Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2016:1067

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
22-02-2016
Datum publicatie
29-02-2016
Zaaknummer
4656787 AZ VERZ 15-207, 4837935 AZ VERZ 16-18, 4838756 AZ VERZ 16-19
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Werkneemster is in dienst bij een stichting op het gebied van de volkshuisvesting. Werkneemster beheert onder meer de registratie van woningzoekenden. Zij staat tezamen met haar man ingeschreven als woningzoekende bij deze stichting. In juni 2015 wijzigt zij de inschrijving van haar en van haar man. Zij splitst die inschrijving zodanig dat zij niet tezamen een woning zoeken, maar ieder apart. Gevolg daarvan is dat ieder van hen een woning toegewezen kan krijgen met een huurprijs lager dan de huurprijs van een sociale huurwoning waarbij de inkomsten van hen beide in aanmerking wordt genomen.

Werkgeefster ontslaat werkneemster op staande voet omdat zij er van uitgaat dat sprake is van frauduleuze bedoelingen. Volgens werkgeefster is het niet de bedoeling van werkneemster om apart te gaan wonen, maar is de werkelijke bedoeling tezamen voor een goedkopere huurwoning in aanmerking te komen.

De dringende reden komt niet vast te staan. De kantonrechter vernietigt ex artikel 7:681 BW de opzegging.

De werkgeefster verzoekt voor het geval de opzegging wordt vernietigd, ontbinding van de arbeidsovereenkomst.

Past voorwaardelijke ontbinding van de arbeidsovereenkomst in het nieuwe ontslagstelsel? Na ontbinding van de arbeidsovereenkomst op verzoek van de werkgever kan de rechter in hoger beroep de werkgever weliswaar veroordelen de arbeidsovereenkomst te herstellen met terugwerkende kracht tot het ontslag, maar die bevoegdheid legt volgens de kantonrechter weinig gewicht in de schaal. Te verwachten is dat het hof daarvan slechts in hoogst uitzonderlijke gevallen gebruik zal maken. Niet alleen in verband met het tijdsverloop (zoals door de wetgever reeds is voorzien), maar ook omdat er dan reeds is geprocedeerd tussen werkgever en werknemer in twee instanties, hetgeen de arbeidsverhouding doorgaans niet ten goede komt. De rechter in hoger beroep zal bij vernietiging van de beschikking tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst in eerste aanleg, veelal - in plaats van de werkgever te veroordelen de arbeidsovereenkomst te herstellen - een billijke vergoeding toekennen. Derhalve heeft voorwaardelijke de ontbinding van de arbeidsovereenkomst betekenis behouden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2016/586
TRA 2016/49 met annotatie van D.J. Buijs
RAR 2016/84
AR-Updates.nl 2016-0201
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Kanton Tilburg

Zaaknummers: 4656787 AZ VERZ 15-207 (verzoek ex artikel 7:681 BW), 4837935 AZ VERZ 16-18 (verzoek ex artikel 7:677 BW) en 4838756 AZ VERZ 16-19 (verzoek ex artikel 7:671b BW)

Beschikking van 22 februari 2016

in de zaak van

[verzoekster] ,

wonende in [woonplaats 1] ,

verzoekster inzake het verzoek ex artikel 7:681 BW (vernietiging opzegging), tevens verweerster tegen het verzoek ex artikel 7:677 BW (gefixeerde schadevergoeding) en het (voorwaardelijke) verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst ex artikel 7:671b BW,

gemachtigde: mr. [naam 1] ,

tegen:

de [verweerster] ,

gevestigd in [woonplaats 2] ,

verweerster inzake het verzoek ex artikel 7:681 BW (vernietiging opzegging), tevens verzoekster ex artikel 7:677 BW (gefixeerde schadevergoeding) en verzoekster ex artikel 7:671b BW (voorwaardelijk verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst),

gemachtigde: mr. [naam 2] .

Partijen worden hierna ook aangeduid als respectievelijk Werkneemster en Werkgeefster.

1 Het procesverloop

Dat blijkt uit:

  • -

    het verzoek, ter griffie ontvangen op 7 december 2015,aan de zijde van Werkneemster met producties;

  • -

    het verweerschrift aan de zijde van Werkgeefster met producties, tevens houdende een verzoek als bedoeld in artikel 7:677 BW en een verzoek (voorwaardelijk) als bedoeld in artikel 671b BW;

  • -

    de pleitnota aan de zijde van Werkneemster;

  • -

    het proces-verbaal van de zitting van 3 februari 2016.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 3 februari 2016. Daarbij is Werkneemster in persoon verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde, voornoemd. Namens Werkgeefster zijn verschenen [namen] bijgestaan door haar gemachtigde, voornoemd.

Beschikking is bepaald op heden.

2 Het geschil

Het verzoek

Werkneemster verzoekt:

I.

a.

de opzegging van de arbeidsovereenkomst van 16 november 2015 te vernietigen en Werkgeefster te veroordelen haar toe te laten tot de bedongen arbeid, versterkt met een dwangsom;

b.

Werkgeefster te veroordelen aan haar te betalen € 2.678,- per maand ter zake van loon vanaf 16 november 2015, “onder overlegging van een deugdelijke bruto/netto specificatie”, versterkt met een dwangsom, vermeerderd met de wettelijke verhoging alsmede met de wettelijke rente;

subsidiair, Werkgeefster te veroordelen aan haar te betalen:

c.

- € 6.695,- ter zake van transitievergoeding;

- “ een billijke vergoeding” ex artikel 7:681 BW;

d.

een en ander vermeerderd met vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten en proceskosten.

Werkgeefster heeft het verzoek bestreden.

Het tegenverzoek

Werkgeefster verzoekt:

a.

voorwaardelijk, voor het geval de opzegging van de arbeidsovereenkomst door de kantonrechter wordt vernietigd, de arbeidsovereenkomst met Werkneemster, zonder toekenning van een transitievergoeding, te ontbinden op grond van artikel 7:671b BW wegens verwijtbaar handelen (de in artikel 7:669, lid 3, BW genoemde grond sub e.), althans op grond van een verstoorde arbeidsverhouding (de in artikel 7:669, lid 3, BW genoemde grond sub g.);

b.

Werkneemster te veroordelen aan haar te betalen ter zake van gefixeerde schadevergoeding (ex artikel 7:677, lid 3, sub a, BW) € 2.596,81, met verklaring voor recht dat Werkneemster aan Werkgeefster een dringende reden voor ontslag heeft gegeven.

Werkneemster heeft hiertegen verweer gevoerd.

3 De beoordeling

In de verzoeken en de tegenverzoeken

3.1

Als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende weersproken alsmede op grond van de niet weersproken inhoud van de producties kan van het volgende worden uitgegaan.

a.

Werkneemster is bij Werkgeefster met ingang van 15 juni 2009 krachtens arbeidsovereenkomst in dienst getreden als “telefoniste/administratief medewerkster Woonservice”. Met ingang van 1 april 2015 is de functie gewijzigd in “medewerker facility” en met ingang van 5 oktober 2015 in de functie van medewerker verhuur- en verkoopadministratie.

b.

Laatstelijk bedroeg het loon bij een 32-urige werkweek € 2.404,45 bruto per maand, exclusief 8% vakantietoeslag, derhalve € 2.596,81 inclusief vakantietoeslag.

c.

Werkneemster is gehuwd met [naam 3] . Zij wonen gezamenlijk aan de [adres 1] . Deze woning wordt aan hen verhuurd door Werkgeefster.

d.

Werkgeefster beschikt over een “Dossier beheer” systeem. Daarin staan Werkneemster en [naam 3] geregistreerd als woningzoekende. In het “dossier” van Werkneemster is het volgende vastgelegd:

Datum (…) Contact met Notitie

08 juni 2015 [naam 1] Brief verstuurd ‘1.6b

Inschrijving splitsen-Bron

08 juni 2015 [naam 1] Inschrijving gesplitst naar nieuwe

Inschrijving (201506048)

Het “dossier” van [naam 3] is als volgt gemuteerd:

Datum (…) Contact met Notitie

08 juni 2015 [naam 1] Brief gestuurd ‘1.6a Inschrijving

Inschrijving splitsen’

08 juni 2015 [naam 1] Inschrijving gesplitst van ‘200906011’

17 augustus 2015 [naam 1] antwoordformulier [adres 2] niet

aanvaard

27 oktober 2015 [naam 1] Brief verstuurd ‘4.2a Aanbieding

Woning.’

29 oktober 2015 [naam 4] Woningzoekende is uitgeschreven met

reden: Woning geaccepteerd

e.

Bij antwoordformulier”, gedateerd 29 oktober 2015 heeft [naam 3] aan Werkgeefster het volgende te kennen gegeven:

“Ik aanvaard de woning wel met het adres [adres 3] (…)

de woning gaat bewonen met 1 perso(o)n(en).

Niet ingevuld is:

“hij/zij gehuwd is/gaat huwen/gaat samenwonen* met

naam :

adres :

postcode + woonplaats :

geboortedatum : “.

f.

De woning aan de [adres 4] hebben Werkneemster en [naam 3] bij formulier, gedateerd 4 november 2015, opgezegd. Daarbij hebben zij verklaard dat zij de huur willen beëindigen en de sleutels willen inleveren op 7 december 2015. Voorts hebben zij ingevuld:

“Reden huuropzegging (s.v.p. aankruisen wat van toepassing is)

(…)

Verhuizing naar een huurwoning”

In het formulier huuropzegging is verder verzocht om opgave van “uw nieuwe adres of correspondentieadres”. Daarbij is het verhuisadres [adres 3] opgeven alsmede dat dit het adres is van [naam 3] .

g.

In verband met deze mutatie heeft Werkneemster op 2 november 2015 tegenover [naam 5] , desgevraagd, bevestigd dat zij gaat verhuizen.

Op 6 november 2015 heeft Werkneemster – bij een teamuitje – gesproken met [naam 6] . Daarbij is gesproken over een verhuizing.

Op 11 november 2015 heeft Werkneemster een gesprek gehad met [namen] ). Zij heeft toen verklaard dat zij bij haar dochter ging wonen en dat zij misschien in een later stadium naar de [adres 4] zou verhuizen.

Na dit gesprek is Werkneemster door Werkgeefster “op non actief gesteld”.

Nadat collega’s zijn gehoord hebben [namen] , enerzijds, en Werkneemster, anderzijds, elkaar op 13 november 2015 nogmaals gesproken.

h.

Bij brief van 16 november 2015 heeft Werkgeefster aan Werkneemster onder meer het volgende medegedeeld:

“Wij zijn van mening dat u ten onrechte eigenhandig wijzigingen heeft aangebracht in de systemen van [naam 7] en dat u en uw partner onjuiste informatie hebben verstrekt, als gevolg waarvan uw partner ten onrechte in aanmerking is gekomen voor een sociale huurwoning. Ongeacht de vraag of u bewust frauduleus heeft gehandeld of, zoals u zelf stelt, gewoon dom bent geweest, heeft u bewust onjuiste informatie in de systemen van [naam 7] verwerkt, zonder dat u daartoe toestemming en/of instructie had. Hoewel wij u uitvoerig hebben gehoord naar aanleiding van onze bevindingen, heeft u ons geen passende en tevredenstellende verklaring kunnen geven voor uw handelwijze. Uw lezing van het gebeurde volgt ook op geen enkele wijze uit de onderliggende documentatie en al zeker niet uit de verklaringen van de verschillende collega’s. Was er al sprake geweest van een situatie zoals u omschrijft, dan had u dit eenvoudig in vertrouwen kunnen bespreken met een van uw collega’s of uw leidinggevende. Dit blijkt echter uit niets.

Uw handelwijze achten wij dusdanig ernstig dat wij per direct ieder vertrouwen in u hebben verloren, temeer gelet op de positie die u bekleedt van medewerker Verhuur- en Verkoopadministratie binnen onze organisatie. U heeft dan ook op grovelijke wijze de plichten veronachtzaamd die de met [naam 7] gesloten arbeidsovereenkomst u oplegt.

De bovenstaande ernstige gebeurtenissen zijn zowel individueel als in onderling verband gezien, voor ons aanleiding geweest om met ingang van heden, 16 november 2015, de arbeidsovereenkomst met u met onmiddellijke ingang op te zeggen.(…)”.

3.2

Werkgeefster heeft, naast het vorenstaande, aan haar onvoorwaardelijke verzoek ten grondslag gelegd, kort weergegeven, dat van haar niet gevergd kan worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren zodat sprake is van een dringende reden in de zin van artikel 7:678 BW.

3.3

Daartegen heeft Werkneemster, kort weergegeven, aangevoerd dat van een dringende reden geen sprake is omdat de splitsing van de registratie als woningzoekende correct is en zij in verband met huwelijkse problemen voornemens was na de verhuizing niet te gaan wonen aan het adres [adres 4] , maar in een woning aan de [adres 5] , waar een nichtje eind december 2015 uit vertrok en dat zij tussen 7 december 2015 en eind december 2015 (ter overbrugging) tijdelijk bij haar dochter zou gaan wonen. Toen zij de huuropzegging op 4 november 2015 ondertekende was nog geen huurovereenkomst gesloten voor de woning aan de [adres 5] , reden waarom zij dat adres niet heeft opgegeven als nieuw adres.

Voorts heeft Werkneemster aangevoerd dat zij en [naam 3] de opzegging van de huur betreffende de woning aan de [adres 3] bij brief van 16 november 2015 hebben ingetrokken omdat Werkneemster door Werkgeefster werd ontslagen waardoor zij andere woonruimte niet meer kon betalen.

Beoordeling opzegging

3.4.1

Tussen partijen is niet in geschil, en mitsdien staat vast, dat Werkgeefster in haar hoedanigheid van verhuurster de woning aan de [adres 4] niet aan de echtgenoot van Werkneemster zou hebben aangeboden indien de inschrijving van Werkneemster en haar echtgenoot niet door Werkneemster zou zijn gesplitst. Zonder splitsing worden de inkomsten van beide (gehuwde) partners bij elkaar opgeteld, en zou het resultaat zijn geweest dat het gezamenlijke inkomen te hoog zou zijn geweest voor toewijzing van deze sociale huurwoning.

3.4.2

Volgens Werkgeefster heeft Werkneemster de inschrijving als woningzoekende ten onrechte gesplitst omdat van een echtscheiding geen sprake was, noch van gescheiden leven.

Werkneemster heeft omtrent haar voornemen de samenwoning met [naam 3] te verbreken, verwezen naar verklaringen van haar zus, twee dochters, een nichtje en [naam 3] . Samengevat verklaren zij dat zij sedert de zomer van 2015 gesprekken hebben gevoerd over de huwelijkse problemen.

3.4.3

Naar het oordeel van de kantonrechter is op grond van de niet weersproken inhoud van deze verklaringen niet onaannemelijk dat Werkneemster in verband met huwelijkse problemen in juni 2015 heeft besloten bij toewijzing van een andere woning elders te gaan wonen, zodat de splitsing van de registratie als woningzoekende niet onterecht was. Dat zij dit voornemen niet heeft gedeeld met haar collega’s is, gelet op de achtergrond daarvan, niet onbegrijpelijk, zodat hetgeen collega’s daaromtrent hebben verklaard niet van doorslaggevende betekenis is.

De (eigenhandige) wijziging van de registratie als woningzoekende (niet langer gezamenlijk, maar van Werkneemster en haar echtgenoot afzonderlijk) en hetgeen zij dienaangaande met haar collega’s heeft besproken levert dan ook geen dringende reden op, die ontslag op staande voet rechtvaardigt. Weliswaar treft Werkneemster het verwijt dat zij de mutaties aangaande de registraties als woningzoekende van haar en echtgenoot [naam 3] zelf in het systeem van Werkgeefster heeft doorgevoerd (omdat voorzienbaar is dat zij daarmee de schijn van misbruik van haar positie als medewerker facility kon wekken), maar het feit dat zij dat niet aan een ander heeft overgelaten (in het bijzonder aan haar leidinggevende die zij daarbij in vertrouwen had kunnen nemen), leidt niet tot het oordeel dat sprake is van een dringende reden voor ontslag op staande voet omdat dit aan de juistheid van de mutaties, indien het voornemen daadwerkelijk bestond, niet afdoet.

3.4.4

Werkgeefster heeft betwist dat dit voornemen daadwerkelijk bestond. In dat verband heeft zij verwezen naar het feit dat Werkneemster bij de huuropzegging op 4 november 2015 geen ander adres heeft vermeld, dat zij in gesprekken met collega’s heeft verklaard dat zij wist dat haar echtgenoot zonder splitsing niet voor de toegewezen woning in aanmerking kwam en dat zij de opzegging van de huurovereenkomst betreffende de woning aan de [adres 3] heeft herroepen, zodat zij nu nog steeds met [naam 3] samenwoont aan de [adres 4] .

Hoezeer valt te begrijpen dat Werkgeefster twijfelt aan de bedoelingen van Werkneemster, is op grond van deze (uitwendige) omstandigheden niet komen vast te staan dat het (niet geopenbaarde) voornemen bij Werkneemster de samenwoning met [naam 3] (om te beginnen: tijdelijk) te verbreken, niet daadwerkelijk bestond. Weliswaar heeft Werkneemster bij de huuropzegging haar nieuwe adres niet vermeld, maar zij heeft – door Werkgeefster onweersproken – verklaard dat op 4 november 2015 nog geen huurovereenkomst was ondertekend betreffende de woonruimte aan de [adres 5] , zodat zij nog geen zekerheid had omtrent haar nieuwe adres. Uit het feit dat zij de opzegging van de huur betreffende de [adres 3] heeft herroepen, kan evenmin worden afgeleid dat het bedoelde voornemen heeft ontbroken omdat de herroeping samenviel met haar ontslag.

3.4.5

Tot slot heeft hierbij gewogen dat gesteld noch gebleken is, dat indien de partners nog gehuwd zijn, maar de samenleving feitelijk is verbroken, niettemin het gezamenlijke inkomen in aanmerking moet worden genomen ter beantwoording van de vraag of betrokkene voor een sociale huurwoning in aanmerking komt. De stelling van Werkgeefster dat Werkneemster wist dat haar echtgenoot niet voor een sociale huurwoning in aanmerking kwam omdat zij nog gehuwd was, legt dan ook geen gewicht in de schaal. Desgevraagd ter zitting is zijdens Werkgeefster ook erkend dat een woningzoekende niet de verbreking van de samenwoning of de ontbinding van het huwelijk bij een echtscheidingsbeschikking hoeft af te wachten om zich als “zelfstandig” woningzoekende bij haar in te schrijven.

3.4.6

Werkgever dient het bestaan van de dringende reden te bewijzen. In rechte niet is komen vast te staan dat het voornemen om op een ander adres dan [naam 3] te gaan wonen bij Werkneemster ontbrak toen zij de splitsing van de inschrijving als woningzoekende van haar en haar echtgenoot registreerde. Het feit dat Werkneemster niet haar leidinggevende heeft gevraagd deze mutatie te registreren, maar dat zelf heeft gedaan is niet van zodanige ernst dat daardoor ontslag op staande voet wordt gerechtvaardigd. Ter zitting is zijdens Werkgeefster erkend dat Werkneemster op grond van haar functie bevoegd was tot het registeren van de mutatie en de reden van de mutatie (huwelijkse problemen) is geen onderwerp waarvan door Werkgeefster kan worden gevergd dat Werkneemster deze met een of meer collega’s deelt.

3.5.1

Nu een dringende reden voor de beëindiging van de van de arbeidsovereenkomst niet is komen vast te staan, dient, zoals gevorderd door Werkneemster, de opzegging van de arbeidsovereenkomst door Werkgeefster bij brief van 16 november 2015 te worden vernietigd.

3.5.2

Om voormelde reden dient de door Werkgeefster verzochte gefixeerde schadevergoeding als bedoeld in artikel 7:677, lid 3, sub a, BW te worden afgewezen.

3.5.3

Om dezelfde reden dient de door Werkgeefster verzochte verklaring voor recht dat Werkneemster aan Werkgeefster een dringende reden heeft gegeven eveneens te worden afgewezen.

3.6

Werkneemster heeft, blijkens haar verzoekschrift, ter griffie ontvangen op 7 december 2015, aanspraak gemaakt op betaling loon vanaf de datum van opzegging (16 november 2015).

Hiervoor is reeds overwogen dat de opzegging van de arbeidsovereenkomst bij brief van 16 november 2015 voor vernietiging in aanmerking komt. Het rechtsgevolg van de vernietiging is dat Werkneemster de aanspraak op loon heeft behouden. Het gevorderde loon dient dan ook op na te melden wijze te worden toegewezen vanaf 16 november 2015 totdat de arbeidsovereenkomst op rechtsgeldige wijze is geëindigd.

Verzoek ontbinding arbeidsovereenkomst

3.7.1

Werkgeefster heeft bij wege van tegenverzoek om ontbinding van arbeidsovereenkomst verzocht in het geval de opzegging wordt vernietigd. Door de vervulling van deze voorwaarde komt de kantonrechter toe aan de beoordeling van het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst.

3.7.2

Volgens Werkneemster past voorwaardelijke ontbinding van de arbeidsovereenkomst na ontslag op staan de voet niet meer in het wettelijke ontslagstelsel zoals dat met ingang van 1 juli 2015 van kracht is. Werkgeefster heeft dat betwist en gesteld dat zij bij ontbinding vang van de arbeidsovereenkomst belang heeft behouden.

3.7.3

Weliswaar kan de rechter in hoger beroep op grond van artikel 7:683, lid 3, BW, na ontbinding van de arbeidsovereenkomst door de kantonrechter, de werkgever veroordelen de arbeidsovereenkomst (met terugwerkende kracht tot de datum van ontslag) te herstellen (met als gevolg dat de ontbinding alsnog ongedaan wordt gemaakt), maar dat leidt er niet toe dat de werkgever geen belang heeft bij de ontbinding van de arbeidsovereenkomst door de kantonrechter.

Het is geenszins zeker dat het hof na ontbinding van de arbeidsovereenkomst door de kantonrechter op verzoek van de werknemer de werkgever zal veroordelen tot herstel van de arbeidsovereenkomst (met als gevolg dat de loonbetalingsverplichting ondanks de ontbinding van de arbeidsovereenkomst herleeft). Het hof kan op grond van artikel 7:683, lid 3, BW aan de werknemer in plaats daarvan een billijke vergoeding toekennen, zodat de ontbinding van de arbeidsovereenkomst in dat geval niet ongedaan wordt gemaakt.

Bovendien legt de bevoegdheid van het hof om na ontbinding van de arbeidsovereenkomst door de kantonrechter de werkgever tot herstel van de arbeidsovereenkomst te veroordelen weinig gewicht in de schaal omdat de kans dat het hof de werkgever daartoe zal veroordelen, bijzonder gering is. Terugkeer naar de werkvloer is voor zowel de werkgever als de werknemer weinig aantrekkelijk, niet alleen vanwege het tijdsverloop (in dit verband wordt verwezen naar kamerstukken I 2013/14, 33818, C, pag.114/ Parlementaire Geschiedenis Wet Werk en Zekerheid, SDU, pag. 990), maar ook vanwege het feit dat de rechter er (in twee instanties) aan te pas is moeten komen, hetgeen de arbeidsverhouding (doorgaans) niet ten goede komt.

Omdat het hof naar verwachting de werkgever in de meeste gevallen niet tot herstel van de arbeidsovereenkomst zal veroordelen, heeft de ontbinding van de arbeidsovereenkomst na ontslag op staande voet dan ook betekenis behouden.

3.8.1

Werkgeefster heeft primair aan het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst verwijtbaar handelen van Werkneemster als bedoeld in artikel 7:669, lid 3, sub e, BW ten grondslag gelegd. Volgens Werkgeefster bestaat het verwijtbaar handelen in “het frauduleus handelen door onjuiste informatie te verstrekken en (ter bevoordeling van haarzelf dan wel haar echtgenoot) wijzigingen door te voeren in de systemen van [naam 7] ” (verweerschrift sub 14).

3.8.2

Zoals hiervoor overwogen onder 3.4, is niet komen vast te staan dat bij Werkneemster het voornemen om op een ander adres te gaan wonen dan haar echtgenoot, reden om de inschrijving als woningzoekende te splitsen, niet daadwerkelijk bestond. Voor die splitsing behoefde zij voorts geen inschrijving van de echtscheidingsbeschikking of de feitelijke verbreking van de samenwoning af te wachten. Dat zij terughoudend is geweest om collega’s over de reden van de splitsing te informeren, of collega’s daarover zelfs onjuist heeft geïnformeerd is, gelet op de achtergrond daarvan (huwelijkse problemen), niet onbegrijpelijk.

Verwijtbaar handelen aan de zijde van Werkneemster is, gelet hierop, niet komen vast te staan.

3.8.3

Subsidiair heeft Werkgeefster aan het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst een verstoorde arbeidsverhouding ten grondslag gelegd.

Ter zitting is gebleken dat de arbeidsverhouding van partijen is verstoord. Werkgever heeft in dit verband gesteld dat “geen enkel vertrouwen meer bestaat in voortzetting van het dienstverband”. Werkneemster verwijt Werkgeefster “flagrante onwaarheid” (pleitnota sub 32) en kwalificeert de stellingen van Werkgeefster als een “complottheorie” (pleitnota sub 35).

Gelet hierop is sprake van een verstoorde arbeidsverhouding, zodanig dat van Werkgeefster niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Hierbij heeft, naast het vorenstaande, gewogen dat het in de gegeven omstandigheden op de weg van Werkneemster had gelegen om de mutaties aangaande de registratie als woningzoekende van haar en haar echtgenoot [naam 3] in het beheersysteem van Werkgeefster niet zelf door te voeren, maar over te laten aan haar leidinggevende (of een andere derde), teneinde de schijn te vermijden dat zij misbruik maakte van haar positie als medewerker facility. Daarbij zou zij er weliswaar niet aan zijn ontkomen die derde op de hoogte te stellen van de achtergrond van de mutaties (haar huwelijkse problemen), maar daaraan had zij de voorkeur moeten geven omdat voorzienbaar is dat het eigenhandig zonder (adequate) toelichting doorvoeren van de mutaties het vertrouwen van Werkgeefster in haar schaadt.

Derhalve is er aanleiding de arbeidsovereenkomst van partijen te ontbinden.

De termijn van artikel 7:671b, lid 8, sub a., BW in aanmerking genomen, dient de arbeidsovereenkomst te worden ontbonden met ingang van 1 maart 2016.

Loon c.a.

3.9.1

Omtrent de loonvordering c.a. wordt overwogen als volgt.

Werkneemster heeft betaling van loon gevorderd vanaf de datum van ontslag (16 november 2015) “tot de dag dat de dienstbetrekking rechtsgelding zal zijn geëindigd”.

Het vorenoverwogene in aanmerking genomen dient het loon te worden toegewezen over het tijdvak van 16 november 2015 tot en met 29 februari 2016.

Gelet hierop en in aanmerking genomen het hiervoor onder 3.1 sub b. genoemde loon inclusief vakantiebijslag, dient te worden toegewezen:

  • -

    € 1.202,22 bruto ter zake van loon over november 2015, vermeerderd met de wettelijke rente hierover vanaf 1 december 2015;

  • -

    € 2.404,45 bruto ter zake van loon over december 2015, vermeerderd met de wettelijke rente hierover vanaf 1 januari 2016;

  • -

    € 2.404,45 bruto ter zake van loon over januari 2016, vermeerderd met de wettelijke rente hierover vanaf 1 februari 2016;

  • -

    € 2.404,45 bruto ter zake van loon over februari 2016, vermeerderd met de wettelijke rente hierover vanaf 1 maart 2016,

  • -

    € 673, 24 bruto ter zake van vakantiebijslag, vermeerderd met de wettelijke rente hierover vanaf 1 maart 2016,

  • -

    de rente telkens tot de dag der algehele voldoening.

3.9.2

De wettelijke verhoging wordt, zoals gebruikelijk, beperkt tot 10%, derhalve tot € 908,88, aangezien bijzondere redenen om een hoger bedrag toe te wijzen, zijn gesteld, noch gebleken. De mede gevorderde wettelijke rente hierover dient als niet weersproken en op de wet gegrond te worden toegewezen met ingang van 1 maart 2016.

3.9.3

Werkneemster vordert Werkgeefster te veroordelen tot het verstrekken van een opgave als bedoeld in artikel 7:626 BW (een loonspecificatie),versterkt met een dwangsom.

Dit onderdeel van de vordering dient te worden afgewezen omdat het iedere feitelijke grondslag ontbeert. Dat Werkgeefster in het verleden met het verschaffen van loonspecificaties in verzuim is geweest, is gesteld, noch gebleken.

Vergoeding

3.10.1

Voor het geval de opzegging niet wordt vernietigd heeft Werkneemster bij inleidend verzoekschrift subsidiair verzocht een transitievergoeding toe te kennen als bedoeld in artikel 7:673 BW alsmede de billijke vergoeding als bedoeld in artikel 7:681, lid 1, BW.

Aangezien deze voorwaarde niet in vervulling gaat (de opzegging wordt wel vernietigd), komt de kantonrechter niet toe aan een beoordeling van dit onderdeel van het verzoek aan de zijde van Werkneemster. In het kader van de ontbinding van de arbeidsovereenkomst wordt wel toegekomen aan de beoordeling van de vergoeding.

3.10.2

Op grond van artikel 7:673, lid 1, BW is de werkgever aan de werknemer een transitievergoeding verschuldigd onder meer als de arbeidsovereenkomst op verzoek van de werkgever wordt ontbonden. Op grond van het zevende lid is geen transitievergoeding verschuldigd indien het eindigen van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de Werkneemster.

3.10.3

Zoals hiervoor sub 3.8 overwogen is (ernstig) verwijtbaar handelen aan de zijde van Werkneemster niet komen vast te staan zodat er aanleiding is de transitievergoeding als bedoeld in artikel 7:673 BW toe te kennen.

Werknemer heeft gesteld dat de transitievergoeding € 6.695,- bruto bedraagt. Werkgever heeft dat niet weersproken zodat dit bedrag voor toewijzing in aanmerking komt.

3.10.4

In artikel 7:671b, lid 8, BW is (sub c.) bepaald dat indien de kantonrechter het verzoek om ontbinding van de arbeidsovereenkomst inwilligt hij aan de werknemer een billijke vergoeding kan toekennen indien de ontbinding van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever. Een specifiek verzoek daartoe van de werknemer is niet vereist.

Ter zitting heeft Werkneemster zich op het standpunt gesteld dat Werkgeefster een ernstig verwijt treft omdat zij haar ten onrechte op staande voet heeft ontslagen.

Werkgeefster heeft zich daarentegen op het standpunt gesteld dat op voormelde gronden Werkneemster een ernstig verwijt treft.

Werkgeefster treft het verwijt dat zij Werkneemster ontslagen heeft op staande voet, zonder dat een dringende reden daarvoor is komen vast te staan. Daar staat tegenover dat Werkneemster, zoals hiervoor sub 3.8.3 is overwogen, jegens Werkgeefster de schijn heeft gewekt van – kort weergegeven – onzuiver handelen, terwijl zij die schijn had kunnen voorkomen. Een en ander afwegende is weliswaar sprake van verwijtbaar handelen aan de zijde van Werkgeefster, maar niet van ernstig verwijtbaar handelen. Derhalve is er geen aanleiding om naast de transitievergoeding in verband met de ontbinding van de arbeidsovereenkomst een billijke vergoeding toe te kennen.

3.11

Met inachtneming van artikel 7:686, lid 7, BW wordt Werkgeefster op na te melden wijze in de gelegenheid gesteld haar verzoek in te trekken.

3.12

De door Werkneemster gevorderde vergoeding van buiten gerechtelijke incassokosten dient te worden afgewezen omdat van werkzaamheden ter verkrijging van betaling buiten rechte niet is gebleken.

3.13

De door Werkneemster verzochte veroordeling van Werkgeefster haar “in staat te stellen haar werkzaamheden op de normale gebruikelijke wijze te hervatten” (versterkt met een dwangsom), dient - gelet op de ontbinding van de arbeidsovereenkomst met ingang van 1 maart 2016 - bij gebrek aan voldoende belang te worden afgewezen.

Voor het geval Werkgeefster het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst mocht intrekken, dient dit onderdeel van het verzoek van Werkneemster alsmede de gevorderde veroordeling tot betaling van loon te worden toegewezen op na te melden wijze.

4 De kosten

Inzake de verzoeken en de tegenverzoeken

Aangezien partijen over en weer deels in het ongelijk zijn gesteld, dienen de kosten van deze procedure te worden gecompenseerd in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5 De beslissing

De kantonrechter

Inzake de verzoeken en de tegenverzoeken

stelt Werkgeefster in de gelegenheid gebruik te maken van haar recht om het verzoekschrift tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst in te trekken en wel uiterlijk op 29 februari om 14.00 uur door schriftelijke kennisgeving daarvan aan de gemachtigde van Werkneemster en de kantonrechter;

A.

voor het geval Werkgeefster van haar recht geen gebruik wenst te maken:

I.

ontbindt de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst op grond van een verstoorde arbeidsverhouding (7:669, lid 3, sub g. BW) met ingang van 1 maart 2016;

II.

veroordeelt Werkgeefster aan Werkneemster te betalen:

  • -

    € 1.202,22 bruto ter zake van loon over november 2015, vermeerderd met de wettelijke rente hierover vanaf 1 december 2015;

  • -

    € 2.404,45 bruto ter zake van loon over december 2015, vermeerderd met de wettelijke rente hierover vanaf 1 januari 2016;

  • -

    € 2.404,45 bruto ter zake van loon over januari 2016, vermeerderd met de wettelijke rente hierover vanaf 1 februari 2016;

  • -

    € 2.404,45 bruto ter zake van loon over februari 2016, vermeerderd met de wettelijke rente hierover vanaf 1 maart 2016,

  • -

    € 673, 24 bruto ter zake van vakantietoeslag, vermeerderd met de wettelijke rente hierover vanaf 1 maart 2016,

  • -

    de rente telkens tot de dag der algehele voldoening

III.

veroordeelt Werkgeefster aan Werkneemster te betalen € 908,88 ter zake van wettelijke verhoging, vermeerderd met de wettelijke rente hierover vanaf 1 maart 2016 tot de dag der algehele voldoening;

IV.

veroordeelt Werkgeefster aan Werkneemster te betalen € 6.695,- bruto ter zake van transitievergoeding;

B.

voor het geval Werkgeefster van haar recht tot intrekking van het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst gebruik wenst te maken:

I.

veroordeelt Werkgeefster aan Werkneemster te betalen:

  • -

    € 1.202,22 bruto ter zake van loon over november 2015, vermeerderd met de wettelijke rente hierover vanaf 1 december 2015;

  • -

    € 2.404,45 bruto ter zake van loon over december 2015, vermeerderd met de wettelijke rente hierover vanaf 1 januari 2016;

  • -

    € 2.404,45 bruto ter zake van loon over januari 2016, vermeerderd met de wettelijke rente hierover vanaf 1 februari 2016;

  • -

    € 2.404,45 bruto ter zake van loon over februari 2016, vermeerderd met de wettelijke rente hierover vanaf 1 maart 2016,

  • -

    € 673, 24 bruto ter zake van vakantietoeslag, vermeerderd met de wettelijke rente hierover vanaf 1 juli 2016,

  • -

    de rente telkens tot de dag der algehele voldoening;

II.

veroordeelt Werkgeefster aan Werkneemster ter zake van loon te betalen € 2.404,45 bruto per maand, exclusief vakantietoeslag, met ingang van 1 maart 2016 totdat de arbeidsovereenkomst op rechtsgeldige wijze zal zijn geëindigd;

III.

veroordeelt Werkgeefster aan Werkneemster te betalen € 908,88 ter zake van wettelijke verhoging, vermeerderd met de wettelijke rente hierover vanaf 1 maart 2016 tot de dag der algehele voldoening;

IV.

veroordeelt Werkgeefster Werkneemster toe te laten tot de bedongen arbeid;

veroordeelt Werkgeefster om ingeval zij (binnen zeven dagen na betekening van deze beschikking) in gebreke mocht blijven aan deze veroordeling te voldoen, aan Werkneemster een dwangsom te betalen van € 100,- per dag, echter tot een maximum van € 25.000,-;

en zowel bij handhaving als bij intrekking van het verzoek

I.

compenseert de kosten van deze procedure in die zin dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.

II.

wijst alle overige verzoeken over en weer af;

Deze beschikking is gewezen door mr. F.G.P.M. Spreuwenberg, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 22 februari 2016.