het betaalde griffierecht van € 167,- aan eiser te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.G.F. Vliegenberg, voorzitter, mr. C.A.F. van Ginneken en mr. E.S.M. van Bergen, leden, in aanwezigheid van drs. A. Lemaire, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 3 maart 2016.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.