Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2016:1264

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
04-03-2016
Datum publicatie
25-03-2016
Zaaknummer
4701631 AZ VERZ 15-158
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Werkneemster verzoekt primair de opzegging van haar arbeidsovereenkomst te vernietigen. Werkgever heeft de arbeidsovereenkomst opgezegd vanwege het bereiken van de AOW-gerechtigde leeftijd door werkneemster.

Ingevolge artikel 7:669 lid 4 is dit in beginsel een gegronde reden voor opzegging. De werkneemster beroept zich echter op het sociaal plan. Volgens haar is daarin een werkgelegenheidsgarantie afgegeven tot oktober 2018 zodat de werkgever de arbeidsovereenkomst niet op de thans gebruikte grond had mogen opzeggen. De kantonrechter volgt werkneemster hierin niet. Bij de uitleg van een sociaal plan wordt de CAO-norm toegepast, wat betekent dat de bepalingen uit het sociaal plan, naar objectieve maatstaven, moeten worden gelezen in het licht van de gehele tekst van het sociaal plan. Gelet op die tekst is de kantonrechter van oordeel dat met de werkgelegenheidsgarantie enkel is beoogd gedwongen ontslagen in het kader van boventalligheid als gevolg van de reorganisatie te voorkomen, hetgeen in het onderhavige geval niet aan de orde is. Bovendien is het beëindigen van een arbeidsovereenkomst wegens het bereiken van de AOW-gerechtigde leeftijd, hoewel dit voor werkneemster wellicht wel zo zal voelen, geen gedwongen ontslag. De kantonrechter is met werkgever van oordeel dat er sprake is van natuurlijk verloop.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2016-0302
AR 2016/912
PJ 2016/77
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Kanton

Bergen op Zoom

zaak/rolnr.: 4701631 AZ VERZ 15-158

Beschikking in de zaak van:

[naam verzoekster] ,

wonende te Breda,

verzoekende partij,

verder te noemen: [verzoekster] ,

gemachtigde: mr. W.H.N.C. van Beek, advocaat te Breda,

tegen

Federatie Nederlandse Vakbeweging,

gevestigd te (1043 BX) Amsterdam, Naritaweg 10,

verwerende partij

verder te noemen: FNV,

gemachtigde: mr. D.C. Coppens, advocaat te Amsterdam.

1 Het procesverloop

1.1

[verzoekster] heeft primair verzocht om:

  1. de opzegging van de arbeidsovereenkomst door FNV te vernietigen;

  2. FNV te veroordelen tot betaling van het salaris en bijbehorende emolumenten vanaf

1 november 2015 , te vermeerderen met de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW en de wettelijke rente vanaf de respectievelijke vervaldata van het loon en de wettelijke verhoging.

Subsidiair heeft [verzoekster] , na wijziging van haar verzoek, verzocht om FNV te veroordelen tot betaling van:

een vergoeding conform hoofdstuk 5 van het sociaal plan “FNV in beweging” ad € 127.379,44 bruto;

een bedrag van € 13.647,80 bruto in verband met het niet volledig in acht nemen van de contractuele opzegtermijn;

de wettelijke verhoging en de wettelijke rente vanaf de respectievelijke vervaldata over de pro rata eindejaarsuitkering en afrekening verlofuren ad € 7.559,61 bruto en over de reiskosten oktober 2015 ad € 134,90 netto;

Zowel primair als subsidiair verzoekt [verzoekster] om:

FNV te veroordelen in de proceskosten.

1.2

De werkgever heeft een verweerschrift ingediend.

1.3

Bij brief van 5 februari 2016 heeft de gemachtigde van [verzoekster] aanvullende producties toegezonden.

1.4

Op 12 februari 2016 heeft een zitting plaatsgevonden. Ter zitting was aanwezig [verzoekster] bijgestaan door mr. Van Beek voornoemd, tevens was namens FNV aanwezig mevrouw [naam medewerkster] bijgestaan door mr. Coppens voornoemd. De gemachtigde van [verzoekster] heeft ter gelegenheid van de zitting zijn pleitaantekeningen overgelegd. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat partijen ter toelichting van hun standpunten naar voren hebben gebracht.

2 De feiten

2.1

[verzoekster] , geboren op [geboortedatum] , is op [datum indiensttreding] in dienst getreden bij FNV Bouw. De laatste functie die zij vervulde, is die van [functie] , met een salaris van € 3.899,59 bruto per maand exclusief emolumenten.

2.2

In de arbeidsovereenkomst is de cao van FNV-Organisaties met de bijbehorende supplementen FNV Bouw van toepassing verklaard.

2.3

De FNV Vereniging en de aangesloten bonden zijn in 2013 samengevoegd tot het zogeheten “ongedeelde deel van de FNV Vereniging”. Het ging daarbij om FNV Bondgenoten, Abvokabo FNV, FNV Sport, FNV Kiem en FNV Bouw.

2.4

In verband met deze samenvoeging is een sociaal plan opgesteld genaamd “FNV in beweging”. Dit sociaal plan kent een looptijd van 1 maart 2013 tot 1 maart 2018.

2.5

Bij brief van 1 juli 2015 heeft FNV de arbeidsovereenkomst opgezegd met ingang van

[datum einde dienstverband] . Als reden voor de opzegging is in de brief het volgende opgenomen:

“Hiermee bevestigen wij dat, in verband met het bereiken van uw AOW leeftijd en de afspraken hierover in het addendum sociaal plan, het dienstverband tussen u en onze organisatie zal worden beëindigd met ingang van [datum einde dienstverband] .”

3 De beoordeling

3.1

[verzoekster] verzoekt primair vernietiging van de opzegging ex artikel 7:681 lid 1 sub a BW. Aan dit verzoek legt [verzoekster] – kort weergegeven – ten grondslag dat er geen sprake is van een rechtsgeldige opzegging. [verzoekster] erkent weliswaar dat de werkgever op grond van artikel 7:669 lid 4 BW in beginsel bevoegd is de arbeidsovereenkomst met een werknemer op te zeggen indien deze de AOW-gerechtigde leeftijd heeft bereikt maar desondanks is van een rechtsgeldige opzegging in het onderhavige geval volgens haar geen sprake. [verzoekster] heeft daartoe het volgende aangevoerd. Ten eerste stelt [verzoekster] zich op het standpunt dat de feitelijke grondslag in de opzeggingsbrief niet juist is nu, na correspondentie, is gebleken dat FNV niet heeft bedoeld te verwijzen naar een addendum bij het sociaal plan maar naar de preambule bij de laatste FNV-cao. In de visie van [verzoekster] dient de opzegging reeds om deze reden te worden vernietigd. In dat kader heeft [verzoekster] ter zitting ook nog aangevoerd dat de gegeven reden, te weten het bereiken van de AOW-gerechtigde leeftijd, geen grond voor opzegging kan zijn geweest op 1 juli 2015 nu [verzoekster] deze leeftijd reeds op [AOW-gerechtigde leeftijd] had bereikt. Daarna is het dienstverband gewoon voortgezet. Voor zover dit verweer niet slaagt, beroept [verzoekster] zich op de uitzondering op de opzegbevoegdheid van de werkgever zoals bedoeld in artikel 7:669 lid 4 BW. In dit artikel staat dat de werkgever de arbeidsovereenkomst mag opzeggen wegens het bereiken van de AOW gerechtigde leeftijd door de werknemer tenzij schriftelijk anders is overeengekomen. Volgens [verzoekster] is dit laatste het geval gelet op de volgende passage uit het Sociaal Plan:

Gedurende de gehele voorbereiding en uitvoering van de samenvoeging en reorganisatie, voert de werkgever een beleid waarin gedwongen ontslagen tot 1 maart 2018 niet aan de orde zullen zijn, anders dan die genoemd in de wet onder dringende redenen zoals bedoeld in Boek 7 Artikel 678 van het Burgerlijk Wetboek of wegens disfunctioneren. Daarmee garanderen de werkgevers de werkgelegenheid. Er kan tijdens deze periode wel sprake zijn van boventalligheid als gevolg van het vervallen van functies of het reduceren van functies. Er zal steeds getracht worden voor de individuele werknemer een passende functie binnen het ongedeelde deel of bij één van de andere bonden van de FNV te vinden. Op verzoek of initiatief van de werknemer kan externe bemiddeling worden ingezet. In goed overleg en met overeenstemming tussen de werkgever en de werknemer kan de werknemer ook worden begeleid naar een passende functie buiten de FNV. Voor de werknemers van FNV Bouw geldt dat de ingangsdatum van deze werkgelegenheidsgarantie ligt op 1 januari 2015. Tot die tijd geldt wat hieromtrent overeen is gekomen in het addendum bij het Hoofdlijnenakkoord bijgevoegd op 13 mei 2013. Het bepaalde voor wat betreft het ontstaan van boventalligheid in artikel 2 geldt tot 1 januari 2015 niet voor FNV Bouw.”

Volgens [verzoekster] blijkt hieruit dat er sprake is van een werkgelegenheidsgarantie tot 1 maart 2018. Nu vervolgens in het addendum op het sociaal plan d.d. 19 november 2014 de nieuwe einddatum van het sociaal plan is vastgesteld op 1 oktober 2018, geldt de werkgelegenheidsgarantie volgens [verzoekster] thans zelfs tot die datum zodat FNV haar arbeidsovereenkomst niet op had mogen zeggen.

3.2

FNV betwist dat de arbeidsovereenkomst met [verzoekster] niet rechtsgeldig is opgezegd. Zij verwijst hierbij naar het op 1 juli 2015 in werking getreden artikel 7:669 lid 4 BW. Uit het systeem van de wet blijkt volgens FNV dat ook nog kan worden opgezegd indien de werknemer de AOW-gerechtigde leeftijd reeds eerder heeft bereikt zoals het geval was bij [verzoekster] . Voorts erkent FNV dat de verwijzing naar het addendum niet correct was en dat zij heeft bedoeld te verwijzen naar de preambule CAO FNV-Organisaties 2015-2016 maar dit doet volgens FNV niets af aan de rechtsgeldigheid van de opzegging nu de grondslag van de opzegging duidelijk was. Uit de preambule blijkt dat in het geval de werknemer de AOW-gerechtigde leeftijd reeds voor 1 juli 2015 heeft bereikt en is blijven doorwerken, dat het dienstverband dan op grond van artikel 7:669 BW zal worden opgezegd tegen de vroegst mogelijke datum, hetgeen in het onderhavige geval ook is gebeurd. Van een in het sociaal plan overeengekomen uitzondering op de opzegbevoegdheid is volgens FNV geen sprake. Het sociaal plan ziet immers enkel op het voorkomen van gedwongen ontslagen wegens de reorganisatie en doet niets af aan de mogelijkheid dat arbeidsrelaties kunnen worden beëindigd wegens natuurlijk verloop.

3.3

De kantonrechter stelt voorop dat [verzoekster] het verzoek tijdig heeft ingediend omdat het is ontvangen binnen twee maanden na de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd.

3.4

De kantonrechter overweegt voorts dat hij [verzoekster] niet volgt in haar stelling dat de opzegging reeds dient te worden vernietigd omdat er in de brief wordt verwezen naar een addendum terwijl de preambule werd bedoeld. De reden voor de opzegging, te weten het bereiken van de AOW-gerechtigde leeftijd, blijkt immers duidelijk uit de brief. Ook de stelling dat die leeftijd op dat moment reeds was bereikt, doet aan de rechtsgeldigheid van de opzegging niets af.

3.5

Partijen twisten over de vraag of het sociaal plan zo dient te worden uitgelegd dat er sprake is van een tussen partijen overeengekomen uitzondering op de in artikel 7:669 lid 4 BW opgenomen opzegbevoegdheid van FNV wegens het bereiken van de AOW-gerechtigde leeftijd door [verzoekster] . In dit kader is FNV de mening toegedaan dat de werkgelegenheidsgarantie in de context van het sociaal plan dient te worden gelezen. Volgens FNV hebben partijen bij de opstelling van het sociaal plan geenszins beoogd om met de werkgelegenheidsgarantie een algeheel ontslagverbod in het leven te roepen. In de visie van [verzoekster] dient het sociaal plan echter grammaticaal te worden uitgelegd. Nu in het sociaal plan staat dat de werkgevers de werkgelegenheid garanderen en dat gedwongen ontslagen tot oktober 2018 niet aan de orde zullen zijn anders dan wegens een dringende reden of disfunctioneren is er volgens [verzoekster] wel degelijk sprake van een ontslagverbod ten aanzien van alle andere gronden.

3.6

Met betrekking tot de uitleg van een sociaal plan heeft de Hoge Raad in zijn arrest van 26 mei 2000 (JAR 2000, 151) reeds geoordeeld dat een Sociaal Plan een collectieve arbeidsovereenkomst kan zijn dan wel dat het daarmee een zodanige gelijkenis vertoont dat de in de door de Hoge Raad in zijn arrest van 17 september 1993 aanvaarde regel, de zogenaamde CAO-norm, daarop evenzeer van toepassing is. In dat arrest (HR 17 september 1993, JAR 1993, 234) heeft de Hoge Raad geoordeeld dat bij de totstandkoming van een CAO de individuele werknemers niet betrokken zijn, terwijl de individuele werkgever daarbij betrokken kan, maar niet hoeft te zijn. In het algemeen staan daarom aan de werknemers en werkgever, op wie de overeenkomst van toepassing is, bij het bepalen van inhoud en strekking daarvan geen andere gegevens ter beschikking dan haar tekst en de eventueel daaraan toegevoegde schriftelijke toelichting. Dit brengt mee dat voor de uitleg van de bepalingen van een CAO, de bewoordingen daarvan, gelezen in het licht van de gehele tekst van die overeenkomst, in beginsel van doorslaggevende betekenis zijn. In zijn arrest van 9 juli 2004 (NJ 2005, 496) heeft de Hoge Raad voorts nog geoordeeld dat de CAO-norm niet een louter taalkundige norm is maar dat er sprake dient te zijn van een uitleg naar objectieve maatstaven, terwijl ook de bewoordingen van de eventueel bij de CAO behorende schriftelijke toelichting bij de uitleg van de CAO moeten worden betrokken; bovendien kan, indien de bedoeling van de partijen bij de CAO naar objectieve maatstaven volgt uit de CAO-bepalingen en de eventueel daarbij behorende schriftelijke toelichting, ook daaraan bij de uitleg betekenis worden toegekend.

3.7

Indien in het sociaal plan enkel gekeken wordt naar de zinnen “Gedurende de gehele voorbereiding en uitvoering van de samenvoeging en reorganisatie, voert de werkgever een beleid waarin gedwongen ontslagen tot 1 maart 2018 niet aan de orde zullen zijn, anders dan die genoemd in de wet onder dringende redenen zoals bedoeld in Boek 7 Artikel 678 van het Burgerlijk wetboek of disfunctioneren. Daarmee garanderen de werkgevers de werkgelegenheid.”, zou de visie van [verzoekster] wellicht kunnen worden gevolgd. Er wordt immers enkel een uitzondering op de werkgelegenheidsgarantie gemaakt voor gedwongen ontslagen wegens een dringende reden of disfunctioneren. Gelet op de voornoemde uitspraken van de Hoge Raad moet de bepaling echter, naar objectieve maatstaven, worden gelezen in het licht van de gehele tekst van het sociaal plan. Gelet op die tekst is de kantonrechter van oordeel dat met de werkgelegenheidsgarantie enkel is beoogd gedwongen ontslagen in het kader van boventalligheid als gevolg van de reorganisatie te voorkomen, hetgeen in het onderhavige geval niet aan de orde is. Bovendien is het beëindigen van een arbeidsovereenkomst wegens het bereiken van de AOW-gerechtigde leeftijd, hoewel dit voor [verzoekster] wellicht wel zo zal voelen, geen gedwongen ontslag. De kantonrechter is met FNV van oordeel dat er sprake is van natuurlijk verloop. Bij de verstrekking van de werkgelegenheidsgarantie aan de boventallig verklaarde werknemers zal FNV juist met dat door haar voorziene natuurlijk verloop ook rekening hebben gehouden.

3.8

Een tussen partijen overeengekomen uitzondering op artikel 7:669 lid 4 BW is, gelet op het voorgaande, niet komen vast te staan. FNV heeft de arbeidsovereenkomst met [verzoekster] derhalve niet opgezegd in strijd met artikel 7:671 BW, zodat er ook geen grond is om toepassing te geven aan artikel 7:681 lid 1 BW. Het verzoek tot vernietiging van de opzegging zal dan ook worden afgewezen. Als gevolg hiervan heeft [verzoekster] ook geen recht op doorbetaling van haar loon zodat ook dit verzoek zal worden afgewezen.

3.9

Subsidiair verzoekt [verzoekster] de nakoming van het sociaal plan door FNV. In dit kader heeft zij aangevoerd dat, bij afwijzing van het primaire verzoek, de werkgelegenheidsgarantie voor alle AOW-gerechtigden feitelijk is komen te vervallen. In de visie van [verzoekster] is deze groep dan ook alsnog boventallig verklaard zonder dat wordt gekeken naar herplaatsingsmogelijkheden. In dit geval is hoofdstuk 5 van het sociaal plan van toepassing waarin een afvloeiingsregeling is opgenomen. [verzoekster] stelt dat zij op grond van deze regeling recht heeft op een bedrag van € 127.379,44.

3.10

FNV voert verweer en heeft hiertoe aangevoerd dat [verzoekster] niet boventallig is verklaard. Ingevolge artikel 1.1 sub j van het sociaal plan is van boventalligheid slechts sprake indien de werknemer ten gevolge van de reorganisatie als zodanig door de werkgever is aangewezen. Daarnaast dient sprake te zijn van een situatie waarin de functie van de werknemer niet langer in de organisatie voorkomt of van een formatie reductie waardoor de werknemer als gevolg van afspiegeling boventallig wordt. Dit alles is echter niet het geval zodat [verzoekster] , in de visie van FNV, geen recht heeft op de verzochte vergoeding.

3.11

[verzoekster] stelt weliswaar dat zij als het ware boventallig is verklaard door haar ontslag maar hierin volgt de kantonrechter haar niet. Haar arbeidsovereenkomst is immers opgezegd omdat zij de AOW-gerechtigde leeftijd heeft bereikt. Er is geenszins voldaan aan de definitie van boventalligheid die in het sociaal plan wordt gegeven. Zij is immers niet als boventallig aangewezen noch is haar functie komen te vervallen of is deze gereduceerd waardoor [verzoekster] op grond van het afspiegelingsbeginsel boventallig is geworden.

3.12

[verzoekster] heeft voorts nog een beroep gedaan op de analoge toepassing van artikel 9.2 van het sociaal plan. Hierin is bepaald dat een niet boventallige werknemer recht heeft op een vergoeding indien zij op basis van vrijwilligheid het dienstverband wil beëindigen en wanneer de arbeidsplaats van de plaatsmaker daadwerkelijk kan worden ingevuld door een boventallige werknemer. [verzoekster] stelt zich op het standpunt dat zij door FNV tot plaatsmaker is gemaakt waardoor FNV zich ontslagkosten heeft bespaard en [verzoekster] heeft opgezadeld met forse schade. Ook deze stellingen worden door FNV weersproken.

3.13

De kantonrechter ziet geen aanleiding tot analoge toepassing van dit artikel op de situatie van [verzoekster] . Hoe vervelend dit ook is voor [verzoekster] , FNV heeft slechts gebruik gemaakt van de mogelijkheid die de wet haar biedt om de arbeidsovereenkomst op te zeggen. Dat dit, mede gelet op het ontstane “pensioengat” nadelige financiële gevolgen heeft voor [verzoekster] staat buiten kijf maar dit brengt niet met zich dat [verzoekster] recht heeft op de verzochte vergoeding. [verzoekster] stelt zich op het standpunt dat FNV haar schade dient te vergoeden maar hiervan kan, gelet op de ontslaggrond, geen sprake zijn nu de wetgever heeft bepaald dat de werkgever de arbeidsovereenkomst met een werknemer die de AOW-gerechtigde leeftijd heeft bereikt op kan zeggen zonder aan hem een vergoeding te zijn verschuldigd en het sociaal plan tot de uitkering van een dergelijke schadevergoeding evenmin aanleiding geeft. De verzochte vergoeding zal dan ook worden afgewezen.

3.14

[verzoekster] verzoekt tevens een vergoeding ad € 13.647,80 bruto omdat FNV niet de juiste opzegtermijn in acht zou hebben genomen. FNV heeft een opzegtermijn van drie maanden gehanteerd terwijl dit, in de visie van [verzoekster] , zes maanden had moeten zijn. [verzoekster] heeft hiertoe aangevoerd, dat in haar arbeidsovereenkomst uit 2002 is verwezen naar artikel 11 van de toenmalige cao waarin het volgende was bepaald: “de door de werkgever in acht te nemen termijn van opzegging bedraagt zoveel maanden als de arbeidsovereenkomst gehele jaren heeft geduurd, met een minimum van 3 en een maximum van 6 maanden”. Nu haar dienstverband 13 jaren heeft geduurd, geldt voor FNV de maximale opzegtermijn.

3.15

Ook dit verzoek wordt door FNV weersproken. Zij stelt zich op het standpunt dat er inmiddels een andere cao geldt, te weten de CAO 2015-2016 en dat partijen thans aan deze cao zijn gebonden. In de huidige cao wordt niet meer aangesloten bij de systematiek uit de cao uit 2002 maar wordt in het kader van de opzegtermijnen verwezen naar artikel 7:672 BW. Op grond van dit artikel geldt bij de arbeidsduur van 13 jaar een opzegtermijn van drie maanden zodat de vordering van [verzoekster] , in de visie van FNV, dient te worden afgewezen.

3.16

[verzoekster] heeft daartegenover nog gesteld dat in de huidige cao een uitzondering is opgenomen op hetgeen FNV stelt, te weten voor het geval individueel een langere termijn is overeengekomen. Dit is volgens [verzoekster] gebeurd in haar arbeidsovereenkomst. FNV handhaaft haar standpunt dat de bepaling in de eerdere cao is ingehaald door de huidige cao.

3.17

De vraag die de kantonrechter in deze dient te beantwoorden is of er sprake is van een individueel overeengekomen langere opzegtermijn voor de werkgever dan in artikel

7:672 lid 2 BW is bepaald. Naar het oordeel van de kantonrechter is dit niet het geval. In de individuele arbeidsovereenkomst van [verzoekster] wordt immers verwezen naar een cao. De opzegtermijn voor de werkgever is derhalve niet in de arbeidsovereenkomst zelf overeengekomen. Met een enkele verwijzing naar een cao waarvan bekend is dat die slechts een beperkte looptijd heeft, kan worden aangenomen dat partijen ermee hebben ingestemd dat de regeling omtrent de opzegtermijn kan wijzigen. Dit is in het onderhavige geval ook gebeurd. Het feit dat de opzegtermijn voor [verzoekster] wel in de individuele overeenkomst zelf is verlengd, leidt niet tot een andere conclusie. Gelet op het door [verzoekster] aangehaalde arrest van de Hoge Raad van 1 mei 2015 (JAR 2015, 131) geldt immers pas een verdubbeling van de opzegtermijn voor de werkgever indien dit schriftelijk is vastgelegd. Dit is niet het geval nu op basis van de huidige cao een opzegtermijn voor de werkgever geldt van drie maanden. Aangezien de opzegtermijn voor [verzoekster] thans gelijk is aan die van FNV is weliswaar niet voldaan aan artikel 7:672 lid 6 BW maar dit brengt met niet met zich dat de opzegtermijn voor FNV dient te worden verlengd maar juist dat die van [verzoekster] – na een beroep op de vernietigbaarheid van het beding – kan worden verkort tot de wettelijke termijn.

3.18

Ten slotte verzoekt [verzoekster] de betaling door FNV van de wettelijke verhoging en de wettelijke rente over de pro rata eindejaarsuitkering en afrekening verlofuren ad € 7.559,61 bruto en over de reiskosten oktober 2015 ad € 134,90 netto nu FNV deze bedragen te laat heeft voldaan. FNV erkent dat deze bedragen niet tijdig zijn betaald maar wijt dit aan de gevolgen van het samenvoegen van systemen. Voorts voert zij aan dat [verzoekster] eerst in het verzoekschrift om betaling van deze bedragen heeft verzocht. Als zij dat eerder had gedaan, waren de verschuldigde bedragen volgens FNV waarschijnlijk ook eerder voldaan. Voor wettelijke verhoging en wettelijke rente is in de visie van FNV dan ook geen plaats.

3.19

FNV heeft op de mondelinge behandeling van de onderhavige zaak toegezegd dat zij de voornoemde afrekening verlofuren en de reiskosten aan [verzoekster] zou voldoen zodat de kantonrechter ervan uitgaat dat deze inmiddels ook daadwerkelijk zijn uitbetaald. [verzoekster] heeft ter zitting onbetwist gesteld dat zij voor het indienen van het verzoekschrift meerdere malen heeft aangegeven dat zij nog recht had op een betaling. Het verweer van FNV dat deze kwestie buiten de onderhavige procedure om had kunnen worden opgelost, slaagt dan ook niet. Nu vast staat dat FNV niet tijdig heeft voldaan aan haar betalingsverplichting zal de verzochte wettelijke verhoging en wettelijke rente worden toegewezen vanaf de respectievelijke vervaldata van de genoemde bedragen. Voor matiging van de wettelijke verhoging ziet de kantonrechter geen aanleiding.

3.20

[verzoekster] zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten.

6 De beslissing

De kantonrechter:

veroordeelt FNV tot betaling aan [verzoekster] van de wettelijke verhoging ad 50% en de wettelijke rente vanaf de respectievelijke vervaldata over de pro rata eindejaarsuitkering en afrekening verlofuren ad € 7.559,61 bruto en over de reiskosten oktober 2015 ad € 134,90 netto tot aan de dag van de gehele betaling;

veroordeelt [verzoekster] tot betaling van de proceskosten, die de kantonrechter aan de kant van FNV tot en met vandaag vaststelt op € 400,00 wegens het salaris van de gemachtigde van FNV;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het verzoek voor het overige af.

Deze beschikking is gegeven door mr. J.A.J. van den Boom, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 4 maart 2016, in tegenwoordigheid van de griffier.