Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2016:110

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
12-01-2016
Datum publicatie
11-03-2016
Zaaknummer
AWB - 15 _ 1119
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2017:5578, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Aan belanghebbende is een aanslag gebruiksretributie zoetwatervoorziening opgelegd. Voor het daadwerkelijke gebruik van het zoete water is een vergunning vereist, ter zake waarvan geen leges worden geheven. Naar het oordeel van de rechtbank is het in de Verordening gedefinieerde gebruik, te weten ‘het nut van het stelsel van voorzieningen als inlaat- en meetmiddelen, filtersystemen, gemalen, stuwen en leidingen ten behoeve van de aan- en doorvoer van zoetwater in het watersysteem’, geen ‘gebruik’ in de zin van artikel 115 van de Waterschapswet. De Verordening is onverbindend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2016/536
Belastingblad 2016/159
FutD 2016-0761
NTFR 2016/1190 met annotatie van Mr. R. van den Berg
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Belastingrecht, meervoudige kamer

Locatie: Breda

Zaaknummer BRE 15/1119

uitspraak van 12 januari 2016

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[belanghebbende] , wonende te [woonplaats],

belanghebbende,

en

de heffingsambtenaar van het waterschap Scheldestromen,

de heffingsambtenaar.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De heffingsambtenaar heeft aan belanghebbende over het jaar 2014 een aanslag gebruiksretributie betreffende zoetwatervoorziening Tholen en Sint Philipsland opgelegd van € 2.249,97.

1.2.

De heffingsambtenaar heeft bij uitspraak op bezwaar van 23 januari 2015 de aanslag gehandhaafd.

1.3.

Belanghebbende heeft daartegen bij brief van 22 februari 2015, ontvangen bij de rechtbank op 25 februari 2015, beroep ingesteld. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 331. De hoogte van het geheven griffierecht is ingegeven door de vermelding van [Maatschap] als afzender van het beroepschrift.

1.4.

De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.

1.5.

Partijen hebben vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn telkens in afschrift verstrekt aan de wederpartij.

1.6.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden voor de enkelvoudige belastingkamer, ten overstaande van mr. M.R.T. Pauwels, op 17 november 2015 te Middelburg. Aldaar zijn verschenen en gehoord, belanghebbende, vergezeld van [A], en namens de heffingsambtenaar, [verweerder]. Voor het verhandelde ter zitting verwijst de rechtbank naar het proces-verbaal van de zitting dat gelijktijdig met deze uitspraak aan partijen zal worden toegezonden.

1.7.

Tijdens het onderzoek ter zitting heeft de behandelend rechter het onderzoek gesloten en een mondelinge uitspraak aangekondigd. Ook is aangekondigd dat de zaak mogelijk wordt verwezen naar de meervoudige kamer. Partijen hebben tijdens het onderzoek ter zitting verklaard dat in geval van verwijzing van de zaak naar de meervoudige kamer een nader onderzoek ter zitting achterwege kan blijven.

1.8.

Bij brief van 1 december 2015 heeft de griffier aan partijen meegedeeld dat het onderzoek is heropend en is verwezen naar de meervoudige kamer, en vervolgens dat de rechtbank het onderzoek heeft gesloten en schriftelijk uitspraak zal doen.

2 Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast:

2.1.

Belanghebbende is eigenaar van 15 agrarische ongebouwde onroerende zaken in het waterschap Scheldestromen (hierna: het Waterschap). Ter zake daarvan is aan hem met dagtekening 31 december 2014 de in onderdeel 1.1 genoemde aanslag opgelegd.

2.2.

Artikel 115 van de Waterschapswet bepaalt:

“1. Het waterschap kan alleen rechten heffen ter zake van:

a. het gebruik overeenkomstig de bestemming van voor de openbare dienst bestemde bezittingen van het waterschap of van voor de openbare dienst bestemde werken of inrichtingen die bij het waterschap in beheer of in onderhoud zijn;

b. het genot van door of vanwege het bestuur van het waterschap verstrekte diensten;

c. het behandelen van verzoeken tot het verlenen van vergunningen of ontheffingen.

2. Voor de toepassing van dit hoofdstuk en van hoofdstuk XVIII worden de in het eerste lid bedoelde rechten aangemerkt als waterschapsbelastingen.

3. In verordeningen op grond waarvan rechten als bedoeld in het eerste lid worden geheven, worden de tarieven zodanig vastgesteld dat de geraamde baten van de rechten niet uitgaan boven de geraamde lasten ter zake.”

2.3.

In de Retributieverordening zoetwatervoorziening Tholen en Sint Philipsland van het waterschap Scheldestromen (hierna: de Verordening) is onder meer het volgende bepaald:

“Begripsbepalingen

Artikel 1

jaar: een kalenderjaar;

maand: een kalendermaand;

gebruik: het nut van het stelsel van voorzieningen als inlaat- en meetmiddelen, filtersystemen, gemalen, stuwen en leidingen ten behoeve van de aan- en doorvoer van zoetwater in het watersysteem;

gebruiker: degenen die krachtens eigendom, bezit of beperkt recht het genot hebben van ongebouwde onroerende zaken die geen natuurterreinen zijn en gelegen zijn in het gebied;

gebied: de op de bij de verordening behorende kaart van Tholen en Sint Philipsland (…) in kleur aangegeven ongebouwde agrarische onroerende zaken;

watersysteem: infrastructuur voor waterafvoer en wateraanvoer;

zonering: verdeling van het gebied in gebruikszones,

-groen: geheel gebruik;

-roze: grotendeels gebruik;

-grijs: bijkomstig gebruik.

Belastbaar feit

Artikel 2

Onder de naam gebruiksretributie wordt een recht geheven in het gebied ter zake het gebruik overeenkomstig de bestemming van voor de openbare dienst bestemde bezittingen van het waterschap of van voor de openbare dienst bestemde werken of inrichtingen die bij het waterschap in beheer of in onderhoud zijn.

Belastingplicht

Artikel 3

Het recht wordt geheven van de gebruiker van de in het gebied aanwezige bezittingen, werken of inrichtingen als bedoeld in artikel 2.”

2.4.

Voor het daadwerkelijke gebruik van het zoetwater dient de gebruiker te beschikken over een vergunning. Voor het verstrekken van een dergelijke vergunning worden door het waterschap geen leges geheven.

3 Geschil

3.1.

In geschil is of de aanslag terecht is opgelegd. Meer specifiek is in geschil of de Verordening rechtmatig is.

3.2.

Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken en ter zitting.

3.3.

Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vernietiging van de aanslag. De heffingsambtenaar concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

4 Beoordeling van het geschil

4.1.

Als gebruik wordt in de Verordening gedefinieerd ‘het nut van het stelsel van voorzieningen als inlaat- en meetmiddelen, filtersystemen, gemalen, stuwen en leidingen ten behoeve van de aan- en doorvoer van zoetwater in het watersysteem’. Naar het oordeel van de rechtbank is dat niet aan te merken als ‘gebruik’ in de zin van artikel 115 van de Waterschapswet. Het Waterschap zelf – en niet belastingplichtigen zoals belanghebbende – is de directe gebruiker van het genoemde stelsel aan voorzieningen in het kader van de uitvoering van de door hem opgenomen taak van zoetwatervoorziening. Het in de Verordening bedoelde ‘nut’ voor een belastingplichtige zoals belanghebbende is (kennelijk) gelegen in het ter beschikking hebben van zoet water om dat te kunnen gebruiken (mits daarvoor een vergunning wordt verkregen). Dat behelst echter geen gebruik van bezittingen, werken of inrichtingen als bedoeld in artikel 115 van de Waterschapswet. Door een recht te heffen ter zake van ‘het nut van het stelsel van voorzieningen als inlaat- en meetmiddelen, filtersystemen, gemalen, stuwen en leidingen ten behoeve van de aan- en doorvoer van zoetwater in het watersysteem’ is het Waterschap derhalve zijn in artikel 115 van de Waterschapswet neergelegde bevoegdheid tot heffing van rechten te buiten gegaan. De rechtbank is daarom van oordeel dat de Verordening onverbindend is.

4.2.

Gelet op het vorenstaande dient het beroep gegrond te worden verklaard.

5 Proceskosten en griffierecht

5.1.

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling, omdat niet is gesteld of aannemelijk is geworden dat belanghebbende kosten heeft gemaakt die op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor vergoeding in aanmerking komen.

5.2.

Met betrekking tot het griffierecht overweegt de rechtbank als volgt. De rechtbank stelt vast dat van belanghebbende abusievelijk ten onrechte een te hoog bedrag aan griffierecht is geheven. In het onderhavige geval is belanghebbende een griffierecht van € 45 verschuldigd. De rechtbank draagt daarom de griffier op om het teveel geheven griffierecht ten bedrage van € 286 aan belanghebbende te retourneren. Nu het beroep gegrond is verklaard, dient de heffingsambtenaar het van belanghebbende geheven griffierecht tot een bedrag van € 45 aan deze te vergoeden.

6 Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraak op bezwaar en de aanslag;

  • -

    gelast dat de heffingsambtenaar het door belanghebbende betaalde griffierecht tot een bedrag van € 45 aan deze vergoedt;

  • -

    draagt de griffier op om aan belanghebbende het van hem teveel geheven griffierecht ten bedrage van € 286 te retourneren.

Deze uitspraak is gedaan op 12 januari 2016 door mr. M.R.T. Pauwels, voorzitter, mr. C.A.F.M. Stassen en mr. W.A.P. van Roij, rechters, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. L. Arts, griffier.

De griffier, De voorzitter,

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Aan deze uitspraak hoeft eerst uitvoering te worden gegeven als de uitspraak onherroepelijk is geworden. De uitspraak is onherroepelijk als niet binnen zes weken na verzending van de uitspraak een rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtsmiddel is beslist (artikel 27h, derde lid en artikel 28, zevende lid AWR).

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.

Voor burgers is het mogelijk hoger beroep digitaal in te stellen. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van de formulieren op Rechtspraak.nl / Digitaal loket bestuursrecht.